Archive for Muziek: punk en hardcore

Het meest waardeloze muziekjaar sinds tijden

Ik had het me nog zo voorgenomen: voorlopig even geen stukjes meer over iemand die overleden is. Ik had er op deze site al drie staan, dat vond ik voor nu wel even voldoende. Maar wist ik veel dat Tony Sly er op zijn 41e in zijn slaap tussenuit zou knijpen? Een idool wil ik hem eigenlijk niet noemen (ik ben immers geen bakvis), een held ook niet (die term kan beter exclusief blijven voor mensen die hulpeloze slachtoffers uit een brandend gebouw redden, of zoiets), maar mocht je een betere term weten voor iemand die je al je halve leven (in mijn geval dus al een kleine zeventien jaar) weet te raken, vermaken en inspireren, dan hou ik me aanbevolen.

Ik was een jaar of zestien, zeventien toen punkrock op mijn radar verscheen. Ik had er over gelezen in de Popencyclopedie en in bladen als Oor, Watt en Webber en ik was bekend met het handjevol bands in het genre dat toegankelijk genoeg was om op de radio en MTV te komen (Green Day, The Offspring, De Heideroosjes), daardoor was mijn interesse gewekt. Ik kende nog niemand die naar dat soort muziek luisterde en toegang tot het internet had ik ook nog niet. Nieuwe bands leren kennen was dus nog niet zo gemakkelijk. Gelukkig hadden de meeste platenlabels de goede gewoonte om eens in de zoveel tijd een zogenaamde label sampler uit te brengen, waarmee ze hun bands onder de aandacht brachten. Voor zo’n verzamel-cd’tje betaalde je doorgaans ongeveer een tientje (in guldens) en daarvoor kreeg je zo’n vijftien tot dertig nummers. Lekker laagdrempelig dus. Via dit soort cd’s leerde ik veel van de punk- en hardcorebands kennen die ik nog altijd tot mijn favorieten reken. Dankzij ‘Punk-O-Rama Vol. 2’ van Epitaph maakte ik kennis met onder meer Bad Religion, Rancid, Pennywise en Descendents, door ‘In-Flight Program’ van Revelation Records leerde ik Gorilla Biscuits, Youth Of Today, Shelter en Ignite kennen, op ‘Go Ahead Punk, Make My Day’ van Nitro Records hoorde ik The Vandals en AFI voor het eerst en ‘Survival of the Fattest’ van Fat Wreck Chords introduceerde me tot Lagwagon, NOFX, Good Riddance, Propagandhi en No Use For A Name. Ik was al snel helemaal verkocht.

Daarna ging ik regelmatig in Eindhoven naar platenzaak Bullit (destijds nog op het Stratumseind), om op zoek te gaan naar cd’s van de bands die mij op die samplers het meest aanspraken. Eén van die bands was No Use For A Name, waarvan ik het nummer ‘Justified Black Eye’ dus gehoord had op ‘Survival of the Fattest’. Dat nummer was afkomstig van hun derde album ‘¡Leche Con Carne!’, dat ik al snel in huis haalde. No Use For A Name werd destijds nog vaak afgedaan als een lichtelijk opgevoerde kopie van het almachtige Bad Religion, maar alhoewel het eigenlijk vloeken in de punkrockkerk is om dat toe te geven vond ik No Use beter dan Bad Religion. En om nog eerlijker te zijn: dat vind ik eigenlijk nog steeds. ‘¡Leche Con Carne!’ bleek bovendien een heerlijk album te zijn voor een beginnend gitarist, wat ik destijds was. De ritmepartijen waren makkelijk mee te spelen, de solo’s en andere riedeltjes waren voor mij ook nog wel haalbaar maar zagen er als ik ze speelde ongetwijfeld best moeilijk uit. Althans, in mijn beleving.

Vanaf het vijfde album ‘More Betterness!’ uit 1999 begon No Use steeds meer krediet te verspelen bij de oude fans, omdat de nummers steeds een beetje langzamer, melodieuzer en melancholischer begonnen te worden. Oftewel: minder punk, wat dat ook mag betekenen (en waarbij je je sowieso mag afvragen wat nou meer “punk” is: doen wat je achterban van je verlangt, of je eigen pad volgen). ‘More Betterness!’, nog altijd één van mijn favoriete albums aller tijden, heb ik in de maanden nadat het uit was gekomen helemaal grijs gedraaid in mijn stereo en in mijn discman, in de bus op weg naar het Grafisch Lyceum. Wellicht ook een beetje omdat ik destijds nog verdrong dat ik stiekem eigenlijk net zoveel hield van goede popliedjes als van de punkrock waar ik inmiddels vrijwel exclusief naar luisterde. Want Tony Sly, zanger, gitarist en songschrijver van No Use For A Name, was eigenlijk helemaal geen punker. Hij was dan wel de voorman van een band die gebruik maakte van snelle drums, gitaren met een flinke bak distortie en klettere basgitaar, maar hij schreef gewoon bitterzoete popliedjes. Geen maatschappijkritische tirades, maar kwetsbare teksten over liefde (doorgaans onbereikbaar of in de verleden tijd), angsten en twijfels. Liedjes die bij vrijwel elke andere songschrijver trage klaagzangen zouden zijn geworden, maar die in zijn handen juist energieke punkrockliedjes werden. Melancholie hoeft helemaal niet subtiel naar de luisteraar gebracht te worden, dat kun je er minstens zo effectief ook keihard inrammen, zo bleek op schitterende nummers als ‘On the Outside’, ‘International You Day’ en ‘Not Your Savior’.

Jaren later, toen ik inmiddels schreef voor het maandblad Up Magazine, kreeg ik twee keer de gelegenheid om Sly te interviewen. In het voorjaar van 2005 en nogmaals in het voorjaar van 2008. Eerlijk gezegd vond ik dat doodeng, tegelijk was het ook wel een kick. Om thuis de telefoon te nemen, een nummer in te toetsen en enkele tellen later de stem te horen die al ontelbare keren uit je stereotoren en je oordopjes kwam. Gelukkig bleek Sly een aangename gesprekspartner. Vriendelijk, geduldig, wel een tikkeltje gereserveerd. Precies goed om het beeld in stand te houden dat je wil hebben van iemand die je toch een beetje als een idool ziet (vooruit, ik breek even met mijn eerdere stelling over die term). Onlangs heb ik die twee interviews nog eens teruggelezen. Duidelijk is dat Sly geen vrolijke peer was. In 2005 vertelde hij me dat het destijds net uitgekomen album ‘Keep Them Confused’ voortkwam uit het nare, dubbele gevoel dat hij kreeg van het idee dat zijn pasgeboren dochter op moest groeien in een verdeeld land vol politici die gedreven werden door haat. Dat hij niet langer wilde proberen om zijn publiek tevreden te stellen en nu voor zichzelf had gekozen. Dat hij de eerste albums van zijn eigen band eigenlijk onbeluisterbaar vond. Dat het hem een beetje frustreerde dat zijn platenlabel zijn akoestische solo-opnamen niet uit wilde brengen (dat zouden ze overigens later wel doen). Drie jaar later zei hij dat hij het eerder genoemde ‘Keep Them Confused’ achteraf eigenlijk helemaal geen goede plaat vond.

Op 1 augustus kwam dus het bericht dat Tony Sly overleden was. Tsja, wat moet je daarmee? Ik kende hem niet persoonlijk en zal er dus in de praktijk weinig van merken. Het aantal concerten van No Use For A Name dat ik gezien heb zal definitief blijven staan op zeven (de eerste keer op Lowlands 1998, de laatste keer in de Melkweg in 2010) en het aantal reguliere albums van de band op acht. Daar komt nooit meer wat bij, daar moet ik het vanaf nu mee doen. Maar groter is het effect voor mij persoonlijk eigenlijk niet. En toch is het vreemd. Zoals ik eerder al schreef luister ik al mijn halve leven naar de muziek van No Use For A Name. Als 17-jarige middelbare scholier schoof ik regelmatig een cd van die band in mijn stereo en als 33-jarige doe ik dat nog steeds. Als de stem van en het brein achter die muziek er ineens niet meer blijkt te zijn, dan doet dat wat met je.

Ik luister betrekkelijk veel naar oudere muziek, veel van mijn favoriete muzikanten zijn de pensioengerechtigde leeftijd dan ook al ruimschoots gepasseerd. De twee muzikanten die ik hoger heb zitten dan wie dan ook, Brian Wilson en Paul McCartney, zijn inmiddels zeventigers en ik besef dat ze misschien geen twintig jaar meer mee zullen gaan. So be it. Maar dat in minder dan drie maanden tijd zowel Adam Yauch als Tony Sly als veertigers het leven zouden laten, dat was potverdomme niet de bedoeling. 2012 duurt nog ruim vier maanden en heeft al best wat leuke platen opgeleverd (waaronder ironisch genoeg ook Tony Sly’s tweede split-album met Joey Cape), maar wat mij betreft is het nu al het meest waardeloze muziekjaar sinds tijden.

Leave a comment »

Blast from the past: Express!

In 2002 begon ik een hardcore fanzine, dat ik Express! noemde. Ik voltooide één nummer, waarvoor ik zestig pagina’s (op A5-formaat) in m’n eentje volschreef. De inhoud: interviews met MM, New Winds, One In A Million, Mike Ski (over zijn artwork), Dan O’Mahony, Sri en Act Of Ignorance, een artikel over Gorilla Biscuits, een column en een kleine vijftig recensies. Ik heb het echter nooit uitgebracht. Tegen de tijd dat ik het blaadje goed genoeg vond om naar de copyshop te brengen vond ik de helft van de inhoud eigenlijk alweer te gedateerd.

Onlangs vond ik op mijn zolder een uitgeprint exemplaar terug van dat enige nummer van Express! Toen ik het teruglas vond ik eigenlijk dat met name het interview met Mike Ski te interessant was om ongepubliceerd te blijven. Dus bij deze, met negen jaar vertraging, alsnog.

This interview was originally not intended to be a fanzine interview. This is how it came together.

A few months ago, I got an assignment from my art history teacher. I had to write a paper about a graphic designer who was born after 1950. And because I always try to combine school assignments with my biggest hobby, music, I knew I just had to go for someone who designed concert flyers or CD covers or anything like that. Pretty soon I decided that Mike Ski had to be the one.

This workaholic played bass for Run Devil Run and sings for Brother’s Keeper, but also designs CD covers, T-shirts, tattoos, logos and lots more, mostly for music related projects. He is very allround and gets most of his influences from the streets: graffiti, advertisements and tattoos.

So I wrote Mike an e-mail, asking him if he wanted to answer a few of my questions. Unfortionately I didn’t get a reply. A while later, I went to a Brother’s Keeper show. My friend Filip was also there, and he wanted to interview Mike for his fanzine Definite Choice. Some other friends and me joined him and it turned out to be a very cool and long discussion that lasted for over two hours. Mike turned out to be a very cool guy. I told him about the paper I had to write for school, and that I never got a reply to my e-mail that I’d send him. He apologized about ten times and gave me his private e-mail address, instead of the overflooded commercial address that I had e-mailed to earlier.

So a few days lated I e-mailed him my questions and that same day I got a pretty long e-mail back with very detailed answers. I think the interview turned out too well to just be used for my school paper, that’s why I’m re-using it here.

For which companies did you work as a designer?

“While I was in college, I worked my way through both as a freelance designer and a tattoo artist. Because I was doing so much work, I created the name “Art Inferno” that I used as my own sort of company identity. I mention this because I think it’s interesting that a lot of people I meet ask questions about it, they think it is a store or a shop… Or whatever. In my case, it was me in my spare room at my apartment or at the computer lab at my college through all hours of the night. I had business cards and a website, so people assumed it was this big thing. I did do tons of work, I ended up pying my way through school this way and contiued after I graduated. I still do it and plan to expand in the near future. Through my work and from my relationships with many of the bands I work with, I began doing freelance projects for some bigger bands through Blue Grape Merchandising in New York. From their experience working with me they asked me to come to New York and interview for the position of art director. I did so and a month later I moved there to work for them. It was really the first “real” job I had in years, but it was really cool and a fn athmosphere. I was in charge of all the artwork and ended up doing stuff for some crazy bands like Slipknot, System Of A Down, Type O Negative, Coal Chamber, Fear Factory… I have since moved on and worked at a tattoo shop in Long Island called Lotus Tattoo (which is owned by Civ – JvG). I worked there full time for a bit until I left to go on tour with my band Brother’s Keeper. We toured the US and Europe for over two months, so now I’m back home and doing freelance stuff for my own Art Inferno.”

Is your work in any way influenced by your own principles and political views?

“I can say that I am straight edge and vegan… And it is through my involvement in the hardcore scene and issues that I have come into contact with that has largely shaped my world view. I am a strong supporter that artists should use their talents to promote ideas rather than products… So I try to reflect that in my work, even when it is for someone else’s band or whatever it may be. It’s important for me to be familiar with the message of the bands or clients I work for as to not contradict my own attitudes or feelings.”

Who had or still has the biggest influence on your work?

“I’m really influenced by tons of things in small doses. Sometimes I’ll find myself in a video store or a record store just looking at CD or movie covers… Seeing cool logos and photos, an idea for a cool way to fold the package, etcetera. Posters in the subway, on the sides of busses, or something I read in a book. Maybe it’s just one sentence or a phrase or even a word that sets off an idea. As far as people’s work… I love the work of Shepard Fairey, the photography or Glenn E. Freidman, the tattoos of Brady Duncan, Scott Sylvia, Civ, Seth Cifari. I read Adbusters Magazine, which really influenced my design “philosophy” so to speak. Also, I listen to a lot of music which inspires me… My professors in school had a big influence on my work, not in terms really of the way it looked or what it was, but in motivating me. I was lucky to have a lot of talented instructors who really got involved with me and helped me out along the way… Ever since the time I was in 8th grade, my art teacher really inspired me.”

When you get an assignment, how do you start, and how does the process usually go?

“It depends on the project really. Since I do a lot of record covers and it”s one of the things I enjoy the most… I’ll use that to illustrate a typical mehodology: first I have the band send me all the lyrics for the record so I can get a feel for what the record is about. It helps to actually have the record first, but that’s not always possible. I don’t work with bands I’ve never heard before… I always require some sort of sample of recorded material first, but most of the bands I do stuff for, I know them already or have some knowledge of the band’s identity. Next, I require the title of the record and a description (if any) of what ideas the band has and what look they hope to achieve. Sometimes this can help or hinder the final product. Sometimes I just do whatever I want! A lot of times a band wants that, but sometimes it can backfire… The band will hate it and I lose a lot of time… So it’s helpful to have a band that is both open and has good ideas themselves. I like to think that I thrive under pressure and can turn things around quickly, but it”s always best to have the most time possible so you can think about it for a while. I always say that my stuff is 80% thinking and 20% doing. A good concept is worth a hell of a lot more than something that just looks cool. I don’t do “cool”. I like things that reveal themselves after you look at it for a long time. You see it and it looks interesting, and two weeks later, you”re like “wow, that’s awesome… I get it now”. Of cours ethat always depends on the client too, so I try to factor that in when I do things. There”s usually a lot of back and forth, bouncing ideas off the client and getting their input. It”s bet to get most of that out of the way before you even start. In the end, hopefully you get something that you both feel is successful.”

How do you see your future as a visual artist?

“I always want to keep learning and stay open and flexible. One of my main goals is to be well rounded in my artwork. Stay diverse and able to pick up an airbrush, a camera, a tattoo machina, a paintbrush, pencil, or a computer mouse and be able to make something awesome. I’d like to focus more on just making artwork as well. Everything I do is “for something”. I have a ton of ideas that I wish I could just do for myself sometime… A huge project that I am just beginning to undertake is to launch a magazine. It’s going to be directed towards teenagers and young adults and promote anti-corporate, anti-consumerist ways of living. It will examine art, music, fashion, etcetera, and challenge people to re-examine their perspectives on those and other issues. It’s a really huge project, and I’m excited about it and have been planning it for a long time.”

How did you develop your style?

“It’s funny that you ask, because I always try to get away from having a style so to speak. My favorite thing is when people can”t believe that I did something. I guess I’m really known for the whole tattoo style thing, but it just became something that I was known for early on. I still enjoy that type of thing, especially when I’m tattooing of course. But when it comes to being a designer, that whole thing really pigeon holed me and made it hard to convince people that I could do anything otherwise. I had to go out of my way everytime I approached someone or at least reassure them once it had begun that “it won’t be some bright, colorful tattoo drawing”. That doesn”t work for everybody, and I”m not really happy only doing one thing. I like to keep people guessing and on their toes.”

Which materials do you use?

“Uhm, geez, it’s hard to say. Again, it depends on the project. When it comes to graphic design I always like to do as much of it “by hand” as I can. I had a big thing in college against all the kids who just got into it because they sucked at art and they thought they could make a lot of money by faking it on a computer. I started as an illustrator, so I like to have my hand in anything I do. I also have a minor in photography and like to incorporate it in my work when it is called for. One of the fun things about what I do is the search for how to get the right look. Sometimes it’s something as simple as scribbling with a marker or tearing up a piece of paper and adding it somehow. Some of the most succesful stuff I’ve done was made by scratching all over it with a crayola crayon.”

What do you think is your best work?

“I only like something for about two months, then I wish I could do it all over again. That’s the curse of always trying to progress. You always hate everything you’ve done.”

Leave a comment »

Mike from the NOFX band

“Hi, this is Joost from Up Magazine in the Netherlands.”

“Hi, this is Mike from the NOFX band in California.”

Een lekker begin. Ik ben zelden zo nerveus geweest voor een telefoongesprek en het eerste wat mijn gesprekspartner doet is mij met een gek stemmetje napraten. Mensen opbellen is doorgaans sowieso niet iets waar ik me enorm comfortabel bij voel, maar nu heb ik verschillende redenen om extra nerveus te zijn.

De stem die ik nu door de telefoon hoor klink al sinds circa 1995 met vrij grote regelmaat door de speakers van mijn stereotoren. Fat Mike, zanger, bassist en songschrijver van NOFX, bassist van Me First and the Gimme Gimmes en eigenaar van het platenlabel Fat Wreck Chords, reken ik tot mijn persoonlijke helden. Daar komt bij dat hij de reputatie heeft dat hij tijdens interviews nog wel eens een etterbak wil zijn. En het blad waar ik voor schrijf, Up Magazine, is uitverkoren om één van de slechts vier interviews af te nemen die Fat Mike dit jaar zal geven aan de Europese pers. Ik voel dus wel enige druk op mijn schouders.

Ik moet bekennen dat ik gedurende dit interview zo nerveus was dat ik geen flauw idee had of het wel of niet een goed gesprek was. Na het terughoren van het bandje was ik echter best tevreden.

Dit interview werd in mei 2006 geplaatst in Up Magazine nummer 27.

In 1994 waren Green Day en The Offspring de aanvoerders van een punkrockhype. Miljoenen mensen staken voorzichtig hun teen in het punkrockwater door de albums ‘Dookie’ en ‘Smash’ in huis te halen. En de mensen die vervolgens besloten wat verder het diepe in te gaan kwamen al snel uit bij ‘Punk In Drublic’ van NOFX. Het album bevatte echter geen hitsingles, omdat de groep had besloten geen promo’s meer naar radiostations te sturen en geen videoclips meer te maken, om zo bewust Green Day en The Offspring niet achterna te gaan.

Vorig jaar kwam NOFX-frontman Fat Mike, tevens oprichter en eigenaar van het succesvolle punkrocklabel Fat Wreck Chords, alsnog met enige regelmaat opdraven in landelijke radio- en tv-programma’s. Niet om een nieuw album te promoten, maar om George W. Bush uit het Witte Huis te krijgen. Mike’s Rock Against Bush-campagne bleef niet onopgemerkt. Grote bands als Foo Fighters, No Doubt, Green Day en The Offspring sloten zich bij hem aan. Mike kreeg zelfs presidentskandidaat John Kerry te spreken en hij mocht zijn zegje doen in diverse talkshows.

En dat terwijl het algemeen bekend is dat Fat Mike een hekel heeft aan interviews en het daarom ook zelden doet. Gelukkig wilde hij, alhoewel hoorbaar niet van harte, voor Up Magazine een uitzondering maken.

“Ik vond het niet echt leuk om op te komen draven in al die talkshows. Ik ben te gast geweest in de Dennis Miller Show, bij Howard Stern en een paar andere talkshows, en steeds was ik helemaal op van de zenuwen. Het was een hoop gedoe en ik vond het vrij vervelend, maar ik vond dat het ’t waard is geweest. Het is wel het belangrijkste geweest wat ik ooit gedaan heb.”

Het mag duidelijk zijn dat je vindt dat George W. Bush slecht is voor de VS en de hele wereld, maar denk je dat zijn presidentsschap goed is geweest voor punkrock, net zoals de gemeenschappelijke afkeer van Reagan in de jaren tachtig stimulerend werkte voor de punkscene?

“Voor de punkrock scene is zijn presidentsschap, als je het zo bekijkt, wel goed geweest denk ik. Desondanks vind ik niet dat er genoeg bands waren die zich bij de anti-Bush beweging aansloten. Maar dat vind ik sowieso het voornaamste probleem in punkrock vandaag de dag: de bands durven geen grote bek meer te hebben. Te veel bands durfden zich niet bij ons te voegen omdat ze bang waren hun anders denkende fans af te stoten, of omdat ze niet van meelopen beschuldigd wilden worden.”

Als een band op Fat Wreck pro-Bush zou zijn, zou dat voor jou een reden zijn hun platen niet meer uit te brengen?

“Zeker weten! Er zijn zelfs enkele bands geweest die ik aanvankelijk uit wilde brengen maar uiteindelijk heb afgewezen vanwege hun politieke houding.”

En het Propagandhi-nummer ‘Rock For Sustainable Capitalism’, waarop je zelf flink onderuit gehaald wordt, heb je erover gedacht om dat niet uit te brengen?

“Nee, dat niet. Maar ik vind wel dat ik in dat nummer ten onrechte in een slecht daglicht gezet word. Propagandhi noemt mij in één adem met Kevin Lyman, die de Warped Tour organiseert, en Rancid, terwijl die vooral met geld bezig zijn en ik een activist ben. Dat Propagandhi het met mijn opvattingen oneens is dat is hun goed recht, maar het is oneerlijk om mij te vergelijken met mensen die duidelijk niets geven om de situatie in de wereld. Ik was behoorlijk beledigd door dat nummer.”

Wil je desondanks in de toekomst nog wel Propagandhi-platen uit blijven brengen?

“Ik denk het wel. Ik krijg mijn wraak wel op het nieuwe NOFX-album, daar staat een reactie-nummer op dat gericht is aan Propagandhi, ‘The Marxist Brothers’. En daarbij, zeg nou zelf: wie is er meer in geslaagd om wat klaar te spelen op het politieke vlak, Propagandhi of ik? Het spijt me dat ik geen militante veganist ben, maar ik heb veel meer mensen weten te bereiken en aan het denken kunnen zetten dan zij.”

Vind je het voor punkrock essentieel om jezelf niet te serieus te nemen?

“Ik vind dat voor punkrock niets essentieel is… Maar om Propagandhi nog maar eens aan te halen: die waren op hun eerste albums nog best humoristisch, maar nu helemaal niet meer. Ze zijn veel te serieus geworden. Ze hebben nu zelfs hun Australische tournee afgezegd omdat ze nooit meer willen spelen in de landen die de oorlog in Irak gesteund hebben. Maar wie straf je daarmee nou? Alle mensen die haar hun optredens komen zijn tegen de oorlog! Ik denk ook niet dat het aan de band ligt, het ligt vooral aan Chris. Een paar maanden geleden gingen we gezamelijk wat drinken, en hij wilde niet eens met me praten, hij vindt me blijkbaar ineens een slecht mens. Hij is een heel depressief iemand, hij kan het leven gewoon niet zo goed aan. Ik zal hun platen wel uit blijven brengen omdat ik vind dat ze een belangrijke boodschap naar buiten brengen, en ik haal mijn wraak dus wel uit dat nummer dat op ons nieuwe album staat. Ik weet dat het geen gezonde situatie is, maar het is nou eenmaal niet anders.”

Heb je veel vervelende reacties gehad naar aanleiding van de Rock Against Bush-campagne?

“Dat viel op zich wel mee omdat waarschijnlijk zo’n negentig procent van alle mensen die naar ons luisteren democraten zijn. Waar wel veel mensen problemen mee hadden was het feit dat ik uberhaupt mijn mening durfde te verkondigen omdat ik in hun ogen maar een zuipschuit ben. En daar ben ik wel een beetje pissig om geworden. Ik heb gewoon mijn school afgemaakt, ik lees ook boeken, waarom zou ik dan geen mening mogen hebben, alleen maar omdat ik te veel drink en drugs gebruik? Dat betekent nog niet dat ik een idioot ben! Ik vind dat iedereen voor z’n mening uit moet komen, niet alleen journalisten en politici.”

NOFX tourt nu al meer dan twintig jaar, maar ik heb de indruk dat jullie publiek in al die jaren nauwelijks ouder is geworden. NOFX lijkt voor veel mensen een beetje een band waar ze “overheen groeien”. Wat vind je daarvan?

“Dat zie je verkeerd. We hebben pasgeleden in Chicago gespeeld, daar deden we twee shows: één voor minderjarigen en één voor publiek vanaf 21 jaar, en beide shows waren met 1500 man volledig uitverkocht. En een tijd geleden speelden we in Florida, daar was na de show het bier volledig uitverkocht, en dat was in die zaal nog nooit eerder gebeurd. Je kunt daar alleen bier kopen als je 21 of ouder bent, dat wil dus wel zeggen dat we helemaal niet zo’n jong publiek trekken. We hebben de tand des tijds beter doorstaan dan de meeste bands. Als we gaan touren is het nog steeds overal uitverkocht. Als je kijkt naar een band als de Ramones, die speelden na verloop van tijd in steeds kleinere clubs en moesten tegen het einde weer in een busje gaan touren. Ons publiek mag dan een stuk jonger zijn dan wij zelf, maar gemiddeld is het zeker midden twintig.”

Wat is voor jou het hoogtepunt geweest in de NOFX-geschiedenis?

“Ik kan zo snel niets bedenken. De grote, prestigieuze zaken die in de ogen van anderen de hoogtepunten in onze carriere zouden zijn geweest, hebben we juist altijd afgewezen omdat we er geen trek in hadden. We hebben bewust besloten dat we niet de volgende Green Day of The Offspring wilden worden. Op het moment dat die bands zo groot werden, zijn we gestopt met video’s maken en nummers naar radiostations sturen. We hebben onszelf uit de competitie genomen, we wilden een undergroundband blijven.”

Is er één specifiek moment waarop je realiseerde dat je Green Day en The Offspring niet achterna wilde?

“Dat was toen ik in Londen in een discotheek was en The Offspring ineens gedraaid werd. Ik vond het helemaal niets, die muziek in die omgeving. De combinatie klopte gewoon niet. Ik dacht ook dat Green Day en The Offspring eventjes helemaal hot zouden zijn en daarna af zouden gaan sterven. Dat is ook min of meer gebeurd, alhoewel ze wel weer terug zijn gekomen. Wij hebben daarentegen altijd op hetzelfde niveau gezeten. Wij hebben geen dalen in onze carriere gehad, en dat was eigenlijk ook ons doel. Veel bands die in 1995 bij een major label tekenden zijn snel daarna ten onder gegaan.”

Wat vind je het voornaamste verschil in punkrock als je het heden vergelijkt met 1994?

“Ik denk dat er geen verschil is. Er zijn alleen meer slechte punkpopbands tegenwoordig, maar die behoren toch niet echt tot de scene. Als je naar de kleine punkclubs gaat zie je geen verschil. Daar zie je nog altijd hetzelfde soort bands als tien jaar geleden, dat slechte muziek maakt en bezopen op het podium staat.”

Op meerdere NOFX-albums staan akoestische solonummers van jou, heb je er ooit aan gedacht een heel album te maken met dat soort nummers?

“Ik heb er inderdaad wel eens aan gedacht, maar ik denk dat het niet zo’n goed album zou zijn omdat ik niet zo’n geweldige zanger ben. Mijn akoestische album zou inferieur zijn aan dat van heel veel andere mensen, dus begin ik er maar niet aan.”

Het is me opgevallen dat als NOFX op een groot rockfestival speelt, je er een gewoonte van maakt alle andere optredende bands af te zeiken. Heb je daar ooit vervelende reacties op gehad van mensen uit die bands?

“Ja, Shirley Manson van Garbage was er niet zo van gecharmeerd. Ze heeft me een tijdlang achterna gezeten na het optreden, maar ze heeft me niet te pakken kunnen krijgen. Vijf jaar later kwam ik haar in een vliegtuig onderweg naar Australie toevallig weer tegen, toen ben ik mijn excuses aan gaan bieden en heeft ze me geschopt. Maar we konden er allebei wel om lachen. Ik maak er niet echt een gewoonte van om andere bands af te zeiken op festivals, al is het een paar keer voorgekomen. Op het Bizarre Festival in Duitsland heb ik het wel eens vrij bont gemaakt, maar toen had ik vooraf twee flessen wijn op.”

Waarom schrijf je alle nummers voor NOFX in je eentje?

“El Hefe en Eric Melvin proberen wel eens nummers te schrijven, maar ze kunnen er eigenlijk niets van. Eric Melvin schrijft zo nu en dan wel eens riffs die hij meeneemt naar de repetities, maar die wijzen we altijd af omdat ze niet zo best zijn. El Hefe schrijft alleen maar rustige popnummers en hiphop en daar heeft hij een andere band voor.”

Vind je in NOFX spelen nog net zo leuk als tien jaar geleden?

“Nog leuker, denk ik.”

Heb je er ooit over nagedacht wat je wil gaan doen als NOFX verleden tijd is?

“M’n leven zou dan niet zoveel veranderen, omdat ik maar twee of drie maanden per jaar tour met NOFX. Als ik zou stoppen met punkrock maken hou ik nog meer dan genoeg interesses over, het is niet zo dat ik dan ineens naar andere tijdsbestedingen zou moeten gaan zoeken. Ik heb een dochter, ik speel poker en golf, ik drink, gebruik drugs en doe aan seks. Punkrock maken is eigenlijk maar een klein onderdeel van mijn leven. NOFX heeft sinds 1995 in geen enkel jaar meer dan zes maanden getourd. Daardoor blijven we gemotiveerd en blijft het leuk. En in Me First & The Gimme Gimmes zal ik altijd blijven spelen. Met die band gaan we door tot we hoogbejaard zijn, dat is ons pensioenplan.”

Leave a comment »

Absoluut geen zin in songs, melodieën en experiment?

“Met evolutie heeft het niet veel te maken, creatief zijn ze hooguit met het dragen van hun portefeuille (aan een ketting) in de linker- of de rechterbroekzak (of zijn er alweer nieuwe hardcore-modegrillen?), en voorspelbaar zullen ze van de eerste tot de laatste riff zijn.”

“Absoluut geen zin in songs, melodieën en experiment? Blij met een zoveelste groep die nodeloos agressief de duimschroeven van de geluidsterreur blijft aandraaien? Stort u zich dan om het af te leren nog één keer op hardcore, dat hardleerse neefje van de punk.”

Wat voor waarde hebben uitlatingen uit een twaalf jaar oud programmaboekje, dat bovendien met een knipoog geschreven is? Sowieso te weinig om je er nu nog druk over te maken, eigenlijk. Toen ik laatst het programmaboekje van Pukkelpop 1999 (ja, ik bewaar dat soort dingen) in een doos terugvond en even doorbladerde ergerde ik me toch weer aan de beschrijvingen van het merendeel van de (punk- en) hardcorebands die op het festival speelden, waarvan bovenstaande quotes enkele voorbeelden zijn. Omdat hier, ondanks het korreltje zout dat je er wellicht bij hoort te nemen (het boekje is immers door de redactie van Humo volgeschreven), wel heel duidelijk de totale minachting naar voren komt die veel zelfverklaarde serieuze muziekliefhebbers al sinds mensheugenis hebben voor het genre hardcore.

Wat ik voornamelijk opmaak uit de quotes aan het begin van dit artikel is dat de schrijver ervan niet in staat is om hardcore binnen de juiste context te beluisteren. Als je hardcore wil beoordelen volgens de kwaliteitsnormen die doorgaans gehanteerd worden voor de wat traditionelere rock en pop, dan kun je inderdaad concluderen dat de meeste hardcorebands er verdomd weinig van kunnen. Weinig originaliteit, geen blijk van bovenmatige instrumentbeheersing, nauwelijks memorabele riffs of melodieën, geen greintje subtiliteit, ga zo maar door. De gemiddelde hardcoreband mikt daar echter ook helemaal niet op en heeft een heel ander doel met z’n muziek. En je kunt iemand niet afschrijven wegens het niet bereiken van een doel waar hij zich überhaupt nooit op gericht heeft. Bovendien, als je rockbands en popgroepen gaat beoordelen volgens de kwaliteitsnormen voor hardcore, dan blijft er ook weinig van over. Maar daarover later meer.

Momenteel doe ik als singer/songwriter pogingen om “echte” muziek te maken in de wat traditionelere vorm. Voorheen heb ik jarenlang gitaar gespeeld in hardcorebandjes. Ik heb dus enige ervaring met het schrijven van beide soorten muziek. Dat een gemiddeld hardcorenummer wat minder gecompliceerd in elkaar zit is een feit. Doorgaans zijn powerakkoorden de enige akkoorden die gebruikt worden. De baspartijen zijn vaak weinig meer dan de gitaarpartijen op één snaar. En naar laagjes, diepte of interessante songstructuren zul je op een hardcorealbum hoogstwaarschijnlijk tevergeefs zoeken. Toch denk ik niet dat het makkelijker is om een echt goed hardcorenummer te schrijven dan een echt goed popnummer. Als je geen liefhebber bent van het genre zul je aan een hardcorenummer waarschijnlijk weinig meer horen dan wat geschreeuw, gitaarakkoorden die iedereen na drie gitaarlessen kan spelen en drums met de subtiliteit van een mokerhamer. Toch is het maken van een echt goed hardcorenummer ook een kunst.

Als je in staat bent om met je wijsvinger een snaar op een gitaar in te drukken en met je pink de twee à drie snaren daar onder, dan moet je de meeste hardcoreriffs wel na kunnen spelen. Om vervolgens met die paar simpele akkoorden een nummer te schrijven dat net zo onbeschoft hard alles omver blaast als ‘Reflections’ van Trial, ‘…Shall Be Judged’ van Burn of ‘We Gotta Know’ van de Cro-Mags, dat is ongeveer net zo’n makkelijke opgave als achter een piano gaan zitten en even een nieuwe ‘Let It Be’ schrijven. Een vergelijkbaar akkoordenschemaatje bedenken is nog wel te doen, maar dan ben je er natuurlijk nog lang niet.

In veel hardcorebands wordt geschreeuwd en een vaak gehoord commentaar is “Schreeuwen, dat kan toch iedereen?”. Dat klopt. Maar net als met zingen is het zo dat er een verschil is tussen iets kunnen en er heel goed in zijn. Goed kunnen schreeuwen is ook een talent dat niet iedereen gegeven is. Ik geef het je te doen om net zoveel energie, agressie en overtuigingskracht te leggen in je stem als Ian MacKaye bij Minor Threat. Zoveel allesvernietigende woede als Mike Judge bij Judge. Zoveel attitude als John Joseph bij de Cro-Mags. Zoveel waanzin als HR van de Bad Brains. Zoveel adrenaline als Henry Rollins bij Black Flag.

De conclusie is dat pop/rock en hardcore twee totaal verschillende uitingsvormen zijn. Als je pop/rock maakt sta je met een heel ander doel en een heel andere benadering te musiceren dan wanneer je hardcore maakt. Ik had het eerder over het beoordelen van hardcore aan de hand van de kwaliteitsnormen voor traditionelere pop en rock. Dat kan natuurlijk ook andersom. En dan moet je de conclusie trekken dat er heel veel te muziek is met weinig passie, energie, directheid, rauwheid, innerlijke noodzaak en overtuigingskracht.

Moraal van het verhaal: smaken verschillen en als iets in je oren niet lekker klinkt dan is het gewoon niet je ding. Maar wat je niet begrijpt is niet automatisch slecht.

Luistertips:

Minor Threat – In My Eyes: http://www.youtube.com/watch?v=Ji8psud6Pc8

Inside Out – No Spiritual Surrender: http://www.youtube.com/watch?v=nNEVAy8bNiU

Bad Brains – Sailin’ On: http://www.youtube.com/watch?v=NJZMSj6OYyQ

Cro-Mags – We Gotta Know: http://www.youtube.com/watch?v=eoPoAN-Mc7k

Gorilla Biscuits – New Direction: http://www.youtube.com/watch?v=w8T5nOeozTU

Black Flag – Nervous Breakdown: http://www.youtube.com/watch?v=YDMOFm4z0G4

Chain Of Strength – Just How Much: http://www.youtube.com/watch?v=3lrf-_f4TqQ

Trial – Reflections: http://www.youtube.com/watch?v=KzCseWbCtVk

Burn – …Shall Be Judged: http://www.youtube.com/watch?v=zfB-kuxj-Ko

Unity – Positive Mental Attitude: http://www.youtube.com/watch?v=bUJnhSdyD28

Leave a comment »

Achteraf

“Dit gaat later ooit een hartstikke mooi verhaal worden. Maar op dit moment zou ik een paar duizend dingen kunnen bedenken die ik liever aan het doen zou zijn.” Ken je dat gevoel?

Zodra je een instrument leert beheersen wil je in een band spelen. Zodra je in een band speelt droom je van spelen voor publiek. Na je eerste optredens in lokale bars en jeugdhonken wil je verder van huis, spelen voor mensen die niet verplicht zijn om te komen om de simpele reden dat ze je familieleden en vrienden zijn. En zodra je dat gedaan hebt is touren de volgende stap. Met je band in een bus stappen, naar plaatsen rijden waar je nog nooit geweest bent en je nummers spelen voor mensen die jouw taal niet spreken. Het wordt mischien niet glorieus (althans nog niet in het begin, maak je jezelf misschien wijs), maar het zal op z’n minst een mooi avontuur worden.

Toen de destijds nog volledig onbekende Beatles voor het eerst zo’n avontuur beleefden was dat in het Duitse Hamburg. John Lennon zei ooit dat hij was geboren in Liverpool, maar dat hij opgroeide in Hamburg. Dat is waar The Beatles een ervaren band werden door urenlang aan een stuk te spelen, avond na avond, in dubieuze clubs aan de beruchte Reeperbahn in de “red light district”. Hun publiek bestond doorgaans uit zeelui, prostituees en zuipschuiten.

Alhoewel ons tourneetje maar een paar dagen zal duren en dus lang niet zo’n beproeving zal worden ben ik er wel vrij zeker van dat de omstandigheden die wij vanavond in Hamburg aantreffen nog een graadje erger zijn. De omgeving: een braakliggend stukje grond op een deprimerend industrieterrein. De locatie: een geïmproviseerd houten schuurtje. Het publiek: hippies, krakers, punks en anarchisten, velen daarvan lijken onder de invloed van iets te zijn. Ironisch genoeg draait iemand heel hard ‘Here Comes the Sun’ van The Beatles als we de bus uitstappen.

Een Engels gezegd luidt “Beggars can’t be choosers”, bedelaars hebben niets te kiezen. Die moeten aannemen wat ze kunnen krijgen. En daarom zijn we nu hier. We zijn bezig met onze tweede mini-tournee en omdat we morgen en overmorgen in Polen spelen was het praktisch om vandaag een optreden te hebben ergens in Duitsland. Maar helaas, als je een niet al te bekende Nederlandse hardcoreband bent en op een donderdagavond in Duitsland wil spelen staan mensen niet in de rij om dat voor je te organiseren. Maar na wat e-mail-werk krijgen we uiteindelijk één aanbod. We kunnen in Hamburg spelen.

“O, het is trouwens op een woonwagenkamp.”

Als we aankomen bij het opgegeven adres realiseren we ons al snel dat “woonwagenkamp” nog een te glorieuze beschrijving is van wat we aantreffen. Het heeft meer weg van een krottenwijk. Mensen wonen in geïmproviseerde hutjes en afgeschreven caravans. Het is geen aanblik die je verwacht aan te treffen in een land in West-Europa. Midden op het park staat een houten schuurtje dat dienst doet als bar. We krijgen te horen dat dit is waar we vanavond zullen spelen.

We socializen een beetje met ons mogelijke publiek voor vanavond. Een man vertelt met een bloedserieuze blik dat hij een hondenpooier is en vraagt of ik seks wil hebben met één van zijn honden. Ik ben er niet van overtuigd dat hij een grapje maakt. Een paar van mijn medebandleden gaan met de organisator van het optreden naar zijn eigen onderkomen. Als ze terugkomen zeggen ze dat het hutje volgepakt was met allerlei soorten wapens. Ik ben er niet van overtuigd dat ze me voor de gek houden. Sterker nog, ik denk van niet.

Er spelen vanavond vier bands. Eerst twee Duitse bands, dan wij, met een Chileense band als afsluiter. Zodra het voor ons tijd is om op te gaan zijn de Duitse bands al vertrokken. Blijkbaar moesten ze, eh, ergens anders zijn voor iets. Tuurlijk, jongens! Ik begrijp het wel, ik wil hier eigenlijk ook zo snel mogelijk weg. Ons optreden is een ramp. We spelen voor zo’n twintig, dertig zombies die duidelijk weinig kunnen met onze muziek. En verschillende malen valt de electriciteit weg. Plichtmatig werken we onze set af, totdat we onze spullen weer in de bus kunnen zetten en weg kunnen.

We zijn eindelijk klaar en beginnen ons materiaal te verzamelen. Dan komen de leden van de Chileense band naar ons toe. Ze vragen of ze onze spullen mogen lenen. Ze zijn voor twee maanden op tournee door Europa en hebben op twee gitaren na helemaal niets bij. Ze vragen of ze onze versterkers en drumkit mogen lenen. Onze bassist, onze andere gitarist en ik vinden het best om onze spullen uit te lenen. Die jongens hebben de hele dag gewacht tot ze mogen spelen en we willen het niet voor hen verpesten. Ook niet geheel onbelangrijk: we zijn niet op een plek waar we ruzie willen krijgen. Sterker nog, even geleden hebben we nog duidelijk afgesproken: “Wat er ook mag gebeuren, zorg dat je geen ruzie krijgt”.

Voordat we het weten hebben we ruzie met zo’n beetje iedereen in het schuurtje. Onze drummer wil de Chilenen best zijn basiskit lenen, maar zijn bekkens zijn te duur en te breekbaar daarvoor. Niemand gaat daar op slaan behalve hij, einde discussie. Ik ken hem inmiddels een beetje en weet dat als het voor hem einde discussie is, dan is het ook echt einde discussie. Zonder bekkens kunnen de Chilenen uiteraard niet spelen. Ze reageren er goed en sportief op, ze begrijpen het. Als je iemand om een gunst vraagt kun je ook een “nee” krijgen. Met een gerust hart gaan we verder met het inpakken van de drumkit en onze versterkers. Dan gaat het mis.

Mensen uit het publiek komen naar ons toe. We zijn ineens die egocentrische Nederlandse klootzakken die hun Chileense punkrockbroeders hun optreden niet gunnen. We zijn smerige materialisten. We begrijpen het principe achter anarchy en de punkgedachte niet. Enzovoort. We zijn de vijand. Overbodig om te vermelden dat het een intimiderende situatie is, maar het wordt nog erger. Een man die vlakbij de bar staat draait volledig door. Hij schreeuwt naar ons en alhoewel hij geen Duitse woorden gebruikt die ik ooit op school geleerd heb ben ik er vrij zeker van dat hij niet op het punt staat om ons te komen bedanken voor een mooi, geïnspireerd optreden. Gelukkig wordt hij tegengehouden door een aantal van zijn vrienden.

Had ik trouwens al gezegd dat dit die man was met het hutje vol met wapens?

We verdelen de band in tweeën. Onze zanger, bassist en drummer gaan de discussie aan met de boze menigte om de mensen een beetje te bedaren, terwijl de andere gitarist, onze roadie en ik zo snel als we kunnen de spullen in de bus gooien. Letterlijk gooien. Iemand in onze diplomatieke sectie krijgt het heldere idee om onze “fans” toe te zeggen dat de Chilenen bij wijze van excuus het geld dat we voor het optreden hadden moeten krijgen mogen hebben. Blijkbaar vinden de meesten dat redelijk klinken en de spanning neemt wat af. Intussen zijn we klaar met het inpakken van de bus en klaar om te gaan. We stappen snel in en hopen dat de bus niet belaagd wordt als we wegrijden.

Gelukkig kunnen we probleemloos vertrekken. Als we bij de poort komen blijkt daar echter een groot hangslot aan te hangen. De vraag “Hey, wie wil teruggaan om vriendelijk om de sleutel te vragen?” komt op. Eh… We stappen uit en kijken of we het slot kapot kunnen krijgen. Gelukkig is dat niet nodig, het slot is open. Enkele seconden laten rijden we over het industrieterrein. Het ziet er nu lang niet zo deprimerend meer uit als vanmiddag.

We blijven rijden tot de zonsopkomst. Dan stoppen we op een parkeerplaats ergens midden in voormalig Oost-Duitsland. We zullen proberen wat te slapen in de bus. Omdat ik al weet dat rechtop zittend slapen in een bus met vijf anderen niet gaat lukken ga ik buiten op het gras liggen, met mijn walkman en mijn bandje met de albums ‘Ocean Avenue’ van Yellowcard en ‘Love is Worth It’ van Silent Drive.

Spelen in Hamburg. Dat klonk als een grote droom toen ik op mijn vijftiende mijn eerste gitaarakkoorden leerde. Ik had toen niet verwacht dat het ooit zou gebeuren. En zeker niet op deze manier. Maar het is een mooi avontuur en een goed verhaal. Achteraf, althans.

Comments (1) »