Archive for Reisverslagen

Reisverslag Nicaragua, El Salvador & Guatemala 2014

BannerESNG

Reisschema:

Dag 1: De heenreis, van Amsterdam via Houston naar Managua
Dag 2: Van Managua naar Granada
Dag 3: De vulkaan Mombacho
Dag 4: Het Meer van Nicaragua
Dag 5: Van Granada naar León
Dag 6: Kamperen op de vulkaan Telica
Dag 7: León
Dag 8: Van León naar Esteli
Dag 9: Esteli en de kampioenswedstrijd Real Esteli – Diriangén
Dag 10: Van Esteli naar San Salvador
Dag 11: Van San Salvador naar Playa el Tunco
Dag 12: Dagje strand in Playa el Tunco
Dag 13: Van Playa el Tunco naar Santa Ana
Dag 14: De Maya-ruïnes in Chalchuapa
Dag 15: De vulkaan Santa Ana
Dag 16: De muurschilderingen van Ataco
Dag 17: Van Santa Ana via Guatemala-Stad naar Antigua
Dag 18: Antigua
Dag 19: Antigua
Dag 20: De terugreis, van Guatemala-Stad via Houston naar Amsterdam
Dag 21: Aankomst in Amsterdam

 

Dag 1: De heenreis, van Amsterdam via Houston naar Managua
Vrijdag 9 mei 2014
Het is zeven uur op een frisse, grijze lenteochtend als Linda en ik na een rit van anderhalf uur vanuit Eindhoven door haar ouders afgezet worden op luchthaven Schiphol. We nemen afscheid voor drie weken en lopen dan de vertrekhal in.
Als we in willen gaan checken voor onze vlucht naar de Nicaraguaanse hoofdstad Managua via Houston krijgen we van een medewerkster van United Airlines de mededeling dat we om de Verenigde Staten in te mogen eerst een ESTA (Electronic System for Travel Authorization) zullen moeten kopen, een reistoestemming, een geintje dat ons een onvoorziene $14 (€10) en tien minuten per persoon kost. Geen groot probleem, wel een beetje zonde.
Nadat we onze backpacks op de lopende band gezet hebben kunnen we om negen uur gaan boarden. De Nederlandse douane gaat hier al helemaal op Amerikaanse wijze te werk: we moeten schoenen en vesten uittrekken, vragen beantwoorden over onze baggage en ons reisdoel, broekzakken volledig leeg maken en een body scan laten maken.
Om half elf stijgen we in een Boeijng 777 op. De eerste vlucht van vandaag is lang, ruim tien uur, maar comfortabel. We hebben in het niet helemaal volle vliegtuig met z’n tweeën drie stoelen tot onze beschikking, krijgen lekkere vegetarische lasagne te eten en hebben een entertainmentset vol films. Ik kom de tijd prima door met ‘Insidious: Chapter 2’ (matige horrorfilm), ‘Grudge Match’ (boksfilm met een knipoog van Sylvester Stallone en Robert DeNiro, wel vermakelijk) en ‘Anchorman: The Legend of Ron Burgundy’ (een beetje vreemd maar best grappig).
De landing op het George Bush Intercontinental Airport in Houston, Texas iets na half elf Nederlandse tijd (in de Verenigde Staten is het zeven uur vroeger) is geen pretje omdat ik een behoorlijk verstopte neus heb en ik door de veranderende luchtdruk het gevoel heb dat mijn gezicht op het punt van exploderen staat. Tip voor als je ooit moet gaan vliegen met een verkoudheid: voor het inzetten van de landing goed je neus snuiten.
Aangekomen op de tiende grootste luchthaven van de VS zijn we weer aardig wat tijd kwijt bij de douane. De paspoorten worden uitgebreid gecontroleerd, er moeten weer wat vragen beantwoord worden, er worden vingerafdrukken afgenomen en wederom wordt er een body scan gemaakt. En dat terwijl we niet eens daadwerkelijk de Verenigde Staten ingaan, we hebben hier alleen een overstap en zullen de luchthaven niet verlaten.
Helaas moeten we nog een kleine vijf uur wachten voordat onze vlucht naar Managua vertrekt. En dat is niet zo’n pretje. Het lijkt wel alsof de meest onvriendelijke, botte mensen uit de omgeving van Houston op een dag verzameld zijn en vervolgens allemaal een baan op dit vliegveld gekregen hebben. Waar we ook naartoe gaan om onze dollars eventueel uit te geven, van het personeel krijgen we eerder het gevoel dat we vervelende leerlingen van een overspannen onderwijzer zijn dan klanten van een winkeltje of een eettentje. En het idee om misschien maar een biertje te gaan drinken om de tijd te doden sneuvelt als blijkt dat je hier overal een dollar of acht kwijt bent voor een flesje. Ook wifi blijkt hier geen vanzelfsprekendheid: je kunt voor 45 minuten gratis inloggen, daarna kun je alleen nog tegen betaling gebruik maken van de dienst.
Na een uur vertraging, we zitten al enige tijd in het vliegtuig dat om de één of andere reden maar niet naar de startbaan vertrekt, is het kwart over twee ’s nachts Nederlandse tijd als we eindelijk opstijgen richting Managua.
Na ruim drie uur vliegen landen we in de hoofdstad van Nicaragua op het Augusto C. Sandino International Airport. Hier gaat gelukkig alles lekker vlot. Bij de douane zijn we in een vloek en een zucht klaar, de tassen liggen vrijwel direct gereed op de lopende band en in de aankomsthal staat de vooraf online via het hostel geregelde taxichauffeur al op ons te wachten met een bordje waar Linda Spiebilgerg opstaat (Linda’s achternaam is Spiegelberg).
We nemen bij een pinautomaat de eerste 4.000 cordoba’s op (een euro is ongeveer 35 cordoba) en worden dan door de oudere chauffeur, die de vader blijkt te zijn van het gezin dat ons hostel runt, in een kwartiertje door de donkere straten van Managua naar Hostel de los Abuelos gebracht.
Rond half zeven ’s ochtends Nederlandse tijd, half elf ’s avonds in Nicaragua, kunnen we daar eindelijk ons bed opzoeken, na 25 uur reizen.
De twee vluchten van vandaag, de taxirit van zojuist en het hostel voor vannacht zijn afgezien van de terugvlucht van Guatemala-Stad naar Amsterdam op 29 mei het enige wat we van deze reis vooraf geregeld hebben. Verder is onze planning voor de komende kleine drie weken blanco of slechts lichtjes met potlood ingevuld. Morgenvroeg vertrekken we naar Granada en de komende achttien dagen zullen we geheel of ten minste grotendeels doorbrengen in Nicaragua en El Salvador. En verder zien we wel.

Dag 2: Van Managua naar Granada
Zaterdag 10 mei 2014
Het is onze eerste volle dag in Nicaragua, een republiek in Midden-Amerika die 3,5 keer zo groot is als Nederland en bijna zes miljoen inwoners telt. Het Spaanstalige land ligt tussen de Grote Oceaan en de Caribische Zee en grenst in het noorden aan Honduras en het zuiden aan Costa Rica. Het was vanaf 1522 Spaans bezit en behoorde daarna korte tijd tot Mexico. In de twintigste eeuw werd Nicaragua enkele jaren bezet door de Verenigde Staten, vervolgens voerde de corrupte familie Somoza meer dan veertig jaar een dictatoriaal bewind. De socialistische guerrillabeweging de Sandinista’s maakte daar in 1979 een einde aan. De huidige president Daniel Ortega, die regeerde van 1985 tot 1990 en het sinds 2006 wederom voor het zeggen heeft, is een Sandinist. Het merendeel van de bevolking bestaat uit mestiezen, mensen met zowel inheemse als Europese voorouders.
Het is altijd een beetje vreemd om wakker te worden op een plek die je nog niet bij daglicht gezien hebt. Als we ’s ochtends in onze eenvoudige kamer wakker worden horen we volop vogels en het getrippel van duiven op het dak. Door het raam van onze kamer aan de achterkant van het hostel is een diepe greppel te zien waar een smal riviertje doorheen loopt en dat vol ligt met huislijk afval. Aan de overkant staan armoedige huisjes.
Iets voor half acht schuiven we in de keuken van het hostel aan voor het ontbijt. Een keuze krijgen we niet, we krijgen elk een tortilla met kaas met een hoopje rauwkost, maar het smaakt prima. We spreken nog even een Duitse toerist waarmee we de ontbijttafel delen en rekenen dan af voor de taxirit van gisteren, de overnachting en het ontbijt: samen $57 (zo’n €40). Het is wat meer dan we verderop tijdens deze reis willen gaan betalen voor overnachtingen en vervoer, maar het is ook een prijs de we betalen voor de zekerheid vooraf dat we na aankomst op het vliegveld linea recta naar een hostel gebracht zouden worden, van waaruit we dan de volgende ochtend makkelijk de bus naar Granada zouden kunnen gaan nemen. En dat gaan we nu dus doen.
In het heel vroeg al plakkerig warme Managua is het op straat een drukte van belang. Er is veel bedrijvigheid in dit bepaald niet toeristische gedeelte van een sowieso weinig aantrekkelijke stad met bijna een miljoen inwoners. Alle Midden-Amerikaanse hoofdsteden zijn eigenlijk gewoon te druk, te krap en te vies, Managua heeft de bijkomende handicap dat het de desastreuze gevolgen van een vernietigende aardbeving in 1972 nooit echt te boven kwam omdat dictator Anastasio Somoza Debayle destijds de helft van het hulpgeld in eigen zak liet verdwijnen.
We lopen dan ook meteen naar het busstation dat op een minuutje of tien van ons hostel staat. We worden aldaar een bus naar Granada ingeloodst. We zien andere passagiers twintig cordoba betalen aan de bijrijder die het geld op komt halen, wij moeten om de één of andere reden met z’n tweeën negentig cordoba afgeven, maar besluiten daar maar niet te moeilijk over te doen. €1,30 per persoon voor een rit van bijna anderhalf uur is nog steeds een schappelijk bedrag, dus het zal wel.
Om half tien zijn we in Granada, vernoemd naar de gelijknamige Spaanse stad, dat in het westen van het land aan het enorme Meer van Nicaragua en de voet van de vulkaan Mombacho ligt. Granada was in 1524 de eerste door Europeanen gestichte stad op het Amerikaanse vasteland. Dit conservatieve bolwerk zou daarna nog eeuwen met het meer liberale León blijven strijden om welke stad zich nou de voornaamste van het land mocht noemen, in de jaren 1850 kwam het zelfs tot een burgeroorlog tussen beiden. Het was dan ook een compromis dat uiteindelijk het tussen de twee steden in liggende Managua tot hoofdstad benoemd werd. Vandaag de dag is die stad vele male groter dan Granada, dat zo’n 105.000 inwoners telt en daarmee net buiten de top vijf van grootste Nicaraguaanse steden valt.
We worden afgezet op een busstation even buiten het centrum van de stad, vragen de richting naar dit centrum en lopen er dan naartoe.
In de straat Calle la Libertad, met de plaatselijke kathedraal al in zicht, treffen we meteen verschillende hostels aan. We bekijken er een paar, maar we vinden de eerste wat te duur en de tweede zien we niet zo zitten omdat er enkele honden los rondlopen.
Uiteindelijk komen we bij hostel Backyard, waar we voor $16 (€11,40) per nacht een kleine, eenvoudige tweepersoons kamer kunnen krijgen. Het hostel ziet er erg gezellig en levendig uit, met veel kleurige muurschilderingen, en is gesitueerd rondom een prachtige binnentuin vol tropische planten, een klein zwembadje en een bar. Vanuit ons wel bloedhete kamertje hoef je maar drie stappen te zetten om in het zwembadje te belanden en als je daar aan de andere kant weer uitstapt dan sta je aan de bar waaraan je voor 50 cordoba (zo’n €1,40) een ijskoude literfles (!) Victoria-bier kunt kopen. Niet verkeerd dus.
Er zijn op bijna elk moment van de dag wel enkele mensen bij de bar te vinden. Het meest prominent tot het menselijke meubilair behorend zijn twee wat oudere Amerikaanse mannen, een soort Statler & Waldorf op vakantie met een licht drankprobleem, die het hoogste woord voeren in elke conversatie die hier gaande is. Ook opvallend is de Amerikaanse eigenaar van het hostel, die een beetje vermoeid oogt en altijd een papegaai op zijn linkerschouder heeft zitten.
We vallen in het hostel een beetje uit de toon omdat we een “private room” hebben, want verder zit bijna iedereen hier in de dorms, de gedeelde slaapzalen waarvoor je maar $6 (€4,30) per bed per nacht hoeft te betalen. Sowieso reizen de meeste backpackers die we hier tegenkomen alleen, en zijn wij met onze reis van drie weken relatief gezien bijna dagjesmensen, omdat hier voornamelijk mensen zitten die meerdere maanden achtereen op reis zijn.
Na het inchecken lopen we even naar het centrum, waar het inmiddels zo’n 35 graden is. Vrijwel elke stad in Centraal-Amerika heeft een vierkant middelpunt dat een beetje het midden houdt tussen een plein en een park, met aan één van de vier zijdes altijd een kerk of kathedraal. De kathedraal van Granada is een fraai en bijna speels ogend, fris geel met wit geschilderd gebouw in de koloniale Spaanse stijl. In combinatie met de hoge palmbomen op het plein, waarop het redelijk druk is maar toch een hele gemoedelijke sfeer heerst, doet het stadscentrum me een beetje terugdenken aan Cuba.
Iets minder gemoedelijk is het trouwens op de wegen, die zijn nogal druk en er wordt irritant vaak geclaxonneerd. Nicaraguaanse automobilisten blijken de gewoonte te hebben om meteen ter waarschuwing op hun claxon te gaan hangen als ze een kruispunt naderen, of als ze van mening zijn dat degene voor hen iets teveel treuzelt.
We drinken op een terrasje op het plein een smoothie en lopen dan nog wat rond door het stadje.
We komen bij de kerk Iglesia de la Merced uit 1539, waarvan we voor $1 (€0,70) per persoon (in Nicaragua worden prijzen voor toeristen vaak vermeld in dollars in plaats van cordoba’s) de toren kunnen beklimmen. Dat doen we, en even later staan we tussen de kerkklokken met een prachtig uitzicht over het hele stadje. De kathedraal is vanaf hier heel goed te zien omdat er verder nauwelijks hoogbouw is, uiteraard zijn ook de vulkaan Mombacho en het Meer van Nicaragua goed zichtbaar.
We lunchen bij een restaurantje La Libertad aan de Calle la Libertad en keren dan weer even terug naar het hostel, waar we even gaan relaxen bij het zwembadje.
’s Avonds gaan we de stad weer in. Je moet hier in het donker wel goed uitkijken waar je loopt, omdat er veel putten in de trottoirs te vinden zijn en heel vaak ontbreekt daarvan het deksel.
We vinden de Calla la Calzada, een heel erg gezellig straatje dat in een rechte lijn van het centrale plein naar het Meer van Nicaragua loopt. Pal achter de kathedraal zijn hier talloze terrasjes, bars en restaurants te vinden en die zijn lekker goedkoop. Op de goedkoopste terrasjes betaal je slechts 20 cordoba (zo’n 57 cent) voor een Cuba Libre of een mojito, drankjes waar je in de Nederlandse horeca toch al snel een euro of zeven voor kwijt bent. Daar maken we natuurlijk wel even gebruik van.
Wat later boeken we bij een tourbureautje aan hetzelfde straatje een tocht naar de vulkaan Mombacho voor morgen, die $30 (€21,40) per persoon kost.
We gaan op zoek naar een restaurantje voor het avondeten. Onderweg komen we langs een bar die Imagine heet, een John Lennon-themabar waarin alleen maar muziek van de ex-Beatle gedraaid wordt. Even verderop vinden we Tele Pizza, een Italiaans restaurant. Achter de wat kleinere ruimte met afhaaldesk is een grote, fel verlichte hal te vinden waarin het gezellig druk is en verder op het eerste gezicht geen toeristen te zien zijn. Aan de zonnig gele muren hangen ingelijste posters van rockbands als Nirvana, Pink Floyd, Guns N’ Roses, The Who en The Beatles. We voelen ons meteen thuis hier.
Al om negen uur gaan we naar onze kamer. Enkele meters verderop is het dan volop feest aan de bar bij het zwembadje, maar ze lijken wel rekening met ons te houden. Enkele tellen nadat we het licht in onze kamer uitdoen gaat plotseling de muziek een heel stuk zachter.

Dag 3: De vulkaan Mombacho
Zondag 11 mei 2014
Na een wat onrustige nacht in onze veel te warme kamer zijn we al om kwart voor zes allebei klaarwakker. Als ik wat kleren uit mijn backpack wil halen tref ik daarin een heleboel mieren aan die onze stroopwafels en gevulde koeken blijken te hebben gevonden, ondanks dat deze per stuk luchtdicht verpakt zijn. De mieren hebben grote gaten in de verpakkingen gemaakt en blijken ook lelijk te bijten als ze over je huid lopen.
Na een ontbijt bij La Libertad op een binnenplaatsje met veel tropische bloemen en planten gaan we weer eventjes naar ons hostel, waar het eigenlijk wel een hippiecommune lijkt. Een vrouw doet haar yoga-oefeningen, een man zit aan de bar wat te pingelen op een akoestische gitaar, één van de oudere Amerikaanse mannen staat iemand te vertellen dat hij al drie jaar non-stop op reis is en een vrouw met fel oranje haar zit een boek te lezen. Op de omringende muren staan portretten van onder meer Ché Guevara en Bob Marley.
Om half tien staan we bij het kantoortje van Leo Tours aan de Calle la Calzada, vanwaar we met een shuttlebusje met een chauffeur en een gids vertrekken naar de vulkaan Mombacho. Er zijn twee gezellige andere passagiers, een moeder en volwassen dochter uit het Amerikaanse Atlanta.
Na zo’n twintig minuten moeten we overstappen op een open vrachtwagen, waarin we met verschillende andere toeristen verder zullen rijden.
We maken een korte stop bij Hacienda El Progreso, een mooi, oud, groot huis met een koffieplantage. We zijn al hoog genoeg om een mooi uitzicht te hebben over de omgeving en mogen uiteraard even enkele verschillende soorten koffie proeven. Op dit soort excursies volgt, zo weten wij uit ervaring, vrijwel altijd het niet geheel vrijblijvende verzoek om even de bijbehorende shop te bezoeken of de eigenaar van de plantage een fooi toe te stoppen in ruil voor zijn gastvrijheid. Nu blijft dat echter uit, ook wel eens prettig.
We rijden weer verder naar boven over een erg steile weg, waar de vrachtwagen wel wat moeite mee heeft. We worden uiteindelijk vlakbij de 1150 meter hoge top van de vulkaan afgezet.
Zelf vulkanen beklimmen en in kraters met lava staren zullen we later tijdens deze reis wellicht nog gaan doen, wat vandaag op het programma staat is nog even wat minder vermoeiend en minder spannend. Rond en in de eerste krater van de Mombacho, een dode vulkaan die in 1570 voor het laatst uitbarstte, is een overdadig groen nevelwoud te vinden. Bloemen zijn hier maar nauwelijks te bekennen, bomen en planten des te meer. Ook zijn er veel vogels te zien, van imposante gieren tot minuscule kolibries. Op deze hoogte is het wat koeler dan in de stad, wat de wandeling nog wat prettiger maakt.
Hoogtepunt van de wandeling is als we aankomen bij een open grasveld vanwaar we een ongelooflijk uitzicht hebben over de stad Granada en het daar achter liggende Meer van Nicaragua, het op negentien na grootste meer op aarde. We kunnen vanaf hier duidelijk de 365 eilanden zien die ooit ontstaan zijn na een uitbarsting van de Mombacho en samen een grote, kromme sliert vormen die een eindje het 8.264 km2 grote meer inloopt.
Ook bijzonder is de zogenaamde “natuurlijke sauna” die we even later bezoeken. Dit is een stukje bos waarin het erg klam en aanmerkelijk warmer is dan in de rest van het woud, omdat hier zich gaten bevinden die rechtstreeks naar het binnenste van de vulkaan leiden. Ook laat de gids ons een gat zien dat lijkt op een konijnenhol, hij vraagt of we er een hand in willen stoppen. Het blijkt binnenin dit gat gloeiend heet te zijn.
Om half één zijn we klaar met de wandeling, een uur en een kwartier later worden we weer afgezet op de Calle la Calzada. We gaan weer even terug naar ons hostel om nog wat te rusten en in het zwembadje te duiken.
’s Avonds zoeken we de Calle la Calzada weer op. We vinden een tentje dat vegetarische hamburgers op de kaart heeft staan, dus is de keuze snel gemaakt om hier te gaan zitten.
Als je in deze straat op een terrasje zit word je wel vaak aangesproken voor bedelaars, of mensen die je zonnebrillen, snacks of sieraden aan proberen te smeren. Gelukkig zijn ze niet zo heel erg aanhoudend en lopen ze doorgaans wel weer door als je een keertje netjes ‘No, gracias’ zegt.
Na het eten lopen we over de Calle la Calzada door tot aan het meer, dat zo groot is dat de overkant niet te zien is. Sowieso heeft dit meer veel weg van een zee. Het heeft branding en eilanden en het schijnt zelfs dat dit het enige meer ter wereld is waarin haaien leven. In Nicaragua noemen ze dit dan ook wel Mar Dulce, oftewel Zoete Zee.
Weer terug bij de terrasjes gaan we nog even gebruik maken van de erg lage prijzen van de cocktails en nemen we allebei achtereenvolgens een caipirinha, een piña colada en een mojito.
Daarna gaan we weer naar Tele Pizza. Als we maar een paar dagen in een plaatsje blijven, zoals tijdens onze reizen altijd het geval is, dan gaan we liever wat vaker terug naar een tentje dat ons goed bevalt dan dat we elke avond opnieuw iets gaan zoeken.
Als we bij Tele Pizza klaar zijn met eten besef ik ineens dat ik de sleutel van onze hostelkamer kwijt ben. We rekenen af, lopen stel terug naar de Calle la Calzada en zien gelukkig direct het sleuteltje precies onder de stoel liggen waar ik eerder op de avond op gezeten had.
Terug in het hostel is het weer gezellig. Het is druk bij de bar en er wordt hard muziek gedraaid, wij gaan ook maar even buiten zitten. Er wordt voornamelijk hip hop en R&B gedraaid. Eén van de twee oudere Amerikanen, Neil heet hij, is duidelijk nogal dronken en eist “old school” muziek. Van mij mogen ze hem zijn zin geven, graag zelfs, want we hebben inmiddels gemerkt dat hij een grote liefhebber is van Motown en andere oude soul. Gelukkig geven ze hem inderdaad zijn zin.
Om tien uur zoeken we onze kamer weer op.

Dag 4: Het Meer van Nicaragua
Maandag 12 mei 2014
Het is wederom een wat onrustige nacht geweest, wellicht grotendeels door de klamme hitte en het lawaai van de ventilator die daar niet genoeg aan kan doen. Het is in ons kamertje, dat de hele dag vol in de zon staat, eigenlijk op elk moment van de dag een stuk warmer dan buiten.
Om acht uur gaan we het hostel uit en ontbijten we bij een tentje aan het centrale plein.
We hebben gisteren bij het hostel de zogenaamde “Island Tour” geboekt, maar die zou alleen doorgaan met minstens zes deelnemers en na ons heeft niemand anders zich ingeschreven. We gaan daarom aan de Calle la Calzada op zoek naar een tourbureautje waarbij we dit tochtje vandaag toch nog kunnen gaan maken. Bij Erick Tours kunnen we voor $20 (€14,30) per persoon deze tocht maken, ongeacht of er meer mensen meegaan.
Om half elf worden we heel netjes met de auto opgepikt bij ons hostel door Erick Tours. Bij het kantoortje van dit bedrijfje betalen we en rijden we daarna met een chauffeur en onze gids van vandaag, Alberto, verder naar het haventje van waaruit we het Meer van Nicaragua op zullen gaan varen. We zijn dus inderdaad de enige deelnemers aan deze tocht langs enkele van de 365 eilandjes. Alberto, een enthousiaste jongeman van 21 die erg z’n best doet om met een Amerikaans accent Engels te spreken praat bijna onophoudelijk terwijl we tussen vele mini-eilandjes varen. Opvallend veel daarvan zijn bewoond, omdat welgestelde mensen hun eigen privé-eilandje gekocht hebben en er een kast van een huis op hebben gezet. Daardoor zijn delen van het meer net hele waterige villawijken.
We stoppen bij een eilandje waarop het fort van San Pablo staat, een relatief bescheiden gebouwtje van waaruit Granada in de achttiende eeuw beschermd moest worden tegen piraten. We zijn de enige toeristen in het fort waarin nog twee oude kanonnen staan, dat even leuk om te zien maar niet heel bijzonder is. Als ik even een blik werp binnenin het fort blijkt de ruimte heel ordinair als rommelhok van een klusjesman te worden gebruikt.
Verderop komen we langs een eilandje waarop vier kapucijnaapjes zitten. De gids heeft wat koekjes meegenomen om aan de apen te voeren. De beestjes zijn tam genoeg om ze uit je hand te pakken. Ook een vogel die op een steen bij het eilandje zit krijgt een stukje koek en gebruikt dat als aas om visjes mee te vangen. Even later heeft hij een klein visje te pakken.
We sluiten de boottocht af op een eilandje waarop een restaurantje staat, waar we wat drinken. Terwijl we terug varen naar het haventje zien we veel soorten vogels en zelfs een paar schildpadjes op een boomstam die in het water drijft. Na een tocht van zo’n drie uur stappen we weer in de auto die ons terug naar het hostel brengt.
Na weer even wat te hebben ontspannen in het hostel gaan we om drie uur lunchen bij Burrito Loco, een nogal vreemd restaurantje vlakbij ons hostel. Het heeft slechts één ruimte met één tafel, het eten wordt in een hoekje achter een schermpje klaargemaakt en het is tevens een kledingwinkeltje. Het eten dat ik voorgeschoteld krijg is het smerigste wat ik in lange tijd gegeten heb.
Wat later bezoeken we even verderop de markt, maar daar worden voornamelijk praktische producten en etenswaren verkocht voor de lokale bevolking.
We gaan weer terug naar de Calle la Calzada voor de vegetarische hamburgers en de goedkope cocktails.
Ter afsluiting van de dag besluiten we om nu ook eens aan de bar van ons hostel te gaan zitten. Alleen blijkt daar uitgerekend nu vrijwel niemand te staan en om negen uur houdt de gelegenheidsbarman het voor gezien en gaat de muziek uit. Overigens wil het ontbreken van een barman niet zeggen dat je hier geen drank meer kunt krijgen, je mag zelf iets uit de koelkast pakken en op een lijst een streepje achter je naam zetten. De ongetwijfeld beste klant van deze bar, de eerder al genoemde Neil, is er nog wel en met hem maken we nog een praatje. Hij zegt dat hij ons “decent people” vindt. Zou hij daarmee bedoelen dat we toch wat saaier zijn dan de meeste mensen hier?
Om tien uur zoeken we de kamer weer op.

Dag 5: Van Granada naar León
Dinsdag 13 mei 2014
Iets na acht uur gaan we ontbijten in hetzelfde tentje als gisteren, om negen uur checken we uit bij hostel Backyard.
We gaan voor het hostel op het trottoir op de bus staan wachten. Bushaltes kennen ze niet in Nicaragua, je gaat gewoon ergens op de route staan en houdt de bus aan zodra die langskomt.
In een kleine bus met wel heel erg weinig beenruimte en verder geen toeristen rijden we terug naar Managua. Een kaartje kost 24 cordoba per persoon, zo’n 70 cent, we moeten een extra kaartje kopen voor de ruimte die onze twee backpacks innemen.
Om kwart over tien zijn we terug in de hoofdstad Managua, al is dat maar voor een verblijf van enkele minuten op een busterminal. Zo’n terminal is, zoals ook op andere plaatsen hier, weinig meer dan een stoffig binnenplaatsje waar het best een chaos is met mensen die hun bus zoeken, mensen die hen daar naartoe loodsen en verkopers die fruit of snacks aan de man proberen te brengen.
Even later zitten we in een shuttlebusje naar León, waarvoor we 51 cordoba (€1,40) per persoon moeten betalen. Dit keer zitten we wel tussen hoofdzakelijk andere backpackers en gelukkig hoeven we nu ook niet om de paar honderd meter te stoppen om mensen in- en uit te laten stappen, zoals met de vorige bus wel het geval was.
Rond kwart over twaalf zijn we in de voormalige hoofdstad León, dat zoals reeds vermeld lange tijd met Granada een prestigestrijd uitvocht als één van de twee belangrijkste steden van het land. Vandaag de dag is het na Managua de grootste stad van Nicaragua, met zo’n 144.000 inwoners.
Op het volgende stoffige binnenplaatsje, de busterminal in León, wordt ons een fietstaxi aangeboden die we maar besluiten te nemen. De bestuurder vraagt 100 cordoba (€2,70) voor een ritje van een dikke vijf minuten, wij vinden 50 eigenlijk wel genoeg en het lukt ook om af te dingen naar die prijs.
We laten ons afzetten bij hostel Lazybones, dat ons in Granada door Neil is aanbevolen en dat ook in de Lonely Planet (de “bijbel” voor backpackers) positief besproken wordt. We bekijken er een mooie tweepersoons kamer die we voor $20 per nacht (€14,30) mogen hebben en die we besluiten te nemen. We hebben net als in Granada geen privé-toilet of -badkamer, maar er zitten op twee meter van onze deur een gezamenlijke douche en toilet, dus kunnen we hier wel mee leven. Lazybones is een fraai hostel, net als Backyard versierd met muurschilderingen en gesitueerd rondom een aangenaam ogende groene binnentuin, maar is wel een stuk groter en rustiger dan onze vorige verblijfplek. En helaas is het zwembadje uitgerekend deze week gesloten in verband met schilderwerkzaamheden.
We lopen naar het centrale plein van de stad en merken al direct dat León een stuk drukker is dan Granada. Een heel stuk minder gezellig en minder sfeervol ook. Wel laten de mensen je overal met rust, je wordt hier als toerist maar heel zelden aangesproken door iemand die iets van je wil. De vieze, grote, witte kathedraal is hier een stuk minder fraai dan de zonnig gele van de oostelijker gelegen rivaal. We krijgen al snel een klein beetje heimwee.
Ondanks de grotere drukte is echter ook León niet heel stads volgens onze definitie van het woord. Er is weinig echte hoogbouw, er zijn geen brede winkelstraten vol westerse winkelketens en ook stoplichten zijn nauwelijks te bekennen.
Dat dit echt een linkse stad is wordt ook al snel duidelijk, op veel muren zijn muurschilderingen van oorlogshelden en andere vrijheidsstrijders te vinden. Het is veelzeggend dat uitgerekend hier in 1956 de rechtse dictator Anastasio Somoza García vermoord werd door kunstenaar Rigoberto López Pérez, die later postuum door de Sandinisten uitgeroepen werd tot nationale held.
We lunchen in een mooi maar te duur tentje aan het plein waar het eten bovendien niet lekker is. Dat op de rekening die we gepresenteerd krijgen maar één bord in plaats van twee in rekening gebracht staat zouden we normaal gesproken wel even netjes laten weten, maar nu vinden we het wel gerechtvaardigd om het stil te houden.
We doen nog even wat boodschappen in een supermarkt en merken meteen hoe het kan dat je in Nicaragua cocktails zo goedkoop kunt krijgen: een flesje rum van 375 cl heb je hier al vanaf 54 cordoba, een dikke anderhalve euro.
Na een kleine drie uurtjes op de kamer te hebben gezeten gaan we om kwart over zes bij de balie van het hostel een trip naar de vulkaan Telica boeken voor morgen. Dat wordt andere koek dan ons vorige tochtje naar een vulkaan, we zullen ook de nacht kamperend op de vulkaan door gaan brengen.
We gaan de straat weer op, op zoek naar een straatje zoals de Calle la Calzada, maar vinden die geen. Het blijkt sowieso niet mee te vallen om hier een restaurantje te vinden dat er gezellig uitziet, niet te duur is en vegetarische gerechten op de kaart heeft staan die me wel lekker lijken. Zelfs in een straatje met veel hostels dat “Backpackers Alley” genoemd wordt vinden we niet echt een horecagelegenheid die aantrekkelijk genoeg op ons overkomt. Uiteindelijk nemen we genoegen met een tentje waarin we de enige gasten zijn en we het moeten doen met een tortilla met kaas die volgens de kaart een hoofdgerecht is, maar toch echt veel meer weg heeft van een bescheiden voorgerecht. Ter compensatie nemen we maar een stuk chocoladetaart achteraf.
Als we na de ietwat karige maaltijd nog even door de stad zwerven vinden we café Barbaro. Het is er gezellig, druk en op menukaart staat een zeer uitgebreide keuze aan eten en drank voor meer dan redelijke prijzen. Voor bier of frisdrank betaal je omgerekend ongeveer vijftig cent, voor cocktails maar een klein beetje meer. We hebben ons tentje voor de komende dagen gevonden. We nemen een drankje om te vieren dat Linda even eerder heeft vernomen dat het laatste artikel dat nodig is voor haar proefschrift geaccepteerd is, waardoor een flinke last van haar (en daarmee ook een beetje van mijn) schouders valt.
We zoeken daarna vroeg onze kamer weer op, rond half tien al. Het is hier acht uur vroeger dan in Nederland en we kunnen nog steeds niet helemaal wennen aan het plaatselijke ritme.

Dag 6: Kamperen op de vulkaan Telica
Woensdag 14 mei 2014
Nadat we op internet hebben vernomen dat de wandeling naar de vulkaan Telica die we vandaag zullen gaan maken vijf tot acht uur kan duren gaan we toch even bij de balie van ons hostel informeren of dat waar is. Ze verzekeren ons echter dat het hooguit vijf uur is voor de heen- en terugweg samen. Gerustgesteld betalen we twee keer $48 (€34,30) voor de tocht.
We krijgen wel een meevaller. We waren eigenlijk van plan om onze kamer gewoon aan te houden voor de komende nacht, zodat we een plek zouden hebben om onze backpacks achter te laten en niet van elf uur (uitchecktijd) tot half twee (begin van de vulkaantrip) “dakloos” zouden zijn. De mevrouw achter de balie biedt ons echter uit zichzelf een opberghok aan voor onze backpacks en sowieso mogen we gewoon de loze tijd in het hostel doden. We zullen er zelfs een gratis lunch krijgen om twaalf uur. Dat bespaart ons niet alleen de kosten van een maaltijd, maar ook een nacht waar we anders $20 voor betaald hadden.
We gaan op zoek naar een tentje waar we goed kunnen ontbijten en dat duurt even.
Na het ontbijt verlaten we de kamer, bergen we onze backpacks op in een rommelhok van het hostel en wachten we bij de binnentuin op een schommelstoel en in een hangmat totdat we kunnen gaan lunchen.
Om half één krijgen we elk een bord spaghetti. De vier Engelsen die zich aan hadden gemeld voor de trip blijken zich alweer af te hebben gemeld, daarvoor in de plaats krijgen we een jonge Fransman als reisgenoot. Van de twee begeleiders die met ons mee zullen gaan krijgen we acht liter water, een tentje, twee slaapzakken, twee slaapmatjes, chips, koekjes, crackers en appelsap. Dat zal allemaal mee de vulkaan op moeten, we zullen dus zwaarbepakt gaan wandelen. En dat bij een temperatuur van rond de 35 graden! We spreken al eventjes met de Fransman. Hij is 24 jaar oud, heet Lory en is al drie maanden in z’n eentje op reis door Latijns Amerika met nog een maand of vier te gaan. Hij vertelt dat hij her en der de kost verdient als bakker, muzikant of hostelmedewerker, dat hij in september even terug naar Frankrijk moet voor de bruiloft van zijn vader en dat hij daarna weer vrolijk verder wil gaan met reizen. We vertellen hem dat we binnenkort doorreizen naar El Salvador. Hij trekt een moeilijk gezicht en zegt dat het daar best gevaarlijk is. Ik schrik nu wel een beetje: als zelfs zo’n avonturier El Salvador niet zo ziet zitten, moeten wij er dan wel naartoe gaan?
Om half twee stappen we met Lory en de twee begeleiders in de auto van de Franse eigenaar van het hostel. We rijden de stad uit, gaan na een tijdje de verharde weg af en rijden dan nog een stuk verder over een stoffig zandweggetje. Op het punt waarop de auto ons niet meer dichter bij ons doel kan brengen stappen we uit.
Ik heb zowel op mijn buik als mijn rug een zware rugzak als we om twee uur het smalle zandpaadje beginnen te bewandelen. Al snel blijkt dat gids Douglas en Lory er een militair tempo op nahouden en het niet erg zien zitten om steeds op ons te wachten. De andere begeleider, Oswaldo, blijft gelukkig achteraan lopen om ons een beetje in de gaten te kunnen houden.
Na een uurtje stevig doorlopen nemen we even pauze bij een grote boom. We zijn dan al best een beetje vermoeid, terwijl we eigenlijk nog maar nauwelijks geklommen hebben. Dat gaat nu pas komen.
De tweede helft van de wandeling is behoorlijk zwaar. Het pad wordt ineens behoorlijk steil en ligt bezaaid met grote, losse stenen die je nooit helemaal kunt vertrouwen als je er je voet op zet. We baden in het zweet en gaan allebei een paar keer bijna onderuit.
Om kwart over vier zijn we na twee uur en een kwartier lopen, het leek veel langer, eindelijk op de plek waar we vannacht zullen kamperen. Tot onze verrassing lijkt dit net een oase: een grote, platte grasvlakte met palmbomen, waarop enkele wilde paarden staan te grazen. Op de achtergrond zien we het laatste stukje van de Telica dat we later nog zullen gaan beklimmen. Het is een wonderlijk decor waarin we met behulp van de begeleiders ons tentje opzetten.
Na even wat uit te hebben gerust gaan we met Douglas en Lory het laatste stukje naar de krater van de actieve vulkaan afleggen. Het is weer een lastige klim over een bodem die volledig uit losse stenen bestaat, maar gelukkig hebben we onze baggage nu niet meer bij ons, hebben we even op adem kunnen komen en zullen we nog maar een klein kwartiertje hoeven lopen.
Even later staan we bij de krater. Dat is erg indrukwekkend, maar ook behoorlijk eng. Van de ene op de andere centimeter houdt de rotsbodem voor onze voeten gewoon op. Een afrastering is er natuurlijk niet. We staren in een loodrechte afgrond die 120 meter diep schijnt te zijn, met lava op de bodem. Die lava is zelfs zichtbaar, al krijg ik het zelf niet te zien omdat ik daardoor niet dicht genoeg bij de rand durf te komen. Linda heeft een beetje meer lef en zet wel die paar extra passen. En uiteraard staan Douglas en Lory heel nonchalant nog net niet òp de rand te balanceren. Het is alsof we pal voor een gat rechtstreeks naar de hel staan en vanuit de enorme krater klinkt aldoor een onheilspellend gerommel, dat ergens in het midden ligt tussen de geluiden van de donder, de zee en een drukke snelweg.
Ik ben dan ook een tikkeltje opgelucht als we even later weer een stukje verder gaan lopen over de erg moeilijk begaanbare ondergrond van keien. Wel beginnen we ons er al snel aan te irriteren dat Douglas wederom zijn eigen hoge tempo aanhoudt en zich er niets van aantrekt dat hij op een gegeven moment zelfs uit ons zicht verdwijnt. Dat lijkt me toch niet de bedoeling van een gids.
Even later kunnen we echter een half uurtje uitrusten met een werkelijk adembenemend uitzicht van grote hoogte, op enkele andere vulkanen in de omgeving. Het lijkt alsof we de enige mensen op aarde zijn, voor zover we dat gevoel niet al hadden tijdens de voorbije wandeling. Sinds de pauze bij de grote boom zijn we immers nog maar één andere levende ziel tegengekomen. Het is de bedoeling dat we hier de zonsondergang gaan bekijken, maar omdat het zo bewolkt is zien we daar weinig van. Het geeft niet, het uitzicht is zo ook al bijzonder genoeg.
Op de terugweg naar de kampeerplek zien we bij de krater nog een groep van zo’n twintig toeristen staan die inmiddels ook gearriveerd zijn. Dat geeft me toch wel een ietwat gerustgesteld gevoel.
Bij de kampeerplek krijgen we van Oswaldo een bordje eten. Hij heeft er zelfs rekening mee gehouden dat ik vegetariër ben, helaas heeft hij het eten wel volgestopt met ui (en daar hebben mijn smaakpapillen bijna net zoveel moeite mee als mijn geweten heeft met vlees).
’s Avonds gaan we in het donker nog een keertje terug naar de krater, omdat het lava nu beter te zien moet zijn. In de duisternis klinkt het gerommel vanuit de krater zelfs nog griezeliger dan bij dag.
Als we wederom terug naar de kampeerplek lopen blijken we Lory kwijt te zijn. Hij haalt ons even later weer in en vertelt dat hij weer een hokje af kan vinken op zijn bucket list: hij had altijd al eens in een vulkaankrater willen plassen.
Op onze kampeerplek, waar inmiddels ook enkele andere toeristen een tentje op hebben gezet, gaan we onder een snel van kleur veranderende volle maan met z’n vijven rond een kampvuur zitten waar Oswaldo voor heeft gezorgd. Hij heeft ook koffie gezet op het kampvuur. Macho Douglas (die de hele dag doorlopend selfies heeft gemaakt met zijn smartphone) blijkt nogal zwijgzaam, dus gaan de gesprekken voornamelijk tussen Oswaldo en Lory, die vloeiend Spaans spreekt. Hij spreekt gelukkig ook prima Engels en is niet te beroerd om zo nu en dan wat voor ons te vertalen. Als ik geconcentreerd naar hun gesprekken luister merkt ik dat ik, met mijn heel bescheiden kennis van de eveneens Latijnse Franse taal en na vier reizen door Spaanstalige landen, vaak toch wel de hoofdlijnen enigszins kan volgen. Daarnaast hebben we wel wat lol met Oswaldo, die bezig is met Engels leren maar er nog helemaal niet goed in is.
Om tien uur zoeken we ons tentje op.

Dag 7: León
Donderdag 15 mei 2014
We hebben zoals verwacht niet echt goed geslapen op onze flinterdunne matjes en zijn dan ook al wakker als we om half vijf gewekt worden. We gaan nu de heuvel tegenover ons tentje beklimmen om vanaf daar de zonsopgang te bekijken.
Het wordt wederom een best lastige klim over een steil pad vol losse stenen. Op de top treffen we ruim een dozijn andere toeristen aan, die hier lijken te hebben overnacht. Vanaf deze top hebben we een adembenemend uitzicht. We kijken van een afstand de vulkaankrater in, waarin nu een grote rookwolk hangt. In de verte zien we de lichtjes van León. Dat door de bewolking de zonsopkomst net als gisterenavond de zonsondergang aan ons voorbij gaat geeft dan ook niet zoveel. Om ons heen bevindt zich een ongelooflijk 360 graden breed panorama, de meeste mensen krijgen zoiets niet vaak in hun leven te zien.
Na de afdaling krijgen we van Oswaldo nog een ontbijtje, waarna we beginnen aan de afdaling. Daarover doen we een kleine twee uur.
Met onze benen zwart van de stoffige paden en onze kleding muf van het zweet worden we vervolgens weer opgepikt door de hosteleigenaar en naar Lazybones in León gebracht, waar we allebei de douche kunnen nemen waar we ons al sinds gisteren namiddag op hebben verheugd.
Na een dutje te hebben gedaan op onze kamer in Lazybones, die we opnieuw betrokken hebben, wandelen we op ons gemak heel voldaan naar Barbaro, dat leuke café dat we eergisterenavond vonden en waar ik gisterenavond op sommige momenten toch wel een beetje naartoe verlangde. We gaan hier nu lunchen. Een ober zapt even wat rond op het grote tv-scherm dat in de stijlvol ingerichte zaak hangt en komt daarbij zowaar langs een live-uitzending van de Nederlandse voetbalwedstrijd AZ – FC Groningen. Hij hoort onze enthousiaste reactie en omdat we nu de enige gasten zijn laat hij de wedstrijd maar opstaan. Als we de menukaart openslaan zien we dat daar heel verrassend bitterballen opstaan. Daar zit je dan, in Nicaragua.
Wat later lopen we weer door het stadje. We gaan naar binnen bij een tourbureautje en vragen of we hier een busrit kunnen boeken naar San Salvador, onze beoogde volgende bestemming. We krijgen te horen dat deze bus ééns in de twee dagen rijdt. De eerste rit is komende nacht om drie uur, de volgende dus pas 48 uur later. Omdat we afgelopen nacht al niet veel hebben geslapen zien we de eerste optie niet zitten, omdat we niet nog twee dagen in León willen blijven lijkt ook optie twee ons maar niks. We gooien de plannen maar even om: we verlengen ons verblijf in Nicaragua en gaan morgen dan maar naar Esteli.
De rest van de middag luieren we nog wat op de binnenplaats van ons hostel. Even bijkomen in een schommelstoel met mijn MP3-speler op random is nu wel lekker. Op reis en op vakantie gaan zijn twee verschillende dingen, maar bij het één hoort altijd een beetje van het ander, vind ik.
Om half zes gaan we de straat weer op. Op het centrale plein is het nu gezellig, op de kiosk is een optreden gaande dat een bescheiden publiek heeft getrokken en ook wat mensen aan het dansen krijgt.
We gaan nu uiteraard eten bij Barbaro. Er lopen terwijl we daar zitten geregeld kinderen binnen die bij de gasten komen bedelen, maar al snel weer weggejaagd worden door het personeel. Het is een voortdurend kat en muis-spelletje. Linda heeft na driekwart van haar pizza wel genoeg gegeten, we geven het overgebleven stuk maar aan het eerstvolgende jongetje dat vervolgens komt bedelen.
Na het eten nemen we nog een drankje, terwijl buiten de eerste noemenswaardige regenbui van ons verblijf in Nicaragua uitbreekt. Even later is uit de boxen van Barbaro ‘Burbujas de Amor’ van Juan Luis Guerra te horen, al jaren één van mijn ultieme liedjes om in de stemming te komen voor een verre reis.
Om negen uur gaan we weer naar onze kamer.

Dag 8: Van León naar Esteli
Vrijdag 16 mei 2014
Eergisteren moesten we een tijdje zoeken naar een goed tentje om te ontbijten, nu blijkt dat dit helemaal niet nodig was. We gaan nu vanuit ons hostel rechtsaf in plaats van linksaf en stuiten al na enkele tientallen meters op een prima en goedkoop tentje.
Nadat we uit hebben gecheckt bij Lazybones nemen we voor veertig cordoba een taxi naar de busterminal. We willen hier de bus naar Esteli nemen, maar letterlijk voor onze neus zien we het laatste kaartje hiervoor verkocht worden. En het duurt nog wel eventjes voordat de volgende bus zal gaan rijden. Een Oostenrijkse backpacker die in tegenstelling tot ons wèl Spaans spreekt vist ook achter het net, maar heeft een oplossing: hij gaat een bus nemen naar San Isidro en daar overstappen op een bus naar Esteli.
We besluiten zijn voorbeeld maar te volgen en zitten om half één dus in een krankzinnig volle bus die vertrekt met San Isidro als bestemming. Op bankjes waar twee mensen al niet heel ruim zitten worden doodleuk drie mensen gepropt en in het gangpad staan de mensen twee rijen dik. Dat weerhoudt de gebruikelijke verkopers die in deze regionen bij bijna elke halte de bus instappen er echter niet van om toch gewoon hun rondje te maken. Dus komt om de zoveel minuten weer iemand zich door de mensenmassa heen wurmen terwijl hij of zij luidkeels fruit, snacks, drankjes (die hier doorgaans uit een plastic boterhamzakje gedronken worden), pennen, scharen, tandpasta, batterijen of kranten aan de man probeert te brengen. Ook irritant is dat de bussen hier dus stoppen voor iedereen die z’n hand opsteekt en dat er dus vaak meerdere keren op een kilometer gestopt wordt. We moeten voor deze busrit negentig cordoba (€2,45) per persoon betalen.
Om drie uur zijn we in San Ididro. Nu niet op een terminal, maar gewoon langs een doorgaande weg. Gelukkig staan we er niet helemaal alleen voor, de eerder genoemde Oostenrijker staat er ook, samen met een Britse vrouw waarmee hij momenteel aan het reizen is.
Na een klein kwartiertje kunnen we in de bus naar Esteli stappen. Deze is gelukkig wat minder vol, we kunnen gewoon meteen zitten. Voor dit ritje betalen we veertig cordoba (€1,10) per persoon.
Na nog eens een klein uurtje zijn we eindelijk in Esteli. Samen met de Oostenrijkse man en de Britse vrouw nemen we voor veertig cordoba een taxi naar het centrum van de stad.
Esteli telt zo’n 105.000 inwoners en ligt in het noordwesten van Nicaragua. Evenals León staat het bekend als een linkse stad. In de guerrillaoorlog tussen de corrupte dictatorsfamilie Somoza en de linkse Sandinisten in 1978 en 1979 werd hier dan ook heel zwaar gevochten. Zo’n 15.000 inwoners van de stad, voornamelijk jongeren die verdacht werden van sympathieën voor de Sandinisten, verloren daarbij het leven. Verder staat Esteli met dank aan de vele Cubaanse immigranten te boek als één van de voornaamste steden op het gebied van sigarenexport.
Het hostel dat we hier eigenlijk voor ogen hadden blijkt alleen dorms (slaapzalen) te hebben, dus zoeken we even verder. We komen al snel uit bij El Meson, geen hostel maar een heus hotel. Voor een ruime kamer met eigen toilet, badkamer en tv vragen ze hier 599 cordoba, maar als we even twijfelen komt al snel een tweede versie van de prijslijst boven tafel. 521 Cordoba, een kleine vijftien euro, vinden we per nacht wel schappelijk. Even een beetje extra luxe is ook wel weer fijn.
We leveren onze vuile was af bij de balie van het hotel, morgen zullen we die schoon weer terugkrijgen.
Om acht uur gaan we de straat weer op. Het valt direct op dat het hier aanmerkelijk koeler is dan in Granada en León, een behaaglijke 27 graden tegenover een klamme circa 35 graden.
Wat ook opvalt is dat in dit stadje op heel veel plekken gewapende beveiligers staan. Die moeten je ongetwijfeld een gevoel van veiligheid geven, maar het feit dat ze blijkbaar nodig zijn bereikt eerder het tegenovergestelde effect. Desondanks maakt Esteli ’s avonds een rustige indruk en voelt het totaal niet ongemakkelijk om hier in het donker over straat te lopen.
We gaan vanavond eten bij Mexicano Beverly, een Mexicaans eettentje dat van alle vleesgerechten zowaar een vegetarische soya-variant op de kaart heeft staan. Het eten is er bovendien erg lekker.
Daarna doen we nog wat boodschappen in een supermarkt vlakbij het centrale plein. Al om kwart voor acht zijn we weer in onze kamer.

Dag 9: Esteli en de kampioenswedstrijd Real Esteli – Diriangén
Zaterdag 17 mei 2014
We hebben een wat onrustige nacht gehad. We hoorden midden in de nacht aldoor harde klappen die van vlakbij onze kamer kwamen, het klonk een beetje alsof iemand een deur in probeerde te trappen. In combinatie met de vele beveiligers die we afgelopen avond op straat zagen kregen we hier toch een ietwat ongemakkelijk gevoel van. Pas de volgende ochtend merken we dat op het binnenplaatsje van het hotel een gebouwtje staat met een golfplaten dak, waarop een hele hoop grote vruchten liggen die er vanuit een boom op zijn gevallen. Mysterie opgelost.
Rond kwart over acht gaan we op zoek naar een tentje waar we kunnen ontbijten. We komen uiteindelijk uit bij een restaurantje pal tegenover ons hotel, waar ik het vrij stevige typisch Nicagaraguaanse ontbijt bestel wat je hier op veel plaatsen kunt krijgen. Het bestaat uit roerei, gebakken banaan, een paar blokjes feta-achtige kaas en iets wat ze hier “gallo pinto” noemen: een prakje van rijst en bruine bonen. Alles bij elkaar een beetje aan de zware kant zo vroeg op de ochtend, maar na zo’n ontbijt kun je er eventjes tegenaan.
Om half tien gaan we de straat weer op om een tourbureautje te vinden waarbij we alsnog een busrit naar San Salvador kunnen boeken. Dat valt nog niet mee. Bij de eerste twee bureautjes spreekt niemand Engels. Het is toch opmerkelijk dat in Nicaragua heel veel mensen die beroepsmatig veel met toeristen te maken hebben echt geen woord Engels lijken te spreken. Nog opmerkelijker is dat als je willekeurige mensen op straat aanspreekt en bijvoorbeeld de weg vraagt het tòch blijkt dat een redelijk percentage van de mensen in dit land een woordje Engels spreekt.
We lopen een drukke winkelstraat door op zoek naar een ander tourbureautje dat Linda in de Lonely Planet heeft gevonden, maar dat we uiteindelijk niet aantreffen. Wat ook wel opmerkelijk is, is dat we gedurende deze wandeling vele honderden mensen aan ons voorbij zien trekken, maar geen enkele westerling. Toch worden we geen enkele keer vreemd aangekeken of aangesproken. Je wordt hier als toerist volkomen met rust gelaten, wat wel lekker is. Tegelijk blijken mensen best hulpvaardig als je ze aanspreekt.
We gaan weer even terug naar onze hotelkamer, waar we op onze tv live de tweede helft kunnen zien van FC Barcelona – Atletico Madrid, de beslissende wedstrijd om de Spaanse landstitel. Het Spaanse voetbal leeft hier sowieso heel erg. Als je een kwartiertje over straat loopt zie je tientallen volwassen mannen (en ook enkele vrouwen) rondlopen in een shirtje van FC Barcelona of Real Madrid. Shirts van andere clubs zie je nauwelijks, heel af en toe eentje van Bayern München of het nationale elftal van Brazilië of Argentinië, maar dat is het wel zo’n beetje.
Om twaalf uur gaan we weer de straat op, we gaan nu naar een tourbureautje waar we wel in het Engels geholpen kunnen worden en waar we twee plekjes in een bus naar San Salvador voor morgen reserveren. Het kost $50 per persoon (ruim €35), maar het is dan ook een behoorlijke lange rit en die gaan we gelukkig in een luxe bus afleggen.
In de middag hadden we het stadje wat verder willen gaan verkennen, maar dat valt een beetje in de soep. Het oorlogsmuseum Heroes y Martieres dat we wilden bezoeken blijkt in het weekend gesloten te zijn. Verder is hier niet zoveel te doen. Esteli is net zo rustig en uiterlijk gemoedelijk als Granada, maar mist de sfeer en aantrekkelijkheid van die stad. Het is tekenend dat de tourbureau’s hier in tegenstelling tot die in Granada en León nauwelijks excursies aanbieden, maar vooral busritten naar steden met meer aansprekende namen.
Omdat San Salvador de naam heeft een wat onveilige stad te zijn besluiten we dat we daar niet doorheen willen zwerven op zoek naar een hostel, dus boekt Linda op haar smartphone (in elke kamer waarin we tot dusver verbleven hadden we gewoon WiFi) alvast een hostel vlakbij de busterminal in die stad.
Later op de middag slenteren we weer wat door het centrum, waarin net als in León veel politiek getinte muurschilderingen te zien zijn.
We gaan nu eten bij Licuados Ananda, een opmerkelijk restaurantje waar we eigenlijk gisteren al naartoe wilden, maar dat toen gesloten bleek te zijn. Het restaurant is gesitueerd rond een leeg zwembad en heeft een geheel vegetarische menukaart. Helaas blijkt het eten niet zo heel lekker te zijn.
Nadat we nog wat boodschappen hebben gedaan in de supermarkt en even geslapen hebben in onze kamer gaan we om zes uur de straat weer op. We vinden nu een restaurantje dat helemaal naar mijn hart is: het is er gezellig druk, een liter bier kost maar 55 cordoba (€1,50), er staan vegetarische hamburgers op het menu en uit de stereo komt Spaanstalige punkrock. Voor het eerst sinds we in deze stad aangekomen zijn worden we hier omringd door westerlingen.
Als we zo’n beetje klaar zijn met eten begint het ons op te vallen dat er aardig wat mensen met rood-witte shirts en vlaggen over straat lopen. We beginnen te vermoeden dat er wel eens een voetbalwedstrijd gespeeld zou kunnen gaan worden vanavond. Misschien dat we toch nog wat kunnen maken van deze verder redelijk loze dag?
Naast reizen is ook voetbal voor zowel Linda als mij een grote passie en als het even kan proberen we tijdens onze reizen een voetbalwedstrijd op vreemde bodem mee te pikken. We hebben voorafgaand aan deze reis dan ook gezocht naar een speelschema van de Nicaraguaanse competitie, maar konden nergens een recent overzicht vinden en hadden de hoop dus een beetje opgegeven.
We vragen aan de ober of het klopt dat er vandaag een wedstrijd gespeeld gaat worden, hij bevestigd dat. Op slechts een minuutje of vijf lopen zal de plaatselijke voetbaltrots Real Esteli over ruim een uur gaan spelen. De ober weet ook te melden dat de drie jonge mannen van een tafeltje verderop naar die wedstrijd gaan en dat we vast wel met hen mee kunnen gaan. Gelukkig blijken ze dat inderdaad geen probleem te vinden, ze willen zelfs wel eventjes op ons wachten terwijl Linda in ons hotel haar slippers snel om gaat wisselen voor schoenen.
Zo’n vijf minuten later lopen we richting het Estadio Independencia, dat maar een blok of vijf van ons hostel af blijkt te staan. Eén van de drie mannen die ons op sleeptouw nemen spreekt goed Engels en kent zelfs een paar woordjes Nederlands. Hij heeft recentelijk heel toevallig drie maanden doorgebracht in Nijmegen. Als we hem vragen wat hij zich voornamelijk herinnert van Nederland is het eerste wat in hem opkomt een jingle van Radio Veronica en de naam van het tv-programma De Slimste Mens. Hij vertelt ons dat de wedstrijd die vandaag op het programma staat niets minder is dat El Clasico, de klassieker, zeg maar de Nicaraguaanse versie van Ajax – Feyenoord. De bezoekende ploeg Diriangén FC is in Nicaragua vaker landskampioen geworden dan wie dan ook, maar de afgelopen zeven jaar is thuisclub Real Esteli onafgebroken kampioen geweest.
Als we de lichtmasten van het stadion op zien doemen krijgen we van onze “begeleiders” te horen dat zij bij één van de zwarthandelaren op straat kaartjes voor ons zullen kopen, als we dit zelf zouden doen dan zouden we er immers minstens tien dollar voor neer moeten leggen, terwijl de kaartjes in de reguliere verkoop maar zeventig cordoba kosten, twee euro dus. Ze weten uiteindelijk voor 180 cordoba twee kaartjes voor ons te bemachtigen, nog steeds minder dan drie euro per stuk.
Terwijl we in de lange rij voor het stadion staan te wachten valt het ons echter wel op dat Linda’s kaartje er één is voor een totaal andere wedstrijd, die twee weken geleden al gespeeld is. Onze gastheren laten ons achteloos weten dat dit niet uitmaakt. Want “This isn’t The Netherlands, this is Nicaragua”. Maar voor alle zekerheid besluiten ze toch maar om de vijf kaartjes tegelijkertijd af te geven bij de ingang, zodat het wellicht nog wat minder opvalt. We komen inderdaad moeiteloos alle vijf binnen met vier goede kaartjes en één “foute”.
Even later staan we in het Estadio Independencia en blijkt dat we het echt hebben getroffen met onze gastheren. Als ik onze kaartjes, die ze voor hebben geschoten, wil betalen accepteren ze het niet dat ik het bedrag een beetje naar boven afrond en bovendien wijzen ze ons op twee nog vrije stoeltjes terwijl ze daarna zelf genoegen moeten nemen met ongemakkelijk plaatsen op de trap.
Het bescheiden doch charmante stadionnetje van Real Esteli heeft aan één lange zijde en twee korte zijdes tribunes staan waar de gemiddelde Nederlandse Eerste Divisie-club zich zeker niet voor zou schamen. De tribunes zitten bovendien propvol, er zijn veel meer mensen binnen dan dat er stoeltjes zijn. Opmerkelijk is dat aan de lange zijde tegenover ons geen tribune staat, maar alleen een soort clubgebouwtje met een bordes waarop enkele tientallen mensen staan.
Voor de wedstrijd worden volop vuurpijlen afgeschoten achter één van de tribunes en met kanonnen wordt een grote massa papieren slierten het veld op geschoten. Zodra dat enkele minuten later eindelijk opgeruimd is volgt doodleuk een tweede massa papier.
De wedstrijd die we daarna te zien krijgen is heel wat minder spetterend. Het niveau is niet hoog, de twee ploegen zouden in Nederland zeer zeker niet op profniveau mee kunnen en wellicht ook niet met de betere amateurclubs. Bovendien wordt al heel snel duidelijk dat beiden wel kunnen leven met een 0-0 eindstand, er wordt niet overdreven veel moeite gedaan om te scoren. Het wordt dan ook 0-0, een eindstand die door het publiek een beetje ter kennisgeving aangenomen wordt.
Groot is dan ook onze verbazing als even later massaal het veld bestormd wordt door het publiek, de ME een lijn vormt om te zorgen dat supporters ophouden met flessen naar het uitvak gooien en er een podiumpje op het veld opgebouwd wordt met een spandoek waarop ‘Campeón 2014’ staat. Nu pas beseffen we dat we zojuist getuige zijn geweest van niets meer of minder dan de grote finale om de landstitel. Die wordt gespeeld over twee wedstrijden, waarvan Real Esteli de eerste al met 1-2 gewonnen heeft, waardoor 0-0 nu genoeg is voor de titel. Dat het publiek hier nogal lauw op reageert zal wel zijn omdat het al een hele tijd geleden is dat Real Esteli de landstitel nìet won.
Gelukkig vinden ook onze gastheren het niet nodig om heel lang getuige te zijn van de festiviteiten na de wedstrijd, dus begeleiden ze ons redelijk op tijd weer terug naar ons hotel. We moeten vannacht immers om drie uur alweer op om de bus naar San Salvador te halen.

Dag 10: Van Esteli naar San Salvador
Zondag 18 mei 2014
We staan om drie uur ’s nachts op en vertrekken een half uur later uit ons hotel. We lopen door een uitgestorven, donkere straat naar de Pan-American Highway, een wandelingetje van amper vijf minuten. We hopen daar op dit tijdstip een taxi te kunnen vinden naar het benzinestation waar we naartoe moeten, maar dat blijkt al snel geen enkel probleem. Er komt ongeveer eens per minuut een voertuig voorbij gereden, maar negen van de tien keer is dit een taxi op zoek naar klanten. Voor vijf dollar (€3,60) nemen we een taxi die ons naar een Uno-tankstation een paar kilometer verderop brengt. Hier moet omstreeks half vijf een luxe touringcar naar San Salvador ons op komen pikken en bij het tourbureau is ons geadviseerd om ruim op tijd klaar te staan.
Uiteindelijk staan we bijna twee uur naar de horizon te staren, pas rond kwart voor zes verschijnt de touringcar van Del Sol. Goedmakertje is dat de bus hele comfortabele zitplaatsen heeft en grotendeels leeg is, waardoor we elk een bankje voor onszelf kunnen claimen.
Om zeven uur zijn we bij de grens met Honduras en verlaten we dus na negen dagen Nicaragua. We moeten elk acht dollar (€5,70) aan administratiekosten betalen om het land uit te kunnen en alle formaliteiten duren bijna een uur. Het beloofde ontbijt in de bus is nogal bescheiden: een klein voorverpakt chocoladebroodje en een pakje sap. Aan de films die vertoond worden op de tv-schermen hebben we niet veel: eerst twee keer achter elkaar ‘Last Vegas’, nagesychroniseerd in het Spaans, gevolgd door twee keer ‘Escape Plan’, eveneens met Spaanse stemmen. Dan is het toch wat interessanter om naar het groene landschap te kijken dat voorbij trekt, naar de bergen en heuvels en de eenvoudige dorpjes.
Iets voor half elf zijn we bij de grens tussen Honduras en El Salvador. Wederom duren alle formele verplichtingen bijna een uur, al hoeven we dit keer de bus niet uit en hoeft er ook niets betaald te worden. Wel wordt er nog even een drugshond losgelaten op het bagageruim.
Om twaalf uur worden bij een wegrestaurant lunchpakketten opgehaald, maar hier heb ik niets aan omdat er kip op het menu staat. Gelukkig hebben we zelf genoeg snacks meegenomen.
We zijn nu in El Salvador, het kleinste maar tevens dichtstbevolkte land van Centraal Amerika. De republiek is ongeveer half zo groot als Nederland en telt ruim 5,7 miljoen inwoners. Het aan Guatemala, Honduras en de Stille Oceaan grenzende land is in Nederland vooral bekend vanwege de burgeroorlog die er van 1979 tot 1992 gaande was tussen het door de Verenigde Staten gesteunde militaire bewind en marxistische rebellen. Sinds 2009 heeft El Salvador met Mauricio Funes voor het eerst een linkse president.
We komen de hoofdstad San Salvador binnen in het oosten, bepaald niet het beste deel van de stad. Er zijn veel krotten, alles ziet er vies en verlopen uit en rond vrijwel elk gebouw staat een huizenhoog hek met daarop een rol prikkeldaad. Sowieso heeft deze stad een erg slechte reputatie. Sinds het einde van de burgeroorlog zijn hier bendeoorlogen gaande. Er worden in San Salvador 90 moorden gepleegd per 100.000 inwoners, meer dan tien keer zoveel als in New York.
Het is tien voor drie als de bus stopt op het eindpunt. Omdat we in deze stad ons eigenlijk zo min mogelijk op straat willen begeven heeft Linda vooraf een hostel geboekt op letterlijk een paar meter van het eindpunt van de bus. Als we ons daar melden bij de receptie blijkt echter dat we bij de verkeerde vestiging van het hotel staan. We zijn bij Villa Florencia Zona Rosa, terwijl we geboekt hebben bij Villa Florencia Centro. Bij Zona Rosa bellen ze echter netjes een taxi voor ons, die ons voor $5 naar het juiste hotel brengt. Overigens is in El Salvador sinds de afschaffing van de colón in 2001 de Amerikaanse dollar de officiële valuta.
Even later checken we dus in bij Villa Florencia Centro. Een leuk hotel met een hele fraaie, klassieke inrichting, we hebben ook een eigen badkamer en tv, maar het gebouw is wel gesitueerd in een minder prettig ogende buurt. De grotendeels uitgestorven straten worden gedomineerd door graffiti, prikkeldraad, gesloten gebouwen en bewapende bewakers. Gelukkig hoeven we hier alleen te overnachten en gaan we er morgenvroeg meteen weer vandoor.
Nadat we in de kamer een dutje hebben gedaan moeten we dan toch even de straat op om een tentje te vinden waar we wat kunnen eten. We vinden in de directe omgeving niets en zien het ook niet echt zitten om ons verder weg te begeven. We besluiten bij de balie van ons hostel te vragen of ze voor ons een pizza kunnen bestellen. De man achter de balie draait voor ons netjes het nummer van de dichtstbijzijnde Pizza Hut, om vervolgens de hoorn meteen aan Linda te geven. Alhoewel Linda eigenlijk geen Spaans spreekt en degene aan de andere kant van de lijn zelfs nog minder Engels slaagt ze er toch in om een pizza voor twee personen te bestellen. Veel meer nog dan ik is Linda er de afgelopen anderhalve week in geslaagd om zich toch al een klein beetje verstaanbaar te maken in het Spaans.
Even later zitten we in onze kamer met een heerlijk panpizza voor twee personen die groot genoeg is om nog een paar slices over te houden die we morgen kunnen gebruiken als ontbijt.

Dag 11: Van San Salvador naar Playa el Tunco
Maandag 19 mei 2014
We hebben in dit hotel allebei onze beste nacht tot dusver gehad, Linda en ik hebben beiden bijna tien uur als een blok geslapen.
Om negen uur gaan we de straat op om de bus naar Playa El Tunco te gaan nemen. Op deze zonnige ochtend zien de straten van San Salvador er al een heel stuk minder bedreigend uit dan gisterenavond. Ook blijkt al snel dat hier genoeg mensen te vinden zijn die helemaal zo verkeerd nog niet zijn. Als we de busterminal niet kunnen vinden worden we tot twee keer toe spontaan de juiste richting in gestuurd door allervriendelijkste mensen die inmiddels wel weten waar ronddolende toeristen vanuit hier meestal naartoe willen. Ook nu is het weer opvallend dat veel mensen die in deze regionen hun brood grotendeels aan toeristen verdienen totaal geen Engels spreken, maar dat de gemiddelde man op straat de taal wèl een beetje beheerst. Heel gek.
Om half tien zitten we in een minibusje richting Playa El Tunco. Kaartjes hiervoor kosten $1,50 (ruim een euro) per persoon, maar we moeten er ook twee kopen voor onze backpacks. Grappig is de onderweg een verzamel-cd’tje voorbij komt met alle grote eurohouse-hits uit de jaren negentig, van onder meer 2 Unlimited, Snap! en Technotronic.
Na een uurtje rijden zijn we in Playa El Tunco, één van de kleinere badplaatsjes in de buurt van de grotere en niet als geheel veilig bekend staande badplaats La Libertad.
We vragen bij de doorgaande weg bij een barretje aan een man waar hier de hostels te vinden zijn, waarna hij spontaan opstaat van zijn kruk om ons er naartoe te brengen. Onder meer door onze ervaringen in Marrakesh afgelopen december zijn Linda en ik nogal op onze hoede voor mensen die iets tè vriendelijk lijken te zijn maar uiteindelijk hun bijbedoelingen blijken te hebben. Maar niet voor de eerste keer blijkt dat we deze sceptische houding in Nicaragua en El Salvador best een beetje kunnen laten varen. Tot dusver waren eigenlijk alle mensen die ons in deze landen wilden helpen gewoon oprecht behulpzaam, wat ook wel weer eens verfrissend is.
We komen bij een hostel dat Mopelia heet. Het is een soort grote tuin waarin enkele kleine, eenvoudige gebouwtjes staan, simpele schuurtjes die als kamers dienen. Op het overdekte terras van de bar treffen we een Belgische man van waarschijnlijk ergens in de veertig aan, die hier de eigenaar blijkt te zijn. Hij laat ons een kamertje zien dat zo basic is als maar zijn kan en waarin het bovendien bloedheet is, maar we nemen er voor $15 (€10,70) per nacht genoegen mee. De Belg blijkt zijn zaakjes nogal luchtig aan te pakken: we hoeven ons niet in te schrijven of te identificeren, dat vindt hij maar onzin, en we hoeven pas bij vertrek te betalen.
Als we Playa El Tunco gaan verkennen word ik erg blij van wat ik zie. Ten opzichte van San Salvador is dit het andere uiterste. Ons “schuurtje” staat op een meter of twintig van de Stille Oceaan en het toeristische centrum van het plaatsje bestaat uit weinig meer dan één erg gezellig en sfeervol straatje: een smal zandweggetje dat geflankeerd wordt door enkele barretjes, restaurants en winkeltjes. Het is een waar paradijsje. De niet overdreven drukke straat wordt bevolkt door vrijwel uitsluitend surfers en backpackers.
We maken een wandelingetje over het strand. Dit wordt voornamelijk gevormd door rotsen en zwart zand en ziet er daardoor niet helemaal paradijselijk uit, maar dat geeft niet. Wel heel fraai is de opvallende rotspartij vlak voor de kust, die min of meer het symbool is van Playa El Tunco (de vorm ervan staat afgedrukt op veel T-shirts die je hier kunt kopen), en de golven zijn hoog. Opmerkelijk is wel dat je heel wat meer mensen met surfplanken door het straatje ziet lopen dan dat je daadwerkelijk mensen ziet surfen.
Ook wel bijzonder is de hele grote maar gelukkig wel heel rustige, lieve hond die hier rondloopt. Hij hangt meestal bij ons hostel rond, maar gaat ook geregeld een wandelingetje door het dorp maken. Tijdens één van onze wandelingen naar het strand blijft hij ons een half uurtje volgen. Zo blijkt hij zijn dagen door te komen: hij ligt het merendeel van de tijd ergens te luieren en zo nu en dan pikt hij een paar toeristen uit die hij dan even volgt. ’s Nachts ligt hij te slapen in ons douchegebouwtje.
We lunchen bij een tentje direct aan het strand en gaan dan nog even relaxen op de veranda van ons kamertje en in het zwembadje.
’s Avonds gaan we eerst op het strand nog even kijken naar de zee en de surfers, daarna gaan we eten op de bovenverdieping van een restaurantje met uitzicht over zee.
Daarna belanden we bij Comedor la Esquina, een klein, gezellig en steevast best druk tentje dat iets verder van de kust staat en daardoor aanzienlijk goedkoper is dat de bars en restaurants direct aan het strand.
Voordat we ons kamertje opzoeken brengen we ook nog een bezoekje aan de bar van ons hostel, waar de eerder genoemde Belg ’s avonds voor barman speelt. Al onze vorige hostels hadden wel een barretje of ten minste een koelkast met wat flessen of blikken bier, maar de bar van Mopelia is andere koek: er zijn meer dan veertig (!) soorten bier te krijgen en op het menu staan onder meer Belgische friet en Belgische wafels.

Dag 12: Dagje strand in Playa el Tunco
Dinsdag 20 mei 2014
We hebben best aardig geslapen. Overdag komen de temperaturen hier dichter bij de veertig dan de dertig, maar ’s nachts koelt het een klein beetje af.
We slapen uit tot een uur of negen en doen het de rest van de dag heel rustig aan. Na elf dagen op rij vol reizen, slenteren en het beklimmen van een vulkaan gunnen we onszelf nu een dagje vakantie in de traditionele zin van het woord. We hangen bij onze kamer wat rond op de veranda en gaan er een paar keer op uit om naar de zee te kijken of er in te gaan, om ergens een drankje te doen of om wat verse kleding te kopen zodat we het deze reis nèt zullen gaan redden zonder nog een keer de was te hoeven laten doen.
Linda gaat vandaag ook even de zee in, ik blijf op het strand. Alhoewel ik nooit de zee inga hou ik er wel erg van om ‘m te zien, te horen en te ruiken. En sowieso heb ik een zwakke plek voor de Stille Oceaan. We zitten dan wel een flink eind van Californië vandaan, maar dit is toch de oceaan waar zoveel nummers van mijn favoriete band The Beach Boys over gaan. Ik neem me dan ook voor om voordat we hier weer weggaan nog een keertje op het strand te gaan zitten en naar wat Beach Boys-nummers te gaan luisteren op mijn MP3-speler.
’s Avonds gaan we eten op het overdekte terras van ons hostel, daarna gaan we wat drinken bij Comedor la Esquina, dat hier ons vaste tentje is geworden. We zijn er al zeker een keer of vier, vijf gaan zitten voor een drankje. Alhoewel het momenteel nog aardig rustig is in Playa el Tunco en veel bars en restaurants akelig leeg blijven is het hier altijd gezellig druk. Het kleine zaakje heeft één ober, die altijd aan het werk lijkt te zijn. Of je hier nu om tien uur ’s ochtends of om tien uur ’s avonds langsloopt, hij is er altijd. En steevast staat hij zo alert voor zich uit te kijken dat het lijkt alsof hij elk moment een dubbeldekker vol nieuwe gasten verwacht. Leuk is dat hier steevast hits uit de jaren tachtig en negentig gedraaid worden.
Toevallig komen we in dit tentje vandaag de Oostenrijker tegen die ook in onze bussen van León naar Esteli zat.
We gaan weer op tijd naar onze kamer, maar hangen daar nog even rond op de veranda voordat we weer gaan slapen.

Dag 13: Van Playa el Tunco naar Santa Ana
Woensdag 21 mei 2014
Om kwart over acht komen we uit onze kamer en gaan we ontbijten. Opvallend is dat op dit tijdstip de meeste ontbijttentjes nog dicht zijn. Iedereen doet hier rustig aan, zoveel is duidelijk.
We gaan nog één keer naar de oceaan kijken en checken dan uit bij ons hostel.
Om half tien lopen we naar de doorgaande weg, waar enkele minuten later al een busje naar San Salvador stopt.
Om tien voor half elf zijn we weer in de lelijke, drukke hoofdstad, waar we uiteraard zo snel mogelijk weer weg willen. We stappen uit bij de halte die volgens onze informatie enkele meters moet staan van een halte voor een bus naar Santa Ana, onze volgende bestemming. Als we het toch maar even navragen bij een pompbediende, die ons allervriendelijkst in zijn beste Engels antwoord geeft, blijken we toch nog best een stukje te moeten lopen naar die halte. Aldaar worden we geholpen door wederom een man die bewijst dat ondanks de reputatie van de stad lang niet iedereen zo verkeerd is hier. Hij vraagt ons spontaan waar we naartoe moeten en geeft ons even later een seintje als onze bus er is.
We worden overigens even later wel weer “gewoon” afgezet in de bus, we moeten samen $4,50 (€3,20) afrekenen terwijl op onze kaartjes toch echt $0,85 (€0,60) staat. Maar dit nemen we inmiddels ter kennisgeving aan, het gebeurt bij bijna al onze busritten en het gaat steeds toch maar om wat kleingeld.
Iets voor half één zijn we in Santa Ana, de tweede stad van het land met 245.000 inwoners. We stappen uit in een drukke marktstraat. Qua sfeer doet de stad een beetje denken aan León, maar dan nog net wat groter en drukker.
We komen door het Parque Colón, waar aan de kiosk een groot verbodsbord hangt van een revolver met een streep er doorheen. Aha.
Iets voor één uur staan we voor de voordeur bij hostel Casa Verde, dat van harte aanbevolen wordt door Lonely Planet. Het hostel lijkt gesloten, maar enige tijd nadat we aan hebben gebeld komt toch iemand de deur open doen. We kunnen hier een kamer krijgen voor $25 (€17,85) per nacht. Het is één van onze duurdere kamers, maar we besluiten ‘m toch voor vier nachten te nemen. Er zijn veel uitstapjes die je kunt maken met Santa Ana als uitvalsbasis en bovendien is dit een tophostel. Er hangt niet voor niets een oorkonde aan de muur die zegt dat Casa Verde door HostelWorld.com uit is geroepen tot beste hostel van El Salvador. Het gebouw ziet er tiptop en fris geverfd uit, er is uiteraard een binnentuintje, er is een uitgebreide keuken die je vrij mag gebruiken, een tv-kamer met mappen vol dvd’s, een mooi en schoon zwembadje en een dakterras met uitzicht over de hele stad. De muren van het hostel zijn volgeschreven door vorige gasten in vele verschillende talen. Ook zal al snel blijken dat de uiterst vriendelijke en altijd vrolijke eigenaar Carlos een wandelend VVV-kantoortje is. Hij weet alles over de stad en kan op verzoek alles voor je regelen. We hebben bovendien een erg ruime kamer met niet alleen een slaapgedeelte, maar ook een riante douche en een aparte ruimte voor de bagage.
Een tijdje na het inchecken lopen we naar het bijzonder fraaie centrale plein. Het wordt omringd door een aantal mooie gebouwen, zoals het mintgroen geverfde Nationale Theater in de Franse Renaissance-stijl, het zachtgele stadhuis en de spierwitte neo-gothische kathedraal, die er opvallend “Europees” uitziet en daarmee flink afwijkt van de meeste kerken in Centraal-Amerika.
We stappen binnen bij Simmer Down, een restaurant pal naast de kathedraal. Het is een mooi restaurant dat ingericht is als een soort binnenplaatsje in een bos, met een eerste verdieping die er een beetje uitziet als een groot houten balkon. Leuk detail is dat de servetbakjes gemaakt zijn van kromgebogen grammofoonplaten (al vind ik dit als platenverzamelaar toch een beetje heiligschennis) en de lampenkappen van cassettebandjes. We worden bijna overdreven vriendelijk ontvangen door een ober die wel erg ijverig zijn best doet om te zorgen dat we ons welkom voelen en ons meteen inpakt met een gratis voorgerechtje en plattegrond van de stad.
Na de lunch nemen we een kijkje in het prachtige, statige theater. Daarvoor moeten we $1,50 (ruim een euro) per persoon betalen, maar we mogen wel door vrijwel het hele gebouw lopen. Het ziet er allemaal erg chique uit en doet een beetje aan Carré denken. Veel Nederlandse tv-kijkers zullen dit theater nog wel kennen van een opdracht in Wie is de Mol die hier enkele jaren geleden uitgevoerd werd. Overigens moesten de deelnemers toen ook op het centrale plein hier voor de deur een opdracht vervullen. Het is alleen een beetje jammer dat het theater momenteel in de steigers staat.
We gaan nog even langs bij een toeristenbureautje in het stadhuis om te kijken wat hier zoal te doen is. We krijgen weer een plattegrond in de handen gedrukt, door een medewerkster die met haar lichaamstaal duidelijk maakt dat ze vindt dat ze daarmee wel weer genoeg gedaan heeft.
Terwijl we via een omweggetje terug lopen naar ons hostel moeten we constateren dat in het rijtje Granada, León, Esteli en Santa Ana elk stadje nèt wat minder relaxt en charmant was dan het vorige. Santa Ana is heus geen verkeerde stad om in te verblijven, maar het is hier toch allemaal weer net wat groter, drukker, viezer, massaler en stadser. De straten liggen bovendien vol met afval en ook hier zijn veel putjes zonder deksel te vinden, zodat je goed uit moet kijken als je in het donker over het trottoir loopt.
’s Avonds breekt een flinke onweersbui uit boven Santa Ana.
Om half zeven gaan we in de regen de stad weer in. Opvallend is dat bijna alles al dicht is en dat de overdag zo drukke stad nu al vrijwel uitgestorven is. Het is etenstijd, maar het lijkt wel middennacht.
We gaan naar een restaurant dat op het prikbord van ons hostel aanbevolen werd. Als blijkt dat de enige vegetarische optie op de menukaart een broodje rauwkost is besluiten we om toch maar weer op te staan en weer naar Simmer Down te gaan. We worden daar wederom allerhartelijkst ontvangen door dezelfde ober en krijgen er goed te eten.
Om half negen zijn we weer in onze kamer.

Dag 14: De Maya-ruïnes in Chalchuapa
Donderdag 22 mei 2014
We gaan om kwart voor negen de kamer uit en gaan zoeken naar een ontbijttentje. Alhoewel we voor ons gevoel eindeloos straat na straat afzoeken kunnen we er geen vinden die ons bevalt. In de tentjes die we tegenkomen verkopen ze òf alleen gebak en andere zoetigheid, of ze hebben alleen meer traditionele El Salvadoriaanse dingen met vlees of kip op de kaart staan. Gewoon een simpel broodje of een omelet vinden blijkt hier een opmerkelijk lastige opgave. Uiteindelijk gaan we een supermarkt in waar ik dan maar een cake koop om toch nog wat binnen te krijgen.
We lopen door een erg drukke en levendige marktstraat, waar we een enorme dode rat midden op de weg zien liggen, en komen dan uit bij een busstation waar we de bus nemen naar Chalchuapa.
In El Salvador een lijnbus nemen is erg ongecompliceerd. Op elke bus staat de bestemming geschilderd, haltes zijn er niet dus ga je gewoon op een willekeurige plek langs de route staan en kaartjes kosten steevast rond de dertig of veertig dollarcent, dus geven we de chauffeur elke keer gewoon een munt van één dollar, wat altijd ruimschoots genoeg is voor ons beiden. Met het geven van wisselgeld zijn de chauffeurs niet zo nauwkeurig, meestal doen ze een willekeurige greep in een zakje met kleingeld. Wel zijn de bussen eigenlijk altijd propvol, het lijkt of de chauffeurs een ritje pas rendabel vinden als alle stoelen èn het gangpad maximaal gevuld zijn.
Ook opvallend is dat bussen hier steevast versierd zijn met religieuze slogans als “Jehovah es mi Pastor” (God is mijn herder), “Dios es amor” (God is liefde) en “Jesus vivo” (Jezus leeft). Heel vaak zijn ook de logo’s van FC Barcelona en Real Madrid te zien. Deze emblemen zijn hier alom vertegenwoordigd, je ziet ze op gevels van huizen, op autoruiten en op uithangborden van restaurants. Niet zelden zie je ze in combinatie met een portret van Jezus, beiden even groot en prominent weergegeven. Dat zegt wel wat.
We stappen uit in Chalcuapa, een stadje op zo’n 15 kilometer van Santa Ana met een kleine 73.000 inwoners, en lopen naar de Maya-ruïnes van Tazumal. Linda en ik zijn beiden eerder in Midden-Amerika geweest en hebben de erg imposante Maya-ruïnes van onder meer Palenque, Chichen Itza en Tikal gezien. Voor ons horen Maya-ruines dus toch een beetje bij deze regio van de wereld. De voornaamste Maya-bouwsels zijn echter te vinden in Mexico, Guatemala en het westen van Honduras, het gebied waarin tegenwoordig El Salvador ligt was destijds minder voornaam. Het relatieve hoogtepunt op Maya-gebied in dit land is dus in Chalcuapa te vinden, maar Tazumal verhoudt zich qua formaat en uitstraling ongeveer tot “een” Chichen Itza als FC Eindhoven tot FC Barcelona. We zijn momenteel zo’n beetje de enige bezoekers hier, dat zul je bij de voorgenoemde Maya-complexen niet snel meemaken.
Toch is het fijn om zes jaar na mijn laatste bezoek aan Mexico weer voor iets te staan wat onmiskenbaar een Maya-piramide is, ook al is dit er dus één van relatief bescheiden proporties. Bovendien bestaat een opmerkelijk groot gedeelte van de piramide uit ordinair beton en is men hier dus wellicht toch wat te ruw aan de slag gegaan met het opknappen van de in de jaren veertig en vijftig teruggevonden brokstukken van de meer dan duizend jaar oude ruïnes. Daarnaast spreekt Tazumal ook qua ligging wat minder tot de verbeelding. Tikal en Palenque liggen midden in de jungle, Tazumal ligt midden in het stadje Chalcuapa en grenst aan een groot kerkhof.
Nadat we na de piramide ook het bescheiden museumpje van de site bezocht hebben lopen we door het straatje op weg terug naar de bushalte. In dit straatje zijn verschillende souvenirshops en cafétjes te vinden. We nemen een drankje en kopen een paar kleine souvenirs.
Nu willen we, aangezien we hier toch zijn, ook wel even Casa Blanca bezoeken, een andere Maya-site verderop in de stad. Volgens Lonely Planet moet dat erg de moeite waard zijn en nèt iets te ver weg om niet met de bus te gaan. Bij een bus die stopt vragen we of die toevallig langs Casa Blanca komt, de bijrijder knikt bevestigend, dus stappen we in.
Na een rit die gevoelsmatig al veel te lang was stappen we op het signaal van de bijrijder uit in het stadje Atiquizaya. Als we daar op een kaartje kijken blijken we een flink eind van Chalchuapa en Casa Blanca af te zitten. En bedankt, bijrijdertje.
We nemen weer een bus waarvan de bijrijder belooft dat we langs Casa Blanca zullen komen en dat moeten we dan maar weer geloven. Gelukkig blijkt het nu wèl zo te zijn en iets voor half twee stappen we uit bij de Maya-ruïnes die dateren uit het eerste millennium na Christus en misschien zelfs nog van even daarvoor. Evenals bij Tazumal moeten we hier $3 (€2,15) entree betalen per persoon. Wat we aantreffen is nogal teleurstellend: de zes “structures” zijn feitelijk weinig meer dan zes kleine heuveltjes. Uit de eerste drie steken nog wel wat stenen waarin trappen te herkennen zijn van wat ooit heel bescheiden bouwwerkjes waren, de laatste drie zijn echt niets meer dan met gras begroeide hoopjes zand waarvan we dan maar aan moeten nemen dat er toch echt resten van een heel oud gebouw onder zitten. Tenzij je echt àlles wil zien wat de Maya’s na hebben gelaten, of werkelijk helemaal niets anders te doen hebt met je tijd, kun je Casa Blanca met een gerust hart overslaan, mocht je ooit in de buurt van Santa Ana zijn.
We nemen de bus terug naar Santa Ana, rond half drie zijn we daar. We spreken Carlos nog even, hij raadt ons een restaurantje genaamd Le Petit aan als we nog wat willen eten. We gaan daar inderdaad naartoe voor een late lunch. Alhoewel Santa Ana op ons helemaal geen gevaarlijke indruk maakt blijkt wederom dat veel mensen hier toch erg op hun hoede zijn: de voordeur van Le Petit is altijd op slot en wordt pas opengemaakt als er mensen voor staan die er blijkbaar wel uitzien als “goed volk”. Het is een heel klein tentje, kleiner dan de gemiddelde woonkamer en met maar vijf tafeltjes. Het eten is er wel prima.
Om half vijf zoeken we ons hostel weer eventjes op.
Om zeven uur gaan we de straat weer op om ergens een leuke café te vinden. Dat blijkt hier niet eens zo mee te vallen. Zoals al vermeld zijn de straten vanaf zes uur uitgestorven en sowieso zit hier opvallend weinig horeca. Na een korte zwerftocht door de donkere straten van het centrum van Santa Ana besluiten we om dan maar weer terug te vallen op Simmer Down. We nemen daar een snack en een paar drankjes, terwijl op de eerste verdieping een bandje net iets te hard jazz staat te spelen, een genre waar ik sowieso een bloedhekel aan heb. Gelukkig wordt het bandje al snel afgelost door een zanger met akoestische gitaar.
Om kwart voor negen zijn we terug in ons hostel. Heel toevallig blijkt daar in de dorm nu die Oostenrijker te verblijven die van León naar Esteli bij ons in de bus zat en die we ook in Playa el Tunco tegenkwamen. Het is een kleine wereld, ook hier. De man herkent ons eveneens en zegt dat hij morgen met een paar anderen naar de vulkaan gaat die net als dit stadje Santa Ana heet. Wij besluiten om ook mee te gaan. We wilden eigenlijk morgen naar het stadje Ataco en pas overmorgen naar die vulkaan gaan, maar dat draaien we dan maar even om. Dat is toch wat gezelliger en het is ook fijn om nu eens niet zelf uit te hoeven dokteren (lees: om Linda dat niet te hoeven laten doen, zij doet toch hoofdzakelijk de planning en het uitzoekwerk) en gewoon eens met de “flow” mee te kunnen gaan.

Dag 15: De vulkaan Santa Ana
Vrijdag 23 mei 2014
We hebben de wekker gezet om op tijd uit bed te zijn om nog even zelf een ontbijtje te kunnen maken in de keuken van het hostel, maar blijven daarvoor toch wat te lang sluimeren. Dan maar zonder ontbijt op pad, we hebben vandaag toch niet zo’n zwaar programma. We willen alleen een wandelingetje van drie kwartier gaan maken en de vulkaan Santa Ana vanaf een afstandje bekijken. Dat moeten we ook wel redden op de koekjes en cakejes die we nog in onze bagage hebben zitten.
Om half acht lopen we met vier anderen van het hostel naar een kantoortje van een busbedrijf, ter plaatse komen er nog drie hostelgenoten bij. We kopen voor $0,90 per persoon een kaartje voor de bus en kunnen een kwartiertje later instappen.
De twee uur durende rit naar de vulkaan is prachtig. We komen door een groene, steeds bergachtiger wordende omgeving met een paar leuke stadjes en dorpjes. Onderweg zien we een mooi groot meer en diepe dalen waarin we neerkijken op laaghangende wolken.
Om half tien arriveren we bij het einde van de op een parkeerplaatsje doodlopende weg. We moeten even uitstappen om $3 per persoon te betalen voor het betreden van het nationale park waarin we nu zijn. We zijn nu op zo’n grote hoogte dat het eigenlijk te koud is om in een T-shirt te lopen, het is even wennen na twee weken met temperaturen die overdag variëren van hoog in de twintig tot hoog in de dertig graden. We hebben nu al een adembenemend uitzicht. Vanaf grote hoogte kijken we uit op een vulkaan vlakbij en op de wolken in de dalen beneden ons.
Even later op de parkeerplaats vernemen we dat de lichte wandeling van 45 minuten alleen zonder gids gemaakt kan worden en dat lijkt ons niet zo’n goed idee. Ook horen we dat de eerstvolgende bus naar de stad Santa Ana pas om drie uur zal vertrekken en het is nu dus pas iets na half tien. We besluiten dat we dan maar de lange wandeling gaan maken, wat inhoudt dat we dus wederom een vulkaan gaan beklimmen. Al onze hostelgenoten waren sowieso al van plan dit te gaan doen. Deze wandeling begint pas om elf uur, maar dat is een geluk bij een ongeluk: er is een eettentje waar we alsnog even een stevig ontbijt en een fles water voor onderweg kunnen halen, bepaald geen overbodige luxe nu.
Met de eerder genoemde man uit Oostenrijk, twee Engelsen, een Ier, een Canadees en een koppel uit Tsjechië beginnen we dus om elf uur aan de wandeling, waarbij we vergezeld worden door niet alleen een gids (die we maar $1 per persoon hoeven te betalen), maar ook door een politieagent. Er blijken hier in het verleden verschillende toeristen te zijn beroofd.
De wandeling begint in een fraai nevelwoud waarin het, heel toepasselijk, inderdaad wat nevelig is nu. Alhoewel we uiteindelijk nog een flink eind zullen moeten gaan klimmen naar de vulkaan beginnen we met een aardige afdaling. Dat gaat nog leuk worden op de terugweg. Verderop moeten we nog twee keer de portemonnee trekken: we moeten een privéterrein oversteken wat ons $1 per persoon kost en voor het beklimmen van de vulkaan moet nog eens $6 (€4,30) betaald worden.
Alhoewel we weer stevig moeten klimmen, ruim anderhalf uur lang, is deze tocht aanzienlijk minder zwaar dan die naar de vulkaan Telica. We hebben nu geen zware tassen bij, het is een stuk koeler, het pad is beter begaanbaar met wat minder losse stenen en omdat we met zo’n grote groep zijn ligt sowieso het tempo iets lager. Opvallend is dat we, hoe hoger we komen, enkele keren onze omgeving vrij drastisch zien veranderen. We beginnen dus in het nevelwoud, wat later wordt het rotsachtiger en maken de bomen en groene planten plaats voor struiken, gras en agaves, nog wat hoger wordt de begroeiing steeds lager en uiteindelijk komen we op een kale rotsbodem met stenen en gruis. Het uitzicht vanaf de vulkaan is werkelijk schitterend, al kunnen we er niet optimaal van genieten omdat het erg bewolkt is op de grond. Dat de wolken af en toe even een stukje wegtrekken geeft het uitzicht wel een ietwat mysterieus tintje.
We zijn iets na half één bij de krater. Die is erg groot en erg diep, maar wel wat minder akelig dan die van de Telica. De afgrond is een beetje minder steil en op de bodem is geen lava te zien, maar een groenblauw meer.
De 2381 meter hoge vulkaan is in 2005 voor het laatst uitgebarsten en spuwde toen stenen zo groot als auto’s, die tot anderhalve kilometer ver weg terechtkwamen. Daarbij vielen twee doden.
Na een half uurtje bij de krater beginnen we weer aan de afdaling, waarvan zoals verwacht vooral het laatste gedeelte toch verraderlijk zwaar is, als er toch weer een stukje geklommen moet worden en het inmiddels bovendien een heel stuk warmer is dan tijdens de heenweg.
Om half drie staan we weer op de parkeerplaats. Er is ons eerder gezegd dat de bus terug naar de stad Santa Ana om drie uur zou vertrekken, maar dat blijkt nu pas om vier uur te zijn. Er zit niets anders op dan maar geduldig wachten.
Omdat deze bus niet zo vaak rijdt zit bijna iedereen die we vandaag tegenkwamen bij de vulkaan erin, van de gids tot en met de werknemers van het tentje waarbij we ontbeten. En omdat de bus nogal moeite had met de klim (sowieso zijn verreweg de meeste lijnbussen hier bepaald niet erg nieuw en fris) is het niet verrassend dat de weg terug ongeveer een half uur korter duurt dan de heenweg. Rond kwart over vijf zijn we weer in de stad.
Na weer even bij te zijn gekomen in het hostel gaan we maar weer naar Simmer Down, waar we inmiddels al door vrijwel heel het ontzettend attente personeel direct herkend worden. We beginnen inmiddels ook al echt aan hen te wennen en hebben voor het merendeel van hen al onze eigen bijnamen, zoals Petmans, Brillie en Rastameisje.

Dag 16: De muurschilderingen van Ataco
Zaterdag 24 mei 2014
We maken zelf een ontbijtje in de keuken van het hostel en lopen daarna weer naar het busstation bij de drukke marktstraat. Dit busstation is aan alle kanten omgeven door zulke marktstraten en de bus doet er dus wel eventjes over om ècht weg te komen. Sterker nog: het duurt twintig minuten voordat we de enkele honderden meters lange marktstraat die direct grenst aan het busstation uit zijn. Het lijkt wel of de bus na elke meter opnieuw moet stoppen om iemand in te laten stappen en voordat we echt weg zijn hebben, zonder overdrijven, een kleine vijftig verkopers geprobeerd om vanaf het gangpad hun waren te verkopen. Op het busstation instappen, zoals wij hebben gedaan, heeft dus als voordeel dat je een zitplaats hebt, maar pas aan het einde van de marktstraat instappen scheelt je twintig minuten van je tijd en een hoop drukte en gedoe. Ook best irritant is dat mensen er hier blijkbaar niet zo heel veel moeite mee hebben om hun kont of pens stevig tegen je schouder te parkeren als ze in het gangpad van de bus moeten staan en jij een zitplaats hebt.
Nadat we in de stad Ahuachapan over zijn gestapt op een andere bus zijn we om tien uur in Concepción de Ataco, zeg maar gewoon Ataco. Het stadje heeft zo’n 18.000 inwoners en daarvan zijn er op deze zonnige zaterdagochtend veel op straat. Ataco is een idyllisch, gezellig stadje waarin volgens de reisgidsen criminaliteit simpelweg niet voorkomt. De hoofdtaak van de politie hier: zo nu en dan een toerist de weg wijzen. Toeristen zijn overigens niet te bekennen nu, we zien de hele ochtend geen enkele andere westerling. Wellicht wachten die allemaal tot het voedselfestival dat later vandaag schijnt te worden gehouden.
Ataco staat vooral bekend als het stadje van de mooie, kleurige muurschilderingen. Die zijn er dan ook volop. Niet door het gehele stadje, maar hier en daar zijn wel wat straatjes te vinden waarvan de muren omgetoverd zijn in meterslange kunstwerkjes.
Na ruim anderhalf uur hebben we Ataco toch wel weer zo’n beetje gezien en nemen we de bus terug naar Santa Ana.
In de tv-kamer van ons hostel kijken we samen met de Ier die gisteren ook de vulkaan beklom de tweede helft en de verlenging van de Champions League-finale tussen Real Madrid en Atletico Madrid. Het was ook opvallend dat er vandaag op straat zelfs nog veel meer Real Madrid-shirtjes te zien waren dan gebruikelijk.
De rest van de middag gebruiken we voor twee dingen die we in Santa Ana nog wilden doen, maar waar we nog niet veel tijd voor hebben gehad: even duiken in het zwembadje van het hostel en gaan winkelen. In het centrum van Santa Ana zijn veel winkeltjes te vinden met voetbal- en T-shirts en sportschoenen. De Converse-, Nike- en Adidas-schoenen en de Vans-, Quiksilver- en Volcom-shirts zijn lekker goedkoop, maar wel bijna allemaal nep, bij de ene winkel zijn de imitaties wat beter vervaardigd dan bij de andere.
We gaan vandaag weer eten bij Le Petit en moeten daarna toch eventjes afscheid nemen van Simmer Down met een drankje.
Als we daarna door de stille, donkere straten van Santa Ana lopen tijdens onze laatste avond in El Salvador bedenk ik me dat de onveiligheid in dit land waar we voor gewaarschuwd zijn ons in de praktijk honderd procent mee is gevallen. Juist op dat moment zien we, op enkele meters van ons hostel, een aantal politieagenten met bivakmutsen die de hoofden van enkele mannen stevig tegen een muur gedrukt houden. Even snel doorlopen dus.
Amper een minuut nadat we binnen zijn breekt een stevige onweersbui los. Carlos komt naar ons toe gelopen. Hij zou voor ons regelen dat we morgen om acht uur de bus naar Guatemala-Stad konden nemen, maar dat blijkt niet te zijn gelukt. Het wordt twee uur later. Voordeel is wel dat we nu geen taxi naar het vertrekpunt van de bus hoeven nemen, maar dat Carlos ons op dat tijdstip wel even zelf daar naartoe kan brengen.

Dag 17: Van Santa Ana via Guatemala-Stad naar Antigua
Zondag 25 mei 2014
We maken weer zelf ontbijt in de keuken.
Carlos zou ons om kwart over negen naar het vertrekpunt van de bus brengen, maar komt vertellen dat de bus reeds een uur vertraging heeft. Om de tijd te doden besluiten we dan nog maar een laatste keer naar het centrale plein te lopen en in een parkje een blikje frisdrank te gaan drinken.
Rond kwart over tien zijn we dus alsnog in het kantoortje vanwaar we opgepikt zullen worden door de bus naar Guatemala-Stad. Wat zich in het kantoortje afspeelt lijkt wel een absurde Monty Python-scetch. De dikke vrouw achter het bureautje lijkt om de één of andere reden niets van onze Nederlandse paspoorten te begrijpen en kijkt ze luid zuchtend en hoofdschuddend door. Tussendoor loopt ze om eveneens onduidelijke reden snel even naar buiten en probeert ze met steeds een andere mobiele telefoon iemand te bellen die niet opneemt. Dat proces herhaalt zich een paar keer, totdat er een jongen tevoorschijn komt die blijkbaar de hele tijd onder haar bureau heeft gelegen en die heel rustig de paspoorten pakt en kalm een formulier invult. Waarna hij weer onder het bureau verdwijnt. Tja.
Om elf uur zitten we eindelijk in de bus. Die is aanzienlijk minder luxueus dan de bus die we eerder naar San Salvador hebben genomen. Zelfs de beloofde airconditioning ontbreekt, terwijl dat toch zeker geen overbodige luxe zou zijn geweest aangezien de ramen niet open kunnen. De man die voor ons zit wappert luid zuchtend en steunend onophoudelijk met zijn pet voor zijn gezicht.
Om twaalf uur zijn we bij de grens met Guatemala. Een douanier komt de bus inlopen om alle paspoorten te controleren. Als hij weer uitstapt horen we de chauffeur iets vertellen in het Spaans, waarna iedereen in de bus gelijktijdig achterom kijkt. Naar ons, want wij zitten helemaal achterin. De met zijn pet wapperende man voor ons spreekt gelukkig Engels en zegt dat wij als enige niet-Centraal-Amerikanen even uit moeten stappen en met onze paspoorten naar een douanekantoortje moeten lopen. Om daarna nog maar eens te vermelden dat hij het “fucking hot” vindt in de bus. We stappen dus uit en laten onze paspoorten stempelen, waarna we weer verder kunnen. In een minuut of veertig zijn we weg bij de grens.
Snel vanaf het moment dat we Guatemala in zijn gereden wordt de lucht behoorlijk grijs en begint het te regenen. Het weer zal zo blijven tot vlak voordat we in de hoofdstad arriveren. Onderweg staan we ook nog een hele tijd stil wegens wegwerkzaamheden.
We rijden Guatemala-Stad in, dat er uiterlijk ongeveer hetzelfde uitziet als San Salvador en eveneens een veel te volle, vieze, drukke stad is. We komen wel binnen via de “goede” kant, waar een megabioscoop, grote glanzende kantoorgebouwen en vestigingen van bekende Amerikaanse ketens staan.
Om kwart over drie worden we afgezet bij de busterminal, waar we direct aangesproken worden door een taxichauffeur. We spreken af dat hij ons voor zestig quetzales (tien quetzal is ongeveer een euro, dat is makkelijk rekenen dus) naar een vertrekpunt van de bus naar Antigua zal brengen. Op ons verzoek zal hij ons onderweg ook even bij een pinautomaat uit laten stappen, we hebben immers nog geen plaatselijke valuta. De chauffeur die ons aan de haak heeft geslagen blijkt geen officiële taxichauffeur te zijn, aan niets is te zien dat zijn auto een taxi is, maar hij zet ons wel netjes pal voor de bus naar Guatemala af voor de afgesproken prijs.
We hebben al veel schandalig volle bussen meegemaakt, maar de bus waarin we naar Antigua rijden slaat alles. Als hij op z’n volst is heb ik het idee dat als er nog één persoon bij zou moeten, dat dit dan alleen crowdsurfend zou kunnen.
Om kwart over vijf zijn we op het busstation van Antigua. Voor ons allebei wil dat zeggen dat we weer terug zijn in deze stad. Ik ben hier in mei 2008 al eens geweest tijdens een georganiseerde rondreis, Linda verbleef hier een paar dagen in januari 2009 toen ze met twee vriendinnen een half jaar rond de wereld backpackte. We waren eigenlijk helemaal niet van plan om in Guatemala meer te gaan doen dan alleen terug naar huis vliegen vanuit Guatemala-Stad, maar een paar dagen geleden realiseerden we ons dat het toch wel leuk zou zijn om af te sluiten met een paar daagjes terug in het prachtige Antigua. Ik vind het bovendien wel leuk dat door deze kleine overlapping mijn drie reizen door Midden-Amerika (ik maakte in 2007 een rondreis door Mexico en in 2008 eentje door het oosten van Mexico, Belize, Guatemala en Honduras, die hadden samen ook een korte overlap) nu “gelinkt” zijn.
Het is in Antigua relatief frisjes aan het begin van de avond. Het voelt zelfs een beetje misplaatst om nu een korte broek te dragen.
We bezoeken verschillende hostels, ook eentje die ons door Carlos aangeraden is, maar die hebben allen alleen dorms en geen privékamers. Uiteindelijk belanden we bij Santiago, een tourbureautje dat tevens een klein hostel is. Rondom een mini-binnentuintje zijn drie kamers en een mini-dorm gesitueerd. Voor 180 quetzales per nacht nemen we een kamer. Het is onze eerste kamer zonder ventilator, maar we voelen al direct dat dit tevens de eerste kamer is waarin we er geen nodig zullen hebben. We zitten hier op een gunstige locatie op maar een paar minuutjes lopen van het plein en ongeveer net zo dicht bij de beroemde kerk La Merced.
We lopen over het plein. Het valt direct op dat hier veel meer toeristen zijn dan in alle vorige plaatsen die we bezochten, tot dusver kwamen we buiten onze hostels vaak uren- of zelfs dagenlang weinig tot geen westerlingen tegen. Hier wemelt het er echter van. En lang niet alleen maar backpackers, er zijn ook veel groepjes studenten en ouderen. Hoofdzakelijk Amerikanen.
Als we gaan eten bij een restaurantje blijkt ook dat de prijzen hier wat anders zijn dan we tot dusver gewend waren. Een gewone fles bier kost 25 quetzales en een bord pasta al gauw zo’n 65, ongeveer Nederlandse prijzen dus.
Na het eten willen we nog even een café opzoeken en gaan we naar binnen bij Reilly’s, een Ierse pub. Maar hier zijn de prijzen zelfs naar Nederlandse maatstaven redelijk hoog en de muziek staat veel te hard, dus kijken we even verder.
Als we eindelijk een tentje vinden dat ons wel wat lijkt krijgen we te horen dat ze gaan sluiten. Het is nog geen acht uur.
We gaan bij een buurtsuper een ijsje en een paar blikjes drinken halen en zoeken onze kamer maar weer op.

Dag 18: Antigua
Maandag 26 mei 2014
We gaan ‘s ochtends eten bij The Bagel Barn, waar ik in 2008 ook twee keer ontbeten heb.
Vandaag gaan we eens lekker door Antigua slenteren. Kijken wat we nog herkennen van onze vorige bezoeken en of we misschien nog het één en ander kunnen vinden wat we destijds gemist hebben. Sowieso is het centrum van Antigua heel mooi, charmant en niet al te groot, dus is het een ideaal stadje om op de bonnefooi wat doorheen te zwerven.
Antigua, aanvankelijk Santiago de los Caballeros genaamd, was van 1543 tot 1773 de hoofdstad van Guatemala, dat destijds nog vrijwel geheel Centraal-Amerika besloeg. Nadat de hoofdstad echter een keertje te vaak in puin gelegd was door weer een desastreuze aardbeving werd besloten deze te verplaatsen, waardoor Guatemala-Stad ontstond. Santiago werd vrijwel verlaten en kreeg de nieuwe naam La Antigua Guatemala, het oude Guatemala. Daarna groeide de stad echter opnieuw en binnen tachtig jaar telde Antigua alweer 9.000 inwoners. Vandaag de dag zijn dat er een kleine 35.000.
Vanwege het grote gevaar op aardbevingen zijn in Antigua nauwelijks gebouwen met meer dan twee verdiepingen te vinden. Dat is één van de dingen die dit stadje z’n charme geeft. Denk even de vele auto’s en toeristen weg en door de lage, kleurige, koloniale gebouwtjes en de ruwe wegen met keien waan je je zo een paar eeuwen terug in de tijd. En op talloze plekken vind je het tastbare bewijs dat het gebrek aan hoogbouw hier niet zonder reden is, want Antigua staat vol met ruïnes van door natuurgeweld vernielde kerken. Ze maken vaak een ietwat macabere, bijna spookachtige indruk.
Ook is het vandaag fijn wandelen omdat het met een temperatuur van zo’n 27 graden ideaal weer is.
Tijdens onze wandelingen bezoeken we onder meer onze vorige verblijfplaatsen hier, het hostel Jungle Party waarin Linda in 2009 verbleef en dat in dezelfde straat zit als ons huidige hostel, en het hotel Posada Hermano Pedro waarin ik in 2008 sliep.
We zien de beroemde boog van Santa Catalina, een karakteristieke gele poort uit de zeventiende eeuw met een klok bovenop, die ooit diende als loopbrug voor nonnen en misschien wel het bekendste en meest herkenbare bouwwerk van de stad is. Je kunt ‘m heel fraai fotograferen met de 3760 meter hoge vulkaan Agua op de achtergrond. Jammer is wel dat deze vulkaan vaak, en ook vandaag, verstopt zit achter de wolken.
Eigenlijk nog een stuk mooier dan de boog is de zich eventjes verderop bevindende achttiende eeuwse kerk La Merced, één van de weinige helemaal in oude glorie herstelde oude kerken van de stad. De fel gele gevel vol sierlijke, barokke witte decoraties is echt een plaatje.
We bezoeken een grote markt, die hier elke dag te vinden moet zijn. Deze bestaat uit twee gedeeltes, een openluchtdeel dat voornamelijk voor de lokale bevolking is, waar gewone gebruiksvoorwerpen en etenswaren te krijgen zijn, en een overdekt gedeelte met uitsluitend souvenirs. We beperken ons nu vooral tot dit laatste gedeelte. Als je tussen de duizenden T-shirts, knuffels, beeldjes, tassen en andere prullen loopt, vaak met kleurige typisch Centraal-Amerikaanse motieven, wordt je door bijna elke verkoper aangesproken. Afdingen is hier vaak een makkie, wij zijn er eigenlijk heel slecht in en weten er op de meeste aankopen toch moeiteloos de helft af te krijgen. Alleen de verkoper van het enige souvenirtje dat ik ècht graag wil hebben, een miniatuurversie van de Santa Catalina-boog, geeft zelfs als we weg besluiten te lopen geen krimp. Met hangende pootjes kom ik uiteindelijk toch weer terug om genoegen te nemen met een prijs van 45 quetzales, maar 15 minder dan de originele prijs.
Vlakbij de markt vinden we een tentje dat Wiener heet en een heel stuk goedkoper blijkt de zijn dan de café’s en restaurants dichter bij het centrum. Een biertje kost hier maar 17 quetzales en eten is zelfs hele euro’s goedkoper. Hier gaan we dan ook maar een drankje doen en even later komen we nog een keer terug om te lunchen.
Als we even terug zijn bij ons hostel, dat dus tevens een tourbureautje is, regelen we alvast een taxi voor morgennacht, als we naar het vliegveld van Guatemala-Stad moeten om weer terug naar huis te vliegen. Hier moeten we 180 quetzales per persoon voor betalen, best een pittig bedrag, maar het is dan ook een rit van bijna een uur, bovendien om drie uur ‘s nachts.
‘s Avonds gaan we alweer voor de derde keer naar Wiener. Ze hebben hier zowaar een vegetarische schnitzel op de kaart staan, al valt die wel behoorlijk tegen. De twee grote lappen die ik op mijn bord krijg blijken niets meer of minder te zijn dan plakjes courgette met een beetje kaas, met daar omheen een korstje.
Na het eten gaan we even op het plein zitten, op een bankje. Het is er gezellig en sfeervol en de kathedraal is mooi verlicht. We worden geregeld aangesproken door vrouwen in klederdracht die kleden, sieraden of kleurige blokfluiten willen verkopen. Ze zijn niet irritant, als je met een glimlach ‘No, gracias’ zegt glimlachen ze doorgaans vriendelijk terug en lopen ze weer verder.
Als we even teruggaan naar ons hostel valt in de hele stad de elektriciteit uit. Gelukkig is het binnen een paar minuten verholpen. Inmiddels begint het ons op te vallen dat het in het donker wel erg vaak gebeurt dat iemand ons op straat in het voorbijgaan “Do you want some weed?” na fluistert.
Even later zitten we voor de, jawel, vierde keer vandaag bij Wiener. We hebben op borden zien staan dat ze hier van negen tot elf happy hour hebben en dat dit onder meer wil zeggen dat je maar 15 quetzales betaalt voor twee cocktails. En een mojito van 75 cent slaan we niet af.
Om kwart over tien, voor ons doen behoorlijk laat, zijn we weer in onze kamer.

Dag 19: Antigua
Dinsdag 27 mei 2014
De laatste dag voordat de grote terugreis gaat beginnen.
Om half tien gaan we de straat op. We zien tot onze vreugde dat de top van de Agua-vulkaan nu eventjes zichtbaar is tussen de wolken. We maken snel wat foto’s, net op tijd, enkele minuten later verdwijnt de top weer voor de rest van de dag.
We gaan vandaag wederom maar wat door de stad wandelen in de hoop nog wat interessants te vinden wat we gisteren nog niet gezien hebben.
Vlakbij de Santa Catalina-boog vinden we een enorme hal vol souvenirs, nu eentje die niet uit verschillende stalletjes bestaat maar gewoon één centrale kassa heeft. Wellicht ben je hier dus iets duurder uit dan op de markt, maar lekker met rust gelaten worden terwijl je zit te neuzen tussen de T-shirts, koelkastmagneten, decoratieve pakken koffie, tafelkleden, schilderijtjes, sleutelhangers en armbandjes is ook wat waard.
We gaat ontbijten, uiteraard weer bij Wiener, en maken daarna een wat grotere ronde door de stad. We gaan wat verder van het plein af om meer van de buitenwijken te zien, of tenminste van wat daar het begin van lijkt.
Veel van de kerkruïnes in Antigua zijn niet toegankelijk, voor de ruïnes die wel bezocht kunnen worden moet betaald worden. In sommige gevallen is de entreeprijs best pittig, om tussen de brokstukken van het achttiende eeuwse La Recolección, een kerk en klooster, te lopen moet bijvoorbeeld veertig quetzales per persoon betaald worden, vier euro. Ik vind het wat veel om twee keer te betalen, dus mag Linda van mij even alleen gaan, ik zie achteraf de foto’s wel.
We bezoeken Jade Maya, een jade-werkplaats die ik in 2008 ook bezocht heb. De entree is gratis en we krijgen van een meteen toesnellende medewerkster een korte rondleiding. In ruimtes met foto’s van onder meer Chichen Itza en Palenque zijn van jade gemaakte replica’s van beroemde artefacten uit de Maya-tijd te zien. Na de rondleiding komen we uiteraard terecht in de shop. Linda koopt daar een hangertje.
Het is grappig dat we uitgerekend op de laatste dag van onze reis op straat verschillende mensen zien die we eerder tijdens onze reis al tegen zijn gekomen. Eerst het Tsjechische stel waarmee we de Santa Ana-vulkaan beklommen, daarna de Kroatische vrouw met het oranje haar uit ons hostel in Granada, even later de Engelse vrouw die met de Oostenrijkse man die we al drie keer tegenkwamen van León naar Esteli reisde.
Na in een café een smoothie te hebben gedronken en nog even bij onze kamer te hebben gezeten gaan we de kerk van San Francisco opzoeken, die z’n oorsprong heeft in de zestiende eeuw en waar Linda in de Lonely Planet wat over heeft gelezen. Het blijkt een bijzonder gebouw, dat voor de helft uit een gerenoveerde en in gebruik zijnde kerk bestaat en voor de helft uit een brokkelige ruïne. Voor het bekijken van deze ruïne hoeven we maar vijf quetzales per persoon te betalen. Bij de ruïnes hoort een museum dat gewijd is aan de in 1980 voor paus Johannes Paulus II zalig verklaarde Hermano Pedro (ook bekend als Pedro de San José de Betancourt), een zeventiende eeuwse monnik die bekend stond als een soort mannelijke Moeder Teresa van zijn tijd. Hij wordt in deze stad nog volop vereerd en er zijn verschillende gebouwen naar hem vernoemd. Hij ligt in dit vervallen klooster begraven.
We komen even verderop bij de zestiende eeuwse kathedraal van de stad, de Catedral de San José die dus aan het centrale plein ligt, maar waarvan de fraaie, brede gevel een beetje misleidend is. Die doet namelijk vermoeden dat er een flink gebouw achter zit, terwijl dat allang niet meer het geval is. De hedendaagse kathedraal is vrij klein, daarachter staan de ruïnes van het originele gebouw, die we voor acht quetzales per persoon mogen bekijken. De muren van het gebouw staan nog grotendeels overeind of zijn herbouwd, maar het dak ontbreekt. Het is eigenaardig om gras te zien groeien op een plek waar je met een beetje verbeelding nog de kerkbankjes kunt zien staan in wat ooit een groot, statig gebouw moet zijn geweest. Het heeft bijna iets apocalyptisch.
We gaan rond vijf uur nog wat eten, uiteraard weer bij Wiener, kopen daarna een paar blikjes drinken en wat snacks bij een supermarkt en gaan daarna terwijl de schemering valt op een bankje in het park zitten.
Rustig om ons heen kijkend nemen we nog één keer de omgeving in ons op. Natuurlijk is de reis nog niet voorbij, we hebben immers nog een pittige terugreis voor de boeg: vannacht om drie uur een taxi naar het vliegveld, daarna een vlucht van Guatemala-Stad naar Houston, daar weer een uur of vijf wachttijd, de vlucht van Houston naar Amsterdam en dan nog met de auto naar Eindhoven. Maar dat is later. Nu nemen we terwijl het duister valt en de laatste verkopers en verkoopsters tevergeefs proberen ons een kleed, een ketting of een gedecoreerde blokfluit aan te smeren afscheid van Antigua. Van Guatemala. Van Centraal-Amerika. En van een geweldige reis.

Mijn eerdere reisverslagen zijn te lezen in het boek ‘De Mooiste Dagen’, hier te bestellen: KLIK

Leave a comment »

Marrakesh 2013

Dag 1
Het is kwart voor drie plaatselijke tijd, een uur vroeger dan in Nederland, als mijn vriendin Linda en ik na ruim drie en een half uur vliegen vanuit Eindhoven met een Boeing 737 800 van Ryanair landen op Marrakech Menara Airport, het vliegveld van de vierde stad van Marokko.
Het is voor mij vreemd om hier nu te zijn. Alle vorige keren dat ik buiten Europa kwam, of dat ik überhaupt vloog, waren in de lente of zomer. Om nu bij een erg behaaglijke 22 graden in een relatief ver land met een andere cultuur uit een vliegtuig te stappen terwijl het over anderhalve week Kerstmis is, is voor mij daardoor een vreemde gewaarwording. Alsof ik midden in de donkerste dagen van het jaar ineens een klein maar heel erg welkom stukje zomervakantie cadeau krijg. Overigens was deze vierdaagse trip ook letterlijk een cadeautje, Linda heeft dit reisje geboekt voor mijn 35e verjaardag afgelopen oktober.
In de karakteristieke aankomsthal van de luchthaven, die is opgebouwd uit grote witte X-en met glas ertussen, nemen we bij een pinautomaat 1800 dirham op. Een dirham is ongeveer 9 cent, je kunt prijzen hier dus ruwweg door tien delen.
We lopen naar buiten, waar we al een lijnbus naar het Jemaa el Fna klaar zien staan. We betalen 30 dirham per persoon en stappen in.
Niet veel later rijden we de oranjerode, negenhonderd jaar oude stadsmuren binnen van de medina, de oude binnenstad, van de plaats waaraan dit hele land z’n naam dankt. De oude Spaanse benaming voor Marrakesh, Marruecos, werd later immers verder verbasterd tot Marocco. Overigens schijnt de naam Marrakesh op zichzelf al een verbastering te zijn, die afgeleid is van de Berberse woorden mur akush, “Land van God”.
Dit is niet onze eerste kennismaking met de oude, in 1062 gestichte koningsstad. Linda en ik zijn er beiden, voordat we elkaar kenden, al eens enkele dagen geweest. Zij in 2006, ik vier jaar later.
Nu we hier terugkeren valt direct op dat de decembertemperaturen heel verschillend ervaren worden: de meeste Marokkanen die we zien dragen dikke jassen zoals je ze in Nederland pas ziet zodra het vriespunt in zicht komt, veel toeristen hebben die juist thuisgelaten en lopen in T-shirts en in enkele gevallen zelfs in korte broeken. Hoe dan ook is de kerstsfeer waar in Nederland al volop naartoe gewerkt wordt meteen als sneeuw voor de zon verdwenen.
We stappen bij het wereldberoemde Jemaa El Fna uit de bus. Dit grote, bijzonder sfeervolle plein staat bekend als het drukste van het gehele Afrikaanse continent.
Met onze vesten inmiddels uitgetrokken en met de rugzak en het mini-koffertje waarin onze spullen voor de komende dagen zitten lopen we naar ons hostel, dat Linda vooraf online geboekt heeft. Via de erg drukke Rue Fatima Zohra en Rue Dar el Bacha zijn we in een minuut of tien in de Rue Bab Doukkala, een smal voetgangersstraatje. Hier moeten we ergens in de buurt zijn, maar in deze wirwar van krappe straatjes waarin een stoffige, vale tint van terracotta-achtig rood overheerst ontbreken vaak de straatnaambordjes. Een viertal kinderen van circa acht à tien jaar ziet dat we even niet weten waar we heen moeten, ze bieden meteen aan om ons de weg te wijzen. Enthousiast lopen ze voor ons uit om te laten zien waar ons hostel genaamd Riad 63 zit. We beseffen dat dit ons vast wel wat geld gaat kosten, maar zelf in dit doolhof op zoek gaan lijkt nogal een lastige missie, dus laten we het maar gebeuren.
Na slechts een half minuutje lopen door een stil, ongeveer drie meter breed steegje genaamd Arset Aouzal wijzen de jongens ons de deur die we volgens hen moeten hebben. Het is een deur van een pand met huisnummer 63, maar absoluut niets wijst erop dat dit een hostel is. Ik pak mijn portemonnee en geef één van de jongens het kleinste biljet dat we hebben: 20 dirham, zo’n twee euro dus. Een vrij royaal bedrag voor een half minuutje “werk” lijkt me, zeker voor kinderen van een basisschoolleeftijd. Als ze beginnen te protesteren denk ik, heel naïef, nog even dat ik teveel heb gegeven, maar nog voordat ik kan zeggen dat ze het wisselgeld mogen houden hoor ik één van de jongens heel brutaal 50 dirham eisen. Dan gaat de deur van huisnummer 63 open en kunnen we, terwijl twee jongens aan mijn arm trekken en zeuren om meer geld, naar binnen vluchten. Gelukkig blijkt dat we nu inderdaad ons hostel hebben gevonden.
De beheerder van het hostel is een vriendelijke, verlegen man die Achmed heet. We vullen met hem de papieren in, betalen alvast de 48 euro voor de komende drie nachten en krijgen dan de sleutel van het hangslot aan de deur van onze kamer en van de voordeur van het hostel. Dat valt mee, want we hebben op internet gelezen dat eerdere gasten geen sleutel hadden gekregen en dus op- of buitengesloten waren als de beheerder even niet aanwezig was.
We zoeken onze kamer op en treffen eigenlijk niets meer of minder aan dan hetgeen je verwacht voor het erg bescheiden bedrag van 8 euro per persoon per nacht dat we hier betalen. Ons kleine kamertje heeft geen ramen, de muren zijn zo scheef gebouwd dat ze dit zelfs in Pisa met gefronste wenkbrauwen aan zouden zien en een gordijn moet voor wat privacy zorgen omdat de deur maar een deel van de deuropening vult. De nogal povere, zwartgeverfde badkamer met toilet en douche (die zo geplaatst is dat je ongeveer tegen de wc-pot aan moet staan om te kunnen douchen) bevindt zich op de gang en dus buiten onze kamer, maar omdat de enige andere kamer op de eerste verdieping onbezet is zal dit toch onze privébadkamer zijn. We hebben een tv met honderden zenders, al zijn die allemaal Arabisch. Verder is er nog een dakterras waarop je via een stalen trap kunt komen.
Na op de kamer even bij te zijn gekomen lopen we naar het plein. We gaan op zoek naar ene Mohammed die vlakbij het Jemaa el Fna een reisbureautje moet hebben waar vrienden van ons goede ervaringen mee hebben. Ze hadden het zelfs zo gezellig met hem dat ze uitgebreid met de man op de foto zijn gegaan, en afdrukken van die foto’s gaan we op hun verzoek nu bij hem afleveren.
In een steegje op enkele tientallen meters van het plein treffen we deze Mohammed inderdaad aan. We worden allervriendelijkst in zijn kantoortje ontvangen, geven hem de meegebrachte foto’s en krijgen elk een glas van de bekende Marokkaanse muntthee. Voor 150 dirham per persoon boeken we een excursie voor aanstaande maandag naar de Ourikavallei. Daarna gaan we even verderop wat eten in een restaurantje.
We lopen wat over het plein, waarop het zoals altijd een drukte van belang is. We hebben van Mohammed begrepen dat het hier in de kerstvakantie pas ècht druk zal worden, maar ook nu is er al een aardige wirwar van mensen te zien. Er staan etenskraampjes en fruitstalletjes, er zijn verkopers die hun souvenirs op de grond uit hebben gestald, mensen proberen een publiek te trekken door verhalen te vertellen en toeristen worden aangespoord om zichzelf met henna te laten bekladden of zich met een aapje (aan een ketting) of een slang te laten fotograferen. Door de donkere lucht zweven grote rookpluimen van de geïmproviseerde restaurantjes die elke avond opgebouwd en weer afgebroken worden. Op weinig plaatsen in de wereld zullen je zintuigen harder moeten werken dan hier. Je  ziet alle drukte en bedrijvigheid om je heen, je hoort  een kakofonie van geroezemoes, jengelende fluiten van slangenbezweerders, rondscheurende brommertjes en mensen die luidkeels toeristen proberen te lokken en intussen vermengen de geuren van paardenpoep, kruiden, riolen, fruit en gebakken vlees zich in je neus. “I smell the garden in your hair” zongen Crosby, Stills & Nash in 1969 in hun hit ‘Marrakesh Express’, maar naar een tuin ruikt het hier nu bepaald niet.
Irritant vaak word je aangesproken door mensen die geld van je willen. Of dat nu verkopers, bedelaars, proppers of oplichters zijn wordt al snel irrelevant, je gaat vanzelf op de automatische piloot “no, thank you” zeggen tegen iedereen die je aanspreekt.
In een buurtsuper kopen we een zak chips, een rol koekje en flesjes cola, waarna we teruglopen naar ons hostel.

Dag 2
’s Ochtends worden we om half vijf en nogmaals rond half zes gewekt door een bijzonder luide, monotoon gezongen oproep tot gebed vanuit de luidsprekers van een moskee die zich bevindt op slechts enkele tientallen meters van ons hostel.
Om half negen gaan we de straat weer op. We besluiten om naar het noorden van de medina te gaan lopen, waar onder meer de beroemde koranschool Ben Joesoef Madrassa te vinden is.
Het blijkt echter nog niet zo makkelijk om die ook daadwerkelijk te vinden. Straatnaambordjes ontbreken hier zoals al vermeld vaak. Er zijn wel bordjes die aangeven waar de belangrijke bezienswaardigheden zijn, maar opvallend vaak lijkt het spoor van bordjes op te houden zodra je bij een splitsing komt. Wegen die op plattegronden grote vierbaanswegen lijken, blijken in de praktijk soms smalle straatjes te zijn waar twee brommers elkaar met moeite kunnen passeren. En frustrerend vaak denk je eindelijk ergens te komen zodra je een grotere, drukkere straat betreedt, om enkele tientallen meters verderop toch ineens weer in een steegje uit te komen waarin je je meteen hopeloos verdwaald waant, zelfs als je het (nog) niet bent.
Alhoewel we na enige tijd ronddolen de weg dus aardig kwijt zijn willen we niet aan iemand gaan vragen waar we naartoe moeten. We zijn, zeker na onze ervaring met die veeleisende kinderen van gisteren, op onze hoede voor de vele “professionele wegwijzers” die hier nogal stevige tarieven vragen. En toch staan we op het punt om er royaal in te tuinen bij een man die het spelletje erg goed speelt.
Als we even op zoek zijn naar straatnaambordjes komt een eenvoudig uitziende man van in de veertig of vijftig langs gelopen. Hij groet ons vriendelijk, lijkt verder te lopen en biedt dan toch aan om ons even een heel klein stukje op weg te helpen. We laten het toe. Maar een paar meter meelopen wordt al snel een paar straten en we worden onderweg dusdanig ingepalmd dat we weten dat het erg onbeleefd over zou komen om nu af te haken en onze eigen weg te gaan. We begrijpen al snel dat we er toch ingetrapt zijn en dat we zo meteen de portemonnee zullen moeten gaan trekken. Intussen vertelt de man dat hij Achmed heet, timmerman is, uit Ouarzazate komt en een broer in Rotterdam heeft. En uiteraard probeert hij ons ook wijs te maken dat alle bezienswaardigheden die we vandaag willen bezoeken dicht en/of hartstikke duur zijn. De boodschap is duidelijk: we kunnen beter gewoon met hem meegaan.
Dan komen we aan bij een afgelegen binnenplaatsje waar een man ons al op staat te wachten. Het is blijkbaar de bedoeling dat we gaan kijken in een leerlooierij die hier ergens gevestigd is. Dat zien we totaal niet zitten, dus bedanken we vriendelijk. Plotsklaps slaat de houding van onze vriendelijke vriend Achmed radicaal om. Hij speelt dat hij diep beledigd is omdat we niet op zijn doe-tip in willen gaan en eist op autoritaire toon maar liefst twintig euro voor de rondleiding van een half uur die hij ons zegt te hebben gegeven. Plotseling komt er een man uit een winkeltje aan de overkant van de straat naar ons toe gelopen, die zich “spontaan” in de discussie mengt en partij kiest voor Achmed. Uiteraard zit hij in het complot. Het is Achmed en zijn kompaan inmiddels wel duidelijk dat we niets uit gaan geven in de leerlooierij die ongetwijfeld een veel te duur eigen winkeltje heeft, dus is hun plan B in werking getreden. We zijn twee verdwaalde toeristen, we voelen ons hier ongemakkelijk en worden geconfronteerd met twee mannen die dwingend op ons inpraten: wij willen vast elke prijs betalen om maar gewoon weg te kunnen, dat weten zij ook wel. Plan B slaagt half. Ik druk Achmed een briefje van 100 dirham in de hand, verder ga ik hem echt niet tegemoet komen, waarop we weglopen. Achmed en de “toevallig” toegesnelde winkelier blijven ons nog een tijdje ietwat intimiderend volgen en eisen meer geld, maar godzijdank druipen ze uiteindelijk toch af. We kijken niet meer om en lopen stevig door.
Gelukkig vinden we daarna snel onze weg naar het Jemaa el Fna weer. De Ben Joesoef Madrasse laten we voor wat het is. Vlakbij het plein gaan we in een restaurantje ontbijten.
We willen vervolgens het Bahiapaleis gaan bezoeken. Ondanks de onprettige ervaring van zojuist durven we deze wandeling naar het zuiden van de medina wel aan, we hoeven immers alleen de relatief grote staat Rue Riad Zitoun el Jedid te volgen vanaf het Jemaa el Fna en lopen er dan recht op af.
Het negentiende-eeuwse Bahiapaleis, dat voor maar tien dirham per persoon bezocht kan worden, heb ik in 2010 al gezien. Maar ik vond de prachtige tuinen, binnenplaatsjes, sinaasappelbomen en rijkelijk gedecoreerde plafonds fraai genoeg om een keer terug naartoe te gaan. Grootvizier Si Moussa liet dit paleis bouwen met de intentie om er door de beste architecten van het land het mooiste en grootste gebouw in z’n soort van te laten maken. En zelfs als de tegenwoordig lege ruimtes je als toerist niet kunnen boeien, dan is op z’n minst de relatieve rust van de groene binnenplaatsjes een welkome afwisseling na de constante hectiek van de stad.
We beginnen na dit bezoek, bij een ideale temperatuur van ongeveer 22 graden, aan een stevige wandeling naar het westen van de stad over de Avenue de la Ménara, een brede en enkele kilometers lange straat die in een rechte lijn van de beroemde moskee van Koutoubia aan het Jemaa el Fna naar het paviljoen van Ménara loopt.
De zogenaamde tuinen van Ménara, die we vervolgens bezoeken, blijken niet echt tuinen te zijn maar een olijfboomgaard. Tussen de bomen zitten veel Marokkaanse gezinnetjes te picknicken. Ten midden van de in de twaalfde eeuw aangelegde boomgaard is een enorme rechthoekige vijver te zien waaraan aan zestiende-eeuws paviljoen staat. In vrijwel alle reisgidsen over Marokko zijn ronduit sprookjesachtige foto’s te vinden van dit paviljoen direct aan het water, met op de achtergrond het besneeuwde Atlasgebergte als imponerend decor. Maar in werkelijkheid ziet het er allemaal toch wat minder bijzonder uit. Het water is smerig, het voormalige zomerhuisje van sultan Abderrahmane is door de grootte van de vijver alleen van grote afstand frontaal te bekijken en het weer is net niet helder genoeg om de achterliggende bergen goed te kunnen zien.
We gaan weer terug richting het centrum lopen. We hebben op een plattegrondje gezien dat als we een kleine omweg nemen we langs het Stade el Harti kunnen komen. Omdat Linda en ik allebei wel een fascinatie hebben voor exotische voetbalstadions en het vooruitzicht van weer een lange, saaie wandeling over de Avenue de la Ménara ook niet erg aanlokkend is gaan we nu via de Avenue de France, een straat vol chique hotels en statige bankgebouwen.
Als we het stadion passeren blijkt het daar te wemelen van de politie. Het lijkt erop dat er een wedstrijd gespeeld gaat worden vandaag. En inderdaad, het plaatselijke Kawbab Marrakech (of KACM, zoals de club ook genoemd wordt) speelt vandaag in de hoogste nationale divisie een wedstrijd tegen RSB Berkane. Wie mijn eerdere reisverslagen heeft gelezen zal al weten dat Linda en ik als het enigszins mogelijk is graag een plaatselijke voetbalwedstrijd bezoeken tijdens onze reizen, dus nemen we ons voor om even te gaan informeren waar we kaartjes kunnen kopen. Even later zien we echter een lange rij voetbalsupporters die staan te wachten om naar binnen te kunnen en valt het ons direct op dat het uitsluitend mannen zijn. Voor het eerst vind ik het een heel klein beetje jammer dat Linda een vrouw is. We lopen maar weer door, het is natuurlijk niet de bedoeling dat Linda in een vol voetbalstadion een bezienswaardigheid gaat zijn. Onderweg word ik door verschillende jongens aangesproken met de vraag of ik misschien hun kaartje voor ze wil betalen. Sorry, volgende keer misschien.
We komen uit op de Avenue Mohammed V, de straat waaraan Hotel Oudaya staat, waarin ik in 2010 verbleef. En net zoals ik destijds met mijn toenmalige reisgenoten deed lopen we om even de drukte van de stad te ontvluchten via het park Arsat Moulay Abdeslam, dat letterlijk een oase van rust is. De altijd onberispelijk onderhouden bomen en planten staan er in deze tijd van het jaar wel een beetje flets bij.
We bekijken vervolgens de beroemde moskee van Koutoubia aan het Jemaa el Fna eens van wat dichterbij. De 77 meter hoge minaret van deze twaalfde-eeuwse moskee is zonder twijfel het bekendste en meest herkenbare gebouw van de stad.
We eten een broodje bij een eettentje aan de Rue Fatima Zohra en zoeken dan om vier uur ons hostel weer op voor een kort dutje.
Om kwart over zes gaan we de inmiddels donkere straten weer op. We besluiten om nu niet langs de drukke, inmiddels vertrouwde autoweg naar het Jemaa el Fna te lopen, maar dwars door de wirwar van straatjes, door de souks die eigenlijk al op een steenworp van ons hostel beginnen. En dat blijkt niet zo’n heel verstandige keuze. Al snel zijn we de weg die we met behulp van ons plattegrond wel hoopten te vinden helemaal kwijt en dolen we eindeloos door donkere, nauwe straatjes die vervolgens niet uit blijken te komen bij een punt dat we herkennen, maar gewoon in het volgende donkere, nauwe straatje. Zo nu en dan lopen we ineens door een drukker gedeelte en hebben we even de hoop dat we nu toch echt vlakbij het plein zijn, maar keer op keer blijken het plagerijtjes te zijn van het gigantische doolhof dat Marrakesh heet. Waarna we wederom door een donker steegje benen waarin geen enkele andere toerist te bekennen is. Normaal gesproken zou je in zo’n situatie uiteraard de weg gaan vragen, talloze keren bieden mensen ons ook spontaan aan om ons naar het plein te brengen, maar daar gaan we na vanochtend echt niet meer intrappen. Dan nog maar wat langer zoeken… De eindeloze stoet van brommers en scooters die op vaak onverantwoord hoge snelheden tussen de voetgangers doorscheuren verhoogt de irritatie over de gehele situatie behoorlijk.
Na ruim anderhalf uur steeds wanhopiger zoeken naar een herkenningspuntje vinden we eindelijk een spoor van wegwijsbordjes naar het Jemaa el Fna dat nu eens nìet abrupt stopt bij een T-splitsing. Opgelucht gaan we bij een restaurantje vlakbij het plein eten.
Na nog even over het plein te hebben gelopen gaan we nog een keertje pinnen, 500 dirham. We hebben nu dus in totaal 2300 dirham opgenomen, zo’n 210 euro, dat moet genoeg zijn voor de hele trip.
Daarna lopen we terug naar ons hostel. Nu uiteraard gewoon weer langs de drukke autoweg…

Dag 3
Om negen uur ’s ochtends staan we te wachten voor de deur van ons hostel, tien minuutjes later komt Mohammed van het eerder genoemde reisbureautje het steegje ingelopen om ons op te halen voor de excursie naar de Ourikavallei. We lopen met hem naar een busje, waarin we plaatsnemen. Mohammed stapt even later weer uit, we gaan de excursie maken met een chauffeur en met drie andere toeristen, die al snel een aangenaam gezelschap zullen blijken te zijn. Eén van hen is een vriendelijke, rustige, behoorlijk dikke en kettingrokende Duitser van een jaar of zestig die Wolfgang heet en onderweg vertelt dat hij ooit in z’n eentje met de auto vanuit zijn thuisland door een groot deel van Afrika gereisd heeft. De anderen zijn twee in Londen woonachtige Britten van ergens in de twintig of dertig, die oorspronkelijk uit Bangladesh komen. Deze mannen, een kleine magere en een slome dikke, blijken al snel werkelijk hilarisch te zijn, soms bedoeld en soms onbedoeld, en zouden eigenlijk onmiddellijk een eigen reisprogramma in de stijl van An Idiot Abroad moeten krijgen.
De eerste stop die we maken is naast de doorgaande weg bij een bescheiden berberhuisje. We weten inmiddels wel hoe dit soort “tourist traps” werken: je wordt tegen wil en dank ergens gedropt, wordt aangespoord om overal foto’s van te maken en ten slotte krijg je wat te eten en drinken aangeboden, in dit geval brood, boter, stroop en muntthee. En na zoveel gastvrijheid kun je het natuurlijk niet maken om weer te vertrekken zonder de bewoners van het huis wat geld toe te stoppen. Dat je eigenlijk helemaal niet om deze stop had gevraagd en het eigenlijk ook totaal niet interessant vond is niet relevant en iedereen weet dat een percentage van het geld dat je de bewoners van zo’n huis toestopt verdwijnt in de zakken van de chauffeur die je er zojuist naartoe heeft gebracht.
De tweede stop is bij een bedrijfje waar een tiental vrouwen argannoten zit te malen (die meer op olijven dan op noten lijken), waar vervolgens arganolie van gemaakt zal worden. Een vlotte, goedlachse vrouw die uitstekend Engels spreekt houdt een kort praatje, waarna we naar een zithoek gedirigeerd worden. Daar moeten we onder lichte dwang verschillende soorten arganolie, al dan niet verwerkt in een genezend middeltje, geurtje of smeerseltje, proeven en ruiken. Vervolgens komt uiteraard het onvermijdelijke bezoek aan het bijbehorende winkeltje, waar we een mandje in onze handen gedrukt krijgen dat maar we even moeten vullen met peperdure potjes die overwegend 100 tot 150 dirham kosten. Wolfgang moppert dat dezelfde potjes zelfs in de relatief dure kraampjes bij het Jemaa el Fna maar 50 dirham kosten. We vertrekken natuurlijk zonder iets te kopen.
We gaan verder en rijden door een herfstachtig landschap dat bezaaid is met goudgele bladeren. Links van ons loopt een smal bergstroompje met aan de overkant het ene enorme terras na het andere. Op geen van de terrassen is een mens te bekennen. Recht voor ons zien we besneeuwde bergtoppen.
De derde stop is bij een gammele houten hangbrug over het miezerige stroompje, die we oversteken. Aan de overkant worden we direct aangesproken door een paar mannen die ons kettingen willen verkopen en kinderen die euro’s en ponden voor dirhams willen wisselen. We blijven even staan bij de brug en wachten af. We kijken onze chauffeur vragend aan: wat nu? Nou, niks dus. We zijn blijkbaar alleen gestopt om even een simpele brug over te steken (en wellicht om naar deze kettingverkopers te worden gebracht). Terwijl wij uiterst voorzichtig weer teruglopen over de geïmproviseerde brug van dunne plankjes aan kabels worden we ingehaald door kinderen die er letterlijk overheen sprinten.
Na weer een kort ritje parkeert de chauffeur het busje op een parkeerplaats bij een restaurant. We gaan aan een tafeltje zitten en krijgen de menukaart. Daarop staan geen losse gerechten, alleen volledige menu’s die 120 dirham kosten, voor Marokkaanse begrippen uiteraard een absurd hoge prijs. Linda en ik zijn niet van plan om dat uit te geven voor een lunch, maar gelukkig blijkt het niet zo’n probleem te zijn om toch alleen omeletten te bestellen, die in combinatie met de grote ronde broden die je standaard bij elke maaltijd krijgt ook een prima lunch vormen.
Vanuit het restaurant gaan we te voet verder. Al heel snel passeren we een restaurant dat volledige menu’s aanbiedt voor 50 dirham. En bedankt, chauffeurtje.
Met een plaatselijke gids gaan we een wandeling maken langs drie watervallen. Het is een ietwat pittige tocht waarbij ook aardig wat geklommen moet worden en het is lang niet altijd een overbodige luxe dat de gids wijst op de stenen waar je je voeten het beste op kunt zetten. Wie hier een mooie natuurwandeling verwacht komt echter bedrogen uit. Het geïmproviseerde pad omhoog loopt dwars door een hoop winkeltjes en langs kraampjes waarin we weer de bekende souvenirs en andere prullen zien. De verkopers beweren dat hun spullen van een betere kwaliteit zijn dan in de stad, maar ik ben er vrij zeker van dat dit over het algemeen exact dezelfde beeldjes, sloffen, djelleba’s, tassen, stenen, kettingen en koelkastmagneten zijn als degene die je in de soeks van Marrakesh ziet liggen. Bovendien lijken de prijzen hier nog een stukje hoger te zijn.
Bij het kleine, magere eerste watervalletje dat we zien haken Wolfgang en de dikke Brit allebei al af, ze blijven hier wel wachten tot we weer terug zijn van het bekijken van de volgende twee watervallen. Voor Wolfgang lijkt me dat inderdaad een verstandige keuze, die liep na enkele minuten al te zuchten en steunen alsof hij een marathon aan het lopen was. De dikke Brit zegt met een knipoog dat hij achterblijft om Wolfgang te beschermen.
Met z’n drieën plus de jonge plaatselijke gids gaan we verder. Ook de tweede waterval blijkt heel weinig voor te stellen, maar de laatste is wat groter en wel de moeite waard.
Na terugkomst bij de eerste waterval, waar onze minder fitte medereizigers op ons zitten te wachten, blijkt de dikke Brit zich te hebben vermaakt met passerende Marokkanen met gelijke munt terugbetalen. In gebroken Engels heeft hij ze gevraagd of ze tegen betaling van 20 dirham een foto wilden maken van hem in de djellaba (een lang gewaad dat veel Marokkaanse mannen dragen), die hij gekocht heeft omdat hij zijn jack vergeten was en het hier toch wel een stuk frisser is dan in Marrakesh.
Even later maakt hij de onwil van de rest van de groep om hier iets te kopen in één klap goed door maar liefst 400 dirham neer te leggen voor twee doodgewone stenen waar hij zijn naam uit heeft laten kappen.
Als we weer terug zijn op de parkeerplaats blijkt onze gids nog lang niet zo’n gehaaide zakenman te zijn als veel van zijn landgenoten die ook in het toerisme werken. Hij blijft eventjes wat ijsberen in onze buurt en druipt dan stilletjes af. Het is bijna uit medelijden dat ik daarna toch maar even naar hem toeloop om hem een fooi te geven.
Op de terugweg naar Marrakesh hebben we twee extra passagiers, een Brit en een Braziliaan. Overigens hebben we de afgelopen dagen in Marrakesh veel Brazilianen gezien in zwartwit gestreepte voetbalshirts. Het zijn supporters van de voetbalclub Clube Atlético Mineiro, dat deelneemt aan het wereldkampioenschap voor clubteams dat momenteel in Marokko gehouden wordt. Helaas past het net niet in ons schema om daarvan een wedstrijd mee te pikken, de eerste wedstrijd in Marrakesh vindt uitgerekend een dag na ons vertrek plaats.
Terug in het hostel treffen we de beheerder en vertellen we hem dat we morgen al om vijf uur in de ochtend zullen vertrekken. Hij vraagt of we dan een taxi nodig hebben en zegt dat zijn buurman, die taxichauffeur is, ons bij het hostel op kan komen halen en ons voor 100 dirham naar het vliegveld kan brengen. We zagen er al een beetje tegenop om zo vroeg in de ochtend de straat op te moeten gaan om een taxi te zoeken, met wellicht weer de nodige prijsonderhandelingen waar we sowieso geen trek in hebben, dus dat komt goed uit. De beheerder zegt tevens toe dat zijn broer morgenochtend aanwezig zal zijn om onze sleutel aan te nemen.
We lopen voor een laatste keer naar het Jemaa el Fna, nu maar weer gewoon via de bekende route over de Rue Dar el Bacha en de Rue Fatima Zohra. We willen op onze laatste avond gaan eten bij de bekende eetstalletjes op het plein.
Daarbij aangekomen worden we direct al aangesproken door een man die ons een menukaart voorschotelt. Voordat we iets gezegd hebben gokt hij dat we Nederlanders zijn, waar hij wel punten mee scoort. Opmerkelijk genoeg zijn we met onze donkere haren tot dusver door vrijwel iedere Marokkaan aangezien voor Italianen of Spanjaarden. De man haalt zijn iPhone tevoorschijn en wil ons iets laten zien. “Just look, it’s free”, zegt hij geruststellend, met een knipoog. Hij tovert foto’s tevoorschijn waarop hij poseert met Ruud de Wild en Sebastiaan Labrie. Dit charmeoffensief was niet eens nodig, we waren toch al van plan om hier te gaan eten. Helaas blijkt het verhaal dat je hier lekker goedkoop kunt eten achterhaald te zijn, want voor twee bordjes couscous (eentje met groente, eentje met worstjes) en twee drankjes zijn we 120 dirham kwijt, een prijs die niet zou misstaan bij de restaurantjes die het plein omringen.
We gaan we even de soeks in, maar blijven nu in de buurt van het plein. Hier is het aanzienlijk rustiger shoppen dan wanneer je dieper de wirwar van straatjes induikt. De verkopers laten je met rust, afdingen is niet aan de orde omdat alle prijzen “fixed” zijn (ongetwijfeld is alles hier relatief duur, maar dat is letterlijk een prijs die we nu wel willen betalen) en er rijden geen brommers tussen de voetgangers door. Met een deel van ons laatste geld kopen we nog een paar kleine souvenirtjes.
Daarna drinken we op het plein nog een glas verse sinaasappelsap, kijken nog een keer goed rond en laten, in elk geval voor deze trip, voor de laatste keer de overdosis aan indrukken, geluiden, geuren en kleuren van het wereldberoemde Jemaa el Fna achter ons.
Om half negen zijn we terug in ons hostel.

Dag 4
We moeten er vandaag al om half vijf uit om op tijd te zijn voor onze vlucht terug naar Eindhoven, maar hoeven eigenlijk niet eens de wekker te zetten aangezien we op dat tijdstip toch al elke ochtend gewekt worden door het oproep tot gebed van de moskee vlakbij. Een half uurtje later staan we in de receptie van het hostel klaar.
Om tien over vijf is de broer van de beheerder nog nergens te bekennen en ook op de taxichauffeur wachten we nog altijd tevergeefs. Omdat we ook niet weten waar die broer uithangt gaan we maar even naar buiten en bellen we zelf aan. Daarop komt de broer al snel naar ons toe. We gaan met hem naar buiten, naar de Rue Bab Doukkala, waar de buurman al klaarstaat met zijn taxibusje.
Onze trip zit erop. Ondanks een paar minder prettige voorvalletjes was het weer een indrukwekkende ervaring. Ik zou dan ook niemand een bezoek aan Marrakesh afraden. Daarvoor is er toch teveel moois te zien en bijzonders te beleven in deze erg levendige stad waarin ze het woord “saai” waarschijnlijk niet eens kennen. En het Jemaa el Fna is een ervaring op zich, eigenlijk moet je daar gewoon een keer geweest zijn. Je doet er alleen wel verstandig aan om een hoge irritatiegrens mee te nemen en een gezonde sceptische houding richting iedereen die je aanspreekt.
Terwijl we de stadsmuren van Marrakesh uitrijden is het een vreemd idee dat we vandaag rond lunchtijd gewoon weer in een koud en grijs Eindhoven zullen zitten. En dat ik over 26 uur alweer op m’n werk zal zijn…

Mocht je meer reisverslagen van mij willen lezen, dan kun je hier klikken om mijn boek ‘De Mooiste Dagen’ te bestellen. Met 296 pagina’s aan uitgebreide verslagen van mijn reizen door onder anderen Egypte, Cuba, Mexico, Guatemala, Jordanië, Marokko, Laos en Kroatië!

Leave a comment »