Archive for Jeugdherinneringen

Oma Mierd

Vroeger ging ik met mijn ouders minstens een keertje per week op bezoek bij mijn opa en oma van mijn vader’s kant. Ze woonden een paar kilometer van ons vandaan in Hooge Mierde, een gemoedelijk dorpje met nog geen tweeduizend inwoners. Pal tegenover het sportpark van de plaatselijke voetbal- en korfbalvereniging stond hun huis, dat volgens mij sinds de jeugd van mijn vader nooit heel  veel veranderd was.

Alhoewel ik Petronella van Gisbergen-Swaanen, roepnaam Pieta en Oma Mierd voor haar kleinkinderen, maar zeven jaar mee heb mogen maken kan ik nog aardig uittekenen hoe onze bezoekjes aan haar en mijn opa er uitzagen. Opa zat tevreden met zijn eeuwige sigaar in zijn mond in zijn luie stoel voor de tv en oma, die er met haar grijze krullen en onflatteuze, vormeloze bloemetjesjurken altijd een stuk ouder uitzag dan ze was, nam steevast plaats op een ongemakkelijke houten keukenstoel. Ze had zelf ooit de regel bedacht dat zij als gastvrouw nooit comfortabeler mocht zitten dan haar gasten en van dat principe week ze nooit af.

Eén van mijn favoriete bezigheden tijdens de bezoekjes aan mijn opa en oma was, naast het wegwerken van de grote hoeveelheden tumtummetjes en Kit-Katten die we steevast toegestopt kregen, het steeds maar weer doorbladeren van de fotoalbums die in een hoek van de woonkamer op een plank stonden. In één van die albums zat een foto die me mateloos fascineerde, een kiekje uit 1923 van de vader van mijn oma met zijn moeder en vier zussen. Afgebeeld in bruine tinten staan ze daarop strak in het gelid, in hun deftigste kleding en met ernstige blikken op het gezicht.

Geen idee waarom, maar deze foto liet mij als zevenjarig jochie maar niet los. Ik heb dan ook meer dan eens aan mijn oma gevraagd of ik ‘m mocht hebben. Ik kon doorgaans alles gedaan krijgen van Oma Mierd, het was voor haar vrijwel onmogelijk om haar kleinkinderen iets te ontzeggen, maar hier trok ze toch de grens. Dit was één van de weinige foto’s die ze had van haar vader, dus die bleef netjes in het album.

Op zaterdag 25 januari 1986 was ik met mijn vader weer eens op bezoek bij opa en oma. Wederom zocht ik even het fotoalbum op met die foto die me om de één of andere reden maar bleef roepen. En vasthoudend, of gewoon irritant, als ik was vroeg ik nog maar eens of ik die foto mocht hebben. In plaats van de “nee” die ik al verschillende keren kreeg had oma nu echter een ander antwoord voor me. Ze pakte het fotoalbum, haalde de foto onder het doorzichtige folie vandaan, nam een balpen en begon te schrijven. Met op de achterkant de tekst “Beloofd aan Joost, 25 januari 1986” ging de foto terug in het album. Ze voegde er aan toe dat ik de foto mocht hebben zodra zij overleden was. Zwart op wit beloofd.

Even later gingen mijn vader en ik weer naar huis. Het was opvallend dat mijn oma wat meer moeite leek te hebben met afscheid van ons nemen dan normaal. Ze liep mee tot aan de straat en bleef ons nazwaaien totdat we haar niet meer zagen. Daarmee verdween ze voor mij voorgoed uit zicht. Enkele uren later overleed ze, slechts 61 jaar oud.

In mijn oma’s keuken schijnt minuten na haar overlijden een tl-buis die ze enkele dagen daarvoor ingedraaid had spontaan te zijn gesprongen. Het is misschien een cliché, maar de ochtend daarna voelde ik een aanwezigheid in mijn slaapkamer die ik niet begreep en die me erg beangstigde. Mijn vader weet zeker dat hij op een avond toen hij alleen thuis was een ingelijste foto van mijn oma uit zichzelf om heeft zien draaien en dat gelijktijdig twee lampen in de woonkamer een eigen willetje kregen. En zo heb ik in de familie nog wel enkele verhalen opgevangen die vast wel op één of andere manier nuchter te verklaren zijn, maar die voor iedereen die een beetje bijgelovig ingesteld is ook best kunnen worden geïnterpreteerd als een “teken”.

De aan mij beloofde foto, die ik uiteindelijk ook erfde, heeft jarenlang ingelijst op het bureautje in mijn slaapkamertje gestaan. ’s Nachts als ik in bed lag durfde ik eigenlijk nooit in de richting van die foto te kijken, bang als ik was dat oma misschien ook hiermee een trucje uit zou halen. Maar nacht na nacht bleef de foto netjes op z’n plaats staan. Hij ging niet zweven of uit zichzelf omdraaien. Het glas van het lijstje sprong niet spontaan kapot. En mijn overgrootvader, zijn moeder en zussen gingen niet ineens bewegen. Niets van dat alles.

Helaas ben ik het donkerbruine houten lijstje met de foto uit het album van mijn grootouders al heel lang kwijt. Ik heb het nooit weggegooid of -gegeven en ook mijn ouders weten zeker dat ze dit niet gedaan hebben. Talloze zoektochten bleven echter vruchteloos en ook tijdens drie verhuizingen is het nooit meer boven water gekomen.

Daar zijn uiteraard een hoop volkomen logische verklaringen voor te bedenken. Maar stiekem vraag ik me toch een beetje af of mijn oma misschien terug is gekomen op haar belofte.

FotoSwaanen

(In de familie circuleren meerdere afdrukken van de foto waar dit stukje over gaat en in 1990 werd deze ook afgedrukt in het boek ‘Hooge Mierde Kleurrijk Zwart-Wit Bekeken, 1880-1980’. Daardoor heb ik toch een scan toe kunnen voegen.)

Leave a comment »

Gedenkwaardig

Het menselijke geheugen kan raar werken. Ik merk dat van op zich best gedenkwaardige gebeurtenissen soms al na enkele jaren de details beginnen te vervagen in mijn hoofd. Dat ik me van mensen waar ik jaren bij in de klas heb gezeten bijna niets meer kan herinneren. Dat ik me ruimtes of gebouwen waar ik ooit dagelijks in verbleef nauwelijks nog voor de geest kan halen. Tegelijk zijn er onbelangrijke momenten, volstrekt willekeurige flardjes uit zomaar een dag, die haarscherp opgeslagen blijven. Van sommige korte gebeurtenissen die zich afspeelden toen ik vier of vijf jaar oud was kan ik me nog exact herinneren wat ik zag, wat ik hoorde en wat er in mijn hoofd omging.

Van mijn tijd op de peuterspeelzaal waar ik als vierjarige naartoe ging weet ik nog best veel. Dat we bijvoorbeeld op een dag allemaal een stuk fruit van huis mee moesten nemen, dat al die appels, sinaasappels, bananen, peren en mandarijntjes op een hoop gingen om in stukjes gesneden en verdeeld te worden en dat ik het knap waardeloos vond dat ik niet gewoon mijn eigen appel mocht houden. Dat mijn vriend Jeroen en ik op een middag een langwerpige houten kist waarin speelgoed en verkleedkleren bewaard werden helemaal leeggooiden, er in gingen zitten en net deden of het de stoomboot van Sinterklaas was en vervolgens op onze kop kregen omdat de inhoud van de kist verspreid lag over de vloer.

Nog een heel heldere herinnering moet ook uit ongeveer uit die tijd stammen, 1983 waarschijnlijk. Ik was vier of vijf jaar oud en zat op de achterbank van de auto van mijn ouders. Ik weet nog waar we reden, over de Spoorlaan in Tilburg. Op de radio werd iets gezegd over een optreden dat Doe Maar zou gaan geven. Ik was gek op Doe Maar, die band was voor mij wat K3 nu is voor veel kleuters. Ik vroeg dan ook tijdens die autorit aan mijn moeder of we naar dat optreden konden gaan. Ik kan me zelfs het beeld nog herinneren dat ik op dat moment in mijn hoofd had. Daarin speelde een bandje op een zonnig, weids grasveld bij een grote boom, terwijl enkele tientallen toehoorders er in een half kringetje omheen zaten. Een soort vredig, muzikaal kinderfeestje. Wist ik veel dat Doe Maar destijds voornamelijk in benauwde zalen speelde die stampvol zaten met volkomen hysterische pubers.

Een andere herinnering kan ik, niet vanuit mijn geheugen maar dankzij Wikipedia, precies dateren. Op 20 februari 1984. Op het NOS Journaal dat in de woonkamer opstond hoorde ik een bericht dat me best een beetje verdrietig maakte. Doe Maar, de populairste band die Nederland ooit gekend had, ging stoppen. Er volgden beelden van de bandleden die belaagd werden door persmuskieten en de nieuwslezer liet de woorden “ze kunnen geen kant meer op” vallen. Ik vatte dat als vijfjarige letterlijk op en vond dat die journalisten en cameramensen dan maar eens even heel rap aan de kant moesten gaan. Ook vond ik dat de band nog helemaal niet mocht stoppen. Ik had ze nog niet zien optreden!

Ruim 23 jaar later was ik op de Mega Platen & CD Beurs in Utrecht. Bij een terrasje achterin de enorme hal vol met kraampjes stond een kniehoog podiumpje. Daarop zou de Nederlandse folkformatie CCC Inc een kleinschalig akoestisch reünie-optreden komen geven ter promotie van hun pas uitgekomen cd-box met al hun albums. Deze groep had in 1970 mogen spelen op het hoofdpodium van het legendarische Holland Pop Festival in Kralingen en datzelfde jaar een LP uitgebracht die in Nederland redelijk verkocht. Afgezien daarvan had de band, waarvan de leden inmiddels allemaal rond de zestig waren, geen commerciële successen gekend. CCC Inc dankte z’n bekendheid hoofdzakelijk aan het feit dat bandleden Ernst Jansz en Joost Belinfante elkaar later tegenkwamen in een ander bandje dat heel wat meer succes had. Doe Maar.

Geen idee hoeveel huidige vijfjarigen over 25 jaar hetzelfde zullen zeggen over K3, maar ik ben altijd een grote liefhebber van Doe Maar gebleven. Dus ging ik op die zaterdag in november 2007 kijken naar CCC Inc. Slechts enkele tientallen mensen hadden zich, met tassen vol zojuist aanschafte platen, in een halve kring om het minipodiumpje verzameld voor het bepaald niet groots aangekondigd optreden. Even later stonden ze voor me: Jansz, Belinfante en ook Doe Maar-gitarist Jan Hendriks, die mee kwam doen als gastmuzikant. En alsof daarmee het Doe Maar-gehalte nog niet niet hoog genoeg was speelden ze ook nog eens twee liedjes van die groep, ‘Nederwiet’ en ‘Tijd Genoeg’. Tussen het zoeken naar platen door kwam een wens van bijna een kwart eeuw eerder een beetje in vervulling. Alleen de boom, het grasveldje en zanger/bassist Hennie Vrienten ontbraken.

“En als je wil, dan is elk ogenblik voor jou” hoorde ik Ernst Jansz voor de zoveelhonderdste keer zingen in ’Tijd Genoeg’, maar nu voor de eerste keer live. En ik vond het wel een mooi momentje. Best een beetje gedenkwaardig.

Leave a comment »

Opa Reusel

Mijn voornaam dank ik aan de vader van mijn vader. Die heette Sjef, voluit Josephus, bij mij werd dat afgekort tot Joost. Mijn tweede voornaam, Joannes, kreeg ik van mijn andere opa. De vader van mijn moeder. Opa Reusel.

Jan Vermeulen heeft 85 jaar mogen leven, eigenlijk een jaar of drie te lang. Eén van de laatste keren dat ik nog echt met hem kon spreken was in november 2004, iets meer dan twee jaar voor zijn dood. Ik had hem toen al even niet meer gezien, een beetje afgeschrikt door de verhalen die ik hoorde over zijn verwarde toestand.

Zo was hij op een avond ineens zoek. Hij verbleef toen al een tijdje in De Grote Beek GGZ in Eindhoven vanwege depressieve klachten, veroorzaakt door vasculaire dementie, maar was plotseling verdwenen. Uiteindelijk werd hij in het winkelcentrum gevonden door twee politieagenten die het wel opvallend vonden dat hij op sloffen liep en geen jas droeg. Hij bleek iemand twee euro te hebben betaald voor een lift naar het station, vanaf daar had hij de bus naar huis willen nemen.

Onder de omstandigheden viel het me aanvankelijk lang niet tegen hoe ik mijn opa aantrof, ruim anderhalve maand na dit voorval. Hij wist nog heel goed wat voor werk ik op dat moment deed en voor welke werkgever. Toen ik hem zei dat zijn kalender achter liep, herstelde hij dat meteen en merkte hij op dat oma en hij een dag eerder precies 56 jaar getrouwd waren. En dat klopte. Toen er bezoek kwam voor een andere patiënt van de instelling waarin hij verbleef, wist hij zich te herinneren dat er nog een paar gebakjes van de dag ervoor in de koelkast stonden die ze wel konden hebben.

Even later nam hij me even apart en leidde me naar een gang. Hij wees  naar één van de werknemers van de instelling. Op samenzweerderige toon fluisterde hij dat hij gevangen zat en dat die verdomde nazi’s hem niet wilde laten gaan. Ineens besefte ik me dat het toch niet meeviel met hem. Voor mij was het 2004, maar hij zat plotseling een jaar of zestig van me vandaan. Hij was weer dwangarbeider in een wapenfabriek in het Duitse Oberendorf, tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Mijn opa was niet altijd een hele makkelijke man. Hij was oerconservatief en kon best dwars, nukkig en soms wat onredelijk zijn. Ik heb hem in mijn jeugd echter altijd ervaren als een leuke, lieve, belangstellende opa. Helaas wegen je meest recente herinneringen doorgaans het zwaarst, maar als ik wat verder terugdenk dan zijn er vooral mooie herinneringen. Hoe hij bijna van zijn stoel viel van het lachen als we tijdens logeerpartijtjes samen naar oude conferences van Wim Sonneveld en Toon Hermans keken. Hoe ik als klein kind met hem rondjes door de buurt mocht rijden op de stang van zijn brommertje. Dat hij niets liever deed dan eindeloos vertellen over de oorlog of zijn tijd bij Philips. Dat de invoering van de euro nooit helemaal tot hem door wist te dringen en dat hij na 1 januari 2002 bergen rommel kocht, omdat de prijzen ineens zo laag leken. Dat hij met een emotie- en franjeloze doch mooie, strakke en herkenbare stijl kon tekenen, ook nog eens met zijn verkeerde hand, hij was immers van nature links maar al in zijn jeugd gedwongen om rechtshandig te schrijven en tekenen. Dat hij erg goed was in meubels maken en houtbewerken en dat hij steevast luidruchtig door zijn neus ademde terwijl hij dat in opperste concentratie deed. Dat met name de herkenbare houten kerstgroepen die uit zijn hobbyschuurtje kwamen erg gewild waren en nog altijd voor veel geld verkocht worden in speciaalzaken. En op hoge leeftijd slaagde hij er als een ware MacGyver nog in om een defectje aan mijn elektrische gitaar te repareren met een spijkertje, een stukje tape en een blokje hout. Ik heb zijn provisorische reparatie tot op de dag van vandaag intact gelaten.

Toen ruim twee jaar na Opa Reusel ook mijn oma overleed werden hun spullen verdeeld onder de directe familie. Alle praktische gebruiksvoorwerpen en dierbare familiestukken vonden al snel een nieuwe eigenaar. Ik nam maar één ding mee uit hun inmiddels gestripte woninkje. Uit een krat met losse rommel waar verder niemand echt interesse in leek te hebben viste ik een kleine, eenvoudige potloodtekening van een gebouwtje met een torentje, ooit eens gemaakt door mijn opa en vervolgens door hemzelf goed genoeg bevonden om in een fotolijstje te stoppen. Ik heb geen idee waar dit gebouwtje staat of stond. Misschien kende hij het, misschien is het nagetekend van een foto uit een boek. Misschien bestond het alleen in zijn fantasie. Ik hoef het eigenlijk ook niet te weten, maar hoop toch een beetje op het laatste.

Veel mensen hebben er behoefte aan om nadat iemand overleden is een plek te hebben waar ze hun dierbare nog min of meer kunnen bezoeken. Voor mij gaat dat niet echt op, ik heb eigenlijk niets met graven. Ik bezoek ze zelden en als mijn eigen tijd is gekomen dan wil ik ook niet onder de grond. Het graf van mijn opa heb ik sinds hij er een dikke zeven jaar geleden begraven werd hooguit een keer of drie, vier bezocht.

Het heeft voor mij meer waarde om naar die tekening te kijken van dat vredige gebouwtje met dat torentje. Daar zit hij wat mij betreft toch wat gezelliger.

Ook over mijn andere drie grootouders schreef ik een stukje:
Oma Reusel
Opa Mierd
Oma Mierd

Comments (3) »

De krabbel van De Breuk

Op een milde zaterdagmiddag afgelopen november stond ik voor het Philips Stadion in een lange rij te wachten, met in mijn handen het mooie, dikke boek dat niet lang daarvoor uit was gebracht ter gelegenheid van het honderdjarige bestaan van PSV. Binnen, in de fanshop van de club, zaten de auteurs van het boek samen met drie iconen uit de clubgeschiedenis klaar om het werkstuk van een krabbel te voorzien. Het exemplaar waarmee ik in de rij stond was van Linda, maar omdat zij niet op tijd terug kon zijn van haar werk had ik aangeboden om alvast voor haar in de rij te gaan staan, om het te laten upgraden naar een mooi collector’s item met een persoonlijk tintje.

Handtekeningen vragen is me niet vreemd. Als kind van tien, elf jaar was ik een fanatieke verzamelaar. In principe was elke bekende Nederlander die ik tegen het lijf liep een geschikt slachtoffer, zelfs mensen als Albert West en Hans Kazàn heb ik ooit een pen in de hand gedrukt, maar mijn favoriete slachtoffers waren toch de spelers van PSV. Voorafgaand aan elk seizoen hield mijn favoriete club een open dag en met een beetje mazzel werd er ook een oefenwedstrijd gespeeld tegen een amateurclub in de buurt. Mijn vader werd dan dringend verzocht mij daar mee naartoe te nemen en uiteraard had ik steevast een pen en een notitieblokje of een stapeltje foto’s bij me. Zelfs de zeldzame keren dat we naar een competitiewedstrijd gingen, waarbij de spelers niet bereikbaar waren, had ik altijd een pen en een stukje papier op zak. Voor het geval dat.

Niet elke PSV-er was even makkelijk te benaderen. De Braziliaanse superspits Romario was dusdanig populair dat hij steevast belaagd werd door een grote groep fans. Spelers als Wim Kieft, Eric Gerets en Sören Lerby maakten altijd een beetje een nukkige indruk, waardoor je bij hen ook niet als eerste aansloot. En om de een of andere reden had Erwin Koeman nooit tijd, het leek wel of die altijd snel nog even moest gaan douchen of warmlopen. Als je dan toch met een goed volgeschreven notitieboekje thuis wilde komen kon je altijd nog genoegen nemen met mindere goden als Twan Scheepers, Edward Linskens en Adick Koot, waarbij je doorgaans zo aan de beurt was. Maar je kon ook nog een keertje naar de geduldigste handtekeningenzetter van allemaal gaan. Hans van Breukelen.

Voor mijn generatie, zeker voor de PSV-supporters daarvan, was Hans van Breukelen één van de grote voetbalhelden. PSV won in 1988 de Europa Cup I omdat hij in de finale in de strafschoppenreeks het schot van Benfica-speler Antonio Veloso stopte. Krap een maand later won de doelman met het Nederlands Elftal het EK, dit keer stopte hij tijdens de finale een penalty van de Rus Igor Belanov. Dat hij zomaar met dezelfde handen die voor de ogen van talloze miljoenen kijkers de twee meest prestigieuze voetbaltoernooien van Europa hadden beslist mijn notitieboekje vastpakte en er speciaal voor mij zijn handtekening inzette vond ik best bijzonder. Elke keer weer.

Dat was niet de enige reden waarom ik steeds toch weer Van Breukelen’s handtekening ging vragen, ook toen ik ‘m al een keer of zes had. Hij was namelijk gewoon een hele aardige man. Terwijl zijn teamgenoten zich vrijwel allemaal stoïcijns, plichtmatig en bijna als robotten door het verplichte handtekeningen zetten heen aan het worstelen waren leek “De Breuk” het echt leuk te vinden. Hij bleef onvermoeibaar signeren totdat iedereen aan de beurt gekomen was, gaf vrolijk commentaar bij de foto’s die hij met stiften en pennen te lijf moest gaan en corrigeerde op een vriendelijke, bijna vaderlijke manier kinderen die voordrongen. Aan het begin van zijn loopbaan, toen hij nog als semi-prof keepte voor FC Utrecht, was Van Breukelen docent geweest. Ik wist zeker dat aan hem een hele goede, leuke docent verloren was gegaan die ik graag had willen ruilen voor de onderwijzer die ik zelf had in groep 8.

Vlak voordat ik in de fanshop van PSV aan de beurt was om Linda’s jubileumboek te laten signeren kwam ze ineens naast me staan, nog lichtjes nahijgend van het fietsen. Even later zette Mr. PSV Willy van der Kuylen, goed voor 528 competitiewedstrijden voor PSV waarin hij 308 keer scoorde, geroutineerd zijn krabbel in haar boek, zonder iets te zeggen of op te kijken. Daarna kwam publiekslieveling en 79-voudig international Mark van Bommel, die pas enkele maanden eerder gestopt was als actieve PSV-er. Ook hij zweeg en keek niet op of om. De derde oud-speler in de rij was Hans van Breukelen. Ik vond het leuk hem weer eens te zien. Hij was inmiddels allang geen actieve sportheld meer, maar een 57-jarige man die zijn tijd vult met het geven van motivatiespeeches aan bedrijven en wat gezichtsverlies opliep door huilerige uitspraken in de media, die deden vermoeden dat hij zelf ook wel eens een opbeurend praatje kan gebruiken.

De mannen die voor Linda en mij in de rij stonden lieten De Breuk een grote zwartwitfoto signeren van die gemaakt was op 25 mei 1988. Van Breukelen, op zijn rug gezien met een witte 1 op zijn keepershirt, duikt naar rechts en heeft beide onderarmen veilig in de baan van de Adidas-bal die Veloso zojuist op hem afgevuurd heeft. Waarschijnlijk heeft hij die foto van zijn persoonlijke sportieve hoogtepunt in zijn leven al honderden keren gesigneerd, maar alhoewel ik hem niet letterlijk verstond hoorde ik hem er weer enthousiast en amicaal commentaar bij geven. Net als een dikke twintig jaar geleden. En net zoals je favoriete leraar die schooljaar na schooljaar dezelfde lesstof blijft brengen met hetzelfde enthousiasme. Het voelde toch wel als een déjà vu. Tellen later stond die prachtige handtekening die ik maar al te goed herkende op de foto. Een grote sierlijke H en B en een afgeraffeld “reukelen” dat via een scherpe lus naadloos overgaat in een ferme streep onder de naam. Een handtekening die best wel wat lijkt op de mijne, ik moet bekennen dat dit niet geheel toevallig is.

Even later fietsten Linda en ik naar huis met haar gesigneerde exemplaar van ‘PSV 100’. Een boek met alle helden van PSV uit heden en verleden. Het was me wel duidelijk wie hiervan voor mij toch de allergrootste held is.

Romario de Souza Faria.

Maar wat een aardige man, die Hans van Breukelen.

img370

Leave a comment »

Opa Mierd

Ik ben vernoemd naar mijn opa. Die had eveneens als officiële eerste naam Josephus. Bij hem werd dat afgekort naar de roepnaam Sjef, bij mij werd het gelukkig Joost. Met enig gevoel voor traditie was het logisch dat ik zijn naam kreeg, als oudste zoon van zijn oudste zoon. Mijn vader had eveneens de naam van zìjn opa gekregen, als oudste zoon van diens oudste zoon.

Sjef was een opa uit het boekje. Zo eentje die je volstopte met meer KitKatten, koekjes en tumtummetjes dan je ouders goed vonden. Die je het gevoel gaf dat je een heel speciaal kind was. En die bijna elke keer dat hij je zag, ook al was dat minstens eens per week, weer dezelfde opmerking moest maken: “Je wordt al groot!”. Dat hij dat tot mijn lichte irritatie nog steeds deed toen ik al ruimschoots in de puberteit was, en dan het liefst op een kinderlijke toon en in een zo groot mogelijk gezelschap, moest ik maar voor lief nemen. Ergens vermoed ik dat hij heus wel wist dat ik dit een tikkeltje gênant vond en dat hij me gewoon een beetje zat te klieren.

“Opa Mierd”, die mijn broers en ik zo noemden omdat hij in Hooge Mierde woonde, was iemand die voor zijn pensioen bepaald niet stil had gezeten. Hij slaagde er op de één of andere manier in om een fulltime baan als sigarenmaker te combineren met onder meer vader zijn van acht kinderen, het trainen van de plaatselijke voetbalclub, in het bestuur van vrijwel elke vereniging in het dorp zitten, een loopbaan in de lokale politiek en schrijven voor twee kranten. Die laatste twee bezigheden zorgden voor de opmerkelijke situatie dat lezers van het Eindhovens Dagblad of het Nieuwsblad van het Zuiden soms doodleuk een artikeltje van correspondent Sjef van Gisbergen over gemeenteraadslid Sjef van Gisbergen konden lezen.

Na zijn werkzame leven en het vroeg overlijden van zijn vrouw, mijn oma werd slechts 61 jaar oud, vond opa het volgens mij qua activiteiten wel mooi geweest. Hij had nog wel zijn duiven (die hij steevast naar binnen probeerde te lokken met de mantra “Kom! Kom! Kom mèr!”) en dansavondjes, maar ik kan me hem eigenlijk nauwelijks anders herinneren dan tevreden zittend in zijn luie stoel voor de tv. En altijd met een sigaar in zijn mond. Opa grapte soms dat hij in z’n leven waarschijnlijk meer sigaren gerookt had dan hij er als sigarenmaker vervaardigd had. Hij was zo’n kettingroker dat hij in al zijn volwassen jaren wellicht meer sigarenrook dan schone lucht in heeft geademd.

Het was dan ook geen hele grote verrassing dat opa uiteindelijk longkanker kreeg. Hij deed daar dan ook helemaal niet dramatisch over. Hij was al 79 en zei dat hij al die sigaren waar hij zolang van had genoten niet had willen ruilen voor wat extra jaren.

Alhoewel hij zijn lot accepteerde was de manier waarop hij in zijn laatste weken wegzakte niet fraai. Op het einde was hij nog maar af en toe bij bewustzijn, had hij waanbeelden en sprak hij nauwelijks nog. Ik denk dat ik één van de laatste mensen was tegen wie hij nog iets gezegd heeft, kort voordat hij er op een mooie zomerdag in 1997 tussenuit kneep.

Ik kan het me nog vrij goed herinneren. Er was me al verteld dat het goed mogelijk was dat mijn opa me niet meer zou herkennen. En praten was hem al even niet meer gelukt. Ik voelde me dan ook een beetje ongemakkelijk toen ik naast zijn bed kwam staan. Glazig keek hij me aan. Moeizaam wist hij toch nog een paar woorden uit te brengen.

“Je wordt al groot.”

Comments (1) »

We waren blij met wat we hadden, je wist gewoon niet beter

Kinderen, in mijn tijd was het allemaal heel anders dan nu. We hadden niet zoveel, toen ik jong was. Maar we waren blij met wat we hadden, je wist gewoon niet beter.

We hadden bijvoorbeeld nog geen internet. Dat bestond nog helemaal niet! Kun je het je voorstellen? Echt waar, ik lieg het niet. Dat wil dus ook zeggen dat je geen e-mail had. Als je met iemand wilde communiceren ging je gewoon bij diegene langs, je schreef een brief of je belde ‘m op. Met de vaste telefoon wel te verstaan, want mobieltjes hadden we ook nog niet. Even iets opzoeken met Google of Wikipedia was er ook niet bij. Als je informatie nodig had voor een spreekbeurt dan ging je naar de bibliotheek en schreef je brieven naar bedrijven of instanties en vroeg je om een informatiepakket. YouTube? Hadden we ook nog nooit van gehoord. Als je een videoclip wilde zien dan keek je urenlang naar MTV in de hoop dat ‘ie voorbij zou komen. MTV was toen overigens nog een zender die videoclips uitzond. En jullie hebben nu die internetforums waarop je over elk denkbaar onderwerp kunt communiceren met honderd mensen uit twintig landen. In mijn tijd kreeg je, totdat het contact na een half jaar weer verwaterde, misschien eens in de twee weken een briefje uit Duitsland of Engeland van een vakantievriend. Maar dat was dan meteen ook hartstikke spannend. Post uit het buitenland, de meeste van je klasgenoten kregen dat nooit!

Mobieltjes bestonden, zoals ik al zei, ook nog niet. Als je van huis ging was je gewoon tijdelijk onbereikbaar, geen mens kon je bellen, SMS-en of WhatsAppen. Nu raak je misschien bijna in paniek van het idee, toen was dat nog volstrekt normaal. Je hield voor de zekerheid een paar kwartjes in je portemonnee zodat je in geval van nood een telefooncel op kon zoeken. Oh ja, kwartjes waren trouwens muntjes van 25 cent. En dan heb ik het dus over guldencenten, niet over eurocenten. Toendertijd had elk land nog z’n eigen munteenheid. Als je naar Duitsland ging moest je guldens wisselen voor marken, als je naar België ging wisselde je ze voor Belgische franks en in Frankrijk had je Franse franks nodig.

TV kijken was in mijn tijd ook nog heel anders dan nu. Ik heb het tijdperk waarin Nederland 1 en Nederland 2 de enige Nederlandse zenders waren nog meegemaakt. Als er op allebei niets te zien was, dan kon je eventueel nog de twee Vlaamse zenders proberen, maar daar was eigenlijk sowieso nooit wat leuks op. Dus gingen we uit arre moede maar gewoon buiten spelen of strips lezen. Je maakte er het beste van met wat je had. Televisie was toen ook nog een beetje anders dan nu. Om op de buis te kunnen komen moest je toen nog kunnen presenteren of zingen, of iets dergelijks.  Beroemd worden alleen maar door je op te laten sluiten in een huis vol camera’s, of door je met een cameraploeg voor je snufferd te misdragen op een Grieks vakantie-eiland kon toen nog niet. Televisie kijken was vroeger gewoon wat meer speciaal. Er kwam misschien zes dagen per week weinig leuks op, maar als dat dan eens wel zo was, dan was dat meteen iets bijzonders. Er waren grote avondvullende shows die gepresenteerd werden door die mensen die je nu alleen nog op Max ziet. Henny Huisman en Ron Brandsteder en zo. Heel Nederland keek daar naar en keek er ook naar uit, met zeven of acht miljoen mensen tegelijk. In je pyama met natte haren en een bakje Nibbits voor de buis voor programma’s waar je nog echt voor thuis bleef. Dat was nog eens gezellig!

En die iPods van jullie, ook die moesten we nog missen. Je had een walkman waar je naar kon luisteren als je van huis was, die was minstens tien keer zo groot als een iPod. En de muziek zat niet in dat apparaat zelf, die stond op een cassettebandje dat je dan in dat apparaat moest stoppen. Op een iPod kun je duizenden liedjes zetten, maar op zo’n cassette kon je maar negentig minuten aan muziek kwijt. Zo’n cassettebandje kon je niet even synchroniseren met je iTunes, je nam de muziek over van een LP, een CD of een andere cassettebandje terwijl je die afspeelde. Je weet wel, LP’s zijn die grote zwarte schijven, CD’s die kleinere zilverkleurige schijfjes. Zoek maar eens op zolder, misschien kun je er daar nog een paar vinden.

Jullie kunnen nu elke dag tientallen albums en tientallen films downloaden. Gratis, zonder er voor van je stoel te hoeven komen. Dat was voor ons vroeger wel anders. Muziek kon je nog helemaal niet downloaden, als je een album wilde hebben moest je er gewoon voor betalen. Een CD kostte ongeveer veertig gulden. Ik kreeg in de brugklas vijf gulden zakgeld per week en verdiende een tientje per week met het rondbrengen van folders. Ga maar na: zelfs als je het merendeel van al je geld opzij legde voor muziek, zoals ik deed, moest je minstens een maand sparen voor één album! En als het een wat onbekender album was, dan moest je er vaak ook nog eens stad en land voor afzoeken, van Bol.com of Amazon had immers ook nog nooit iemand gehoord. Je had destijds dan ook nog best veel platenzaken. Niet online dus, maar gewoon echte winkels, waar je naartoe kon gaan. En als je dan in vijf platenzaken die ene CD niet kon vinden maar in nummer zes wel, dan voelde je je als een goudzoeker die plotseling op een forse goudader gestuit was.

Kinderen, ik begrijp het als jullie voor geen goud zouden willen ruilen met de jeugd die ik gehad heb. En toch heb ik wel eens het idee dat vroeger alles beter was. Jazeker, daar ben ik weer met m’n ouderwetse gezeur, ja! Luister nu maar naar me, want als ik er straks niet meer ben zou je willen dat je mijn verhalen nog eens kon horen! Goed, waar was ik? Oh ja, vroeger was dus alles beter. Jullie downloaden nu in tien minuten de complete discografie van je favoriete band en morgen download je die van je volgende favoriete band. Ik had toen ik zo oud was als jullie misschien maar tien, twintig albums, maar die koesterde ik. Als je je puberteit moet overleven met twintig albums, dan worden dat schatten die je de rest van de leven meedraagt. Die platen blijven altijd bijzonder, die zullen altijd dierbaar voor je zijn. Ik heb het idee dat albums nu slechts snacks zijn die je achteloos consumeert en een week later weer vergeten bent. Er is gewoon te veel en het is te makkelijk verkrijgbaar. Je stelt het daardoor wat minder op prijs.

Jullie hebben meer dan wij hadden. Maar door de overvloed is het allemaal wel minder waardevol geworden. En dat vind ik ergens wel een beetje jammer voor jullie. Maar goed, ik zal er over ophouden. Anders vinden jullie me straks weer een ouwe zeurpiet… Ga nu maar weer buiten spelen. Maar het kan gaan regenen, dus zorg dat jullie iPads niet nat worden, okay?

Comments (1) »

De Ring

Ik vind het eigenlijk maar zonde van de tijd om me bezig te houden met vragen waar ik toch nooit een keihard antwoord op zal vinden. Of buitenaardse wezens wel of niet bestaan is een onderwerp waar ik me pas serieus mee bezig zal houden zodra er een paar pal voor m’n neus opduiken. En als het gaat om religie ben ik een uitgesproken agnost: zowel gelovigen als atheïsten die erg zeker zijn van hun zaak werken me altijd een tikkeltje op de zenuwen. Ook over het fenomeen geestverschijningen heb ik geen uitgesproken mening. Ik geloof er niet echt in, maar wil ook niet keihard zeggen dat elke verschijning logisch te verklaren is. Ik merk van mezelf dat ik erg sceptisch (doch gefascineerd) ben als mensen “waar gebeurde” spookverhalen vertellen, maar dat ik evengoed defensief word als anderen dezelfde verhalen simpelweg afdoen als verzinsels of hersenspinsels. Alhoewel ik me dus zowel in het pro- als het anti-kamp niet thuisvoel heb ik wel een lichte fascinatie voor onverklaarbare, al dan niet paranormale verschijnsels.

Als kind was ik doodsbang voor spoken. Als ik weer eens een akelig verhaal gehoord had kon ik daar slapeloze nachten aan overhouden. Ik durfde dan ’s avonds op de badkamer niet in de spiegel te kijken, bang om iets achter me te zien wat er niet meer zou staan als ik me om zou draaien. Vaak durfde ik ’s nachts niet naar m’n kledingkast te kijken, bevreesd dat de deur ineens open zou vliegen. Vreemd genoeg zoek ik het gevoel dat me destijds verlamde nu, als volwassene, regelmatig bewust op. Gewoon, ter vermaak. Toen ik laatst mijn dvd-verzameling eens doornam viel het me op dat minstens een derde van mijn circa driehonderd films draait om geestverschijningen. Films als ‘The Blair Witch Project’, ‘Dead End’, ‘What Lies Beneath’, ‘Paranormal Activity’, ‘The Ring” en ‘Dark Water’: vroeger zou ik er een minstens een week lang slapeloze nachten aan over hebben houden, nu kun je me er bij wijze van spreken ’s nachts voor wakker maken.

Waarom dit verschijnsel me nu zo fascineert? Een psycholoog zou misschien aandragen dat ik, door mezelf te vermaken met iets wat me ooit beangstigde, feitelijk het overwinnen van een oude fobie aan het vieren ben. Zelf zou ik eerder zeggen dat het een duistere romantiek en daarmee een fraaiere inkleuring geeft aan het troosteloze aanzicht van een verlaten gebouw, een nachtelijk bospad of een onheilspellende onweersbui. Dat het een situatie die je eigenlijk als eenzaam, somber of gewoon dodelijk saai zou moeten ervaren toch nog spannend, mysterieus en fascinerend kan maken.

Mijn eigen ervaringen met gebeurtenissen die ik niet logisch kan verklaren zijn beperkt. In de familie aan mijn vader’s kant doen enkele verhalen de ronde over mijn oma, die na haar dood nog het één en ander van zich zou hebben laten horen. Jonge kleinkinderen die spontaan uitspraken van haar overnamen of vertelden dat oma hen geduwd had tijdens het schaatsen, lampen die spontaan aan gingen of juist op opmerkelijke momenten kapot sprongen en een fotolijstje dat uit zichzelf bewoog, dat werk. Maar die verhalen heb ik allemaal uit de tweede hand.

Het enige onverklaarbare verschijnsel dat ik zelf meemaakte vond plaats in de zomer van 1996. Ik was met mijn ouders en mijn broers plus een oom en tante en hun twee dochters op vakantie op een camping bij het Meer van Chalain in het oosten van Frankrijk. Op een dag gingen we met z’n allen geld pinnen in een dorpje in de buurt. Vlakbij het pinautomaat lag een grote steen. Op die steen zagen we ineens iets, precies in het midden lag een glinsterende gouden trouwring. Alsof iemand ‘m daar zo neer had gelegd met als specifiek doel dat het sieraad zo snel mogelijk gevonden zou worden. Mijn oom pakte de ring op. Er stond een naam en een datum in gegraveerd. Ik weet niet meer wat de datum was, wel dat het ging om een dag aan het eind van de negentiende eeuw. Ook herinner ik me dat we het allemaal opmerkelijk vonden dat de ring er gloednieuw uitzag, volledig ongeschonden, terwijl deze ruim een eeuw oud moest zijn. We zouden later op de dag naar een groter plaatsje gaan, dus mijn oom stopte de ring in het muntenvakje van zijn portemonnee met het doel om deze daar af te geven bij de politie.

Later op de dag zaten we weer op de camping. Mijn oom haalde zijn portemonnee uit zijn broekzak en bekeek de ring nog eens. Hij gaf hem nog even door. Ook ik keek nog een keer goed. Een ring uit de negentiende eeuw, die nog zo mooi en smetteloos glimmend was? Vreemd. De ring verdween, terwijl we allemaal toekeken, weer terug in het muntenvakje van de portemonnee van mijn oom, die hij daarop weer in zijn broekzak deed. Op dat moment vroeg één van mijn nichtjes of ze de ring ook nog even mocht zien. Mijn oom trok direct de portemonnee weer uit zijn broekzak, opende het vakje, maar de ring was plotseling nergens meer te bekennen. Hij doorzocht zijn broekzakken tot op de naden, we inspecteerden met z’n allen elke vierkante centimeter van de grond onder onze voeten, maar nergens was een gouden trouwring te bekennen. Het ding was min of meer voor onze ogen verdwenen en er was geen logische verklaring voor te bedenken. Ook in de dagen daarna vonden we de ring niet meer terug.

Twaalf jaar later, in de zomer van 2008, maakten mijn broer Roel en ik een road trip door Frankrijk om de plaatsen te bezoeken waar we in onze jeugd op vakantie waren geweest. Zodoende kwamen we ook weer terug op die camping aan het meer van Chalain. Ik kon me het verhaal over die ring nog goed herinneren. En ik wist ook nog vrij precies waar destijds onze tent had gestaan. Uiteraard liet ik mijn blik, toen ik terug was op die exacte plek, weer even over dat stukje gras glijden. Zou het niet een prachtig verhaal zijn geweest als ik daar ineens weer die ring had zien liggen? Het merendeel van de scriptschrijvers van die enge dvd’s uit mijn verzameling zou ‘m zeker weten daar weer neer hebben gelegd. Maar uiteraard zag ik nu helemaal niets glinsteren. Geen ring te bekennen.

Inmiddels verliefd geworden op het prachtig blauwe meer van Chalain, gelegen in de inscheuring van een kalkplateau vol pittorske dorpjes, keerde ik in de zomer van 2010 andermaal terug op diezelfde camping. Natuurlijk gaf ik het lot een tweede kans om die geheimzinnige ring terug te leggen op die plek. Toen ik daar wederom aankwam bleek dat er iets was gebeurd met dat stukje grond…

Er was inmiddels een vakantiehuisje op neergezet. Goed, geen ring dus. Of geesten nu bestaan of niet, ze kunnen nog een hoop leren van hun fictieve soortgenoten.

Leave a comment »