Archive for Muziek: The Beach Boys

Concertrecensie: The Beach Boys

The Beach Boys @ Lokerse Feesten, Lokeren (B), 7 augustus 2012

Eerst maar even de negativiteit eruit, dan hebben we dat alvast gehad. De nog levende leden van de dit jaar ter gelegenheid van hun vijftigjarige jubileum weer herenigde Beach Boys zijn respectievelijk 71, 70, 70, 69 en 63 jaar oud en zien er geen dag jonger uit dan ze zijn. Live staan Brian Wilson’s piano, Bruce Johnston’s keyboard en Al Jardine’s gitaar erg zacht in de mix (als ze überhaupt al aangesloten zijn), om dat op te vangen hebben ze een achtergrondband bij met onder meer drie gitaristen en twee toetsenisten die je dus wèl hoort. Brian Wilson, die zijn teksten leest van een schermpje, probeert niet eens meer de hoge noten te halen die hij vroeger moeiteloos zong, dat laat hij tegenwoordig over aan zijn rechterhand Jeffrey Foskett. Alles aan de gezichtsuitdrukkingen en lichaamstaal van de apathische Wilson schreeuwt dat hij vermoeid en verveeld is en het liefst zo snel mogelijk van het podium wil. En de patserige ringen, bonte Hawaii-shirts, haantjes-attitude en verwijfde gebaartjes van Mike Love zien er nu hij al ruimschoots pensioengerechtigd is nog fouter uit dan voorheen.

Als ik dat zo teruglees klinkt het alsof naar een Beach Boys-concert gaan vandaag de dag vergelijkbaar is met ramptoerisme. In de praktijk valt dat erg mee.

Frontman Mike Love mag dan zo’n beetje de vleesgeworden wansmaak zijn, op deze aangename zomeravond is hij de absolute heerser over het bomvolle Lokerse festivalterrein dat met 15.000 man volledig is uitverkocht. Al meer dan een halve eeuw staat Love zo’n honderd tot tweehonderd keer per jaar op het podium en als iemand zich daar als een vis in het water voelt dan is hij het wel. Hij straalt met verve uit dat hij geniet van in de spotlights staan, dat hij apetrots is op zijn bandje en dat hij al die hits dolgraag nog eens een halve eeuw zou willen blijven zingen. Ik heb genoeg bands gezien die al na een jaar of twee, drie klonken alsof ze hun eigen liedjes wel weer beu waren, die mogen allemaal even in de leer bij “The Lovester” die een draak als ‘Barbara Ann’ met alle plezier voor de zoveelduizendste keer uit zijn strot laat komen.

Zanger/gitarist Al Jardine was altijd de saaie Beach Boy. Een keurige, kalme, charmante man die vroeger, terwijl enkele van zijn bandmakkers zich op tour vermaakten met grote hoeveelheden drank, drugs en vrouwen, naar een museum ging of urenlang met zijn echtgenote belde. “Keep it clean with Al Jardine”, zoals Love op het podium nog wel eens wil roepen. Daarvoor krijgt hij nu op latere leeftijd de beloning, zijn ongeschonden stem klinkt nog exact hetzelfde als veertig jaar geleden, zoals hij laat horen op ‘Help Me, Rhonda’, ‘Then I Kissed Her’, ‘Cotton Fields’ en ‘Wouldn’t It Be Nice’.

Gitarist David Marks was helemaal in het begin in 1962 al van de partij, vertrok echter alweer in 1963 en duikt pas sinds 1997 (na decennia vol drank- en drugsmisbruik en gemiste kansen op nieuw succes) weer bij vlagen op als Beach Boy. Het is aan het jonkie van de groep (want pas 63) te zien dat hij blij en trots is om er weer te staan, hij is als prima leadgitarist een waardevolle toevoeging en bovendien geeft hij The Beach Boys na het wegvallen van Dennis Wilson (verdronken in 1983) en Carl Wilson (overleden aan longkanker in 1998) weer wat meer authenticiteit.

Zanger/toetsenist Bruce Johnston mag zich in de media soms presenteren als een enorme snob, op het podium is hij juist de bescheidenheid zelve. Johnston heeft een mooi zacht en soepel stemgeluid, is een pianovirtuoos en schreef enkele prachtige (doch uiterst zoetsappige) nummers. Daar laat hij nu echter weinig van blijken. Vocaal blijft hij op de achtergrond en zijn keyboard raakt hij nauwelijks aan, hij schikt zich duidelijk met veel plezier in de rol van de “cheerleader” die het publiek wat opjut.

En daar is ‘ie dan, helemaal links op het podium verscholen achter een grote witte vleugel: de geestelijke vader van de groep, Brian Wilson. Gedisciplineerd neemt de levende muzikale legende de leadzang op enkele van zijn composities op zich, maar hij doet weinig moeite om te verhullen dat hij op het podium niet op z’n plek is. Maar soit, zoals ze dan in België zeggen, als je nog het voorrecht zou kunnen hebben om Mozart himself aan te zien schuiven bij een uitvoering van diens werken, dan zou je ook niet klagen als zijn performance een beetje tegen blijkt te vallen. Wel dient de vraag zich aan of het geen goed idee zou zijn om Wilson zijn welverdiende pensioen te gunnen, hij lijkt er aan toe te zijn.

Terug naar het optreden van deze avond. De gematigde fans die The Beach Boys vooral kennen van hun bekendste hits, de toegankelijke zonnige surf- en autoliedjes uit de beginjaren van hun carrière, worden in de eerste helft van de set op hun wenken bediend. Na de passende opener ‘Do It Again’ (“Let’s get together and do it again”) wordt een elftal klassiekers uit de jaren 1962-1965, waaronder evergreens als ‘I Get Around’, ‘Surfer Girl’ en ‘Don’t Worry, Baby’, vrijwel naadloos en zonder adempauzes het publiek in geslingerd. De enthousiaste en qua leeftijd zeer gemengde menigte is merkbaar onder de indruk en de sceptici mogen opgelucht ademhalen: de veteranen hebben er zin in en kunnen het nog. Met een beetje hulp, maar toch.

Desondanks is het na die massieve reeks gestroomlijnde zonnigheid prettig als na een dik half uur de setlist een wat gevarieerdere wending krijgt. Dat begint met het gloednieuwe ‘That’s Why God Made the Radio’ (het enige nummer van het gelijknamige nieuwe album dat vandaag gespeeld wordt), dat prima uit de verf komt en lijkt te zorgen voor een lichte opleving bij Wilson. Hierop volgt een bonte mix met nummers die dateren van 1964 tot 1976, waaronder het ‘Pet Sounds’-trio ‘God Only Knows’, ‘Sloop John B.’ en ‘Wouldn’t It Be Nice’, de ‘Smile’-hits ‘Good Vibrations’ en ‘Heroes and Villains’ en kleinere hitjes als ‘Cotton Fields’, ‘Sail On Sailor’ en ‘You’re So Good to Me’. Omdat The Beach Boys hun reguliere set van twee uur en een kwartier voor dit festival in moeten korten tot ruim anderhalf uur sneuvelen helaas de obscuurdere nummers die vooral voor de meer gevorderde fans een traktatie zijn. De groep kiest vandaag voor een setlist die rechtstreeks van de hoes van een greatest hits-cd over zou kunnen zijn geschreven.

Na 27 nummers (waarvan 15 top tien-hits) sluiten de heren hun reguliere set af met ‘Surfin’ USA’, waarna de vijf Beach Boys (Love, Jardine, Marks en Johnston vriendelijk zwaaiend, Wilson alsof hij een bus moet halen) en hun negenkoppige achtergrondband kortstondig het podium verlaten. Veel tijd om bij te komen van de imposante stroom zomerse golden oldies krijgt het publiek echter niet voordat de groep terugkeert voor een toegift met nog eens drie wereldhits: ‘Kokomo’, ‘Barbara Ann’ en ‘Fun, Fun, Fun’. Met name tijdens de toegift blijkt dat van de onderlinge vetes tussen de bandleden waarover de afgelopen decennia zoveel gepubliceerd is verdomd weinig te merken is als ze gewoon bij elkaar zijn, muziek makend, zonder al die foute managers en hebberige advocaten om zich heen. Voorafgaand aan ‘Kokomo’ doet Jardine zijn gitaar af om aan de andere kant van het podium Wilson te vergezellen, die hij 55 jaar geleden leerde kennen op het football-veld van hun gezamenlijke high school. Na ‘Fun, Fun, Fun’ beent Wilson direct naar Love toe, de neef waar hij samen mee opgroeide, en pakt zijn veronderstelde aartsvijand met een bijna vertederende vanzelfsprekendheid bij de hand.

Dan zit het er op wat het 62e concert van deze jubileumtournee betreft. Nog vijf concerten te gaan in Azië, vijf in Australië en twee in Engeland, dan zit het er op. Maar niet voor The Beach Boys. De volgende concerten van de gestripte versie van de groep (zonder Wilson, Jardine en Marks, maar met Love en Johnston) zijn alweer geboekt en Wilson heeft al laten weten dat er misschien nog wel een album inzit. En gezien het enthousiasme waarmee Love, Jardine, Johnston en Marks nog op de planken staan zou je bijna gaan verwachten dat ze over tien jaar doodleuk weer terugkomen naar Lokeren om dan hun zestigjarige jubileum te vieren.

Advertenties

Comments (1) »

That’s Why God Made the Radio

In 2011 was het een halve eeuw geleden dat de meest succesvolle Amerikaanse band aller tijden, The Beach Boys, z’n eerste singletje uitbracht op een klein plaatselijk platenlabeltje (dat de vraag naar dit plaatje niet aankon en daardoor binnen enkele maanden kopje onder ging). Ter gelegenheid hiervan kregen en krijgen de fans enkele cadeaus (al moeten ze daar uiteraard wel royaal de portemonnee voor trekken) waarop ze al jaren of zelfs decennia lang niet meer hadden durven hopen. Dit begon op 1 november 2011, de dag waarop in het Beach Boys-universum Pasen, Pinksteren en Sint Juttemis allemaal samenvielen. Het verloren meesterwerk van de groep, het onvoltooide album ‘Smile’ uit 1967, maakte eindelijk de gang naar de platenzaken. Eerdere meer of minder concrete plannen in 1967, 1972, 1988 en 1997 om het magnum opus van bandleider Brian Wilson het levenslicht te laten zien hadden niets opgeleverd (afgezien van proeftapes die vervolgens al snel opdoken in het bootlegcircuit), dit keer kwam het er echter wel van. En hoe: de meest uitgebreide uitvoering van ‘The Smile Sessions’ was een uitputtende box met onder meer vijf cd’s en twee lp’s.

Er volgde meer nieuws dat deed vermoeden dat er spreekwoordelijk bijzonder koude dagen waren aangebroken in de hel: alle nog levende bandleden (Dennis Wilson verdronk in 1983, zijn broer Carl overleed in 1998 aan kanker) bleken na jaren vol onderlinge rechtszaken en weinige vriendelijke commentaren in de media over en weer toch overeen te zijn gekomen om gezamenlijk een wereldtournee te ondernemen en een nieuw album te gaan maken. Dat betekende de hereniging van originele leden Mike Love (die nooit was gestopt met touren als frontman van The Beach Boys, alhoewel de band achter hem inmiddels bestond uit ingehuurde sessiemuzikanten), Brian Wilson (het muzikale brein achter de groep, die sinds 1988 de voorkeur gaf aan zijn solocarrière), Al Jardine (de zanger en gitarist die in 1998 werd ontslagen door Love) en David Marks (de gitarist die in 1963 opstapte na een conflict met toenmalige bandmanager Murry Wilson, om na decennia vol drank- en drugsproblematiek pas eind jaren negentig weer fris en fruitig op te duiken), plus Bruce Johnston, die al sinds 1965 te boek staat als “the new guy”.

Vooraf had ik geen flauw idee wat te verwachten van een nieuw Beach Boys-album. De laatste plaat met nieuw werk, ‘Summer in Paradise’, verscheen in 1992 en was werkelijk bizar slecht, terwijl de groep ook in de late jaren zeventig en de jaren tachtig voornamelijk matige tot slechte platen af had geleverd (met het merkwaardige doch sterke ‘The Beach Boys Love You’ uit 1977 als enige uitzondering). Daar staat tegenover dat Brian Wilson de afgelopen jaren verrassend goede soloplaten uitbracht, met ‘That Lucky Old Sun’ uit 2008 als absoluut hoogtepunt, en dat ook Al Jardine’s recente solowerkje ‘A Postcard from California’ heel degelijk door de beugel kon. Verder vroeg ik me af in welke richting The Beach Boys het voor hun 29e studioalbum zouden gaan zoeken. Terug naar de naïeve, makkelijk verteerbare zomerliedjes uit het begin van hun carrière? Verder op de voet van Wilson’s frisse doch realistisch volwassen ‘That Lucky Old Sun’? Toch weer een paar pogingen om de erg foute comeback-hit ‘Kokomo’ uit 1988 te reproduceren (zoals op ‘Summer in Paradise’)? Of zou er nog een onwaarschijnlijke poging volgen om de magie van de artistieke meer hoogstaande en ambitieuze meesterwerken ‘Pet Sounds’ en ‘Smile’ opnieuw op te wekken? Het antwoord op deze vraag blijkt nu: van alles een beetje.

Het album begint indrukwekkend mooi met het stemmige, woordloze, anderhalve minuut durende ‘Think About the Days’, dat aandoet als het somberdere broertje van het hemelse ‘Our Prayer’, dat in 1966 werd opgenomen als intro voor het album ‘Smile’. De Beach Boys, op de pas 63-jarige Marks na allemaal omstreeks de zeventig, laten hierop (ongetwijfeld met wat digitale hulp, maar soit) de stemmen ouderwets mooi samenvloeien. Hierop volgen drie sterke, vlotte liedjes die na een paar luisterbeurten belachelijk hardnekkig in het hoofd blijven hangen. Allereerst het titelnummer van het album, dat jaren ’50-invloeden verpakt in een fris jasje en voorziet van een bijzonder sterk refrein (waarvan de hoofdmelodie wel verdacht veel lijkt op die van de themasong van de film ‘Midnight Cowboy’). Hierna komt het verrassend hitgevoelig klinkende ‘Isn’t It Time’, een vlot niemendalletje op een relatief kaal muzikaal behang waarin handgeklap en een ukelele de boventoon voeren. ‘Spring Vacation’ komt door de lichtelijk tenenkrommende songtekst in de buurt van de wansmaak, maar klinkt veel te relaxed en zomers om af te schrijven, Marks steelt de show met een dosis heerlijke gitaarriffs en Love slaagt er wonderbaarlijk genoeg in om als 71-jarige te pochen dat hij zijn dagen slijt met “Cruisin’ around, diggin’ the scene” zonder dat hij al te ongeloofwaardig klinkt.

Hierop volgt een klassiek staaltje Brian Wilson-gekte in de vorm van ‘The Private Life of Bill and Sue’, waarin een maf verhaaltje over een reality-TV-duo op een toegankelijk doch niet overdreven hoogstaande track vol quasi-exotische klanken gezet wordt. ‘Shelter’, dat tekstueel doet denken aan de oude hit ‘In My Room’, is op het eerste gehoor niet bijzonder opvallend, maar blijkt een bescheiden groeibriljantje. Hierna kent het album even een dipje als de twee zwakste nummers elkaar opvolgen. Het kitscherige ‘Daybreak over the Ocean’, wederom met een plastic exotisch laagje, is evenals de geflopte single ‘Bluebirds over the Mountains’ uit 1969 een bewerking van het aloude ‘My Bonnie Lies Over the Ocean’. Het nummer is afkomstig van een onuitgebracht soloalbum van Mike Love maar is voor de gelegenheid voorzien van overdubs door de andere Beach Boys. ‘Beaches in Mind’ klinkt als automatische piloot-werk, een Brian Wilson-compositie volgens het boekje maar volstrekt ongeïnspireerd en futloos. ‘Strange World’ zet gelukkig orde op zaken. De in de voorgaande nummers uitvoering bezongen zon lijkt ineens daadwerkelijk door te breken, verwachtingsvol wordt het gevoel gewekt dat er iets heel moois op komst is.

Tot op dit punt is ‘That’s Why God Made the Radio’ een album dat aan de meest voor de hand liggende verwachtingen voldoet. De groep probeert niet om het geluid van oude hits als ‘Fun, Fun, Fun’, ‘Surfin’ USA’ en ‘I Get Around’ te reproduceren, maar werkt desondanks met ongeveer dezelfde formule als in de oude hoogtijdagen: frisse, vlotte, zomerse liedjes met sterke en radiovriendelijke melodieën, met een bewust gekozen naïviteit waarin optimisme voor realisme gaat en waarbij ook het kitscherige niet altijd geschuwd wordt. Kwalitatief is het overwegend niet uitzonderlijk hoogstaand maar zeker aangenaam, een veel lekkerder, frisser en toegankelijker album dan je zou mogen verwachten van een band waarvan de leden al jaren pensioengerechtigd zijn. Dat is dus het oordeel over ‘That’s Why God Made the Radio’. Althans, tot en met ‘Strange World’. Na dit nummer neemt de groep aan de hand van Wilson ineens een opmerkelijk vlucht.

De laatste drie nummers, ‘From There to Back Again’, ‘Pacific Coast Highway’ en ‘Summer’s Gone’ vormen samen een bijna naadloos geheel, een adembenemende suite die rechtstreeks uit de allang drooggevallen gewaande bron lijkt te komen waaruit 46 jaar geleden het majestueuze album ‘Pet Sounds’ verscheen. Ineens is het helemaal terug. De magie, het sprookjesachtige, de bijna onmogelijk mooie melancholie van het album dat in recentere jaren zo vaak de strijd aanging met het beste werk van The Beatles, Bob Dylan en Jimi Hendrix in de overzichten van de beste popplaten aller tijden. Maar waar ‘Pet Sounds’ de observaties bevatte van een jongeman in verschillende fases voor, tijdens en na een prille liefdesrelatie neemt deze nieuwe suite het standpunt in van een oudere man die zijn leven overdenkt en realiseert dat de beste dagen achter hem liggen.

Het drieluik begint met het bitterzoete ‘From There to Back Again’ dat de complexiteit en diversiteit van een compositie van ‘Smile’ combineert met de schoonheid van de arrangementen op ‘Pet Sounds’. De creatieve hoogtijdagen van The Beach Boys klinken plotseling weer akelig dichtbij, alsof de geest van een allang overleden genie z’n opwachting maakt. Al Jardine mag de leadzang voor zijn rekening nemen en klinkt nog opvallend ongeschonden, zijn stem is in een halve eeuw nagenoeg niets veranderd. In de effectieve, aangrijpende songtekst heeft hij het, geheel volgens de bekende Beach Boys-traditie, over een “beautiful day” en een “Pacific Coast getaway”. In de iets minder bekende Beach Boys-traditie staat daar echter ook een flinke portie twijfel en melancholie tegenover: “Thinking about the things we used to do / Thinking about when life was still in front of you”. In het volgende nummer, het frustrerende korte ‘Pacific Coast Highway’ weet Wilson in slechts negen rake regels tekst een filmpje in je hoofd te projecteren. Daarin zie je hem ogenschijnlijk ontspannen in een snelle auto langs de Stille Oceaan scheuren. Terwijl de zon in de zee zakt beseft hij dat zijn leven in dezelfde fase zit als deze dag. De ietwat spookachtige afsluiter ‘Summer’s Gone’ is, zonder te neigen naar zelfplagiaat, onmiskenbaar het muzikale broertje van ‘Caroline, No’, dat in 1966 ‘Pet Sounds’ afsloot. De boodschap is dit keer echter nog wat hartverscheurender: het afscheid van jeugdliefde Caroline maakt nu plaats voor het afscheid van de zomer die synoniem staat voor de vijftig jaren vol onmetelijke pieken en dalen die The Beach Boys door hebben gemaakt. Brian Wilson bekende onlangs in een interview dat hij ‘Summer’s Gone’ vele jaren geleden al schreef en het altijd achter de hand heeft gehouden om het ooit in te zetten als het laatste nummer op het laatste album van zijn band, die voornamelijk bekend werd door odes aan de zomer. Mocht er inderdaad geen volgend album meer komen, dan had de zwanenzang niet beter of gepaster kunnen zijn.

Het afsluitende drieluik zet de tien voorgaande nummers op ‘That’s Why God Made the Radio’ ineens in een heel ander daglicht. Wat een leuk, toegankelijk, doch ietwat oppervlakkig album leek krijgt plotseling een nieuwe dimensie. Pas op het elfde album van de groep uit 1966, ‘Pet Sounds’, openbaarde de diep melancholische geest van het brein achter eerdere zonnige hitjes als ‘I Get Around’, ‘California Girls’ en ‘Little Deuce Coupe’ zich werkelijk. En op dit 29e album doet Brian Wilson eigenlijk op één plaat waar hij in de jaren zestig elf albums voor nodig had.

Ineens zien we Wilson weer in zijn snelle auto langs de oceaan rijden, zoals op ‘Pacific Coast Highway’. De eerste tien liedjes op dit album zijn de nummers die hij vrolijk meefluitend uit zijn autoradio hoort komen. Het zijn de liedjes die mensen van hem willen horen. Ze kunnen ze wederom krijgen, alsjeblieft, pak aan. Op de laatste drie stukken horen we pas wat ondertussen in zijn hoofd omgaat. Het hoofd van een muzikaal genie dat al decennia geleden afgeschreven was, maar pas als hij het einde in zicht ziet laat blijken dat hij slechts een hele lange winterslaap heeft gehouden.

Leave a comment »

Van Surfin’ Safari tot Brian Wilson Reimagines Gershwin

Sinds een jaar of zeven ben ik een grote fan van The Beach Boys. Vooral vanwege de discografie van de band. Dat klinkt natuurlijk logisch, maar het zijn niet alleen hun goede platen die dit voor mij zo’n interessante band maken. Het totaalplaatje met alle hoge pieken en diepe dalen, inclusief de prachtige, de vreemde, de afwijkende, de ondergewaardeerde maar ook de mislukte en de gewoon ronduit hondsberoerde platen, fascineert mij enorm.

Het vroege werk, de muziek waar het grote publiek The Beach Boys voornamelijk van kent, is overwegend opgewekt en catchy. Nummers als ‘I Get Around’, ‘Surfin’ USA’ en ‘Fun, Fun, Fun’ zijn primitief vergeleken bij wat later zou komen, maar bijna vijftig jaar later werken ze desondanks nog net zo goed als op de dag dat ze uitkwamen. Luister naar de eerste tien Beach Boys-albums (uitgebracht in slechts een dikke drie jaar tijd) in chronologische volgorde en je kunt de groep bijna letterlijk met de maand horen groeien. Elk nieuw album, zelfs als het slechts vier maanden na het vorige uitkwam, is een flinke stap voorwaarts.

De muziek die de groep rond 1966-1967 maakte is naar mijn mening nooit meer door iemand overtroffen. Diep, rijk, vernieuwend, sprookjesachtig, ambitieus, avontuurlijk, gecompliceerd maar toch toegankelijk en vooral ontzettend mooi. Luister naar de a capella-mix van een willekeurig nummer op ‘Pet Sounds’ en het klinkt op zichzelf al geweldig. Luister dan naar de instrumentale “backing track” en ook die klinkt geweldig. Voeg ze samen en je krijgt iets heel uitzonderlijks. De vocalen, de composities, de arrangementen, de instrumentatie, het is allemaal prachtig.

Alhoewel het moeilijk tegen te spreken is dat The Beach Boys rond 1966-1967 op hun creatieve en artistieke hoogtepunt waren vind ik de periode 1967-1973 misschien zelfs nog interessanter. Gedurende die jaren liep het succes hard achteruit, met als gevolg dat er op elke nieuwe plaats iets nieuws geprobeerd werd. Elk nieuw album was totaal anders dan het vorige, maar op z’n eigen manier toch weer heel erg goed. Zuur is dat deze albums nauwelijks verkochten en dus voorbij gingen aan vrijwel iedereen behalve de hardnekkige fans.

De latere platen zijn op een paar uitzonderingen na niet best, maar desondanks voor mij ook erg boeiend. Enerzijds omdat ik het fascinerend vind dat de mensen die verantwoordelijk waren voor ‘Pet Sounds’ en ‘Good Vibrations’ zo’n 15-20 jaar later nauwelijks meer in staat bleken te zijn om zelfs maar een acceptabel stukje muziek neer te zetten. Anderszijds omdat zelfs op de allerslechtste albums toch altijd weer een paar lichtpuntjes te vinden zijn. Dat ene prachtige refreintje of dat ene zanglijntje dat dan toch weer bewijst dat ze het toch nog niet helemaal verleerd zijn. En als je zo’n lichtpuntje weet te vinden is dat alsof je iets waardevols vindt op een vuilstortplaats.

1962-1964 – “The sun & fun years”

Het eerste album van The Beach Boys klinkt weinig veelbelovend. Het rudimentaire Surfin’ Safari (oktober 1962) laat nog maar weinig horen van de potentie die de groep later zal blijken te hebben. De vocalen klinken nog wat onzeker, de liedjes primitief en weinig geïnspireerd, de arrangementen kaal en sober en de teksten vrij kinderlijk. Alleen de singles ‘Surfin”, ‘Surfin’ Safari’ en ‘409’ zijn wel aardig, de rest is opvulmateriaal dat vandaag de dag bovendien behoorlijk gedateerd klinkt. Met Surfin’ USA (maart 1963) probeert de groep wat meer credibiliteit te krijgen bij de echte surfers. Vijf van de twaalf nummers zijn gitaarinstrumentaaltjes in de stijl van Dick Dale (twee van die nummers zijn zelfs covers van Dale), competent uitgevoerd maar niet interessant. Boeiender zijn de energieke titeltrack en de prachtige ballade ‘Lonely Sea’ (één van de meest ondergewaardeerde vroege Beach Boys-nummers), die heel ver uitstijgen boven alles op het vorige album. Nadat de groep zich op de eerste twee albums nauwelijks aan ballades heeft durven wagen zijn er op Surfer Girl (september 1963), het derde en laatste Beach Boys-album dat in het teken staat van surfen, vier te vinden (waaronder de klassiekers ‘Surfer Girl’ en ‘In My Room’). Voor het eerst zijn ook strijkers en harpen te horen. Ook op de vlottere nummers (‘Catch a Wave’, ‘Little Deuce Coupe’, ‘Our Car Club’, ‘Hawaii’) is, mede dankzij het toenemende gebruik van sessiemuzikanten, veel vooruitgang te horen. Little Deuce Coupe (oktober 1963) is een thema-album over auto’s. Het is het vierde Beach Boys-album in dertien maanden en dat blijkt: vier nummers van de vorige drie albums worden schaamteloos herhaald, veel van de “nieuwe” nummers zijn opgewarmde kliekjes. Shut Down Volume 2 (maart 1964) (‘Volume 1’ is geen Beach Boys-album maar een compilatie met diverse artiesten) is misschien wel het meest wisselvallige album dat de groep ooit maakte. ‘Fun, Fun, Fun’, ‘Don’t Worry, Baby’, ‘The Warmth of the Sun’ en ‘Keep An Eye on Summer’ behoren tot de beste Beach Boys-nummers uit de vroege jaren. Daar tegenover staat een te groot aantal ongeïnspireerde of ronduit stompzinnige opvullertjes. Zeker vijf nummers hadden beter achterwege kunnen blijven. Uit de “sun & fun” jaren is All Summer Long (juli 1964) met gemak het beste album, met klassiekers als ‘I Get Around’ en ‘Little Honda’ en bijzonder fraaie albumtracks als ‘Don’t Back Down’, ‘Wendy’ en ‘Girls on the Beach’. Christmas Album (oktober 1964) begint met vijf door de band zelf geschreven en ingespeelde kerstliedjes, waarvan de singles ‘Little Saint Nick’ en ‘The Man with All the Toys’ leuk zijn. De overige zeven nummers zijn overbekende klassiekers (o.a. ‘Frosty the Snowman’, ‘White Christmas’, ‘Auld Lang Syne’, ‘Santa Claus is Coming to Town’), uitgevoerd met een veertigkoppig orkest. Van deze nummers is het erg stemmige ‘We Three Kings of Orient Are’ het hoogtepunt.

1965 – De overgangsperiode

The Beach Boys Today! (maart 1965) is de “missing link” tussen de beginjaren van de groep en het ‘Pet Sounds’-tijdperk. Op kant A wordt het geluid van de vroegere platen naar een hoger niveau getilt met nog beter in elkaar zittende en rijkelijker gearrangeerde nummers als ‘Dance, Dance, Dance’ en ‘When I Grow Up (To Be a Man)’. Kant B bestaat vrijwel geheel uit melancholische ballades en is een voorproefje op ‘Pet Sounds’. Nummers als ‘She Knows Me Too Well’, ‘Please Let Me Wonder’, ‘Kiss Me, Baby’ en ‘In the Back of My Mind’ zouden op ‘Pet Sounds’ niet hebben misstaan. Afgezien van het korte interview op het einde van het album is dit bovendien de eerste LP zonder vullertjes. Summer Days (And Summer Nights!!) (juni 1965) valt om twee redenen op: voor het eerst sinds tijden is een nieuw Beach Boys-album niet beter dan het vorige (met name de A-kant is relatief zwak) en de ballades ontbreken nu vrijwel geheel (wellicht werden ze al opgespaard voor ‘Pet Sounds’). Op dit erg opgewekte album zijn met ‘California Girls’, ‘Help Me, Rhonda’ en ‘Then I Kissed Her’ wel enkele van de grootste hits van de groep te vinden en met ‘Girl Don’t Tell Me’ en ‘Summer Means New Love’ ook een paar hele fraaie minder bekende werkjes. Party! (november 1965) is een wat goedkoop zoethoudertje. Het erg rommelige album is geheel akoestisch opgenomen, zogenaamd op een feestje (in werkelijkheid zijn de feestgeluiden achteraf toegevoegd), met op een hele slechte medley van ‘I Get Around’ en ‘Little Deuce Coupe’ na alleen covers. Interessant is dat er onder meer drie Beatles-covers gespeeld worden. De Regents-cover ‘Barbara Ann’ wordt erg verrassend één van de grootste hits van The Beach Boys.

1966-1967 – ‘Pet Sounds’ en ‘SMiLE’

Pet Sounds (mei 1966) wordt universeel erkend als één van de beste popalbums ooit gemaakt. De verzameling overwegend melancholische en rijkelijk georkestreerde zieleroersels laat zich aanhoren als een stemmige droomvlucht. ‘God Only Knows’, ‘Wouldn’t It Be Nice’ en ‘Sloop John B.’ worden wereldhits, maar eigenlijk is op ‘Pet Sounds’ geen enkel nummer te vinden dat niet van heel hoog niveau is. SMiLE (niet uitgebracht) moet ‘Pet Sounds’ op alle fronten overtreffen en nog ambitieuzer, progressiever en avontuurlijker worden. De wereldhit ‘Good Vibrations’, die uit heel diverse muzikale flarden bestaat die samen toch wonderwel blijken te werken, is de blauwdruk voor het album. Talloze muzikale flarden (of “feels”, zoals Brian Wilson ze noemt) moeten nummers gaan vormen die op hun beurt weer drie themasecties vormen. Eén sectie moet een psychedelische reis door koloniaal Amerika worden, één gaat de levenscyclus van de mens volgen en één is gewijd aan de elementen aarde, water, lucht en vuur. Geplaagd door mentale problemen en druk van buitenaf slaagt Brian er niet in om de enorme puzzel van “feels” te voltooien, waarop ‘SMiLE’ onvoltooid in de archieven verdwijnt.

1967-1973 – “The wilderness years”

Terwijl Brian Wilson, tot dan toe als songschrijver, producer, arrangeur en prominent zanger verantwoordelijk voor het leeuwendeel van al het Beach Boys-materiaal, een verslagen man is geworden die steeds minder productief is moeten de andere Beach Boys weer aan de slag om nieuw werk te leveren en een nieuwe richting te vinden. Het eerste nieuwe album dat volgt is het bizarre Smiley Smile (september 1967). Het bestaat voor een deel uit ‘SMiLE’-composities, maar dan opnieuw opgenomen in een radicaal andere jas. De uiterest nauwkeurig opgenomen orkestrale versies zijn vervangen door kale demo-achtige uitvoeringen (de instrumentatie bestaat vaak uit weinig meer dan orgel, bas en percussie) waarop de band knetterstoned klinkt. Het is even wennen aan de spontane giechelige lachbuien en gekke stemmetjes, maar op den duur werkt de ontspannen sfeer aanstekelijk. Daarbij komt dat de ‘SMiLE’ composities ook in hun inferieure nieuwe incarnaties recht overeind blijven. De singles ‘Good Vibrations’ en ‘Heroes and Villains’, die wel (ongeveer) verschijnen zoals ze op ‘SMiLE’ te horen zouden zijn geweest, zijn vreemde eenden in de bijt. Wild Honey (december 1967) is een wat spartaans en primitief klinkend album. De beroemde Beach Boys-harmonieën ontbreken grotendeels, daarvoor in de plaats krijg je zalig ontspannen niks-aan-de-hand-liedjes (‘Aren’t You Glad’, ‘Country Air’, ‘I’d Love Just Once to See You’) en relatief stevig werk met een opvallende soul-inslag (‘Wild Honey’, ‘Darlin”, de Stevie Wonder-cover ‘I Was Made to Love Her’). Friends (juni 1968) borduurt voort op de meest relaxte liedjes van het voorgaande album. Net als de vroegste Beach Boys-albums brengt het effectief het zomergevoel over, al is nu het perspectief verplaatst van een zinderende zomerdag op het strand naar een luie lome zomeravond in de achtertuin. Ondanks het bescheiden, pretentieloze songmateriaal een meer dan heerlijk album, één van de meest prettige albums uit de Beach Boys-discografie. Ten tijde van 20/20 (februari 1969) is Brian zo ver weggezakt dat hij niet eens meer te zien is op de bandfoto op de hoes. Het album is een bonte lappendeken van songmateriaal dat uit alle hoeken en gaten bij elkaar is verzameld. Het bestaat uit de een half jaar eerder uitgebrachte single ‘Do It Again’ (een Britse nummer één), vier covers (waaronder de hit ‘I Can Hear Music’ en een compositie van de latere seriemoordenaar Charles Manson), de eerste twee volwaardige composities van drummer Dennis Wilson en een nummer van bassist/toetsenist Bruce Johnston. De absolute hoogtepunten zijn echter de vier niet eerder uitgebrachte briljante Brian Wilson-composities die uit het archief gevist zijn, waarvan ‘Time to Get Alone’ en de ‘SMiLE’-nummers ‘Our Prayer’ en ‘Cabinessence’ behoren tot het allerbeste wat The Beach Boys ooit uit zouden brengen. Sunflower (februari 1970), ironisch genoeg het op één na slechtst verkopende Beach Boys-album ooit, wordt door heel veel fans en critici gezien als het beste album van de groep na ‘Pet Sounds’ (en door mij als hun allerbeste album). Dennis Wilson levert vier uitstekende composities (waaronder het schitterende ‘Forever’), Bruce Johnston laat zich van zijn beste en meest zoetsappige kant horen (onder meer op de Nederlandse top tien-hit ‘Tears in the Morning’) en gitarist Al Jardine draagt een wat kinderlijk doch charmant nummer bij. Uitblinker is toch weer Brian Wilson, die een korte creatieve comeback maakt en met het briljante ‘This Whole World’ en het spookachtige ‘All I Wanna Do’ nog even twee van zijn meest ondergewaardeerde (en zelfs twee van zijn allerbeste) composities levert. Op Surf’s Up (augustus 1971) is Brian’s productiviteit weer flink afgenomen. Bovendien is Dennis dit keer nauwelijks van de partij (hij heeft na een ruzie met broer Carl zijn composities teruggetrokken) en heeft de groep het minder geslaagde idee gekregen om zich aan te passen aan de trend van het moment, met enkele milieubewuste en maatschappijkritische teksten. Ondanks alles pakt dit album toch verrassend goed uit. Carl Wilson ontwikkelt zich plotseling tot verdienstelijk songschrijver met twee uitstekende en sfeervolle nummers. Bruce Johnston levert ook weer een suikerzoete bijdrage en Al Jardine doet zijn best met respectievelijk een matig, een charmant en een stemmig nummer. Toch is de hoofdrol wederom voor de nog niet geheel verdwenen Brian Wilson, die diepe indruk maakt met het donkere, introspectieve ”Til I Die’ en de briljante, majestueuze ‘SMiLE’-compositie ‘Surf’s Up’. Het uit slechts acht nummers bestaande Carl and the Passions “So Tough” (mei 1972) is het werk van vier afzonderlijk werkende koppeltjes die elk twee nummers voor hun rekening nemen. Brian Wilson en manager Jack Rieley maken weinig indruk, de twee gloednieuwe zwarte Zuid-Afrikaanse bandleden Blondie Chaplin en Ricky Fataar zelfs nog minder (hun nummers klinken bovendien helemaal niet als The Beach Boys). Dennis Wilson en goede vriend Daryl Dragon leveren één heel matig en één overweldigend mooi nummer (‘Cuddle Up’). De verrassende winnaars zijn Al Jardine en Mike Love, met het grappige, jubelende ‘He Come Down’ en het prachtig sfeervolle, samen met Carl Wilson geschreven ‘All This is That’. Nooit kwamen The Beach Boys dichter bij het maken van een echte rockplaat dan op het in het Nederlandse Baambrugge opgenomen Holland (januari 1973). Hoogtepunten op het album zijn de rockers ‘Sail On, Sailor’ en ‘The Trader’, en de ‘California Saga’ van Mike en Al, een fraaie driedelige ode aan hun thuisstaat. Op de bij ‘Holland’ horende bonus-EP Mt. Vernon and Fairway (januari 1973) is een door Brian Wilson geschreven sprookje te horen, als hoorspel met wat muziekflarden.

1976-1996 – De nadagen

Daarna duurt het drie en een half jaar voordat er weer een nieuw album komt. Op het voor de helft uit jaren vijftig-covers bestaande 15 Big Ones (juli 1976) is een opvallend schorre Brian weer prominenter van de partij dan hij in tien jaar geweest is. Desondanks maken de ruwe uitvoeringen, de ronkende primitieve synthesizers en het niet altijd even smaakvolle songmateriaal dit bepaald geen goed album. Spaarzame hoogtepunten zijn het naar het oude geluid teruggrijpende ‘It’s OK’, het charmante ‘Had to Phone Ya’, Brian’s jubelende, gospel-achtige ‘That Same Song’ en de hartverscheurend rauwe Righteous Brothers-cover ‘Just Once in My Life’. Love You (april 1977) is min of meer een soloalbum van Brian Wilson. Hij schrijft niet alleen bijna alle nummers in zijn eentje maar speelt ook het merendeel van de instrumenten zelf in. Met z’n dikke opeengestapelde synthesizerlagen en erg kinderlijk naieve songteksten (niet zelden tegen het genante aan) is ‘Love You’ een “love it or hate it” album dat al sinds het uitkomen zorgt voor grote verdeeldheid onder Beach Boys-fans. Nummers als ‘The Night Was So Young’ en ‘Let Us Go on This Way’ zijn hoe dan ook erg fraai en ronduit maffe liedjes als ‘Johnny Carson’, ‘Ding Dang’ en ‘Solar System’ zijn op z’n minst geinig. Ten tijde van MIU Album (oktober 1978) is Brian zijn interesse alweer grotendeels verloren en zijn Dennis en Carl Wilson door een ruzie met Mike Love en Al Jardine vrijwel afwezig. Het is dan ook hoofdzakelijk aan die laatste twee mindere goden en een ietwat ongeïnspireerde Brian om dit album vol te schrijven. ‘MIU Album’ is voor het merendeel vlakjes voortkabbelend muzikaal behang met zo nu en dan een bescheiden uitschietertje naar boven (het swingende ‘She’s Got Rhythm’, de vrolijke doo wop-cover ‘Come Go with Me’) of naar een genante diepte (het tekstueel zorgwekkende ‘Hey, Little Tomboy’, het wel erg cheesy ‘Belles of Paris’). Op LA (Light Album) (maart 1979) zetten alle Beach Boys (inclusief de teruggekeerde Bruce Johnston, die zeven jaar eerder afscheid heeft genomen van de band) er maar weer even de schouders onder. Dat levert een paar heel behoorlijke hoogtepunten op met het fraaie ‘Good Timin”, Al Jardine’s “finest hour” ‘Lady Lynda’ (deels gebaseerd op een melodie van Bach) en Dennis Wilson’s bezielde ‘Baby Blue’. De bijna een kwartier (!) durende disco-versie van ‘Here Comes the Night’ is goed voor wat het is, maar veel te lang en veel te misplaatst. Het overige materiaal op dit album is gewoon matig. Keepin’ the Summer Alive (maart 1980) heeft aangename momenten, zoals de redelijk catchy nummers ‘Some of Your Love’ en ‘Goin’ On’, de erg relaxte liedjes ‘Livin’ with a Heartache’ en ‘Santa Ana Winds’ en de ietwat vreemde zelfode ‘Endless Harmony’. Desondanks is goed te horen dat van The Beach Boys niet veel creatieve hoogstandjes meer verwacht hoeven worden. The Beach Boys (mei 1985) is zelfs ronduit slecht. Opener ‘Getcha Back’ is catchy, ‘California Calling’ een aardig muzikaal broertje van ‘Surfin’ USA’ en ‘Where I Belong’ is fraai, het overige materiaal is gewoon beroerd. De door synthesizers, drumcomputers en gefilterde zang gedomineerde jaren tachtigproductie maakt het er bepaald niet beter op. Still Cruisin’ (augustus 1989) is een eigenaardige verzameling met recente hitsingles (‘Wipe Out’, ‘Kokomo’), stokoude hits (‘I Get Around’, ‘Wouldn’t It Be Nice’ en ‘California Girls’) en nieuw werk. Dat nieuwe materiaal varieert in kwaliteit van behoorlijk matig tot toch weer verrassend aangenaam (‘Somewhere Near Japan’, ‘Island Girl’), al is het ietwat pijnlijk om te horen hoe keihard deze recente hoogtepuntjes weg worden geblazen door de golden oldies. Summer in Paradise (augustus 1992), feitelijk een soloalbum van Mike Love met gastbijdrages van Al Jardine, Carl Wilson en Bruce Johnston, is het absolute dieptepunt in de Beach Boys-discografie. De nummers variëren in kwaliteit, zonder uitzondering, van vrij matig tot gewoon heel erg slecht en de lelijke digitale productie maakt het allemaal nog een stuk erger. ‘Summer of Love’ (waarop Mike Love probeert te rappen) en de nieuwe versie van het oudje ‘Surfin” (met electronische beats en scheurende gitaren) zijn misschien wel het allerslechtste wat The Beach Boys ooit uitbrachten. Ook Stars and Stripes Vol. 1 (augustus 1996) is een dieptepunt. Op het tot dusver laatste nieuwe Beach Boys-album (en sowieso het laatste met de in 1998 overleden Carl Wilson) worden oude Beach Boys-hits in een countryjasje gestoken en gezongen door bekende en onbekende countryzangers en -zangeressen, waaronder Willie Nelson (die wel een prachtige versie van ‘The Warmth of the Sun’ neerzet), Timothy B. Schmit en Toby Keith. The Beach Boys zelf fungeren alleen als achtergrondkoortje en productieteam.

Live-albums

Naast de studioalbums brengen The Beach Boys vier officiële livealbums uit. Op Concert (oktober 1964) speelt het originele vijftal, nog zonder extra muzikanten, ruwe versies van eigen hits en opvallend veel covers (acht stuks) van recente hits van anderen voor een redelijk hysterisch publiek. Wegens technische problemen en een niet helemaal smetteloos optreden worden enkele nummers even over gedaan in de studio en voorzien van publieksgeluiden. Op Live in London (mei 1970) zijn The Beach Boys veel verder als liveband. Met een blazerssectie worden prima versies gespeeld van hoofdzakelijk recent werk, waaronder ook uitstekende minder bekende albumtracks als ‘Wake the World’ en ‘Aren’t You Glad’. Op de dubbel-LP In Concert (november 1973), een compilatie met liveopnames uit 1972 en 1973, is de groep een goed geoliede livemachine geworden met een aantal gelouterde extra muzikanten. Opvallend is dat de tracklist grotendeels bestaat uit hits en albumtracks uit de jaren 1966-1972 en dat er maar een handjevol vroege hits te horen is. Nog opmerkelijk is de aanwezigheid van ‘We Got Love’, een nummer waarvan de studioversie tot op heden onuitgebracht is gebleven. Good Timin’: Live at Knebworth 1980 (oktober 2002), verkrijgbaar op CD, DVD of als set met beiden, bevat het merendeel van het optreden van de band op het festival Knebworth in 1980. Alle vijf de originele bandleden zijn van de partij, iets wat na het midden van de jaren zestig niet vaak meer voor is gekomen. De band speelt een degelijke set met bijna alle grote hits.

Compilaties

De hoeveelheid Beach Boys-compilaties is niet meer te overzien. Deze zijn in te delen in drie groepen. De compilaties met zeldzaam en/of niet eerder uitgebracht materiaal, de “greatest hits” verzamelaars en de schimmige budgetreleases die absoluut vermeden moeten worden. In de laatste categorie gaat het meestal om CD’s met opnames van de Hite Morgan-sessies. Dit zijn de allereerste demo’s van de groep. Er zijn vele tientallen releases, vaak met misleidende titels als ‘Greatest Hits 1961-1963’ en ‘Best of the Beach Boys’, waarop deze primitieve opnames aangevuld zijn met instrumentale surfliedjes die helemaal niet van The Beach Boys zijn. De tweede categorie is ook aardig vertroebeld omdat Capitol Records sinds de vroege jaren zeventig de gewoonte heeft ontwikkeld om steeds na enkele jaren en nieuw “definitief” hitoverzicht uit te bregen. Wil je een compilatie op één CD met alle grote hits, dan is Sounds of Summer (juni 2003) met afstand de beste, meest complete keuze. Deze release maakt alle voorgaande hitverzamelaars overbodig. Heb je hierna nog niet genoeg, dan moet je The Warmth of the Sun (mei 2007) hebben, dat geldt als de “volume two” van ‘Sounds of Summer’. Ook een prima, maar iets duurdere, optie is de drie CD-box The Platinum Collection (december 2005). Het type compilatie waar ik me hier vooral op wil richten zijn de verzamelaars met zeldzaam en exclusief materiaal. Op Stack-O-Tracks (augustus 1968) staan de instrumentale versies (“backing tracks”) van vijftien Beach Boys-nummers. Interessant omdat ze aardig wat subtiele muzikale verrassingen onthullen die voorheen begraven lagen onder de koortjes, maar natuurlijk ook bruikbaar voor karaoke-doeleinden, als dat je ding is. The Beach Boys’ Biggest Beach Hits (1969) is de allereerste releases waarop de eerdergenoemde Hite Morgan-sessies te horen zijn. Rarities (augustus 1983) is een bonte, interessante mix met niet eerder uitgebrachte nummers en alternatieve versies. Dit album is echter wel vrij zeldzaam en (behalve in Japan) alleen op vinyl uitgebracht. Lost and Found 1961-1962 (februari 1991) is een compilatie met Hite Morgan-sessies, nu met een veel betere geluidskwaliteit dan op de budgetreleases en met verschillende extra demo’s en alternatieve takes. Good Vibrations: Thirty Years of the Beach Boys (november 1993) is een box met vijf CD’s, essentieel voor elke gevorderde fan en tevens een absolute aanrader voor elke beginner die wat meer te besteden heeft. In deze box zijn alle grote hits, veel belangrijke albumtracks, een hoop niet eerder uitgebrachte nummers (waaronder aardig wat materiaal van ‘SMiLE’) en een berg alternatieve versies te vinden. Een team van Beach Boys-experts zorgde voor een erg compleet en representatief carrière-overzicht van de groep. The Pet Sounds Sessions (november 1997) is een box met vier CD’s die geheel in het teken staan van het album ‘Pet Sounds’. Je krijgt van elk nummer minstens vijf versies: de originele mono-mix, een sprankelende nieuwe stereo-mix, een a capella-mix, de instrumentale backing track en een “the making of” compilatie. Daarnaast zijn er tientallen alternatieve versies te horen. Een absolute schat voor iedereen die dit briljante album nader wil bestuderen. Endless Harmony (augustus 1998) is een verzameling niet eerder uitgebrachte nummers, alternatieve versies en live-opnames. Ultimate Christmas (september 1998) bevat het kerstalbum ‘Christmas Album’ (1964), opnames uit de late jaren zeventig voor een onuitgebracht tweede kerstalbum en een paar alternatieve versies. De dubbel-CD Hawthorne, CA (mei 2001) is qua samenstelling een vervolg op ‘Endless Harmony’. Op Songs from Here & Back (mei 2006) staan zeven niet eerder uitgebracht live-opnames uit 1974 en 1989, plus van Brian Wilson, Mike Love en Al Jardine elk een nieuwe solo-track.

Brian Wilson solo

Als je na al deze albums te hebben gehoord nog niet genoeg gehad hebt zijn er ook nog aardig wat soloalbums van de originele leden te vinden. Brian Wilson is verreweg de meest productieve soloartiest van het stel. Zijn solodebuut is Brian Wilson (augustus 1988), dat ontsierd wordt door een elektronische productie die wat plastic overkomt. Op een overwegend wat vlak album weet Brian toch nog indruk te maken met ‘Love and Mercy’ (uitgegroeid tot het “themanummer” van Brian als soloartiest), het a capella-werkje ‘One for the Boys’ en de ruim acht minuten durende “suite” ‘Rio Grande’. Op de documentairesoundtrack I Just Wasn’t Made for These Times (augustus 1995) worden enkele (overwegend minder bekende) Beach Boys-nummers en twee werkjes van Brian’s eerste album smaakvol uitgevoerd met een kleine nachtclubachtige band. Orange Crate Art (oktober 1995) is een samenwerkingsverband met Van Dyke Parks (die in 1966/1967 de teksten schreef voor ‘SMiLE’). De nummers zijn geschreven en geproduceerd door Parks, Brian zingt ze in. Op dit charmante, nostalgische album dat voornamelijk beïnvloed is voor vooroorlogse muziek is het titelnummer het hoogtepunt. Imagination (juni 1998), Brian’s tweede reguliere soloalbum, heeft wederom te lijden onder een te klinische productie. Desondanks zijn ‘Your Imagination’ en ‘Lay Down Burden’ hoogtepunten in Brian’s solocarrière. Naast nieuw materiaal zijn hier ook verschillende heropnames te horen van uitgebrachte en onuitgebrachte Beach Boys-nummers. De dubbel-CD Live At The Roxy Theatre (juni 2000) is een live-album dat met een opvallend groot aantal obscuurdere albumtracks (hoofdzakelijk van The Beach Boys) en ook enkele nooit eerder uitgebrachte nummers vooral interessant is voor de fans. Pet Sounds Live (juni 2002) is, zoals de titel al aangeeft, het volledige album ‘Pet Sounds’ integraal live uitgevoerd, door Brian en zijn begeleidingsband. Gettin’ In Over My Head (juni 2004) is, ondanks gastbijdrages van legendes als Elton John, Eric Clapton en Paul McCartney, een onthutsend zwak en zielloos album. Brian Wilson Presents SMiLE (september 2004) is het in 1967 onvoltooid achtergelaten Beach Boys-album ‘SMiLE’ (zie boven), alsnog in z’n volledigheid opgenomen door Brian en zijn band. Het resultaat is indrukwekkend, al mis je toch de originele Beach Boys-stemmen. Op het aangename kerstalbum What I Really Want for Christmas (oktober 2005) worden overbekende kerstklassiekers gecombineerd met heropnames van de Beach Boys-kersthits ‘The Man with All the Toys’ en ‘Little Saint Nick’ en twee nieuwe composities, waarvan vooral de titeltrack fraai is. That Lucky Old Sun (september 2008) is met gemak het beste Beach Boys-gerelateerde album sinds 1971. Brian neemt hierop de rol aan van de oudere man die op een mooie zomerdag door Los Angeles wandelt, de omgeving in zich opneemt en intussen erg openhartig de pieken en dalen van zijn leven overdenkt. Dit schitterende album klinkt als een vloeiende geheel, de afzonderlijke nummers zijn aan elkaar geplakt met gesproken tussenstukjes (met teksten van Van Dyke Parks) en flarden van de stokoude evergreen ‘That Lucky Old Sun’. Op Reimagines Gershwin (augustus 2010) neemt Brian dertien composities onder handen van de legendarische songschrijver George Gershwin, één van zijn persoonlijke helden. Naast klassiekers als ‘Rhapsody in Blue’, ‘Summertime’ en ‘They Can’t Take That Away from Me’ zijn twee nooit eerder opgenomen nummers te horen. Deze werden door Gershwin onvoltooid nagelaten en door Brian, met toestemming van de erfgenamen, voltooid.

De anderen solo

Van de solo-albums van de andere Beach Boys is alleen Pacific Ocean Blue (september 1977) van Dennis Wilson volmondig aan te raden. Dit bezielde album staat vol gevoelige ballades en rauwe rockers, waarvan vooral ‘River Song’ en ‘Farewell My Friend’ zich moeiteloos kunnen meten met het allerbeste werk van The Beach Boys uit de jaren zeventig. In juni 2008 is ‘Pacific Ocean Blue’ heruitgebracht als dubbel-CD (en op vinyl als driedubbelaar) met maar liefst 21 bonustracks. Hiertoe behoren ook de nummers die Dennis opnam voor zijn nooit uitgebrachte tweede album ‘Bambu’. Carl Wilson heeft twee solo-albums op zijn naam staan, Carl Wilson (maart 1981) en Young Blood (februari 1983), beiden gevuld met bloedeloze, ongeinspireerde softrock die zelfs niet gered kan worden door zijn prachtige stem. Mike Love’s Looking Back with Love (oktober 1981) staat vol met gladde, plastic wegwerpliedjes zonder een spatje creativiteit. Al Jardine’s live-album Live in Las Vegas (september 2001), waarop nog maar eens alle overbekende Beach Boys-hits voorbijkomen, is voor de grootste diehards een leuk hebbedingetje. Tot Jardine’s band op dit album behoren zijn zoons Adam en Matt, Brian Wilson’s dochters Carnie en Wendy en verschillende veteranen uit de tourband van The Beach Boys. Jardine’s aangename eerste studio-album A Postcard from California (juni 2010) verschijnt aanvankelijk alleen als download maar zal later dit jaar ook op CD uitkomen. Hierop zijn gastbijdrages te horen van onder meer Neil Young, Steve Miller, de band America, acteur Alec Baldwin, Flea van de Red Hot Chili Peppers, acteur Alec Baldwin en alle andere nog levende Beach Boys.

De toekomst

Dit jaar bestaan The Beach Boys vijftig jaar. Dennis en Carl Wilson zijn inmiddels overleden. Mike Love is zeventig, Brian Wilson, Al Jardine en Bruce Johnston hopen die leeftijd in 2012 te bereiken. Toch zijn ze nog niet klaar. Brian brengt in oktober zijn nieuwe solo-album ‘Songs in the Key of Disney’ uit, een CD met covers van klassiekers uit Disney-films. De nog levende bandleden hebben eindelijk toestemming gegeven voor het uitkomen van een CD-box met de ‘SMiLE’-sessies, te verschijnen in november van dit jaar. En intussen worden de geruchten over een nieuw Beach Boys-album steeds hardnekkiger. Ik kijk er alvast naar uit.

Leave a comment »

Life of Brian

De nacht van 22 op 23 juni 2007. Ik zit in mijn eentje in de auto en ben op de terugweg van Groningen naar Reusel, in het zuiden van Brabant. De omstandigheden zijn niet ideaal. Het stortregent zo hevig dat ik niet verder vooruit kan kijken dan tot de auto direct voor me, daarbij kamp ik twee dagen nadat ik terug ben gekomen uit Mexico nog met een flinke jetlag. Ik ben zojuist voor de tweede keer in twee dagen naar een concert van mijn grootste muzikale held Brian Wilson geweest. Gisteren heb ik hem gezien in Carré in Amsterdam, vandaag in de Oosterpoort. Dat komt neer op zo’n 830 kilometer rijden en 110 euro entreegeld betalen voor twee keer dezelfde anderhalf uur muziek. Ik heb het er voor over. Je zou denken dat het dan vast twee geweldige concerten geweest zijn. Dat waren het niet. Althans, niet volgens de reguliere maatstaven.

Even terug naar het begin van het concert in de Oosterpoort. Als je Brian Wilson het podium op ziet waggelen heeft hij iets weg van een vriendelijke beer uit een tekenfilm. Hij is te zwaar, ziet er geen dag jonger uit dan zijn 65 jaar en ondanks bijna een halve eeuw podiumervaring zie je direct aan hem dat hij zich niet comfortabel voelt. Alles aan zijn houding zegt dat hij liever ergens anders zou willen zijn, ergens waar niet honderden ogen op hem gericht zijn. Hij neemt plaats achter zijn keyboard als een ambtenaar achter zijn bureau op maandagochtend. Het instrument raakt hij doorgaans niet of nauwelijks aan zo weet ik al, het is vooral een decorstuk waar hij zich een klein beetje achter kan verschuilen. Een soort barrière tussen hem en het publiek. Op het apparaat staat een monitorscherm waar hij zijn teksten van af zal lezen.

De drummer tikt af en dan begint de muziek. De band speelt ‘Catch a Wave’, een nummer dat Brian 43 jaar eerder geschreven heeft. Het is verbazingwekkend hoeveel de uitvoering lijkt op de originele opname. Het is alsof een muzikale klassieker voor je eigen ogen en oren tot leven komt. Brian neemt in de rijke, overweldigende koortjes de laagste partij voor zijn rekening. Hij heeft enige moeite om helemaal toonvast te blijven. Achter hem staat een man in Hawaii-hemd, die qua leeftijd zijn zoon had kunnen zijn, loepzuiver de hoogste partij te zingen. De partij die Brian 43 jaar geleden zelf zong. Toen hij die tonen nog kon halen.

1966. Brian Douglas Wilson heeft de wereld aan zijn voeten. Hij is het voornaamste lid en de geestelijke vader van The Beach Boys, de enige Amerikaanse band die de “British Invasion” vrijwel ongeschonden door is gekomen en de concurrentieslag met The Beatles enigszins aankan. Sterker nog, The Beach Boys hebben recentelijk The Fab Four verslagen in een Britse populariteitspoll. Alhoewel hij pas 23 jaar oud is heeft Brian met zijn groep al elf studioalbums uitgebracht en niet minder dan 32 hitsingles op zijn naam staan. Bijna alle muziek op die albums en singles werd door hem zelf geschreven, geproduceerd en gearrangeerd, bovendien was hij leadzanger op veel van de belangrijkste nummers.

Zijn laatste single ‘Good Vibrations’ was een uitzonderlijk ambitieus project. De 3 1/2 minuut durende “pocket symphony” kostte zes maanden en negentig uur aan tape om op te nemen. Maar het harde werk heeft zich uitbetaald, de single komt bijna overal ter wereld op één. En nu is Brian vastberaden om een album vol met complexe popmeesterwerkjes zoals ‘Good Vibrations’ te schrijven. ‘SMiLE’ moet het gaan heten.

Intussen merkt zijn omgeving dat Brian’s drugsgebruik een beetje uit de hand begint te lopen. Hij heeft na het blowen ook LSD ontdekt en gebruikt het regelmatig voor inspiratie. Zijn vreemde uitspattingen beginnen ook toe te nemen. Hij laat een zandbak en een wigwam in zijn woonkamer plaatsen. Vergaderingen houdt hij voortaan in zijn zwembad omdat hij zeker weet dat producer Phil Spector, die hij ziet als zijn voornaamste concurrent, microfoontjes in zijn huis verstopt heeft. Als hij op een nacht een telescoop wil kopen en daarvoor nergens terecht kan krijgt hij het idee om zelf een telescoopwinkel te openen die vierentwintig uur per dag open is. Nog alarmerender is dat Brian stemmen in zijn hoofd begint te horen die hem onder meer zeggen dat ze hem zullen gaan vermoorden. Toch gaan er bij Brian’s vrienden nog niet echt alarmbellen af. Een gewone sterveling die gekke dingen doet is gek, een artiest die gekke dingen doet is excentriek.

Het album dat Brian’s magnum opus moest worden wordt uiteindelijk zijn ondergang. Brian’s fragiele mentale gesteldheid bezwijkt onder de druk. Hij kampt met schizofrenie en depressies. Hij heeft die stemmen in zijn hoofd. Zijn hebberige platenmaatschappij en bandleden eisen op korte termijn een nieuw album met meer hits. En ‘SMiLE’ is zo’n complexe warboel van losse fragmenten en experimenten dat het moeilijk is er nog een album van te smeden dat het grote publiek zal begrijpen. Alles bij elkaar opgeteld is het net wat teveel. Na negen maanden hard werken aan wat het grootste album in de popgeschiedenis had moeten worden geeft hij het medio 1967 op. ‘SMiLE’ gaat onvoltooid het archief en de geschiedenisboekjes in.

De schade aan Brian’s ego is enorm. Langzaam maar zeker wordt hij steeds minder actief. Niet alleen als het brein achter The Beach Boys, ook als mens. Hij wordt een kluizenaar die soms hele dagen in bed doorbrengt. Zelfs als de andere Beach Boys dan maar besluiten om de opnamestudio te verplaatsen naar Brian’s woonkamer kan hij het maar zelden opbrengen om naar beneden te komen. Zijn vrouw Marilyn krijgt te horen dat ze niet op manlief hoeft te rekenen bij het opvoeden van hun twee dochters. Brian heeft het al zwaar genoeg met zichzelf.

Brian is op zijn absolute dieptepunt rond 1982. Zijn gewicht begint gevaarlijk dicht bij de 200 kilo te komen, hij eet de hele dag door biefstukken, heeft een stevige cocaïneverslaving ontwikkeld en rookt vijf pakjes per dag. De doucheruimte heeft hij al maanden niet meer van binnen gezien. Hij is bang dat er slangen uit de douchekop zullen komen als hij de kraan aanzet. In de afgelopen vijftien jaar heeft hij nog maar zelden met The Beach Boys op een podium gestaan. En dat is waarschijnlijk maar goed ook. Zijn spaarzame optredens waren niet zelden ronduit beschamend. Voor de ogen van het publiek heeft hij paniekaanvallen gehad en is hij op de vuist gegaan met zijn neef en mede-Beach Boy Mike Love. Hij heeft moedwillig optredens gesaboteerd door domweg midden op het podium te gaan liggen of door een ander nummer te spelen dan de rest van de band. En als ‘Heroes and Villains’ gespeeld wordt, dat het sleutelnummer van ‘SMiLE’ had moeten worden, gaat Brian er snel vandoor. Zijn trauma is te groot om het nummer aan te kunnen horen.

De hoogst controversiële psycholoog Eugene Landy wordt voor een tweede keer ingehuurd om Brian weer op het rechte pad te krijgen. Dat heeft hij in 1975 ook al eens gedaan. Dankzij zijn extreem intensieve en behoorlijk onorthodoxe aanpak keert Brian wederom terug op aarde. Jarenlange drugs- en sigarettenverslavingen hebben zijn stem gesloopt en de nieuwe nummers die hij schrijft klinken pijnlijk ongeïnspireerd, maar hij ziet er weer slank en gezond uit, komt aardig uit zijn woorden en werkt optredens gedisciplineerd af.

Er ontstaat echter een nieuw probleem dat Brian’s leven begint te bedreigen. Eugene Landy zelf. Landy is na enige tijd niet alleen meer Brian’s psycholoog, maar ook zijn beste vriend, manager, co-songschrijver, co-producer en huisgenoot. Er ontstaat een bijzonder ongezonde situatie en Brian kan niet meer functioneren als Landy hem niet influistert wat hij moet doen. Als na enkele jaren Brian’s familie eindelijk ingrijpt krijgt Landy een omgangsverbod en verliest hij zijn licentie. De schade die hij aangericht heeft blijkt nog groter dan gevreesd: de vele medicijnen die Landy Brian heeft laten slikken hebben zijn hersenen blijvend aangetast.

Er waren meerdere Brian Wilsons. Eerst was er de onberispelijk gekapte, ietwat slungelige en gevoelige jongen met een perfecte zangstem, die de popklassiekers uit zijn mouw schudde. Daarna was er de excentrieke artiest, het vernieuwende popgenie dat een dappere creatieve strijd streed tegen The Beatles en in de studio vol zelfvertrouwen de regisseur was over de absolute elite van de Amerikaanse sessiemuzikanten. Vervolgens was er de te dikke kluizenaar, verslagen door het leven, nauwelijks functionerend als mens of als muzikant en afstevenend op zelfvernietiging. Daarna was er de gezond ogende, schijnbaar herboren Brian die in werkelijkheid een gedrogeerde marionet was van een Svengali-achtige psycholoog die een prima slechterik zou zijn geweest in elk misdaadverhaal.

De Brian Wilson die vandaag in de Oosterpoort stond kampt nog altijd met angsten en stemmen in zijn hoofd. Dankzij de juiste medicijnen worden die echter redelijk onder controle gehouden. Hij leeft wederom met iemand samen die hem regelmatig bij moet sturen, maar dit keer is dat geen hebberige, publiciteitsgeile psycholoog maar een echtgenote die oprecht om hem lijkt te geven. Samen met deze Melinda Wilson deelt Brian nu een levendig huis vol met adoptiekinderen en honden. In 1999 is hij weer begonnen met regelmatig touren, iets wat hij daarvoor al bijna 35 jaar niet meer had gedaan. Bovendien is hij er in 2004 in geslaagd om ‘SMiLE’, nu samen met zijn nieuwe begeleidingsband, alsnog te voltooien en het uit te brengen. Het album is uiterst positief onthaald en heeft een gigantische last van Brian’s schouders gehaald.

De Brian Wilson die vandaag in de Oosterpoort stond is niet één van de zuiverste zangers die je op een podium aan kunt treffen. Niet één van de meest overweldigende performers. Niet één van de meest charismatische persoonlijkheden. Brian Wilson is daarentegen voor een niet onaanzienlijk deel verantwoordelijk voor het huidige imago van Californië als de paradijslijke “Sunshine State”. Hij liet John Lennon en Paul McCartney zweten en de lat voor zichzelf steeds een beetje hoger leggen, wat ondermeer leidde tot ‘Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band’. Hij schreef minstens een dozijn evergreens die vrijwel iedereen in de Westerse wereld bekend in de oren zullen klinken. In het rijtje bands dat de jaren zestig, toch het meest cruciale decennium in de popcultuur, kleur gaven hoeft Brian’s geesteskind The Beach Boys hooguit The Beatles and The Rolling Stones voor zich te dulden. En nu, op de pensioengerechtigde leeftijd, doet hij dingen waar hij de voorgaande veertig jaar niet meer toe in staat geacht werd.

Als je vandaag de dag naar een optreden van Brian Wilson gaat kan het dus zijn dat hij ‘God Only Knows’, ‘Good Vibrations’, ‘Wouldn’t It Be Nice’, ‘California Girls’, ‘I Get Around’, ‘Surfin’ USA’, ‘Surfer Girl’, ‘Sloop John B.’ en al die andere klassiekers niet helemaal zuiver zingt. Misschien moet hij ook even op het schermpje spieken waar zijn songteksten op staan. Maar het geeft niet. Een optreden van Brian Wilson moet je niet op zichzelf zien maar in z’n context, met zijn staat van dienst, zijn levensverhaal en alle tragedies die hij overwonnen heeft in je achterhoofd. Dan zie je hem een indrukwekkende prestatie leveren waar elk vlekkeloos optreden van elke band die net één of twee succesvolle albums op de CV heeft staan bij verbleekt.

Terwijl ik de achterlichten van de auto voor me volg en er op moet vertrouwen dat de bestuurder daarvan door de stortregen wèl nog genoeg kan zien om recht op de weg te blijven hoop ik dat ik heelhuids thuis ga komen. En dat Brian Wilson snel weer naar Nederland komt.

Comments (1) »