Archive for Muziek: eigen ervaringen

Gedenkwaardig

Het menselijke geheugen kan raar werken. Ik merk dat van op zich best gedenkwaardige gebeurtenissen soms al na enkele jaren de details beginnen te vervagen in mijn hoofd. Dat ik me van mensen waar ik jaren bij in de klas heb gezeten bijna niets meer kan herinneren. Dat ik me ruimtes of gebouwen waar ik ooit dagelijks in verbleef nauwelijks nog voor de geest kan halen. Tegelijk zijn er onbelangrijke momenten, volstrekt willekeurige flardjes uit zomaar een dag, die haarscherp opgeslagen blijven. Van sommige korte gebeurtenissen die zich afspeelden toen ik vier of vijf jaar oud was kan ik me nog exact herinneren wat ik zag, wat ik hoorde en wat er in mijn hoofd omging.

Van mijn tijd op de peuterspeelzaal waar ik als vierjarige naartoe ging weet ik nog best veel. Dat we bijvoorbeeld op een dag allemaal een stuk fruit van huis mee moesten nemen, dat al die appels, sinaasappels, bananen, peren en mandarijntjes op een hoop gingen om in stukjes gesneden en verdeeld te worden en dat ik het knap waardeloos vond dat ik niet gewoon mijn eigen appel mocht houden. Dat mijn vriend Jeroen en ik op een middag een langwerpige houten kist waarin speelgoed en verkleedkleren bewaard werden helemaal leeggooiden, er in gingen zitten en net deden of het de stoomboot van Sinterklaas was en vervolgens op onze kop kregen omdat de inhoud van de kist verspreid lag over de vloer.

Nog een heel heldere herinnering moet ook uit ongeveer uit die tijd stammen, 1983 waarschijnlijk. Ik was vier of vijf jaar oud en zat op de achterbank van de auto van mijn ouders. Ik weet nog waar we reden, over de Spoorlaan in Tilburg. Op de radio werd iets gezegd over een optreden dat Doe Maar zou gaan geven. Ik was gek op Doe Maar, die band was voor mij wat K3 nu is voor veel kleuters. Ik vroeg dan ook tijdens die autorit aan mijn moeder of we naar dat optreden konden gaan. Ik kan me zelfs het beeld nog herinneren dat ik op dat moment in mijn hoofd had. Daarin speelde een bandje op een zonnig, weids grasveld bij een grote boom, terwijl enkele tientallen toehoorders er in een half kringetje omheen zaten. Een soort vredig, muzikaal kinderfeestje. Wist ik veel dat Doe Maar destijds voornamelijk in benauwde zalen speelde die stampvol zaten met volkomen hysterische pubers.

Een andere herinnering kan ik, niet vanuit mijn geheugen maar dankzij Wikipedia, precies dateren. Op 20 februari 1984. Op het NOS Journaal dat in de woonkamer opstond hoorde ik een bericht dat me best een beetje verdrietig maakte. Doe Maar, de populairste band die Nederland ooit gekend had, ging stoppen. Er volgden beelden van de bandleden die belaagd werden door persmuskieten en de nieuwslezer liet de woorden “ze kunnen geen kant meer op” vallen. Ik vatte dat als vijfjarige letterlijk op en vond dat die journalisten en cameramensen dan maar eens even heel rap aan de kant moesten gaan. Ook vond ik dat de band nog helemaal niet mocht stoppen. Ik had ze nog niet zien optreden!

Ruim 23 jaar later was ik op de Mega Platen & CD Beurs in Utrecht. Bij een terrasje achterin de enorme hal vol met kraampjes stond een kniehoog podiumpje. Daarop zou de Nederlandse folkformatie CCC Inc een kleinschalig akoestisch reünie-optreden komen geven ter promotie van hun pas uitgekomen cd-box met al hun albums. Deze groep had in 1970 mogen spelen op het hoofdpodium van het legendarische Holland Pop Festival in Kralingen en datzelfde jaar een LP uitgebracht die in Nederland redelijk verkocht. Afgezien daarvan had de band, waarvan de leden inmiddels allemaal rond de zestig waren, geen commerciële successen gekend. CCC Inc dankte z’n bekendheid hoofdzakelijk aan het feit dat bandleden Ernst Jansz en Joost Belinfante elkaar later tegenkwamen in een ander bandje dat heel wat meer succes had. Doe Maar.

Geen idee hoeveel huidige vijfjarigen over 25 jaar hetzelfde zullen zeggen over K3, maar ik ben altijd een grote liefhebber van Doe Maar gebleven. Dus ging ik op die zaterdag in november 2007 kijken naar CCC Inc. Slechts enkele tientallen mensen hadden zich, met tassen vol zojuist aanschafte platen, in een halve kring om het minipodiumpje verzameld voor het bepaald niet groots aangekondigd optreden. Even later stonden ze voor me: Jansz, Belinfante en ook Doe Maar-gitarist Jan Hendriks, die mee kwam doen als gastmuzikant. En alsof daarmee het Doe Maar-gehalte nog niet niet hoog genoeg was speelden ze ook nog eens twee liedjes van die groep, ‘Nederwiet’ en ‘Tijd Genoeg’. Tussen het zoeken naar platen door kwam een wens van bijna een kwart eeuw eerder een beetje in vervulling. Alleen de boom, het grasveldje en zanger/bassist Hennie Vrienten ontbraken.

“En als je wil, dan is elk ogenblik voor jou” hoorde ik Ernst Jansz voor de zoveelhonderdste keer zingen in ’Tijd Genoeg’, maar nu voor de eerste keer live. En ik vond het wel een mooi momentje. Best een beetje gedenkwaardig.

Leave a comment »

De slechtste rockster aller tijden

Een mooie, zonnige namiddag op een zaterdag in juli 2004. Ik besefte me ineens dat ik wellicht nooit dichter zou gaan komen bij de fantasieën die ik had toen ik als kind op mijn slaapkamertje stond te playbacken met mijn goedkope akoestische gitaar. Ik was in Polen, een voor mij vreemd land waar ik nooit eerder geweest was en waar ik niemand kende. Ik stond in een groot park in Piaseczno, een voorstad van de hoofdstad Warschau, met mijn voeten op een flink podium en met een gitaar in mijn handen. Ik stond te spelen voor vele honderden mensen, misschien wel duizend. Voor de neuzen van mijn medebandleden en mij was een moshpit uitgebroken, er werd gesprongen en geduwd, er vlogen opblaasbare knuppels in het rond en mensen zongen luidkeels mee met onze nummers. Althans, zo leek het, veel monden gingen net zo overtuigend open en dicht bij onze splinternieuwe nummers die nog niemand kon kennen als bij het materiaal van onze debuut-cd.

Het publiek was eerder die dag opgewarmd door vijf Poolse groepen, daarop volgden de buitenlandse bands waarvan de namen ook een stuk prominenter op de grote, glanzende posters gedrukt stonden waarmee het festival aangekondigd was. En daar waren wij er dus één van, samen met groepen uit Amerika, Brazilië, Spanje en Duitsland. Ik was natuurlijk absoluut geen rockster, maar kon me er voor even wel eentje wanen. En dat voelde lekker. Het was een beetje alsof ik dan wel geen profvoetballer was bij PSV, maar toch maar mooi een oefenwedstrijdje mocht spelen in een redelijk gevuld Philips Stadion. Zelfs al kun je geen bal raken, in je eigen belevenis ben je dan eventjes Luc Nilis.

Ineens zag ik in een ooghoek een onvervalst rockcliché zich afspelen. Een mooie en overduidelijk dronken vrouw kwam moeizaam het podium op geklauterd, ze stond op en had het duidelijk voorzien op ons.

De eerste serieuze band waar ik in speelde, Striving Higher, kende een moeizaam bestaan. We repeteerden elke week fanatiek, we schrapten nummers die we niet goed genoeg meer vonden net zo snel als we nieuwe stukken schreven en we schraapten uit eigen zak het geld bij elkaar om onze eerste cd op te nemen en te laten persen. Die cd werd vervolgens positief ontvangen, maar veel leverde dat niet op. Het enige verschil was dat we daarna iets vaker dan voorheen voor een onkostenvergoeding en een paar consumptiebonnen mochten komen spelen in weer een kroeg in Brunssum, een jongerencentrum in Meddo of een muziekschooltje in Eersel.

Het was dan ook prettig dat ik in 2003 gitaar mocht komen spelen in een andere hardcoreband, Downslide. Weliswaar een pas opgerichte groep, maar wel eentje die bepaald niet vanaf nul hoefde te beginnen. Dankzij de reputatie en het netwerk die onze zanger opbouwde met zijn vorige bands kwam alles waar we met Striving Higher tevergeefs naar streefden bijna aangewaaid. Een in een vloek en een zucht uitverkochte demo, optredens als voorprogramma van populaire Amerikaanse bands, een cd en een 7″ op een mooi platenlabel met aanzien in het genre, optredens in Engeland, Frankrijk, Spanje, Duitsland, Polen…

Onze korte reeks van vier optredens in Duitsland en Polen in juli 2004 was bepaald niet glorieus begonnen. We trapten af in een schuur in Hamburg, waar we moesten vluchten voor een stel anarchisten die ons even niet meer zo aardig vonden. Daarop volgde een optreden in een kraakpand in het Poolse Gliwice, waar het publiek minder enthousiast op ons reageerde dan op de geïmproviseerde 90’s party die volgde. Maar het zonovergoten veld vol mensen in Piaseczno maakte een hoop goed.

Terwijl we zoals gebruikelijk ons best deden om energiek te spelen met zo min mogelijk pauzes tussen de nummers begon ik een beetje nerveus te worden. De vrouw die het podium op was gekomen had eerst onze andere gitarist aan de rechterkant van het podium te pakken gekregen. Ze was om hem heen gaan hangen en wat ze daarna deed, terwijl hij zo goed en zo kwaad als het ging doorspeelde, was wellicht een aanranding genoemd als hij het bij haar had gedaan. Vervolgens ging ze naar onze bassist, waarbij ze hetzelfde ritueel herhaalde. Ze keek nog even naar onze drummer, maar besefte dat het bij hem een lastig verhaal zou gaan worden met al die bekkens, trommels en standaarden om hem heen. Hij werd dus gespaard. Ik begon lichtelijk te zweten en vroeg me af hoe ik hier mee om zou gaan zodra ze bij mij zou arriveren. Er stonden immers honderden ogen op me gericht en leuk en spontaan omgaan met vreemde vrouwen is nooit één van mijn sterkste kanten geweest. Inmiddels was de zanger ten prooi gevallen aan onze momenteel grootste fan, al had hij het geluk dat hij in elk geval zijn handen vrij had. Terwijl ze nog om zijn nek hing zag ik dat de handtastelijke Poolse mij even van top tot teen inspecteerde. Ik wachtte op wat komen ging. Ze liet haar laatste slachtoffer los en begon weer vooruit te waggelen. Maar in plaats van mijn kant op te komen ging ze het podium af om zich te storten in de armen van de eerste de beste man die ze terug op de vaste grond tegenkwam, een fotograaf. Even later zag ik hem, samen met zijn nieuwe aanwinst, met een veelzeggende grijns weglopen.

Ik haalde opgelucht adem. Maar mijn rocksterillusies waren direct als sneeuw voor de warme Poolse zon verdwenen…

Piaseczno

Comments (1) »

Een legende in de kelder

In het Amerikaanse Saint Louis staat een restaurant dat Blueberry Hill heet. In de kelder is een zaaltje te vinden, waarin op elke derde woensdagavond van de maand een inmiddels 87-jarige man op komt treden. Hij speelt dan nummers die je zou kunnen kennen van Elvis Presley, The Beatles, The Rolling Stones, Led Zeppelin of The Beach Boys, om maar wat namen te noemen. Maar wat die de oude man speelt zijn geen covers. Al die legendarische bands hebben die nummers juist van hèm geleend.

Dat hij zijn oude hits niet zo heel goed meer uitvoert moet je hem gezien zijn leeftijd maar vergeven. Je gaat immers niet hoofdzakelijk naar een optreden van een bejaarde rocklegende om een goede performance voorgeschoteld te krijgen. Net zoals bijna niemand de Mona Lisa, het dodenmasker van Toetanchamon of de Venus van Milo alleen maar gaat bezichtigen omdat ze zo mooi zijn. Je gaat voornamelijk om later te kunnen zeggen dat je ze toch maar mooi een keer met eigen ogen hebt mogen aanschouwen.

De op 18 oktober 1926 in datzelfde Saint Louis geboren zanger, gitarist en liedjesschrijver Charles Edward Anderson Berry, zeg maar Chuck, was wellicht de eerste echte gitaarheld in de rockgeschiedenis en een onvervalste muziekpionier. Heel weinig muzikanten, misschien alleen Elvis en The Beatles, kunnen met net zoveel recht als deze voormalige kapper zeggen dat de ontwikkeling van de popmuziek anders zou zijn verlopen als zij zich er niet mee zouden hebben bemoeid. En zelfs al zegt zijn naam je weinig of niets, nummers als ‘Roll Over Beethoven’, ‘Sweet Little Sixteen’ en ‘Johnny B. Goode’ zul je vast wel herkennen. Ze zijn allemaal gemaakt volgens dezelfde ijzersterke formule: een eenvoudig doch swingend en energiek gespeeld bluesschema als basis, scherpe, korte gitaarsolo’s als decoratie en een miniatuurverhaaltje met kop en staart als songtekst. In een relatief korte glorietijd zette Berry een muzikaal nalatenschap neer dat zelfs niet meer verwoest kon worden door het feit dat hij in de decennia daarna vaker in de media kwam vanwege gerommel met jonge meisjes en het stiekem filmen van urinerende vrouwen dan met nieuwe muzikale wapenfeiten.

Zelf zag ik hem één keer optreden, vijf jaar geleden in Amsterdam. Berry was toen 82 jaar oud. He could play the guitar just like-a ringing a bell, zong hij ooit in één van zijn bekendste nummers. Nou, dat ging voor hemzelf inmiddels niet meer op. Zijn gitaarspel was beschamend slecht. En hij leek het zelf niet eens in de gaten te hebben, of hij weigerde het gewoon te erkennen. Mensen in het publiek keken elkaar bij de zoveelste tergend valse noot gepijnigd aan, “Crazy Legs” stond er op het podium echter bij alsof ze hem met open monden van bewondering aanstaarden. Zijn stem was er wel nog best redelijk aan toe en zijn bronstige haantjesgedrag was hij ook nog niet verloren. Maar waar zijn geflirt met vrouwen in het publiek en het paraderen met de borst fier vooruit er vroeger vast nog hartstikke macho uitzag, hield het nu het midden tussen eng en aandoenlijk. Waarschijnlijk kon het de man op het podium met zijn glittervestje en kapiteinspetje echter weinig schelen wat wij van hem vonden. Hij had nooit bewonderaars nodig gehad om hem de hemel in te prijzen, zijn ego was wat dat betreft aardig zelfvoorzienend. En bovendien, wat stelde dit ene publiek in de Heineken Music Hall op 19 november 2008 nou voor? Berry stond al op het podium toen de helft van dit gemiddeld toch al niet al te jonge publiek nog geboren moest worden.

Ik kan van mezelf wel zeggen dat ik geen doorsnee puber was. Zeker niet wat muzikale smaak betreft. Terwijl mijn klasgenoten luisterden naar 2 Unlimited, Captain Jack en Dr. Alban gaf ik als brugklasser mijn zakgeld uit aan cd’s met muziek die zelfs nog van voor de tijd van mijn ouders was. Wat eurohousehits als ‘No Limit’, ‘Rhythm is a Dancer’ en ‘All That She Wants’ waren voor mijn leeftijdsgenoten, dat waren stokoude jukeboxklassiekers als ‘Rock Around the Clock’, ‘Great Balls of Fire’ en ‘Roll Over Beethoven’ voor mij. Mijn interesse in oude rock ’n’ roll was begonnen bij Elvis Presley, via “The King” was ik vervolgens bij diens tijdgenoten uitgekomen. Bij Carl Perkins, Eddie Cochran, Gene Vincent, Jerry Lee Lewis, Bill Haley, Little Richard en Buddy Holly, maar vooral bij Chuck Berry. Gedurende de eerste jaren van mijn middelbare schooltijd was er geen stem die vaker uit de goedkope ghettoblaster op mijn zolderkamertje schalde dan de zijne.

Hoewel ik anno 2008 nog maar heel zelden een cd’tje opzette van mijn gewezen idool, was ik er dus bij toen de oude snoeper op een herfstavond onze hoofdstad aandeed. Ik moest wel. Als je me in 1991 had gezegd dat ik later ooit de mogelijkheid zou krijgen om naar een concert van Chuck Berry te gaan, bovendien met Jerry Lee Lewis in het voorprogramma, dan had je me daar niet achteraan moeten vertellen dat ik er uiteindelijk voor zou kiezen om toch maar gewoon thuis te blijven. Ik was het aan mijn jongere zelf verplicht om te gaan. En eigenlijk ook net zozeer aan de muziekliefhebber in mij die beseft dat de geschiedenisboekjes over rockmuziek zonder Chuck Berry best eens een stuk dunner en minder interessant hadden kunnen zijn.

De afgelopen twintig jaar heb ik vele honderden optredens bijgewoond. Daarvan waren er nuchter bekeken weinig slechter dan het concert van Chuck Berry. Maar er waren er wellicht nog minder waarvan ik met nog meer zekerheid weet dat ik het echt niet had willen missen.

Leave a comment »

O, kom er eens kijken wat ik op de platenbeurs vond

Mijn kindertijd was eigenlijk vrij overzichtelijk. Zo wist ik altijd ruim van tevoren wat het hoogtepunt van het jaar zou worden: de avond van 5 december. Het hele jaar door onthield ik elk stuk speelgoed dat ik graag wilde hebben maar niet kon betalen van mijn zakgeld, medio november kreeg Sinterklaas het verzoek om dat alles dan maar even aan te gaan schaffen. En ik zal wel een lief kind zijn geweest, want ik werd eigenlijk nooit teleurgesteld door de goedheiligman. Op elke pakjesavond stond een meer dan acceptabel deel van mijn verlanglijstje netjes ingepakt voor me klaar, aangevuld met wat verrassingen die Sinterklaas er zelf bij had bedacht. En daarna wilde ik natuurlijk niets liever dan een paar dagen thuis blijven om met mijn nieuwe aanwinsten te spelen.

Tegenwoordig krijg ik, als mijn agenda en financiën het toelaten, twee keer per jaar nog een beetje dat gevoel dat ik vroeger had op 5 december. En afgelopen zaterdag was het weer zo ver. Voor de tweede keer dit jaar werd in de Jaarbeurs in Utrecht de Mega Platen & CD Beurs gehouden, de grootste platenbeurs ter wereld. Ik moet mijn eigen cadeautjes daar natuurlijk zelf betalen, dat wel, maar desondanks zijn er genoeg overeenkomsten met de pakjesavonden van vroeger. Ik maak vooraf een verlanglijstje, vind doorgaans wel een deel(tje) daarvan, kom ook altijd wel wat verrassingen tegen waar ik niet op had gerekend en als ik in de trein terug naar huis de buit inventariseer zou ik mezelf het liefst zo snel mogelijk een paar uurtjes afzonderen met een stereo-installatie om alles uitgebreid te beluisteren.

Maar tegelijk is de platenbeurs een beetje een martelgang. Als ik in een vreemde stad ben dan struin ik als het even kan altijd even door wat achterafstraatjes in de hoop daar een leuk platenzaakje te vinden (de interessantste shops zitten nooit midden in het centrum) waarin ik één of twee uurtjes op jacht kan naar mooie uitbreidingen van mijn platencollectie. Op de Mega Platen & CD Beurs vind je de halve inventaris van honderden van precies dat soort winkeltjes uit heel Europa in één hal. Het aantal bakken, dozen en kratten propvol cd’s, lp’s, singletjes en memorabilia is er nauwelijks te tellen. Eigenlijk is het gekkenwerk. Bij bijna elk kraampje dat er staat zou ik een uur door kunnen brengen. Maar het zijn er honderden en na een uur of vier ben ik doorgaans wel weer uitgeput door het slenteren, de krankzinnige overdosis aan platen, de vele duwende, porrende en voordringende mannetjes en de gewichtige discussies over de Duitse persing uit 1968 van die Stones-lp die toch ècht beter gemasterd is dan de Franse persing uit 1971, of andersom.

Als ik weer naar buiten loop dan heb ik dus altijd toch een beetje het gevoel dat ik teveel over heb geslagen. Ik zou een hele dag kunnen vullen met alleen maar door ongesorteerde bakken met spotgoedkope lp’s spitten, op zoek naar koopjes. En een dag met het speuren naar nieuwe aanwinsten voor mijn collectie oude Beach Boys-singletjes. Een dag met het opsporen van obscure meesterwerkjes uit de late jaren zestig. Een dag met het vinden van nog meer van mijn favoriete liedjes op 45 toeren. Een paar uur met het vullen van wat gaten in mijn verzameling punkrock-cd’s. Een paar uur met zoeken naar bootlegs met nooit officieel uitgebracht materiaal van mijn favoriete bands. Zie dat allemaal maar eens bevredigend te doseren in een uur of vier.

Maar als ik daarna in de trein terug nog eens bekijk wat ik ook alweer allemaal op de kop getikt heb, dan ben ik eigenlijk nooit ontevreden. Dan zitten in mijn rugzak toch maar mooi de, binnen mijn budget, meest interessante platen die ik in die hele gigantische hal tegen ben gekomen. En dan ben ik een beetje mijn eigen Sinterklaas.

Met als groot voordeel dat ik, in tegenstelling tot de goedheiligman, op mijn pakjesavonden niet elke keer weer naar dezelfde pakweg tien liedjes hoef te luisteren.

Leave a comment »

Concertrecensie: Green Day @ Pinkpop 2013

Op 28 augustus 1998 stond ik voor een groot dilemma. Ik was op het festival Lowlands en de optredens van Green Day en de Beastie Boys, twee bands die ik destijds al enkele jaren zowat verafgoodde, zouden elkaar deels gaan overlappen. Ik koos er uiteindelijk voor om twintig minuten van Green Day mee te pikken, daarna ging ik als een speer maar met pijn in het hart naar het Alpha-podium voor de Beastie Boys. Dan zou ik Green Day een ander keertje nog wel zien, nam ik mezelf voor. In de jaren die volgden deed Green Day Nederland nog meerdere keren aan, maar om verschillende redenen was ik daar steeds niet bij. Nu, vijftien jaar later, vond ik dat het er maar eens van moest komen.

Enigszins opgelucht lopen mijn vriendin en ik rond elf uur het festivalterrein van Pinkpop op, waar een uurtje later de derde en laatste dag van de 44e editie van dit festival zal beginnen. De bijna verdacht goedkoop op Marktplaats gekochte kaartjes blijken gelukkig niet te mooi om waar te zijn, als de barcodes gescand worden gaan de lampjes gewoon op groen. En een financiële meevaller is op Pinkpop (of elk ander groot festival) nooit weg, aangezien de prijzen er ronduit belachelijk zijn: zelfs voor iets simpels als een Magnum-ijsje, een schijfje meloen of een wit bolletje kaas plus een bekertje melk betaal je hier vijf euro.

De eerste band die we op de al aangenaam warme voormiddag zien is Puggy, een in België gebaseerd trio dat bestaat uit een Engelse zanger/gitarist, een Zweedse drummer en een Franse bassist, vandaag op enkele nummers aangevuld met een Belgische toetsenist. De band speelt op de Brand Bier Stage fijne popliedjes vol variatie, sterke melodiën, mooie koortjes en hoge stemmetjes, maar met name de energieke drummer Egil Franzén zorgt dat er ook altijd genoeg pit in zit. Met System Of A Down’s ‘Toxicity’ wordt daarnaast een verrassende cover gespeeld. Het enige wat op het optreden van dit kleine internationale gezelschap aangemerkt kan worden is dat er best wat minder drum- en percussie-intermezzo’s in mogen zitten, desondanks: een aangename verrassing.

Na, van een afstandje, flarden van Trixie Whitley en het bijzonder vervelende Will & The People mee te hebben gekregen gaan we bij de 3FM Stage kijken naar de Nederlandse singer/songwriter Johannes Sigmond, beter bekend als Blaudzun. Hij heeft een uitgebreide band bij en 3FM-hits als ‘Flame on my Head’ en ‘Elephants’ in z’n repertoir, maar weet op dit grote podium toch niet volledig te overtuigen. Sigmond is geen grote podiumpersoonlijkheid en zijn trucjes worden al snel eentonig: steeds die klaagstem, steeds die afwisseling tussen zacht en hard, steeds weer die monotoon doordreunende percussie op de hevigere gedeeltes.

Op hetzelfde podium zien we even later Stereophonics. Een opvallende keuze van de Pinkpop-programmeurs: de band uit Wales scoort in Groot-Brittanië nog wel zo nu en dan een klein hitje, maar is in Nederland al enige tijd uit beeld verdwenen bij het grote publiek. Menigeen zal ‘Have a Nice Day’, ‘Maybe Tomorrow’ en de Chris Farlowe-cover ‘Handbags and Gladrags’ nog mee kunnen zingen, maar deze nummers zijn inmiddels tien tot twaalf jaar oud. De band van frontman Kelly Jones lijkt er niet bijzonder op te zijn gebrand om zieltjes (terug) te winnen. Veel van hun nummers kabbelen ongeïnspireerd voorbij of proberen geforceerd lichtjes te rocken en de mannen staan op het podium met het enthousiasme van een stel ambtenaren op maandagochtend. Interactie met het publiek blijft grotendeels beperkt tot aankondigingen als “This is the first single from our new album”.

Liggend op het grote grasveld voor het hoofdpodium horen we daarna dat het optreden van Ben Howard in de smaak valt, vooral bij het vrouwelijke deel van het publiek. Als de Britse singer/songwriter klaar is gaan we naar het afgeschermde voorste vak om alvast een goede plek te hebben bij Green Day. De band komt om half negen het podium op na maar liefst drie introliedjes (‘Bohemian Rhapsody’ van Queen, ‘Blitzkrieg Bop’ van de Ramones en ‘The Good, the Bad and the Ugly’ van Ennio Morricone) en een stukje cheerleaden door een man in een roze konijnenpak.

Green Day is inmiddels allang niet meer de band waar ik in 1994 als zestienjarige zo gek op werd. Die Green Day was een band zonder franje. Drie bandleden, liedjes van iets meer dan twee minuten met vier à vijf akkoorden, optredens in T-shirts en afgeknipte spijkerbroeken. Die Green Day bestaat niet meer. Tegenwoordig maken de heren lang(dradig)e epische punkpop-opera’s en staan ze op het podium met drie extra muzikanten. Niet omdat alle liedjes dat nou zo heel erg nodig hebben, maar vooral omdat frontman Billie Joe Armstrong dan z’n handen vrij heeft om heel veel theater te maken en zich de punkrockversie van Freddie Mercury te kunnen wanen. Zijn gitaar hangt vooral nog als een accessoire om zijn schouwers. Van de twee doelgroepen die de formatie uit Oakland inmiddels te bedienen heeft komt, zoals verwacht, eerst de meeste recente aan bod. Relatief nieuwere hits als ‘Know Your Enemy’, ‘Oh Love’, ‘Holiday’ en ‘Boulevard of Broken Dreams’ gaan er bij het merendeel van het publiek in als koek.

Dan hangt Billie Joe zijn herkenbare lichtblauwe, met stickers bedekte Fernandes Stratocaster om (of één van de exacte replica’s die hij daarvan schijnt te hebben laten maken) en weten mijn generatiegenoten en ik dat wij aan de beurt zijn. Nu gaan er nummers komen van ‘Dookie’, het album dat in 1994 één van mijn hoofdredenen was om gitaar te gaan leren spelen en naar punkrock te gaan luisteren, twee beslissingen waar ik nog vrijwel dagelijks plezier aan beleef. Met ‘Burnout’, ‘Welcome to Paradise’, ‘Longview’, ‘Basket Case’, ‘When I Come Around’ en ‘She’ worden uiteindelijk zes nummers gespeeld van deze plaat, een bevredigend aantal, bovendien worden ze onberispelijk uitgevoerd. Een fan uit het publiek krijgt de dag van zijn leven als hij met grote ogen een deel van ‘Longview’ mag zingen en als bedankje een gitaar mee naar huis krijgt. Voor mij is het allemaal genoeg om Billie Joe & co de tenenkrommende carnavalsshow te vergeven die vervolgens op het podium uitbreekt, inclusief malle hoedjes, grote brillen en BH’s en een melige covermedley. Ze doen maar.

Na twee uur verlaat Green Day even het podium, om uiteraard snel weer terug te komen voor een toegift. Ik heb vooraf enkele recente setlists van de band doorgenomen en weet dat er voor mij niets interessants gespeeld meer zal worden. We verlaten om de grootste drukte voor te zijn het festivalterrein. De temperatuur is nog aangenaam en terwijl we de Wilhelminaberg beklimmen op weg naar onze parkeerplaats spelen mijn oude jeugdhelden in de verte nog een paar nummer van na mijn tijd.

Comments (1) »

Concertrecensies: Groezrock 2013 Dag 2 en Bootleg Beatles

Groezrock, Dag 2 @ Meerhout-Gestel, 28 april 2013

In 1992 werd in het Vlaamse gehuchtje Gestel, bij Meerhout, een klein rockfestivalletje georganiseerd: Groezrock. Vier bandjes waar je vast nog nooit gehoord hebt (Grandma’s Toy, Buckle Juice, Dinky Toys en Pitti Polak) mochten voor zo’n tweehonderd bezoekers hun ding doen. Vijf edities lang bleef Groezrock (de eerste helft van de naam is plaatselijk dialect voor gras) een marginaal festival met pop- en rockbandjes die niet direct als grote publiekstrekkers te boek stonden. Toen kreeg de organisatie in de gaten dat er een doelgroep was die geen bands nodig had die de hitlijsten domineerden om toch redelijk massaal op te komen draven: de punkrockers. Vanaf 1997 stonden op het affiche van Groezrock alleen nog punkrockbands.

De eerste keer dat ik het festival bezocht was in 1999. Alhoewel Groezrock inmiddels al een viercijferig aantal bezoekers trok was het nog altijd een vrij kleinschalig opgezet evenement. Het duurde een halve dag en vond plaats in een tent op een grasveldje midden in een woonwijk. Leden van de plaatselijke wielervereniging stonden het entreegeld te innen (waarvoor je een stempel op je hand kreeg) en de buurvrouwen zorgden met van thuis meegenomen frituurpannen voor de catering. In rondjes geknipte stukjes vloerzijl dienden als drankbonnen. Je auto kon je nog gewoon vlakbij het festivalterrein langs de weg zetten en de festivalcamping was niet veel groter dan een flinke achtertuin.

Sinds 1999 heb ik geen enkele editie van Groezrock meer gemist, ik heb het geleidelijk zien groeien tot wat het nu is: een tweedaags evenement met vijf podia, bijna honderd bands, zo’n 40.000 bezoekers en vrij pittige prijzen. Voor twee dagen festival plus camping betaal je 125 euro, parkeren kost een tientje en voor een snack ben je al snel vier euro kwijt. Veel gevorderde Groezrock-gangers klagen al jaren steen en been over de massaliteit, de vercommercialisering en de toegangsprijs van het festival, maar dat alles heeft ook zo z’n voordelen: het begint er met het jaar meer op te lijken dat er binnen de punkrock en aanverwante genres vrijwel geen bands meer zijn die voor de organisatie niet haalbaar zijn. Hele grote jongens als NOFX, Rancid, Bad Religion, Rise Against en Dropkick Murphys stonden de afgelopen jaren meerdere malen in Gestel, terwijl reünieoptredens van lang geleden gestopte bands als Gorilla Biscuits, DYS, Lifetime, Refused, Face To Face en CIV de line-up soms een bijna surrealistisch tintje gaven.

Om verschillende praktische en financiële redenen besloten mijn vriendin en ik dit jaar mijn vijftiende en haar tweede editie van Groezrock te beperken tot alleen de zondag, de laatste van de twee festivaldagen. Met pijn in het hart liet ik dus de zaterdag en daarmee onder meer Pennywise, Pulley, Texas Is The Reason, Joey Cape’s Bad Loud, Kid Dynamite, Walter Schreifels en Russ Rankin schieten. Gelukkig had de zondag nog genoeg interessants te bieden: op mijn tijdschema omcirkelde ik alvast persoonlijke favorieten als Bad Religion, Black Flag, Into Another, Strung Out en The Ataris.

Op de zonnige, droge maar voor de tijd van het jaar nog behoorlijk frisse ochtend van 28 april 2013 betreden we na een hele wandeling vanaf de geïmproviseerde parkeerplaats het festivalterrein. Er spelen voorlopig nog even geen bands die ik per sé hoef te zien (mijn vriendin is vooral voor de gezelligheid en het festivalgevoel mee gegaan en hoeft sowieso niet specifiek iets te zien), maar dat geeft niet zoveel. Je kunt op goed geluk bij één van de vijf podia naar een bandje gaan kijken. Op de Monster Stage spelen vooral de grotere punkrockbands, voor bands met meer metalinvloeden is er de Impericon Stage, voor hardcore kun je bij de Etnies Stage terecht, de Acoustic Stage heeft een bonte mix van singer/songwriters en (leden van) punkbands die gestripte versies van hun nummers spelen en op de kleine MacBeth Stage mag relatief onbekend talent zich in de kijker proberen te spelen. En heb je sowieso even geen zin in optredens, dan kun je in één van de twee merchandise-tenten cd’s, platen en kleding gaan kopen, op het gras een biertje drinken of wat gaan eten. Sinds vorig jaar wordt gelukkig ook voor de vegetariërs goed gezorgd, met een rij standjes die uitsluitend vegetarisch en veganistisch voedsel verkopen.

De eerste band die we zien is The Flatliners op de Monster Stage. Van dit soort melodieuze punkrockbands met een rauw randje gaan er voor mijn gevoel dertien in een dozijn. Daarna is het op dat zelfde podium de beurt aan The Ataris, dat ik op cd een aardige band vind (voornamelijk op de vroege albums), maar dat me live nooit erg heeft kunnen bekoren. Frontman Kris Roe maakt op de één of andere manier nooit een erg sympathieke indruk en wekt vandaag ook enige irritatie door na bijna elk nummer opnieuw zijn gitaar te stemmen. Dat de band afsluit met de Don Henley-cover ‘The Boys of Summer’ en mijn persoonlijke favoriet ‘San Dimas High School Football Rules’ compenseert wel wat. Strung Out-frontman Jason Cruz, tegenwoordig voorzien van een afzichtelijke Freddie Mercury-snor, laat weten dat hij high wil worden voordat hij vanavond naar headliner Bad Religion gaat kijken. Zijn praatjes tussen de nummers door wekken de indruk dat hij sowieso al iets geestverruimends geconsumeerd heeft. Zijn band werkt het optreden geroutineerd af, maar dat is het eigenlijk wel.

Op het Acoustic Stage speelt wat later de Nederlandse folk/punk-troubadour Tim Vantol, waar ik al veel òver maar nog nooit wat vàn had gehoord. Zijn opgefokte Americana-sound, compleet met contrabas, banjo en viool, is niet naar mijn smaak en dus kan ik er ook niet zoveel mee. Rocky Votolato, die later helemaal in z’n eentje op datzelfde podium speelt met alleen een akoestische gitaar en mondharmonica, maakt heel wat meer indruk op me. Alhoewel ik nog totaal onbekend met hem en zijn muziek ben had ik best nog heel wat langer dan veertig minuten naar zijn soepele, heldere stem en fraaie, eenvoudige, melodieuze liedjes kunnen luisteren. Op de Monster Stage is daarna The Used aan de beurt. Muzikaal doet de wat rommelige punkrock van de band me niets en de arrogante houding en rockstermaniertjes van frontman Bert McCracken gaan al snel irriteren. Dat de band er gedurende één nummer in slaagt om twee keer een “wall of death” te laten mislukken is bovendien lachwekkend. De groep lijkt nog even wat punten te gaan scoren als na de aankondiging “This is the best song ever written!” het intro van Nirvana’s ‘Smells Like Teen Spirit’ klinkt, maar na een paar seconden schakelt men helaas weer over op een eigen werkje. Op de Etnies Stage speelt wat later Into Another, een uit de New Yorkse hardcorescene voortgekomen rockband die actief was in de eerste helft van de jaren negentig, om na 16 jaar inactiviteit in 2012 de draad weer op te pikken. Met z’n relatief trage, groovy sound is het gezelschap een wat vreemde eend in de bijt op Groezrock, wat te merken is aan een maar heel matig gevulde tent. Zonde.

De wellicht meest opmerkelijke naam op het programma van Groezrock 2013 is Flag, dat bestaat uit vier ex-leden van de legendarische hardcoreband Black Flag (die bestond van 1976 tot 1986), aangevuld met All- en Descendents-gitarist Stephen Egerton. Dat veteranen Keith Morris (57), Dez Cadena (51), Chuck Dukowski (59) en Bill Stevenson (49) op het podium niet meer zo wild en maniakaal overkomen als op de oude Black Flag-platen valt hen nauwelijks kwalijk te nemen. De vele stagedivers en de setlist vol klassiekers als ‘Fix Me’, ‘Nervous Breakdown’, ‘Six Pack’, ‘Depression’ en ‘Gimmie Gimmie Gimmie’ (ik hoor een man naast me zeggen dat hij meer nummers herkent dan hij van Black Flag dacht te kennen, waarschijnlijk gaat dit voor meer mensen wel op) maken echter een hoop goed. Ietwat pijnlijk is het dat halverwege de set de toch al niet overdreven goed gevulde tent deels leegloopt om bij de Monster Stage naar Bad Religion te gaan kijken. Het feit dat daar de tent echter ook niet overdreven vol staat bevestigd het vermoeden dat deze editie van Groezrock toch niet zo goed bezocht is als de vorigen. Bad Religion maalt er niet om. De Californische punkiconen, die al 33 jaar onafgebroken actief zijn, staan zonder opgaaf van reden vanavond maar met z’n vieren op het podium, ritmegitarist Greg Hetson ontbreekt en dat doet toch een beetje afbreuk aan de sound. Met inmiddels zestien studio-albums op hun naam kunnen de heren uit een flink repertoir putten, vandaag weten ze daar al vroeg in de set bijna al mijn favorieten uit te pikken: ‘Generator’, ‘You’, ‘No Control’, ‘Punk Rock Song’, ‘Do What You Want’, ‘We’re Only Gonna Die’, ‘Sinister Rouge’.

Omdat Bad Religion al zo vroeg de nummers die ik graag wilde horen afwerkte is het wat minder pijnlijk om een kwartiertje voor het einde van de set toch maar weer de auto op te gaan zoeken om de grote drukte voor te zijn. Op weg naar de auto passeren we de camping en ben ik toch wel blij om vanavond gewoon in een bed te kunnen slapen, met een schoon toilet op een paar meter afstand. Het lijkt erop dat ik een ouwe lul begin te worden. Zeker omdat ik me bedenk dat Bad Religion, Flag en Rocky Votolato, oftewel een 33 jaar oude band, een 37 jaar oude band en een akoestische singer/songwriter, de hoogtepunten waren van mijn vijftiende Groezrock. Toch zou ik hier best nog vijftien keer terug willen komen.

The Bootleg Beatles @ Effenaar, Eindhoven, 17 april 2013

Een ouwe lul voel ik me niet zozeer op 17 april 2013 in de Effenaar, aangezien de helft van het publiek hier oud genoeg is om mijn vader of moeder te zijn. Sterker nog, mijn ouders en die van mijn vriendin zijn er ook. De nummers die vanavond gespeeld gaan worden zijn dan ook allemaal tussen de 43 en 51 jaar oud. De band die ze uit zal gaan voeren is de hoogst aangeschreven staande Beatles-coverband ter wereld, The Bootleg Beatles. Zeker voor een cover-act heeft deze groep toch een imponerend cv op weten te bouwen: men trad in 33 jaar tijd (in verschillende samenstellingen) zo’n vierduizend keer op, onder meer in het voorprogramma van Oasis, op het gouden jubileum van de Britse koningin en op grote festivals als Glastonbury. Daarnaast mocht leadgitarist Andre Barreau van Robbie Williams de solo’s inspelen op zijn hitsingle ‘Angels’.

The Bootleg Beatles zijn dan ook meer dan zomaar een bandje dat zomaar wat bekende Beatles-hits naspeelt. Muzikaal klinken de Britten akelig authentiek, de stemmen komen heel aardig in de buurt van het echte werk en de maniertjes, uitspraken en lichaamshoudingen van John Lennon, Paul McCartney, George Harrison en Ringo Starr worden tot in de puntjes gekopieerd. Paul McCartney-imitator Steve White is zelfs zover gegaan dat hij, alhoewel van nature rechtshandig, net als “Macca” nu linkshandig speelt. Wel moet je voor het gemak even vergeten dat Barreau (als enige al sinds de oprichting in 1980 van de partij) en White veel te oude koppen hebben om nog door te kunnen gaan voor respectievelijk George en Paul als twintigers. Nieuwkomer Adam Hastings lijkt daarentegen op werkelijk alle fronten griezelig veel op John Lennon in zijn Beatles-jaren. Het “Orchestra” dat volgens de aankondigingen met de band mee zal spelen is overigens nogal karig, het bestaat uit slechts drie personen.

De set is verdeeld in vier delen die elk staan voor een fase uit de loopbaan van The Beatles. Deel één is “Beatlemania”, waarin vroege hits als ‘I Want to Hold Your Hand’, ‘Please Please Me’, ‘She Loves You’ en ‘Love Me Do’ worden gespeeld, uiteraard in de kostuums die de band circa 1963 droeg, met bijpassende pruiken. White doet zijn best om net als de jonge Paul McCartney schatting met zijn hoofd te schudden en grote ogen op te zetten, Barreau en drummer Hugo Degenhardt blijven gepast op de achtergrond en Hastings maakt licht bijtende Lennon-achtige grapjes. “Where did the screaming go?”, vraagt hij zich af. Terwijl het geluid van de echte Beatles vroeger verzoop in dat van duizenden hysterisch schreeuwend tienermeisjes moeten The Bootleg Beatles het nu doen met beleefd applaus. In het tweede deel hebben de heren zich omgekleed en dragen ze de kleding die hun voorbeelden droegen tijdens het legendarische optreden in Shea Stadium in 1965. De setlist neemt een iets avontuurlijkere wending, hits als ‘Help!’ en ‘Ticket to Ride’ worden nu afgewisseld met wat minder bekende albumtracks als ‘Run for Your Life’ en ‘She’s a Woman’.

Na een korte pauze is de groep terug voor deel drie van het concert. In de bekende Sgt. Pepper-pakken wordt de psychedelische fase van The Fab Four onder handen genomen, met nummers als ‘Strawberry Fields Forever’, ‘Penny Lane’ en ‘Lucy in the Sky with Diamonds’. Nadat eerder “John” ‘You’ve Got to Hide Your Love Away’ solo heeft mogen spelen is nu “George” aan de beurt voor zijn momentje in de spotlight, met een fraaie, in zijn eentje akoestisch uitgevoerde versie van ‘While My Guitar Gently Weeps’. Direct daarna begint het laatste deel van de set, in de kleding die The Beatles droegen tijdens hun laatste publieke optreden, het befaamde “Rooftop Concert” in 1969 (een optreden dat The Bootleg Beatles dertig jaar later op dezelfde plek dunnetjes over mochten doen). Nu komen latere rock ‘n’ roll-hits als ‘Come Together’, ‘Get Back’ en ‘The Ballad of John and Yoko’ voorbij. Uiteraard is ‘Hey Jude’ de onvermijdelijke uitsmijter van de reguliere set. De avond wordt afgesloten met een korte toegift die bestaat uit ‘Back in the USSR’ en de Beatles-versie van Little Richard’s ‘Long Tall Sally’. Daarmee zit het ongeveer twee en een half uur durende concert er op. Zelfs de mensen in het publiek die geen echte grote Beatles-fans zijn zullen op een handjevol albumtracks na alle nummers herkend hebben. En dan zijn nog niet eens alle Beatles-klassiekers gespeeld, onder meer ‘Let It Be’, ‘All You Need is Love’, ‘Yellow Submarine’ en ‘Yesterday’ ontbraken.

Een kans om de echte Beatles ooit nog eens live te zien krijg je natuurlijk niet meer. Het beste alternatief is om nog eens een concert van Paul McCartney mee te pikken, die nog altijd uitsteken in vorm is en zijn setlist voor 2/3 vult met Beatles-klassiekers. Maar meteen daarna zijn The Bootleg Beatles het beste surrogaat.

Leave a comment »

Live

Op 2 juli 1995 mocht ik als zestienjarige met een oudere neef en zijn vrienden mee naar Rock Werchter. Grote namen die op dat festival speelden waren REM, The Cure, Therapy?, The Offspring en, met terugwerkende kracht (want toen nog lang niet zo bekend als nu), Jeff Buckley. Ik had daarvoor al wel wat locale bandjes zien spelen in kroegen en zaaltjes, maar dit was mijn eerste echte concert, met bands die daadwerkelijk iets uitgebracht hadden en die speelden voor meer mensen dan alleen hun eigen vrienden en familie en toevallig aanwezige stamgasten.

In de jaren daarna bezocht ik elke zomer twee of drie festivals. In 1997 begon ik ook naar optredens in popzalen te gaan. Aanvankelijk maar zo af en toe, vanaf 1999 vrijwel wekelijks. Meestal ging ik dan met vrienden naar punk- en hardcorebands kijken. En vanaf 2001 stond ik met de bands waar ik inmiddels zelf in speelde steeds vaker op het podium, met als bijkomend voordeel dat ik de bands die voor en/of na ons speelden gratis kon zien. Dat duurde tot 2005. Mijn twee meest actieve bands werden opgeheven, vrienden verhuisden en mijn behoefte aan weer vier of vijf bands zien per weekend nam drastisch af. Tegenwoordig ga ik niet zo heel vaak meer naar optredens kijken, gemiddeld nog een keer of tien per jaar. En elke keer neem ik me dan voor om toch weer eens wat vaker te gaan.

Als ik vijf optredens die ik gezien heb zou kunnen herbeleven, welke zou ik dan kiezen? Op chronologische volgorde:

Shelter @ Biebop, Vosselaar (B), 27 februari 1998
Vanaf 1996 ging ik naar het Grafisch Lyceum in Eindhoven. Dat betekende dat ik dagelijks twee keer een uur met de bus moest gaan reizen. Veel van die uren heb ik doorgebracht met m’n discman en een cd van mijn destijds favoriete band, Shelter. Meestal ‘Beyond Planet Earth’ uit 1997 of ‘Attaining the Supreme’ uit 1993, soms voor de afwisseling ‘Mantra’ uit 1995 of ‘Quest for Certainty’ uit 1992. Alleen ‘Perfection of Desire’ uit 1990 negeerde ik doorgaans, die vond ik wat minder sterk. Voor mij was Shelter op dat moment de perfecte band. Ik hield van de energie, snelheid en attitude van punk en hardcore, maar stiekem ook van goeie, frisse, pakkende popliedjes. Ik hield van bands die muzikaal wat meer te bieden hadden dan alleen maar een eenvoudig rijtje powerakkoorden, maar die ook weer niet dermate moeilijk deden dat ik als destijds beginnend gitarist niet met hun cd’s mee kon spelen. En van groepen met een macho-houding moest ik sowieso niets hebben, ik was zelf immers geen macho en had ook niet de behoefte om te doen alsof. In al die opzichten was ik bij Shelter aan het juiste adres. De band speelde een uniek mengsel met invloeden uit hardcore, punk, pop, rock, new wave en oosterse muziek, voorzien van intelligente teksten die me aanspraken en nieuwsgierig maakten. Dat zanger Ray Cappo en gitarist John Porcelly zich actief bezig hielden met het verspreiden van de Hare Krishna-leer vond ik niet storend, je hoeft immers niet noodzakelijk religieus te zijn om je te kunnen vinden in songteksten met kritiek op egoïsme, materialisme, racisme, massaconsumptie en de vleesindustrie. Toen ik Shelter voor de eerste keer live zag, in februari 1998 in een kleine zaal in het Belgische Vosselaar, bleek bovendien dat de groep live veel meer was dan slechts een band die de nummers speelde die ik al zo vaak uit mijn discman had horen komen. Cappo was de beste frontman die ik ooit aan het werk zag. Energiek, charismatisch, overtuigend, bevlogen. De helft van de tijd lag hij op of hing hij tussen het publiek dat al zijn teksten luidkeels mee schreeuwde, de rest van de tijd stuiterde hij over het podium alsof er springveren onder zijn schoenen zaten. Als hij praatte hing ik aan zijn lippen, ik ging bijna begrijpen hoe mensen zich konden laten inpakken door een welbespraakte sekteleider. Het was magisch. Na die avond heb ik Shelter nog negen keer live gezien, elke keer brokkelde de magie wat verder af. Toen de heren in 2000 weer op tournee kwamen was het ineens een stuk plichtmatiger en zag ik Cappo, eens een vrome Krishna-monnik, na optredens fans die een praatje wilde maken afwimpelen omdat hij meer interesse had in een stel groupies. In 2005 nam hij niet eens meer de moeite om de rest van de band mee te nemen uit Amerika en zag ik hem in de Tilburgse 013 op het podium staan met haastig bij elkaar gesprokkelde en nauwelijks op elkaar ingespeelde Nederlandse muzikanten. Het was ronduit beschamend. Ook de laatste twee albums van de band waren om te janken. Eens in de zoveel tijd zoek ik op YouTube weer wat beelden op van Shelter uit de jaren negentig, zelfs op de meest krakkemikkige video’s spat de kracht er nog vanaf. Ik heb niks met religieus fanatisme, maar mocht Cappo ooit weer terug het klooster ingaan dan juich ik dat volledig toe en sta ik bij de eerstvolgende Shelter-tournee weer vooraan.

Beastie Boys @ Lowlands, Biddinghuizen, 28 augustus 1998
Als middelbare scholier had ik zo’n enorme afkeer van de destijds populaire muziek (2 Unlimited, 2 Brothers Of The 4th Floor, Snap, etcetera) dat ik jarenlang m’n toevlucht zocht in de zoete, nostalgische muziek van de jaren vijftig en vroege jaren zestig. Pas toen ik in 1994 het album ‘Ill Communication’ van de Beastie Boys ontdekte liet ik me het muzikale heden in sleuren. Vrijwel gelijktijdig kwam ik in aanraking met Green Day’s doorbraakalbum ‘Dookie’. Deze plaat werd één van mijn voornaamste redenen om toch maar eens te gaan leren spelen op die gitaar die al jaren decoratief stond te zijn op mijn slaapkamer, tevens smaakte het genoeg naar meer om me serieus te gaan verdiepen in het genre punkrock, met alle gevolgen van dien. Er zijn dus weinig of geen albums die een grotere invloed hadden op mij als tiener en ik heb ze allebei helemaal aan gort gedraaid. Het was dan ook een behoorlijk wrede speling van het lot dat op de eerste avond van Lowlands 1998 Green Day en de Beastie Boys vrijwel gelijktijdig geprogrammeerd stonden. Green Day van half tien tot half elf in de Golf-tent, de Beastie Boys van tien uur tot half twaalf in de Alpha-tent. Ik stond voor groot dilemma, maar na lang wikken en wegen besloot ik om met pijn in het hart Green Day maar op te offeren. Ik pikte de eerste vijftien, twintig minuten van hun optreden nog even mee en ging daarna naar de Alpha-tent om een beetje vooraan te kunnen staan bij de Beastie Boys. Het optreden van mijn helden uit New York was een puinhoop. Omdat de Alpha-tent veel te vol stond dreigden de dranghekken vooraan het te begeven, waardoor de rappers zich verschillende malen genoodzaakt zagen om nummers te onderbreken. Het kwam ze op steeds luider boe-geroep te staan, onterecht natuurlijk. Een wat meer storende factor vond ik de nieuwe DJ van de groep, Mix Master Mike, die strooide met overbodige scratches en regelmatig de originele backing track van een nummer halverwege verwisselde voor een nieuwe beat. Maar veel gaf dat allemaal niet. De setlist van die avond had ik zelf niet veel beter samen kunnen stellen. In een mooie, evenwichtige mix met nummers van hun destijds laatste drie albums, plus een paar oudjes, kwamen bijna al mijn favoriete kwamen voorbij: ‘Sure Shot’, ‘Shake Your Rump’, ‘Time For Livin”, ‘Flute Loop’, ‘Alright Hear This’, ‘Egg Raid on Mojo’, ‘Tough Guy’, ‘Root Down’, ‘Gratitude’. Alles kon ik meezingen. Dus spijt dat ik niet naar Green Day was gegaan? Geen minuut. Die zou ik later nog wel een keertje kunnen zien, dacht ik. Inmiddels zijn we veertien jaar verder en zowel Green Day als de Beastie Boys heb ik tot dusver geen tweede keer gezien. Maar Green Day staat komend jaar op Pinkpop en Rock Werchter en na het overlijden van Adam Yauch in mei van dit jaar zit een herkansing bij de Beastie Boys er hoogstwaarschijnlijk niet meer in.

The Polyphonic Spree @ Pukkelpop, Hasselt-Kiewit (B), 18 augustus 2005
Ik vind naar een concert gaan toch het leukst als ik bijna alle nummers ken, of ten minste herken. Hoe goed een band ook is, zonder herkenningspuntjes is het moeilijk om een heel optreden lang geboeid te blijven. Ondanks dat ik maar één nummer van hen goed kende, ‘Section 12 (Hold Me Now)’, wilde ik op Pukkelpop 2005 toch erg graag The Polyphonic Spree zien. Hun melodieuze, bombastische, rijkelijk georkestreerde sound sprak me aan en wat ik over de groep wist maakte me nieuwsgierig. De band bestond uit ongeveer 25 leden die op het podium allemaal dezelfde gewaden droegen en hun nummers noemden ze “sections”: debuutalbum ‘The Beginning Stages Of…’ bestond uit “sections” één tot en met tien, album twee ‘Together We’ve Heavy’ ging vrolijk verder met elf tot en met twintig. Op de eerste dag van Pukkelpop 2005 betrad de groep onder leiding van frontman Tim DeLaughter om acht uur het podium van de Marquee-tent: een drummer, een bassist, twee gitaristen, een paar toetsenisten, een harpiste, een blazers- en strijkerssectie en een koor. Wat volgde was een explosie van geluid die te omschrijven was als het muzikale equivalent van wakker worden op een dag in de juli, de gordijnen opentrekken en verblind worden door een stralende zon. Een grote brei van geluiden, allemaal mooi, melodieus en reikend naar de hemel. En de band stond op het podium als een sekte die zojuist de Messias in eigen persoon op bezoek had gekregen, alle pak ‘m beet 25 gingen ze volledig uit hun plaat. Eén zorgde nog even voor een spannend momentje toen hij met een trommel onder een arm besloot om één van de masten van de tent te beklimmen. Toen hij weer beneden was begon hij als een bezetene door het publiek te rennen. Ik hoorde gedurende het optreden dus maar één bekend nummer, maar ondanks het vrijwel ontbreken van herkenningspunten had The Polyphonic Spree van mij nog uren door mogen spelen. Even later zag ik No Use For A Name elders op het festivalterrein spelen, één van mijn favoriete bands. Ik vond ze eigenlijk maar een beetje saai, die avond.

Paul McCartney @ GelreDome, Arnhem, 9 december 2009
Vooropgesteld: ik ben een grote fan van The Beatles, na The Beach Boys is het mijn favoriete band. En Paul McCartney is altijd mijn favoriete Beatle geweest. Het merendeel van mijn favoriete Beatles-liedjes zijn composities van Paul, ik vind hem een betere zanger en muzikant dan John en bovendien lijkt het me een wat aardigere vent. Daarnaast hebben we het één en ander gemeen: donkerbruin haar, vegetariër zijn, linkshandig gitaar en bas spelen maar rechtshandig drummen, zijn grote liefde heette Linda en zo heet die van mij ook. Toch was de muziek niet eens mijn voornaamste reden om op 9 december 2009 in mijn eentje (ik kon niemand vinden die er ook 75 euro en de rit naar Arnhem voor over had) naar de GelreDome te gaan. Als je een collage maakt met mensen die van invloed waren op de naoorlogse Westerse cultuur, dan horen John, Paul, George en Ringo daar groot tussen te staan. Ik ben er van overtuigd dat The Beatles over enkele eeuwen dezelfde status hebben als Shakespeare, Mozart, Bach of Rembrandt. Om die reden stond Paul McCartney ooit nog eens op zien treden (of desnoods, als het niet anders kon, Ringo Starr) hoog op mijn “to do list”. Om The Beatles live te kunnen zien ben ik een jaar of dertig te laat geboren, maar met één Beatle die Beatles-nummers zong wilde ik graag genoegen nemen. Ik stond dus in de Gelredome voornamelijk met het idee dat ik mijn eventuele kleinkinderen later ooit nog zou kunnen vertellen dat ik ‘Let It Be’ en ‘Hey Jude’ uit de mond had zien komen van de man die deze klassiekers schreef en die de originele opnames in zong (niet dat ik verwacht dat je daar in het midden van de 21e eeuw nog erg veel indruk mee maakt op een kind, maar dat terzijde). En als het concert dan ook nog eens de moeite waard zou zijn, dan zou ik dan zien als een bonus. En een bonus werd het. De al ruimschoots pensioengerechtigde McCartney zong en speelde twee en een half uur lang uitstekend, met een energie die menig half zo oude collega niet op zou kunnen brengen. En onder de 36 nummers die hij speelde waren er 22 van The Beatles. Voornamelijk klassiekers uit zijn eigen pen, maar bij wijze van eerbetoon deed hij er ook eentje van John (‘A Day in the Life’) en eentje van George (‘Something’). Nummers als ‘Yesterday’ en ‘Get Back’ klinken al bijna een halve eeuw bij vrijwel iedereen in de Westerse wereld bekend in de oren, we hebben ze allemaal bijna tot vervelens toe gehoord. Om die nummers uitgevoerd te zien worden door de enige persoon op aarde die kan claimen dat die liedjes van hem zijn was toch wel een kick. Sinds een kleine drie jaar kan ik dus zeggen dat ik een Beatle live heb gezien. En ik kan er bij zeggen dat hij nog steeds erg goed was.

The Beach Boys @ Lokerse Feesten, Lokeren (B), 7 augustus 2012
Er was een hoop aan te merken op dit concert. Mike Love was de vleesgeworden wansmaak, Brian Wilson was apathisch en de instrumenten van hem, Al Jardine en Bruce Johnston stonden niet of nauwelijks hoorbaar aan. Glaszuiver was het ook niet helemaal en als ik de setlist samen had mogen stellen zou die er radicaal anders uit hebben gezien (waarschijnlijk had ik slechts een dozijn van de 32 gespeelde nummers laten staan). Maar dit was één van die heel zeldzame momenten waarop desondanks alles ineens klopte. Zo’n moment waarop je eigenlijk op een pauze-knop zou willen kunnen drukken om het gevoel een paar dagen vast te houden. Een moment dat je op zou willen kunnen slaan, om weer te kunnen openen de eerstvolgende keer dat je ’s ochtends veel te vroeg op een veel te koude winterdag je autoruiten staat te krabben. Voor de eerste keer in mijn leven zag ik de band die al een jaar of acht een lichte obsessie voor me was live spelen. Alle nog levende bandleden waren van de partij, hoe onwaarschijnlijk dat een jaar eerder door alle onderlinge strubbelingen nog leek. Het was heerlijk warm weer op deze fraaie zomeravond en ik had het vooruitzicht dat ik over iets meer dan drie weken met mijn vriendin op vakantie zou gaan. En toen speelden ze ‘God Only Knows’, mijn favoriete nummer aller tijden. Ik sloeg mijn armen om mijn vriendin heen en op dat moment was het enige wat me dwars zat de wetenschap dat dit liedje slechts een kleine drie minuten zou gaan duren.

Leave a comment »