Archive for Uncategorized

Oss

Ik denk dat iedereen die gisteren het nieuws hoorde of las zich wel even in hen heeft verplaatst.

In de leidster van een kinderdagverblijf die de pech heeft dat haar stint met vijf kinderen erin op hol slaat. Met vervolgens de nog grotere pech dat dit pal voor een spoorwegovergang gebeurt. En de extreme pech dat er net een trein aankomt.

In de treinmachinist die z’n duizenden kilo’s metaal op volle vaart op een kar met kleine kinderen af ziet denderen en niets meer kan doen. En die misschien hun laatste, bange blikken nog ziet voordat hij uit een reflex wegkijkt.

In de ouders die achterblijven in een huis met jasjes die nooit meer gedragen zullen worden, bedjes die nooit meer beslapen zullen worden, beertjes die nooit meer geknuffeld zullen worden, speelgoed dat voortaan opgeborgen blijft. Ouders die nog wel eens terug zullen denken aan hoe het ze ooit irriteerde dat de vloer bezaaid lag met dat speelgoed. Ouders die alles op zouden offeren om dat weer terug te krijgen.

Het drama dat zich gisteren voltrok in Oss raakte een zenuw bij mij, als vader van jonge kinderen die ook naar een kinderdagverblijf gaan. Meer nog dan al het andere nare nieuws dat we vrijwel dagelijks tot ons krijgen. Ik wilde het niet, maar het was moeilijk om het niet op mezelf te projecteren.

Vandaag kwamen op Twitter nog altijd de te verwachte reacties in grote getalen voorbij. Verdriet, onbegrip, steunbetuigingen. Hier en daar een eikel die het de leidster verweet dat ze niet “gewoon” haar stuur om had gegooid. En ouders die schreven dat ze gisterenavond zomaar even hadden staan kijken terwijl hun eigen kinderen sliepen. En dat ze hun kinderen nog meer knuffels en kusjes hadden gegeven dan normaal. Dat vond ik mooi. Een deel van al die knuffels en kusjes die de omgekomen kinderen eigenlijk nog tegoed hadden, kwamen zo indirect toch nog goed terecht.

Ik herkende de emoties. Ik zat gisteren op mijn werk best in m’n maag met het nieuws en wilde eigenlijk niets liever dan meteen naar huis rijden, de kinderen ophalen van het kinderdagverblijf en ze knuffelen zo lang als dat van ze mocht.

Dat laatste is exact wat ik gisterenavond meer dan eens heb gedaan. Omdat het kon.

Advertenties

Leave a comment »

De helft

20180912_173148(1)

Vrolijk loopt Anne met me mee naar de auto. Een stukje rijden vindt ze altijd leuk, evenals boodschappen doen. Haar tweelingzusje doorgaans ook. Maar als we bijna bij de auto zijn, stopt Anne. Ze kijkt naar ons huis. Ze roept “Sam?” en begint te huilen. Ik til haar op, loop terug en ga weer met haar naar binnen. In de woonkamer zet ik haar neer. Ze stopt met huilen. Maar als ik aanstalten maak om dan maar alleen naar de winkel te gaan, wil ze toch weer mee. En dat herhaalt zich enkele keren. Uiteindelijk zet ze door. Bij poging vier kijkt ze nog even vertwijfeld achterom naar de voordeur, maar loopt ze toch dapper naar de auto.

Onze dochters zijn altijd samen. Toen ze een paar maanden oud waren, is Sam twee of drie keer zonder haar zusje naar een kinderfysiotherapeut geweest in verband met de scheefgroei van haar hoofd, dat waren volgens mij de enige keren in hun tweejarige leventjes dat ze even niet op z’n minst in hetzelfde gebouw waren. Anne weet niet beter dan dat Sam altijd bij haar is, en andersom. Maar nu heb ik op de vraag of ze met papa mee willen gaan naar de Albert Heijn twee verschillende antwoorden gekregen.

Het voelt voor mij ook wel een beetje gek, van huis zijn met maar de helft van onze tweeling. Mijn jongste dochter heeft er inmiddels vrede mee. Ze zit vrolijk in het kinderzitje van het winkelwagentje, met een zak broodjes en een peperkoek in haar handen. En ik vind het eigenlijk wel wat hebben, heel eventjes alle aandacht kunnen richten op één kind. Ze hoeft papa nu niet met haar zus te delen en thuis heeft Sam eventjes mama (en al het speelgoed) voor zichzelf.

Veel plezier heeft Sam daar niet van. Bij thuiskomst krijg ik te horen dat ze toch wel erg verdrietig was. Maar nu Anne weer thuis is, is het goed.

De volgende ochtend hoor ik om zes uur gehuil. Ik ga kijken in de kinderkamer. Sam is half wakker en is haar tutje kwijt. Ik schijn met mijn telefoon in haar bed, vind het tutje en geef het aan haar. Met haar ogen nog dicht vraagt ze “Anne ook tutje?”. Ik schijn even op Anne. Ze ligt nog te pitten, met haar tut in de mond. “Anne heeft haar tut nog, schatje”, zeg ik. Sam draait zich om en gaat weer slapen.

Het lijkt me heerlijk om de helft te zijn van een tweeling…

Leave a comment »

1982

1982

Mijn vroegste herinneringen dateren van toen ik vier jaar oud was. Het zijn korte flarden die ik 35 jaar geleden in mijn hoofd op heb geslagen en die vrij helder zijn blijven hangen.

De peuterspeelzaal. Tegen de muur staat een grote rechthoekige houten kist, waarin het speelgoed bewaard wordt. Sommige kinderen zijn al opgehaald door hun ouders, mijn beste vriend Jeroen en ik nog niet. We gaan naar de kist en smijten al het speelgoed eruit. We gaan erin zitten en besluiten dat dit de pakjesboot van Sinterklaas is. Ik voel me nu een stuk dapperder dan een paar weken eerder. Toen was ik in huilen uitgebarsten bij een bezoek van Sinterklaas en Zwarte Piet aan de peuterspeelzaal. Ik snapte dat ook niet zo goed. De levensgrote kartonnen Zwarte Piet die al weken in het klaslokaal stond vond ik helemaal niet zo eng.

De kleuterschool. In de pauze gaan we regelmatig voetballen. Ik snap het spel nog niet echt. Waarom moeten we nou met de bal naar hún goal? We hebben toch zelf ook een goal, waarom proberen we de bal niet gewoon dáár in te schoppen? En een goal “maken”, hoe gaan we dat dan doen? Waar halen we een hamer, spijkers, twee palen en een lat vandaan? Afijn, als we weer naar binnen moeten, vraag ik aan een klasgenootje hoeveel het geworden is. Mijn vader is voetballiefhebber en wil altijd uitslagen weten. Deze zal hij dan vast ook interessant vinden. Terug in het klaslokaal scheur ik een hoekje af van een vel papier en schrijf daar de uitslag op, zodat ik ‘m niet zal vergeten. Daar maak ik een gewoonte van. Na een tijdje wordt de klas vermanend toegesproken door de juffrouw, die nu toch eens wil weten wie steeds een hoekje afscheurt van die grote, dure vellen gekleurd knutselpapier.

De slaapkamer van mijn neef Tim. Deze herinnering kan ik een exacte datum geven: vrijdag 5 augustus 1983. Mijn broer Roel en ik logeren hier, omdat bij mijn moeder de weeën zijn begonnen. Zoals in die tijd vrij gebruikelijk weten mijn ouders nog niet of ze een meisje of voor de derde keer een jongen krijgen. Ze hebben me al verteld welke namen ze bedacht hebben. De jongensnaam, Ben, vind ik leuk, maar met de meisjesnaam, Elske, ben ik het helemaal niet eens. Mijn ouders hebben mijn protesten echter in de wind geslagen. Een eventueel zusje gaat Elske heten, punt uit. En dat is waarom ik vurig hoop op nog een broertje. Mijn tante Annelies komt de slaapkamer binnen, met het nieuws dat Ben is geboren. Roel en ik beginnen vrolijk op het bed te springen. Een jongen, geen Elske. Net goed!

Nogmaals de peuterspeelzaal. Boos kijk ik naar mijn bakje gemengd fruit. Ik heb een appel meegekregen van thuis. Maar al het meegenomen fruit hebben we in moeten leveren, dat is vervolgens op een hoop gegooid, in stukjes gesneden en verdeeld. Ik vind het maar niks. Wat doen die andere kinderen met míjn appel?

Ik werd vier jaar oud in 1982. Uit dat jaar stammen mijn vroegste herinneringen.

Een tijdje geleden was ik aan het bladeren door een boek met feitjes uit de Top 40. Er viel me iets op. Van mijn geboortejaar 1978 tot 1981 zijn heus wel nummers gemaakt die ik leuk vind. Maar 1982 is anders. In dat jaar stonden liedjes in de Top 40 waar ik nu écht een beetje weemoedig van word. Die me hetzelfde gevoel geven als bladeren door mijn oude fotoalbums. ‘I Won’t Let You Down’ van PhD. ‘Maid of Orleans’ van OMD. ‘De Bom’ van Doe Maar. ‘Words’ van FR David. ‘I’ll Find My Way Home’ van Jon & Vangelis. ‘Golden Brown’ van The Stranglers. Voor mij hebben die liedjes iets magisch. Thuis stond overdag altijd de radio aan en blijkbaar hebben die nummers heel vroeg al indruk op me gemaakt. Ze zijn nu de soundtrack van mijn vroegste herinneringen.

Mijn dochters zijn nu bijna twee. Wellicht gaan over een jaar of twee ook hun vroegste herinneringen beginnen. Ik vind het best spannend om daar een rol in te gaan spelen. Ik ga in elk geval m’n best doen om te zorgen dat er dan veel goede muziek te horen is in huis.

Comments (1) »

Jesse-Owens-Allee

20180705_135659.jpg

Berlijn, donderdag 5 juli 2018, iets na twaalf uur ’s middags. Linda en ik hebben net onze kaartjes voor het concert van Pearl Jam in de Waldbühne opgehaald en hebben nog wat uurtjes te doden voordat we in de rij gaan staan voor een goed plekje. We besluiten om naar het vlakbij gelegen Olympiastadion te lopen, in de hoop dat we daar even binnen kunnen kijken. We worden niet teleurgesteld, we kunnen een rondleiding nemen met gids.

Het Olympiastadion is tegenwoordig één van de meest voorname voetbalstadions van Europa. Er werd in gespeeld tijdens de WK’s van 1974 en 2006. Twaalf jaar geleden vond hier bovendien de finale plaats, tussen Frankrijk en Italië, de wedstrijd waarin Zinédine Zidane een rode kaart kreeg voor een kopstoot op de borst van Marco Materazzi. En in 2015 vond in dit stadion de Champions League-finale plaats, tussen Barcelona en Juventus.

Maar veel belangrijker nog is dat hier de Olympische Zomerspelen van 1936 gehouden werden. Deze editie is een zwart hoofdstuk in de geschiedenis van de Spelen, omdat de in 1934 aan de macht gekomen Duitse leider Adolf Hitler het evenement naar zich toetrok en stevig misbruikte voor propagandadoeleinden. Joden en niet-blanken werden ontmoedigd om deel te nemen, omdat het toch wel de bedoeling was dat de wereld te zien kreeg dat de Ariërs, de zogenaamde Übermenschen, superieur waren.

De grote held van deze Spelen werd Jesse Owens. Hij won goud op de honderd meter, de tweehonderd meter, de vier keer honderd meter estafette en bij het verspringen. En Jesse Owens was geen grote, brede Duitser met een blonde kuif en staalblauwe ogen. Hij was een zwarte Amerikaan. Hitler liet het uiterlijk niet blijken, hij wilde als een wolf in schaapskleren toch nog een beetje de schijn ophouden, maar hij zal dit ongetwijfeld verschrikkelijk hebben gevonden. Zijn propagandaminister Joseph Goebbels schreef in elk geval in zijn dagboek dat “de blanke mensheid zich zou moeten schamen”. Om daar “o, was de Olympiade eindelijk maar voorbij!” aan toe te voegen.

Tijdens onze rondleiding brengt onze gids ons ook naar het VIP-terras van het stadion. Hier zitten tegenwoordig de bestuursleden van Hertha BSC, de voetbalclub die sinds 1963 z’n wedstrijden in dit stadion afwerkt. Maar 82 jaar geleden was dit de plek vanwaar Der Führer “zijn” Spelen gadesloeg. De aanwezigheid van dit balkon leverde een moreel dilemma op toen het Olympiastadion begin deze eeuw grondig verbouwd werd. Want wat doe je met wat ooit het ereplekje was van één van de meest gehate figuren uit de geschiedenis? Vernietig je dat, om de herinnering een beetje uit te wissen? Of behoud je het, om z’n historische waarde?

Hitler’s balkon mocht blijven. Maar de omheining is nu zo geplaatst, dat niemand nog op de plek van de dictator kan zitten. Anno 2018 is het een leeg en nutteloos uitsteeksel van het ereterras van het Olympiastadion. Ik vind het wel passend zo.

Wat later lopen we weer terug naar de Waldbühne. Als we het stadion achter ons laten, zie ik een straatnaambordje. De straat waaraan het epicentrum van de Olympische Spelen van 1936 staat, heet vandaag de dag de Jesse-Owens-Allee. Vernoemd naar die Afro-Amerikaan, een kleinzoon van een voormalige slaaf uit Alabama, die de grote held was op wat eigenlijk het feestje van de nazi’s had moeten worden. Hitler had het eens moeten weten… En wat zou Goebbels hier over hebben geschreven in zijn dagboek?

Je schiet er weinig mee op. Je brengt er geen enkele van de circa 65 miljoen slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog mee terug. Maar ik vond die straatnaam een mooie schop na richting de nazi’s. Ik weet zeker dat ze zelfs in al die WK- en Champions League-wedstrijden in het Olympiastadion nooit een mooiere trap gezien hebben.

Leave a comment »

Sjors

33944640_1697536523665531_3535435315051233280_o

28 Mei 2018, iets na negen uur ’s ochtends. Ik sta met Linda en onze dochters op Eindhoven Airport in de rij om in te checken voor een vlucht naar Malaga. Mijn telefoon trilt in mijn zak. Ik lees het binnengekomen bericht van mijn moeder.
“We hebben zojuist afscheid van onze Sjors genomen”.

Ik heb niet echt iets met honden. Ik hoef ze niet om me heen te hebben. Sjors was wel een uitzondering. Hij was een Yorkshire Terrier die volgens de kenners een beetje mislukt was, maar die er eigenlijk veel leuker uitzag dan de zogenaamd wél goed gelukte “Yorkies”. Hij was net wat stoerder. Nét wat minder zo’n truttig schoothondje.

Mijn moeder kreeg Sjors op 6 oktober 2004 cadeau voor haar vijftigste verjaardag. Ik woonde toen nog thuis. Ik vond het behoorlijk wennen, zo’n hyperactieve pup over de vloer die extreem veel aandacht nodig had en soms nog poepte in de woonkamer.

Toch wist Sjors me wel een beetje in te pakken. Als mijn ouders op vakantie waren, dan zat ik vaak met hem opgescheept. En het was wel duidelijk dat het een intelligent beestje was. Kwamen mijn vader en moeder na twee weken weer thuis, dan voelde hij dat al aan voordat ze hun auto goed en wel geparkeerd hadden. Dan stuiterde hij door het huis. Regelden ze voor hem een afspraak bij de hondenkapper, dan vond hij het briefje met het tijdstip en adres in de handtas van mijn moeder en scheurde hij het in tientallen stukjes. Terwijl hij normaal eigenlijk nooit iets kapot maakte.

Op latere leeftijd werd Sjors wat meer een meubelstuk. Wel aanwezig, maar steeds een beetje luier. Als ik bij mijn ouders op bezoek kwam, wilde hij steevast een paar minuutjes geaaid worden. Als ik dat naar tevredenheid had gedaan, sjokte hij weer naar de bank toe, om neer te ploffen naast mijn vader of moeder. Voor de wandeltochtjes die mijn vader vier of vijf keer per dag met hem maakte, werd hij steeds een beetje minder enthousiast.

Mijn dochters vonden Sjors een beetje eng. Wat ik best begrijp. Een beest dat ongeveer net zo groot is als jij, behoorlijk harig, met flinke tanden, dat is best een dingetje. Vooral als het zo’n beetje de enige hond is waar je ooit mee geconfronteerd wordt. Maar Sjors gedroeg zich om Sam en Anne heen altijd als een echte gentleman. Hij was nieuwsgierig, maar hield voldoende afstand en leek aan te voelen dat die kleine mensjes hem een beetje eng vonden. Dus liep hij met een boogje om ze heen.

Ik weet nog dat ik een beetje baalde toen mijn moeder veertien jaar geleden Sjors kreeg. Zo’n poepend stuiterballetje in huis. Hoe lang zouden we daar mee opgescheept zitten? Een jaar of tien, vijftien? Ik vond dat een vermoeiend vooruitzicht.

Ik ben dus niet zo iemand die een huisdier ziet als een echt gezinslid. Maar toch vond ik het best een beetje pittig. “We hebben zojuist afscheid van onze Sjors genomen”. En dat was het dan. Tot nooit meer ziens.

Enkele weken later zat ik weer bij mijn ouders thuis, in mijn vaste stoel. Het was toch wel heel gek dat er voor het eerst in veertien jaar geen hondje rondliep dat even geaaid wilde worden.

Leave a comment »

Met een laken en een lampenkap

EK1988

Zaterdag 25 Juni 1988 is een dag die nog vrij helder in mijn geheugen zit. Ondanks dat ik toen pas negen jaar oud was. Ondanks dat het volgende week al dertig jaar geleden is.

Met het gezin gingen we die dag eerst naar de bouwmarkt in Bladel en daarna naar de supermarkt in Reusel. Ik herinner me nog dat er een vrolijk soort spanning in de lucht hing. Mijn ouders kwamen bekenden tegen, zoals dat gaat als je in een dorp woont en boodschappen doet. De gesprekken gingen alleen maar over de finale van het EK die het Nederlands Elftal die dag zou gaan spelen tegen de Sovjet-Unie. Zou na de verloren WK-finales van 1974 en 1978 driemaal toch scheepsrecht zijn?

De wedstrijd keken we thuis. Vader, moeder, ik en mijn twee jongere broers. Om half vier was het zover. Commentator Theo Reitsma zei iets over Vasili Rats, die in de poulewedstrijd nog namens de Sovjet-Unie tegen Nederland had gescoord. Ik zei dat ze hem dan maar verrot moesten schoppen. Dat leverde me een berisping op van mijn moeder.

Nederland kwam op 1-0 via een kopgoal van Ruud Gullit. Optimistisch gingen we de rust in. In de studio van NOS werd met publiek erbij het één en ander geanalyseerd. Het leek wel een uur te duren. Mijn moeder moest ons enthousiasme een beetje temperen, om bij een eventuele nederlaag niet met ál te teleurgestelde kinderen te zitten. Dat bleek niet nodig. Keeper Hans van Breukelen veroorzaakte een penalty, maar stopte die ook. Met één van de mooiste goals die ooit gemaakt is op een eindtoernooi bepaalde Marco van Basten de eindstand op 2-0 (Reitsma: “Wat een goal! Wat een schitterend doelpunt zeg. Ja, niet te geloven zoals ie die bal uit de lucht oppakt in die hoek daar. Niet te geloven… Wat een weergaloos doelpunt!”).

Ik moest vervolgens ergens naartoe met mijn enthousiasme. We woonden in de Kievitstraat in Reusel, een straat die rondom een speeltuin ligt. Daar waren overdag altijd wel wat kinderen te vinden. Daar ging ik naartoe en trof ik leeftijdsgenoten die ook de finale hadden gezien. We moesten de overwinning vieren. We spraken af dat we snel even naar huis zouden gaan, alles mee zouden nemen wat oranje was en dat we binnen vijf minuten weer af zouden spreken bij de glijbaan.

Even later gingen we joelend op pad door de buurt. Met zes, zeven jongens en een bolderkar. Met oranje shirts, oranje slingers, oranje sjaals, een oranje laken en een oranje lampenkap. Iedereen die we tegenkwamen was vrolijk. Elke reactie was positief. Een man die zijn auto stond te wassen, ging snel even naar binnen om confetti te halen. In ons enthousiasme staken we zelfs de Groeneweg over. Dat mocht ik eigenlijk niet zonder toestemming. Maar ja. Je leeft maar één keer.

En het Nederlands Elftal won tot op de dag van vandaag maar één eindtoernooi. Het EK van 1988.

Die dag is mij bijgebleven als één van mijn mooiste jeugdherinneringen. De opstellingen, uitslagen en doelpuntenmakers van het Nederlands Elftal tijdens dat EK dreun ik nog steeds moeiteloos op. Voor alle spelers van dat team heb ik nog steeds een zwak. Net als voor de hits van die tijd. ‘Perfect’ van Fairground Attraction. ‘Stop Loving You’ van Toto. ‘Beds Are Burning’ van Midnight Oil. En uiteraard ook ‘Wij Houden van Oranje’ van André Hazes.

Sindsdien heeft het Nederlands Elftal dus nooit meer een EK of WK gewonnen. Soms kwamen we heel dichtbij, soms iets minder dichtbij, soms deden we niet eens mee. Maar uiteindelijk draaide het elke keer toch weer uit op een teleurstelling.

Een teleurstelling, omdat je als voetballiefhebber je land graag een hoofdprijs wil zien winnen. En voor mij ook omdat ik elke keer hoopte om een heel klein beetje weer het gevoel te krijgen van die dag waarop we met een laken en een lampenkap de Groeneweg overstaken.

Leave a comment »

Datum

schilderijtjeIk hou al bijna twintig jaar een dagboek bij. Niet zo eentje waar ik heel erg diepe gevoelens of ingewikkelde zielenroerselen in dump, maar een Word-bestandje waarin ik beknopt noteer wat er per dag gebeurd is. Omdat ik het een fijn idee vind dat elke dag zo een beetje bewaard blijft. En als je lang genoeg zo’n dagboek bijhoudt, dan wordt het vanzelf een handig naslagwerk waarin je op kunt zoeken wanneer iets precies gebeurde. Of waarin je terug kunt zien hoe je leven er vijf, tien, vijftien jaar geleden uitzag.

Vandaag exact zeventien jaar geleden legde ik met klasgenoten de laatste hand aan ons project voor de eindexpositie van het Grafisch Lyceum. Exact vijftien jaar geleden speelde ik met mijn bandje Striving Higher in de kleine zaal van de 013 in Tilburg. Exact tien jaar geleden zat ik in Guatemala in een bus van Antigua naar Panajachel. Exact zeven jaar geleden had ik een sollicitatiegesprek bij een bedrijf waar ik uiteindelijk nooit meer iets van hoorde. Exact vier jaar geleden beklommen Linda en ik de vulkaan Santa Ana in El Salvador. Exact twee jaar geleden struinden we door Athene. Exact een jaar geleden gingen we voor de eerste keer op vakantie met Sam en Anne, met de auto naar Normandië.

Voor sommige dingen heb je uiteraard geen dagboek nodig. Onze dochters werden geboren op 5 september 2016. Sam om 15.55 uur, Anne drie minuten later. Dat dreun ik zo op.

Soms stuit ik op een mooi toevalligheidje dat ik zonder mijn dagboek nooit opgemerkt zou hebben. Laatst zocht ik op wat ik een jaar voor de geboorte van onze dochters deed. Linda en ik waren toen in Otavalo, Ecuador. Als het bij ons vier uur ’s middags is, dan is het daar tien uur ’s ochtends. Rond dat tijdstip waren we op de plaatselijke markt. Ik kocht daar een mini-schilderijtje, als souvenir. Tot op het uur precies een jaar voor de geboorte van onze dochters. En al sinds september 2015 staat dat op mijn nachtkastje en is het het eerste wat ik ’s ochtends zie.

Leave a comment »