Archive for Dubbelcolumns

Dubbelcolumn Nina & Joost: Schrijven

Nina Kurt doet momenteel een Master studie Creative Writing aan de Newcastle University. Dus toen ik haar vroeg om een onderwerp voor te stellen voor een dubbelcolumn had ik het antwoord al aan kunnen zien komen: schrijven. Waarom doen we dat eigenlijk?

Nina:

‘Schrijfster. Of zangeres.’ Dat was standaard mijn antwoord wanneer iemand vroeg wat ik later wilde worden, al sinds ik een jaar of zeven was. Op een van deze manieren moest en zou ik mijn ziel uiten en de illusie van onsterfelijkheid bereiken. Na een paar jaar zanglessen en gitaarlessen te hebben gevolgd, had ik nog steeds het idee dat ik pas een ‘beginner’ was op het gebied van muziek maken en dat ik dat ook altijd zou blijven. Songteksten schrijven, dat ging me redelijk goed af – ik had altijd wel wat te zeggen – maar daarbij muziek te verzinnen, dat lukte me nauwelijks. Het is dan misschien ook niet zo verrassend dat die ‘lyrics’ langzaam maar zeker in gedichten veranderden. Einde van een relatie: ik schrijf erover. Overleden huisdier: ik schrijf erover. Mooie momenten tijdens een buitenlandverblijf: ik schrijf erover. Iemand vertelt me een bizar verhaal: ik zie het boek al voor me. Vooral ’s nachts, als ik eigenlijk wil slapen, komen de ideeën in mijn hoofd. Dan moet ik ze opschrijven, anders blijven ze in mijn hoofd rondspoken en kan ik niet slapen.

Dus, toen mijn afstuderen naderde en ik nog steeds geen concreet beroep voor ogen had, moest ik dat idee van schrijven toch maar eens serieus gaan nemen. Misschien kon ik beginnen met wat vertaalwerk, om maar geld te kunnen verdienen, maar mijn eigen creaties schrijven, dat bleef mijn enige ambitie. Toen ik de Master studie ‘Creative Writing’ ontdekte, bleek er eindelijk een plek te zijn voor mensen zoals ik. Een plek waar mensen me zouden aanmoedigen en helpen om mijn droom te bereiken. En mocht het niet zo lukken, ach, dan had ik toch nog een jaar extra aan de universiteit gestudeerd, wat toch nooit zomaar weggegooide tijd is!

Tijdens het eerste college van het vak ‘Profession of Writing’ werd ons gevraagd: Wat hoop je en verwacht je van dit vak te leren? Ik moest hier even over nadenken, maar één van mijn klasgenoten, een man van minstens veertig, zei meteen: ‘Dat ik nu eindelijk eens mezelf een schrijver zal durven noemen.’ Dit antwoord had een verbluffend effect op mij. Hij had gelijk, want: Waarom zou de wereld ons serieus nemen als schrijvers, als we dat zelf nog niet eens konden? Waarom zouden ze onze boeken willen kopen, als we zelf nog niet honderd procent geloofden dat deze hun geld waard waren? Dus wat ik nodig had, was een verandering van attitude.

Stap één: Ik schafte een stapeltjes kleurrijke Moleskine notitieboekjes aan, die mooie, professioneel uitziende boekjes die ik voorheen altijd had laten liggen omdat ik ze te duur vond. Nu zei ik tegen mezelf: een vakman heeft goed gereedschap nodig. Als zo’n Moleskine fijner is om mee te schrijven, en ook niet onbelangrijk, een uitstraling heeft die mij het gevoel geeft dat ik iets erg belangrijks en poëtisch aan het schrijven ben, al zou het maar een boodschappenlijstje zijn, dan heb ik nu een zeer goede reden om hier geld aan te besteden.

Stap twee: Op een dag zette ik mijn laptop uit, verliet ik het huis en liep naar de dichtstbijzijnde Starbucks. Hier bestelde ik een Pumpkin Spice Latte – enkel om een tafeltje te mogen bezetten – en nam mijn Moleskine en mijn fijnste pen uit mijn tas. Ik had geen flauw idee waarover ik zou schrijven, maar ik begon gewoon. Kijk, kijk, hier zit een schrijver. Hoe vaak heb ik wel niet een interview gelezen waarin een beroemd auteur zei ‘Het idee voor dit verhaal kwam toen ik in dat café zat’… hoe vaak ben ik wel niet op een bekende locatie in Parijs, Londen of Dublin geweest, waar een trotse plakkaat verkondigde ‘Hier schreef [Hemingway, Wilde, Joyce] zijn eerste versie van […]’. Niet dat ik thuis niet kan schrijven, maar het gaat om het gevoel dat ik bij mijn omgeving heb. Plus, thuis is de verleiding te groot om de dag te verspillen aan internet.

Stap drie? Ik kan nog niet zeggen dat ik de vraag ‘En wat doe jij?’ beantwoord met ‘Ik ben schrijver’, maar dat hoeft ook niet. Op dit moment is mijn antwoord ‘Ik studeer Creative Writing’ en dat heeft eigenlijk hetzelfde effect. ‘Ohh, wat cool! Wat voor soort teksten schrijf je?’ En zo krijg ik toch elke keer weer dat blije gevoel van binnen: ik doe iets “creatiefs”, ik werk full-time aan mijn hobby. Ik schrijf. (Sowieso zijn er genoeg mensen die naast het schrijven een part-time of full-time baan op een totaal ander vakgebied hebben, en dat werkt waarschijnlijk ook prima. Ik wil niet de suggestie wekken dat iedereen zijn hele leven maar moet omgooien om het aan het schrijverschap te wijden)

Ik moet nog veel leren, maar daarvoor ben ik hier. Wekelijks lees ik een zelfgeschreven gedicht of kort verhaal voor aan klasgenoten en krijg ik zeer positieve feedback. Dit geeft me meer zelfvertrouwen. Ik ben zelfs begonnen met het insturen van gedichten naar verschillende online literaire magazines. Onbetaald, maar geldzaken komen na mijn studie wel aan de orde. De docenten kunnen soms pijnlijk kleine verbeteringspuntjes aanwijzen. Ook dat brengt me verder. Het belangrijkste is dat ik er nu serieus mee bezig ben. Ik hoef niet langer te zeggen ‘Als ik groot ben, wil ik graag schrijven.’ Ik hoef niet langer excuses te maken: ‘Ja ooit zou het leuk zijn iets te schrijven, maar ik heb er nooit tijd voor.’ Nee, nu mag niets meer in de weg staan. Ik ben een schrijver, het is een full-time commitment.

Joost:

Er word wel eens gezegd dat de reis belangrijker is dan het doel. Ik zou dat kunnen vertalen naar schrijven: het gaat me eigenlijk nog meer om de bezigheid dan om het resultaat.

Natuurlijk is het prachtig om gelezen te worden. Het is een geweldige motivatie en het kan best een streling van je ego zijn. Ik vind het een eer dat ik merk dat er toch steeds weer mensen zijn die even de tijd willen nemen om mijn stukjes te lezen. En er zijn weinig dingen waar ik trotser op ben dan het feit dat ik sinds kort twee boeken op mijn naam heb staan. Toch schrijf ik nog net iets meer om het schrijven dan om het gelezen worden.

Beginnen met een blanco beeldscherm en er vervolgens in slagen om daarop iets fraais te scheppen, dat blijft een fascinerende bezigheid. Je bent dan toch een heel klein beetje God. Je kunt het heden of verleden vastgrijpen en met jouw eigen twist vastleggen. Ja kunt objectief blijven of het juist mooier of dramatischer maken. Er je eigen stempel opzetten. Om maar te zwijgen over de mogelijkheden van het schrijven van fictie. Je kunt personages en gebeurtenissen, maar ook hele steden, landen en tijdperken uit je mouw schudden.

Maar schrijven is voor mij niet alleen creativiteit. Het kan ook een soort therapie zijn. Je neemt iets wat door je hoofd spookt en probeert het er uit te halen. Iets in mooie, gestructureerde woorden op papier of een beeldscherm zetten kan een prima methode zijn tegen piekeren en malen. Je exporteert je hersenspinsels naar papier of een beeldscherm, daarna zijn ze ineens concreet. Ze liggen vast en kunnen geïmporteerd worden, door je vrienden en familie, door wildvreemden en misschien over enkele decennia door je oudere zelf. Je teksten kunnen jou ineens overleven. Als wat ooit in je grijze massa omging ergens vereeuwigd ligt, dan ben je na je overlijden toch een beetje minder dood.

De blogs die ik probeer te schrijven zijn ruwweg in twee groepen te verdelen. Er zijn de monologen en er zijn de dialogen met mezelf. De monologen zijn makkelijk. Ik weet wat ik wil zeggen en moet alleen nog even de woorden tot een lekker leesbaar geheel zien te kneden. Maar zo makkelijk gaat het lang niet altijd. Als ik schrijf dan is het soms alsof ik in een Word-bestandje een pittige discussie met mezelf aan het voeren ben. Waarin ik mezelf tegenspreek. Waarin ik me afvraag wat nou eigenlijk het punt is dat ik wil maken. Waarin ik mijn meningen ter plekke vorm, bijstel en schrap. Negen van de tien stukjes uit de eerste categorie zet ik uiteindelijk online. Negen van de tien uit de tweede categorie belanden in mijn digitale prullenbak (het stukje dat je nu leest behoort dus tot een minderheid). Maar juist die stukjes zijn voor mezelf vaak het meest leerzaam. En dan is schrijven ècht belangrijker dan gelezen worden.

Ik vind het hartstikke leuk dat je dit hebt willen lezen. Echt waar, hartelijk dank daarvoor. Hopelijk vind je het niet erg dat je toch een beetje op de tweede plaats komt.

Advertenties

Leave a comment »

Dubbelcolumn Olav & Joost, deel 8: Vegetarisme

Olav:

Net als m’n bakkie koffie heb ik sterk het idee dat ik vlees nodig heb. Zonder een stuk vlees of vis heb ik niet gegeten voor mijn gevoel. Natuurlijk weet ik dat het maar net is wat je gewend bent maar ik mis het dan gewoon. Het is misschien wel net zoiets als roken. Het zit voornamelijk tussen je oren en krijg dat er maar eens uit. In mijn naaste omgeving ken ik wat vegetariërs en heb daar wel respect voor. Voor de een wat meer als de ander. Als je in een vegetarisch gezin grootgebracht wordt is het een stuk makkelijker vegetarisch te zijn en blijven. Er zijn ook mensen die eerder altijd een stukje vlees aten en besluiten er dan toch mee te stoppen. Dat is dan weer een stuk knapper. Dat getuigt dan wel weer van een stukje karakter, waarom je het ook doet.

Dierenleed wordt vaak als propaganda gebruikt om maar geen vlees meer te eten, maar zelf vind ik dat het een losstaand Item is waar zeker veel aandacht aan zou moeten worden besteed. Ook ik weet dat de varkens anders van A naar B kunnen en de manier van vroegtijdige euthanasie kan ook wat diervriendelijker. Met paardenvlees eten heb ik niet zo’n groot probleem, als ik het maar van tevoren weet zodat ik daar zelf over kan beslissen. Legbatterijen en plofkippen zijn ook uit den boze voor mij. De enige schrijnende troost is dan nog dat de arme beestjes vaak niet beter weten. Als die dieren van hun vrijheid beroofd zouden worden en vervolgens opgesloten hun leventje moeten voortzetten, krijg ik toch ook wel een naar gevoel in mijn maag. Mijn eigen kinderen hadden een konijn in een kooi van 80 x 40. “Maar we laten hem wel eens los lopen hoor” verdedigde mijn dochtertje het dierenleed. Ik ben al blij dat het beest weggelopen is om eerlijk te zijn.

Dan heb je nog de half-vegetariërs. Geen vlees eten maar wel met leren laarzen en jas door het leven gaan. Misschien niet helemaal zoals het een vegetariër betaamd, maar dan doe je toch weer wel een halve duit in het zakje. “Ik zou het niet kunnen” roep ik al heel mijn leven, maar het is een kwestie van willen natuurlijk. Te simpel denk ik dan “wat verandert er als ik er mee stop” en daar heb ik eens goed over nagedacht. Laten we dan een groep creëren van minimaal 1000 mensen die er ook zo over denken. Een groep die geen druppel op de gloeiende plaat willen laten vallen maar een emmer. Laten we dan een jaar lang proberen die groep zo groot te maken dat je je zou schamen als je na dat jaar nog vlees zou blijven eten. Vanaf nu tot een jaar verder. Geen druppel maar een emmer, misschien wel twee.

Met die gedachte kan ik het wel…

Joost:

Lange tijd was er weinig of niets dat ik lekkerder vond dan hamburgers, frikandellen, worstenbroodjes, gehaktballen en Gelderse schijven. Ik hield van vlees. Maar op een dag besloot ik dat ik eens moest proberen om het een tijdje niet meer te eten. Mijn poging duurde welgeteld twee dagen. De aantrekkingskracht van een pizza Hawaii die me voorgeschoteld werd bleek even sterker te zijn dan mijn zelfdiscipline. Maar zodra die pizza op was begon ik direct vol goede moed aan poging twee. Die tweede poging was succesvoller en duurt inmiddels al meer dan tien jaar.

Gedurende de eerste drie weken van deze tweede poging heb ik het vlees nog behoorlijk gemist en viel het me best zwaar om “nee” te zeggen als een collega worstenbroodjes uit kwam delen of als er gehaktballen op tafel kwamen. Maar daarna was de knop wel om en ging het vegetariër zijn me steeds makkelijker af. Inmiddels vind ik de aanblik en de geur van vlees zelfs ronduit onsmakelijk. Enige tijd geleden bleek een kaasbroodje dat ik gekocht had bij nader inzien toch een saucijzenbroodje te zijn. Ik spuugde de onverwachte hap vlees meteen in een servetje en werd bijna onpasselijk van de smaak in mijn mond.

Ik werd ruim tien jaar geleden overtuigd door een quote van de Ierse schrijver en Nobelprijswinnaar George Bernard Shaw. “Hoe kunnen we ideale omstandigheden verwachten op deze aarde, terwijl we zelf de levende graven zijn van vermoorde beesten?”. Hij noemde mensen levende begraafplaatsen. En dàt zette me behoorlijk aan het denken. Wilde ik nog wel verantwoordelijk zijn voor de vroegtijdige dood van wezens die aantoonbaar emoties kennen, die pijn kunnen ervaren, die kunnen horen, zien, proeven, voelen en ruiken? Wilde ik vervolgens hun dode lichamen in m’n buik hebben? Vond ik dat het feit dat een dier een lagere intelligentie en een lager bewustzijnsniveau heeft dan ik mij het recht geeft om dat wezen te degraderen tot een onderdeel van mijn avondeten? Vond ik het eerlijk dat koeien en varkens aanzienlijk minder compassie krijgen dan niet of nauwelijks intelligentere dieren zoals honden en katten, alleen maar omdat die een hogere aaibaarheidsfactor hebben? Op al die vragen moest ik ontkennend antwoorden.

Maar er zijn talloze redenen waarom mensen vegetariër worden. Om gezondheidsredenen. Of om religieuze redenen. Omdat ze het eten van vlees niet vinden passen in een beschaafde samenleving (een standpunt dat toch bepaald niet domme jongens als Einstein, Edison, Gandhi en Da Vinci er op nahielden). Uit onvrede met de leefomstandigheden van dieren in de bio-industrie. Vanwege de negatieve effecten die de vleesproductie heeft op het milieu, of op de globale voedselverdeling. Of omdat de mens anatomisch toch een stukje af staat van de vleesetende dieren, waarvan het overgrote merendeel prima in staat is om zonder hulpmiddelen z’n prooi uit te schakelen en vervolgens rauw aan stukken te scheuren met slechts z’n blote klauwen en tanden. Probeer dat als mens maar eens te doen met een koe of varken… Maar zelfs al zou de mens van nature een alleseter zijn, gaan we er doorgaans niet prat op dat door onze voortschrijdende mate van beschaving en ons rationele denken de mens zich van de dieren is gaan onderscheiden en los is gekomen van z’n oerdriften?

Inmiddels heb ik ondervonden dat je heel makkelijk zonder vlees kunt. Als je in een gemiddelde supermarkt alle vlees- en visproducten wegdenkt dan hou je nog aardig wat schappen vol voedsel over. Voor wie de textuur van vlees niet kan missen heeft elke winkel tegenwoordig bovendien een koeling vol met prima vleesvervangers (ik kan vooral Tivall’s spinazie-kaasrondo en burger royaal en eigenlijk alles van Valess van harte aanraden). Bijna één op de twintig Nederlanders is vegetariër, waardoor verreweg de meeste restaurants inmiddels ook aardig rekening houden met “ons”. De schijf van vijf laat dan ook meer dan genoeg ruimte over voor vegetarisme: zuivel, kaas, bonen, peulvruchten, noten en vleesvervangers zitten op die schijf in dezelfde categorie als vlees en vis. Je kunt dus heel eenvoudig vegetariër zijn en toch dagelijks netjes de hele schijf afwerken. Ik ben de afgelopen tien jaar geen dag ziek thuis gebleven en iedereen die me kent zal kunnen bevestigen dat ik er niet uitzie alsof ik iets tekort kom qua voeding.

Het enige wat ik ècht vervelend vind aan vegetariër zijn, is dat je regelmatig te maken hebt met niet-vegetariërs die preventief in de verdediging gaan. Je krijgt soms een vermeende aanvallende houding in de schoenen geschoven die ik niet eens in wìl nemen. Dat kan leiden tot discussies waar ik niet altijd zin in heb. Dat kan ook leiden tot bijdehante opmerkingen of tot makkelijke provocaties waar ik eigenlijk nooit zin in heb. “Je weet niet wat je mist!”. “Stel je niet aan, pak ook gewoon een worstenbroodje”. “Wat geeft het, die koe is nu toch al dood”. Of het altijd hilarische “Ach, dan eet ik vanavond wel een extra biefstukje, ter compensatie”. Of ze wijzen je erop dat je zelf misschien niet altijd 100% consequent bent. Dat ben ik ook niet. Ik eet nooit vlees of vis en draag geen leer, maar ik knijp nog wel eens een oogje dicht voor producten waar stremsel of gelatine inzit. Beter inconsequent goed dan consequent fout, denk ik dan maar.

Deels begrijp ik die defensieve houding wel. Het kan nou eenmaal confronterend zijn als iemand iets wat voor jou heel normaal is afkeurt, zelfs al keurt hij dat alleen voor zichzelf af. Maar net als een politieke of religieuze overtuiging vind ik dat vegetarisme een persoonlijke keuze moet zijn die je nooit aan iemand op moet dringen. Aan het denken willen zetten en informeren is prima, willen bekeren niet. Ik ga er vanuit dat elk volwassen mens prima in staat is om de voors en tegens op een rijtje te zetten en dan zelf een conclusie te trekken.

Maar welke conclusie je ook trekt, besef dat zelfs die ene individuele keuze van jou wel degelijk effect heeft. Geld uitgeven in de supermarkt is een beetje als stemmen. Net zoals jouw ene stem bij de Tweede Kamerverkiezingen bijdraagt aan hoe groot of klein een partij wordt, zo bepalen ook jouw euro’s welk product meer of minder geproduceerd zal worden. Op minder vraag volgt minder aanbod. Op minder vleesconsumptie volgen minder slachtingen. En denk niet dat één vegetariër geen verschil maakt. Schattingen over het aantal runderen, varkens, schapen en kippen dat de gemiddelde Nederlander in z’n leven opeet komen doorgaans uit tussen de vijfhonderd en duizend. Niet echt een te verwaarlozen aantal.

Ja, ik heb een goed gevoel over mijn tweede poging tot vegetariër zijn. Ik denk dat ik die nog wel even vol ga houden.

Leave a comment »

Dubbelcolumn Olav & Joost, deel 7: Tatoeages

Olav:

Het nieuwe en aparte is er al een tijdje vanaf. Op mijn veertiende heb ik zelf mijn eerste gezet. Ik zat op de LTS (schilderen) en druppelde wat Oost-Indische inkt op mijn hand. Vervolgens pakte ik een passer en stak er lustig op los. Het werkte en ik zette er nog netjes twee puntjes naast. Thuis waren ze minder blij met mijn creativiteit, dat weet ik nog wel. Toen ik een jaar of twintig geleden de eerste liet zetten had ik nog wel een beetje bekijks. Een tribalbandje om de biceps, net boven de T-shirtmouwlijn. Voor die tijd redelijk apart, temeer omdat ie rondom loopt. Aan de binnenzijde was het iets pijnlijker dus werd het daar door sommigen weggelaten. De tweede werd een schorpioen op m’n enkel, aan de binnenkant. Op de bobbel was het minst prettig. “Het inkleuren is minder pijnlijk” zei hij nog, en natuurlijk geloofde ik hem. Een schorpioen? Mijn sterrenbeeld is kreeft dus die link is niet te leggen. Vind het een mooi beest en op het voorbeeldbord stond ook eigenlijk geen mooiere afbeelding. Het had op dat moment wat mij betreft net zo goed een schildpad kunnen worden. Er moest gewoon iets op. De derde ging op mijn schouder als ode aan mijn kinderen. Een soort van Maori-afbeelding met de namen van mijn liefsten er omheen. De vierde was ook een ode aan en is het eigenlijk nog steeds. Plekkie in m’n hart en op m’n andere schouder.

“Ja, maar als je straks oud bent..” werd er toen nog wel eens gezegd. Ja, wat dan? Dan zeggen ze, “Ooh, die heeft een tattoo!”. Alsof het me dan nog interesseert wat ze van mijn versieringen vinden, terwijl ik druk doende ben mezelf in leven te houden. Als mensen me daar op willen veroordelen moeten ze dat zeker doen. “Boeie” zeggen we dan.

Ja, het nieuwe is er flink vanaf. Iedereen zit helemaal vol en het is een heel normaal en geaccepteerd straatbeeld geworden. Je bent al veel aparter als je er geen hebt. Het is een onderdeel van het straatbeeld en ieder heeft zijn of haar verhaal erbij. Prachtig vind ik het, vooral de reden ervoor of de gedachten er achter. Het zijn niet alleen schippers meer of asocialen met de “stickers”.

Mijn moeder is nu 79. Een paar jaar geleden zat ze naar mijn arm te kijken en zei, “Eigenlijk zou ik er ook wel eentje willen, of is dat gek?”. Uiteindelijk heeft ze Tinkerbell laten zetten op haar bovenarm.

“Is dat gek?”. Boeie!

Joost:

Zaterdag 14 september 2002. Zenuwachtig loop ik in Breda door de Sint Annastraat. In mijn broekzak heb ik een papiertje met een tekening van het wapen van mijn familie. Mijn ouders hebben een mooie afbeelding in kleur van dit wapen, ik heb er een wat versimpelde versie met alleen de zwarte buitenlijnen van gemaakt. Dit om de kosten te drukken en om heel eerlijk te zijn ook een klein beetje om de tatoeëersessie kort te houden voor het geval het toch wat te pijnlijk zou blijken te zijn. Inkleuren en details toevoegen kan eventueel later nog wel een keertje, zo heb ik bedacht. Na minstens een jaar of tien fantaseren over wat voor tatoeage ik later zou willen is “later” nu aangebroken en heb ik de knoop dus doorgehakt. Zodra ik aangekomen ben bij Bunker Tattoo ga ik naar binnen. Daar gaan we dan…

Inmiddels zijn we elf jaar verder en heb ik zeven middelgrote tatoeages. Dat zijn er te weinig om serieus genomen te worden door de èchte liefhebbers, maar het zijn er genoeg om zo nu en dan de vraag “Waarom, in hemelsnaam?” te moeten beantwoorden. Nou, eigenlijk om dezelfde reden waarom ik gruwel van strakke, steriele Jan des Bouvrie-interieurs. Waarom zou je iets kaal en leeg laten als je het ook kan decoreren met dingen die je mooi vindt, die prettige herinneringen bij je oproepen, die staan voor iets wat belangrijk voor je is of die iets zeggen over hoe of wie je bent?

Daarom staat op mijn linker bovenarm dus het wapen van mijn familie. Het heeft inmiddels gezelschap gekregen van de honingbij van de hoes van het Beach Boys-album ‘Wild Honey’ en van een Mayatekening van een aap die stond op een T-shirt dat ik ooit kocht in Guatemala. Op mijn rechter bovenarm staat de naam van mijn eerste serieuze band in een hoefijzer, het elfje van de hoes van het Red Hot Chili Peppers-album ‘One Hot Minute’, een beschermengel, en de zon van de hoes van het Brian Wilson-album ‘Smile’ met de eerste noten van mijn favoriete liedje ‘God Only Knows’. Ik vind het een prettig idee dat ik al die afbeeldingen als permanente souvenirs voor de rest van m’n leven bij me zal hebben. En uiteraard heb ik nog ideeën genoeg voor wat daar wellicht ooit nog bij moet gaan komen.

De toch wel een beetje gevreesde pijn bleek op die zaterdag in september 2002 dus reuze mee te vallen en al die keren daarna ook. Het had zelfs iets verslavends. Het is een soort pijn die ergens best fijn is, zoals spierpijn na een pittig stukje joggen of lekker hard krabben aan een muggenbult. Maar natuurlijk is “inkt krijgen” op de ene plek wat minder prettig dan de andere. Het is niet zo aangenaam als de tatoeëerder ergens dicht bij je botten moet gaan hameren of juist door hele zachte huid moet sleuren. Maar dat weet ik alleen uit de tweede hand, ik heb altijd op veilig gespeeld met relatief pijnloze tatoeages op mijn bovenarmen.

Het stereotype is dat mensen met tatoeages stoer zijn. Maar dat gaat natuurlijk niet op als je een bijtje, een aapje, een elfje, een engeltje en een zonnetje op je lijf hebt staan…

Leave a comment »

Driedubbelcolumn Mark, Jelmer & Joost: Religie

Religie is altijd een gewichtig en beladen onderwerp. Daarom nu voor het nodige evenwicht eens een driedubbelcolumn met drie uiteenlopende standpunten, met medewerking van Mark Hellings en Jelmer Anker.

Mark was tot enkele jaren geleden Jehovah’s getuige, maar is nu atheïst. Jelmer gaat regelmatig naar de kerk. En ik zweef ergens twijfelend in het midden.

Mark:

“Als ik maar genoeg woorden gebruik, zit de waarheid er vanzelf tussen.”
(Freek de Jonge)

Omgeven door warmte, liefde, belangstelling. Ik kan mijn opvoeding en mijn kinderjaren niet anders omschrijven. Ouders die van je houden, voor je zorgen, met je bidden en die met je naar de kerk gaan. Ouders die je laten zien, dat de Bijbel een schitterende toekomst belooft voor ons ‘nederige’mensen, man wat mooi.

Ik vond mezelf echt bevoorrecht. Ik wist dat God mij kon en wilde helpen om een beter mens te worden, maar ook beloofde eeuwig te leven. Eeuwig leven op een aarde die veranderd zou zijn in een paradijs.
In mijn pubertijd werd ik ernstig ziek, chronisch. Maar mijn droom, mijn verlangen naar het paradijs werd hierdoor alleen maar groter. Mijn verlangen om mijn geloof, mijn hoop en mijn toekomst met anderen te delen was dan ook immens.

Ik wilde echt graag dat iedereen mijn God leerde kennen. Mijn God was er een van liefde; mensen die zeiden dat God ‘dood was’ begrepen het niet. Ik moest en zou ze helpen. En ik ging samen met mijn “broers” en zussen” langs de deur met een Bijbel en een glimlach. Daar heb ik zowel schaamte als plezier aan beleefd. Tussen twee haakjes, veel Jehovah’s getuigen vinden dit ‘langs de deur gaan’ waarbij de gemeente met je meekijkt of je dat wel vaak genoeg doet, een moeilijke taak. Een taak die vaak uit groepsdruk gedaan wordt.

‘Twijfels over mijn religie’ vraag je? Ik had in mijn jeugd nog niet zo veel twijfels. Waarom zou ik twijfels hebben? De wereld om mij heen was niet mooi, ik kreeg altijd tranen in mijn ogen van het nieuws of de krant. Vond het wel lang duren voordat mijn paradijs kwam. Maar twijfels horen erbij en die werden in mijn kerk dan ook uitgebreid besproken. Satan was voor mij en mijn kerk een reëel persoon en zorgde er op veel verschillende manieren voor dat je het geloven in God moeilijk zou vinden.

Maar de twijfels kwamen zeker, steeds vaker en steeds harder. Het meisje waar ik van hield bleek nogal wat meegemaakt te hebben als klein meisje. Mijn onkunde om te dealen met zulke zaken was ontzaglijk. De wereld werd voor mij daardoor nog zwarter. En dat paradijs, dat was er nog steeds niet. Ik werd er geestelijk en lichamelijk ziek van.

Toen ik in het ziekenhuis lag, 26 jaar oud, besloot ik : geloven in God is niet goed voor mij en ik wil niets meer met God te maken hebben. Ik stopte met het bezoeken van mijn kerk. Daarnaast ging ik mij verdiepen in de wereldreligies, evolutietheorie en de psychologie. Schitterend! Man man man wat mooi, om te zien hoe het allemaal werkt. En wat schitterend om te zien wat ‘we’ allemaal nog niet weten! De grote moeilijkheid echter van breken met het geloof bij de Jehovah’s getuigen is natuurlijk het breken met al je vrienden en gelovige familieleden. Dit was extreem zwaar en is tot op de dag van vandaag een traumatische ervaring gebleken. Voor mijn ouders is het onbegrijpelijk dat ik God en hen dit aangedaan heb en het weinige contact dat we hebben wordt daardoor overschaduwd.

Na een tijd was mijn geloof in God verdwenen, maar niet alleen mijn geloof in God was verdwenen, ik kwam tot de schokkende conclusie dat mijn geloof in het paradijs ook weg was.

De afgelopen 7 jaar breng ik mijn tijd dan maar door met carrière maken, een gezin, een band, vrienden, een hond, films en games. Vrij saai allemaal als je dat vergelijkt met mijn paradijs,.. Maar nu wel, echt en oprecht!

Maar religie is voor mij uiteindelijk typisch zo’n gevalletje “als je maar genoeg woorden gebruikt…”. Dat de waarheid er tussen zit heeft geen waarde zolang gelovigen niet aanvaarden dat er tussen hun kleine beetjes waarheid te weinig waarheid zit.

Jelmer:

Ik geloof in God.

Er was een tijd dat ik daar niet zo openlijk voor durfde uit te komen. Ondanks dat ik altijd op een Christelijke school heb gezeten leek het wel of mijn klasgenoten niet geloofden en niet naar de kerk gingen. Zelf heb ik het geloof van huis uit meegekregen. Mijn ouders gingen (en gaan nog steeds) vrijwel elke zondag naar de kerk en uiteraard namen zij hun kinderen mee en werden zij gedoopt. De eerste jaren ging ik mee omdat er geen alternatief was en ik ook nog te klein was om andere opties te zien. De bijbelverhalen en de psalmen en gezangen zijn in die tijd al wel in mijn geheugen gegrift, maar bewust van mijn geloof was ik absoluut nog niet.

Omdat ik fanatiek aan sport deed en er veel wedstrijden op zondag gespeeld werden moesten mijn ouders toen ik een jaar of twaalf was de keuze maken of ik die mocht spelen of dat de kerk toch echt voorging. Het poldermodel bleek in ons gezin al goed ingevoerd, ik mocht aan bepaalde (belangrijke) wedstrijden meedoen, maar aan de wat onbeduidende zondagse toernooien niet. Achteraf ben ik blij dat mijn ouders er op deze manier instonden, en dit heeft mijn geloof ook beïnvloed. Het geloof dat ik belijd is er niet om mensen vervelende regels op te leggen, maar dient ter inspiratie voor het leven van nu en morgen. Aan de andere kant is het ook niet iets om lichtzinnig mee om te gaan.

De inspiratie voor mijn geloof vind ik in de bijbel, voor sommigen een stoffig boek met oude verhalen, voor mij de basis van mijn wezen. Het is wel zaak om de belangrijke punten eruit te halen waar je nu iets mee kunt, anders blijven het slechts verhalen. Als vrijwilliger in de jeugdkerk heb ik me een tijd hierin verdiept en dan kom je tot de conclusie dat in vrijwel ieder verhaal een thema zit waar je in het leven anno 2013 nog inspiratie uit kunt halen. En het is fijn om met jongeren met dit soort dingen bezig te zijn, het verandert vaak de manier waarop je tegen dingen aankijkt. Is de keuze die je maakt in een bepaalde situatie geïnspireerd door de leefregels van God en Jezus of bepaal je zelf wat goed is? Voor mij een eenvoudige vraag.

Nu ik zelf volwassen ben en de zorg heb over mijn eigen kinderen is het ook aan mij (en mijn vrouw) om hen te leren over het geloof. Hierbij is het zaak om het goede voorbeeld te geven, maar ik weet zeker dat er momenten zullen zijn dat dit lastig is. Of dat er vragen komen waar ik het antwoord niet op weet. Hopelijk kan ik de meiden een goede basis geven zodat zij het geloof als waardevol ervaren. Zij moeten uiteindelijk voor zichzelf beslissen of zij ook geloven in God en op welke manier zij hier invulling aan geven. Ik zal ze hierin (misschien af en toe met wat lichte dwang) ondersteunen, zoals ook mijn ouders dat bij mij hebben gedaan. En hopelijk zeggen zij dan uit zichzelf over een jaar of wat:

Ik geloof in God.

Joost:

Ik ben opgegroeid in een van oudsher katholieke omgeving. Mijn ouders hebben de tijd waarin de pastoor de dienst uitmaakte in het dorp nog meegemaakt. In mijn jeugd speelde het katholicisme echter niet zo’n grote rol meer. Het praktiseren van het geloof was grotendeels verdwenen uit de huis- en slaapkamers en de kerkelijke rituelen vonden, volgens het toepasselijke gezegde, vooral nog plaats voor het oog van het kerkvolk. Omdat het zo hoorde, niet zozeer omdat het daadwerkelijk nog wat betekende. Je ging naar een katholieke basisschool omdat alle kinderen uit de buurt daar nou eenmaal op zaten, de enige openbare basisschool in het dorp bleef door deze vicieuze cirkel klein. Dat was tekenend.

Ik was nog vrij jong toen me iets op begon te vallen aan portretten van Jezus Christus. Hij werd meestal afgebeeld met een lichte haarkleur, een bleke huid, een rechthoekige kaaklijn en felblauwe ogen. En zo zagen de mensen die uit zijn deel van de wereld kwamen er helemaal niet uit. Het leek me dus niet erg realistisch om aan te nemen dat De Verlosser een ariër was. Ik wil niet voor de Zoon van God spreken, er zijn al te veel mensen die dat menen te moeten doen, maar ik zou me niet erg vereerd voelen als mensen bewust een verkeerde weergave van mij, gebaseerd op hun eigen ideaalbeeld, zouden verkiezen boven een rationeel gezien realistischer beeld. Langzaam begon ik me af te vragen of er in de kerk nou werkelijk zoveel waarde gehecht werd aan de waarheid, of dat men liever vast bleef houden aan vastgeroeste opvattingen, tradities en wishful thinking.

Tijdens mijn niet heel frequente kerkbezoekjes, we gingen vroeger alleen op kerstavond en bij speciale gelegenheden, twijfelde ik over steeds meer dingen. Dat rare gewaad dat de pastoor droeg, zou God dat nou echt nodig vinden? Die stokoude liedjes die keer op keer opgedreund werden, moest dat nou werkelijk van onze Hemelse Vader? Die rituelen met kruisen, kaarsen, wijn en wat al niet meer, zou de almachtige Schepper van het volledige universum ons wat minder leuk vinden als we ons daar niet mee bezig zouden houden? Ik kon het me niet voorstellen. Toch werd er in de kerk bijzonder gewichtig over gedaan. Intussen kwam Het Vaticaan steeds vaker in het nieuws met standpunten over zaken als homoseksualiteit, vrouwenrechten, anticonceptie, abortus en euthanasie die loodrecht tegenover mijn eigen rechtvaardigheidsgevoel stonden. Toen werd het wel duidelijk: bij dit clubje hoor ik niet thuis.

Mijn geloof ben ik echter nooit volledig verloren, met overtuigde atheïsten kan ik me net zo min identificeren als met streng gelovigen. Daarvoor ben ik toch teveel een agnost. Religie en geloof zijn sowieso twee verschillende dingen. Een religie is een set cultureel bepaalde regels en rituelen die ooit door mensenhanden vastgelegd zijn, je moet het daarbij maar voor lief nemen dat niemand met zekerheid vast kan stellen wat de bron van die regels was en dat die regels op sommige punten aantoonbaar vertroebeld zijn door vertaalfouten, censuur en uiteenlopende interpretaties. Geloof echter is een “gut feeling” waarvan ik niet weet waarom het niet overeind zou kunnen blijven staan als je alles wat religies er aan toevoegen weglaat.

Of er een leven na de dood bestaat of niet vind ik niet zo’n interessant discussiepunt. Het enige wat we over dit onderwerp zeker weten is dat we er geen invloed op uit kunnen oefenen en dat we er tijdens dit leven nooit onomstotelijke zekerheid over zullen krijgen. Je kunt een bibliotheek aan boeken lezen die volgeschreven zijn over dit vraagstuk, maar aan het einde van het liedje heb je er nog net zo weinig zekerheid over als toen je met je duim in de mond in de wieg lag. Gelukkig is er wel een leefregel waar geen enkele twijfel over hoeft te bestaan. Een uitspraak die toegeschreven wordt aan zowel Confucius, Mahavira, Boeddha, Isocrates en Mohammed als Jezus Christus, maar waar ook vrijwel geen atheïst iets tegenin zal kunnen brengen:

“Behandel anderen zoals je door hen behandeld wil worden”.

Als iedereen hier zich oprecht en consequent aan zou houden, dan zouden alle andere leefregels overbodig zijn. Geloof ik.

Comments (4) »

Dubbelcolumn Olav & Joost, deel 6: Boodschappen doen

Olav:

Boodschappen doen is niet leuk. Ik haat het net niet, maar het zal ook mijn hobby nooit worden. Het lijkt zo doelloos iedere keer, net zo doelloos als strijken, stofzuigen, zemen en meer van die ondankbare klusjes. Dan begrijp ik wel dat er dames zijn die op een gegeven moment de zin van het “huisvrouwenleven” niet meer zien, en heftig kunnen reageren als je met je vieze poten van buiten komt terwijl er net gedweild is. Ik begrijp het volkomen.

Geen muntje voor een kar, lotgenoten die iets meer tijd hebben dan ik staan te twijfelen voor de deur van de vriezer, altijd de deur die ik hebben moet. Omdat ik altijd bijna te laat ben staan vakkenvullers altijd voor “mijn” schap en wat ik graag wil hebben is natuurlijk net op. Als ik dan vraag of het nog ergens achter staat ligt het natuurlijk onderop de container, waardoor ik nog een minuut of tien sta te wachten. Ik ben al laat, heb altijd haast en moet altijd plassen als ik daar rond loop. Waarom zie ik pas dat er “de tweede gratis” aanbiedingen zijn als ik diezelfde artikelen al in mijn kar heb liggen, alleen dan van een ander merk? Waarom kan ik de Wokkels nooit vinden? Waarom is altijd net de Almhof Maracuja Perzik Roomyoghurt op en waarom zit er in de grote aanbiedingenbak nooit iets waar ik mezelf mee zou kunnen verwennen, gewoon nooit?

Ik denk dat ik getest wordt soms. “Boiling point” noemen ze het ook wel. Ik denk dat er camera’s hangen om, onder andere mij, in de gaten te houden. Kijken hoever ze kunnen gaan, wat het maximale is wat een doorsnee klant aankan tot hij of zij gaat gooien met spullen en kwaad wegrent, vloekend en tierend.

Een oud vrouwtje vraagt me of ik iets wil pakken voor haar, helemaal onder en achterin het schap. “ik kan er niet bij meneer, sorry”. Deze ene actie maakt al het bovenstaande weer ongedaan, ik was hier niet voor niks.

Ik kijk naar boven en zie inderdaad camera’s. Mij pakken ze niet…

Joost:

Boodschappen doen is een bijzondere bezigheid. Een rondje maken door de plaatselijke Albert Heijn versterkt namelijk altijd mijn gemoedstoestand. Ga ik met een slecht humeur een karretje halen, dan kun je er donder op zeggen dat ik echt bloedchagrijnig ben tegen dat tijd dat ik ‘m weer terugzet. Ga ik vrolijk naar binnen, dan is de kans groot dat ik bij wijze van spreken huppelend de kassa passeer. Op de één of andere manier werkt de supermarkt nooit neutraliserend.

Voor een pesthumeur is de supermarkt nèt wat te rijk aan potentiële bronnen van ergernis. Oude kennissen die elkaar in een smal gangpad tegenkomen en met hun karretjes langs elkaar de zomervakanties van de afgelopen drie jaar uitgebreid doornemen. Slaapwandelaars die hun overvolle karretjes jouw richting op duwen terwijl hun afwezige blik gericht staat op de erwtjes in blik. Kinderen die jengelen omdat moeder het geen goed idee vindt dat ze straks een ijsje gaan halen. Die man die met de achtergrondmuziek mee staat te fluiten, denkt hij daar iemand een plezier mee te doen? Lege schappen waarin toch echt dat erg goedkope artikel had moeten staan dat zo prominent in de actiefolders stond. Lange rijen voor de kassa’s en toch blijkt iemand het een goed idee te vinden om nog maar een kassa te sluiten. Het verstrooide oude vrouwtje voor je in de rij dat de acht bordjes waar “alleen pinnen” op staat over het hoofd heeft gezien en uiteraard alleen contant geld bij zich heeft. De kassajuffrouw die zo mogelijk nog chagrijniger is dan je zelf inmiddels bent. En hoe kunnen die boodschappen nou meer dan veertig euro kosten?

Mocht je me ooit op een slechte dag voor de voeten hebben gelopen in de supermarkt en mocht mijn karretje toen met het jouwe in botsing zijn gekomen, dan bestaat er een kansje dat dit niet honderd procent incidenteel was. In dat geval: alsnog sorry.

Maar vandaag had ik een goed humeur. Niks aan de hand. En dan kan boodschappen doen best leuk zijn en voldoening geven. Het derde kratje bier was gratis, da’s toch vijf euro pure winst. Vanavond wat leuks op tv, dus toch maar een zak chips meenemen. Even bij de tijdschriften gekeken of er nog wat interessants bij stond. En omdat we toch impulsaankopen aan het doen waren, meteen maar even langs de chocoladerepen gegaan. Die nieuwe kaasburgers zien er goed uit, toch maar eens proberen. Ja, natuurlijk mocht die beleefde oudere meneer met z’n twee artikelen wel even voor. En u ook een bijzonder prettig weekend toegewenst!

Fluitend sta ik even later thuis de boodschappen uit te pakken. Hee, wacht even, geen afwasmiddel? Er zal vandaag toch nog even afgewassen moeten worden. Terug naar de winkel dan maar. God, wat kan ik daar chagrijnig van worden…

Leave a comment »

Dubbelcolumn Olav & Joost, deel 5: Homofobie

Dit keer behandelen Olav Heijt en ik een wat gevoeliger onderwerp: homofobie.

Olav:

Mijn oudste zoon pakt zijn zusje van zes op en ze lacht, ze lacht eigenlijk altijd. “Homootje, met je homopetje!” roept ze ineens en trekt aan z’n cap. Ik weet niet goed hoe ik er op moet reageren en begin te lachen. Tegelijkertijd vraag ik me af waar ze die woorden vandaan zou hebben. Zeer waarschijnlijk van haar twee broers, die al redelijk beginnen te snappen waar het allemaal om draait in het leven, maar die zeker nog niet door hebben wat wel en vooral niet belangrijk is. Maar dat komt vanzelf.

Aan de ene kant merk ik wel dat de taboes, ook wat homo’s betreft, behoorlijk doorbroken zijn, maar aan de andere zijde merk ik toch ook weer wel dat de acceptatie niet 100% is en misschien ook wel nooit zal worden. Niet vaak maar toch gebruik ik het ongemerkt zo nu en dan als een soort van scheldwoord. “Homo, watje”, alsof er iets mis mee zou zijn. Misplaatst en “not done”, zeker weten, want ik heb absoluut geen hekel aan homo’s of lesbiennes, in geen geval. Ik ken er verschillende en het zijn vaak ook gewoon alleraardigste mensen. Natuurlijk zijn er in die “categorie” ook misbaksels, net zo goed als onder de “heteromensen”.

Lang geleden draaide ik me om in een kroeg en er stonden twee mannen te tongzoenen en ik moet eerlijk zeggen dat ik er niet zo lang naar kon kijken. Het is niet perse vies maar gewoon een niet zo veel voorkomend beeld en dat choqueerde me nog het meeste denk ik. Frappant is dan weer wel dat als ik het twee vrouwen zie doen, ik er toch net iets langer naar kan kijken.

Waar ik minder goed tegen kan zijn de rebellerende homo’s, die zich altijd aangevallen voelen en op ieder moment en plaats hun geaardheid erg breed en luidruchtig uit moeten dragen. Natuurlijk moet je je laten horen als je je “onderdrukt” voelt, maar dat kan ook op andere manieren. Ik heb het idee dat je op deze manier de hetero’s alleen maar tegen je keert.

Ik heb dus absoluut geen hekel aan homo’s maar wel aan aanstellers, van welke geaardheid dan ook.

Op Koninginnedag stond ik met een “homokennis” te praten en ik pakte wat op van de grond. Terwijl ik een beetje draaide zei hij, “Ja, zo vraag je er wel om natuurlijk”.

Daar kan ik dan weer wel om lachen.

Joost:

Op het station zie ik wel eens posters van de Bond tegen Vloeken, met spreuken als “Een vloek mist ieder doel” en “Als een vloek valt breekt er iets”. Dat soort betuttelende betweterigheid heeft op mij altijd een averechts effect. “Rot op met je bullshit”, denk ik dan. Ik ben over het algemeen welgemanierd genoeg om niet met schuttingtaal te smijten als het echt niet gepast is. Maar zo nu en dan een krachtterm om stoom mee af te blazen, daar is volgens mij niks mis mee. “Af en toe wat schuttingtaal, da’s eigenlijk toch heel normaal”. Zet dàt maar op een poster bij een bushokje. Als je met een hamer op je duim slaan dan is “drommels” nou eenmaal niet afdoende, als je een vaas kapot laat vallen lucht “grutjes” gewoon niet op en ‘Killing in the Name’ van Rage Against The Machine zou toch een stuk minder overtuigend hebben geklonken als Zack de la Rocha in het refrein “No sir, I won’t do what you tell me” had staan blaffen.

Of je zit voetbal te kijken, een speler van je clubje weet op magistrale wijze een manier te vinden om een onmisbare kans tòch te missen, dan bekt “Kun je nou helemaal niks, ontzettende homo?” verdomd lekker. Ik floep er wel eens wat uit van een dergelijke strekking. En dat is iets waar ik me eigenlijk wèl voor schaam. Terwijl ik “homo” helemaal geen beledigend woord vind. Maar dat is nou eigenlijk het punt: door het woord in een denigrerende context te plaatsen, alsòf het een belediging is, beledig ik juist iedereen die homoseksueel is. En indirect ook mezelf. Ik zou immers de indruk kunnen wekken dat ik een homofoob ben.

Homofobie. Bij dat woord denk ik aan mannen die geen enkele vrouw kunnen krijgen, maar die er wel van overtuigd zijn dat elke homoseksuele man hen zou willen bespringen. Aan mensen die in een wereld waarin al hindernissen genoeg zijn het toch nodig vinden om andere mensen het leven zuur te maken, ook al doen die geen vlieg kwaad. Aan ouders die liever hebben dat hun lesbische dochter alleen blijft of trouwt met een man waar ze nooit van zal kunnen houden, dan dat ze zielsgelukkig wordt met een vrouw. Aan mensen die stug blijven beweren dat homoseksualiteit een ziekte is, of aangeleerd gedrag, terwijl wetenschappelijk allang bewezen is dat dit niet zo is. Aan mannen die vinden dan homo’s hun geaardheid zoveel mogelijk verborgen moeten houden, maar die zelf geen mogelijkheid onbenut laten om te benadrukken hoe heteroseksueel ze zelf zijn. Aan mensen die het moeilijk vinden om te accepteren dat niet iedereen hetzelfde in elkaar zit.

Homoseksualiteit. Bij dat woord denk ik aan mensen die een andere voorkeur hebben dan de meerderheid, maar die uiteindelijk gewoon de mooiste gevoelens die je van nature mee kunt krijgen volgen. Niets meer en niets minder.

Homo genoemd worden of homofoob, ik weet wel welke van de twee ik op zou vatten als een belediging.

Dus de eerstvolgende keer dat ik Arjen Robben weer een kansloze poging zie ondernemen om dwars door een verdediger heen te dribbelen dan zal ik m’n best doen om me in te houden en hem gewoon, heel netjes, een stomme klootzak te noemen.

Leave a comment »

Dubbelcolumn José & Joost: Nageslacht

Als je moeder, met haar tweede kleinkind op komst, aangeeft dat ze wel een dubbelcolumn met je wil schrijven, dan hoef je natuurlijk niet lang te denken over een onderwerp.  Met medewerking van José van Gisbergen-Vermeulen: “Nageslacht”.

José:

Al sinds mensenheugenis bezitten mensen en dieren een natuurlijke drang om zichzelf te vermeerderen. Zo begon bij Broer en mij al snel nadat wij 38 jaar geleden getrouwd waren, keurig zoals het in die tijd hoorde, het te kriebelen. Wij wilden nageslacht. Nu was het niet verstandig om dat te overhaasten, mede omdat ook in die oertijd het gebruikelijk was dat de nieuwbakken moeder dan bij haar kindjes thuis bleef. Wat inhield dat het gezinsinkomen een heel stuk kelderde. Dus toch maar een paar jaartjes gewacht en onze ouder-/verzorgergevoelens een tijdje zoet gehouden met een hondje.

Toen dan uiteindelijk de tijd volgens ons rijp was en we er vol voor gingen duurde het nog tien maanden voordat het zover was. We waren zwanger! Na een goed doorlopen zwangerschap werd op zondag 8 oktober 1978 onze zoon Josephus Joannes geboren. Voor mijn schoonvader een rechtstreekse stamhouder, waar hij apetrots op was. Hij is die middag voor het eerst sinds lange tijd weer naar de plaatselijk voetbalclub gegaan, alleen maar om het nieuws daar van de daken te kunnen schreeuwen. Sjef van Simonne had een nieuwe Sjef als nageslacht!

Omdat wij altijd al graag zeker drie kinderen wilden gingen we er de daarop volgende jaren nog twee keer voor. Met als resultaat nog twee semi-stamhouders, Roel en Ben. Na nog een klein beetje twijfelen over misschien toch nog een vierde, hebben we dat plan uit ons hoofd gezet. Het was goed zo. Je moet al dat nageslacht ook nog zonder kleerscheuren groot proberen te krijgen wat op zich best wel een klus is.

Inmiddels staan onze jongens al een aantal jaren op eigen benen. Loslaten doe je je nageslacht nooit meer en dat is natuurlijk ook niet de bedoeling! Vanaf het moment dat je voor het eerst in je leven zwanger bent, echt vanaf dag één, begint het zorgen, het zorgen maken en gelukkig ook het plezier om je nageslacht.

Het mooie is dat onze familie sinds ruim twee jaar weer aan het uitbreiden is. We weten nu ook hoe het is om kleinkind-nageslacht te hebben. Hiervoor geldt hetzelfde als bij je kinderen; zorgen, zorgen maken en er wel heel veel plezier van hebben.

We hopen dan ook dat er de komende jaren nog een paar leuke exemplaartjes nageslacht zullen volgen. Goed voorbeeld doet goed volgen zegt men, dus dat moet wel lukken.

Joost:

Een paar weken geleden hing ik aan de telefoon met mijn moeder en hoorde ik op de achtergrond dat mijn broer, schoonzus en nichtje bij hen op bezoek waren. Helemaal uit het niets vroeg mijn moeder ineens of ik die avond thuis zou zijn. “Zomaar, uit belangstelling”. Even later belde mijn schoonzus. Ze zei dat ze op weg was naar haar zus, maar dat die zojuist had laten weten dat ze later thuis zou zijn. En nu wilde ze met mijn broer even langskomen. “Zomaar, om de tijd te doden”. Twee doorzichtige smoesjes, een broer en schoonzus die een rondje langs de directe familie aan het maken waren, ik wist genoeg.

Ervan uitgaande dat alles wel goed gaat, dan krijgen mijn ouders over een maand of acht dus hun tweede kleinkind. Zolang de gedachten van mijn schoonzus en de relationele status van mijn jongste broer ongewijzigd blijven lijkt het erop dat de eventuele derde van mijn vriendin en mij zal moeten komen. Uiteraard is dat al ten sprake gekomen. Ik ben immers al 34, bijna tien jaar ouder dan mijn moeder was toen ze mij kreeg. Het leeftijdsverschil tussen mij en mijn eventuele kinderen zal sowieso een stuk groter worden dan dat tussen mij en mijn eigen ouders.

Tsja, kinderen. Als je ze op mijn leeftijd nog niet hebt, dan zul je er ongetwijfeld al over uit zijn of je ze ooit nog zult willen of niet. Voor mij is dat eigenlijk nooit een vraag geweest. Ik vind de toekomst er een stuk gezelliger uitzien als ik er een paar kinderen bij denk. Maar ook voor na die toekomst vind ik het een prettig idee om ooit een nageslacht te hebben. Het is een geruststellende gedachte dat er dan misschien over een eeuw nog mensen rondlopen op deze planeet die het nog wel eens hebben over hun opa. En dat ze wellicht zo nu en dan nog eens door zijn oude fotoalbums bladeren, dat ze heel misschien zelfs nog ergens een mapje hebben met de stukjes die die ouwe in 2013 schreef. Wie schrijft die blijft, wie nageslacht krijgt ook.

Maar voorlopig hebben mijn vriendin en ik nog geen haast. We kennen elkaar pas anderhalf jaar, wonen pas twee maanden samen en sowieso moet zij eerst nog maar eens zien te promoveren. En daarna zien we wel wanneer we zomaar, om de tijd te doden, een rondje maken langs al onze ouders en broers.

Leave a comment »