Archive for Serie: Schatgraven

Schatgraven, deel 2

In deze serie wil ik steeds vijf ernstig ondergewaardeerde nummers onder de aandacht brengen. Die nummers moeten voldoen aan drie criteria:

– Ik moet ze uiteraard zelf goed vinden.
– Ze mogen niet heel bekend zijn.
– Er moet een enigszins goed verhaal over te vertellen zijn.

In deel 2: Bayside, Chad & Jeremy, Super Furry Animals, Sonny Burgess en Carlos Puebla y sus Tradicionales.

Bayside – Winter (2005) [klik]

Op 1 september 2005 kwam het titelloze tweede album uit van Bayside, een emo/punkpopband uit Queens, New York. Ter promotie van de plaat sloot het viertal zich anderhalve maand later aan bij de bands Hawthorne Heights, Silverstein en Aiden voor de gezamenlijke Never Sleep Again Tour. Op 31 oktober 2005 om 3:13 uur ’s nachts passeerde hun tourbus na een optreden in Boulder, Colorado het stadje Cheyenne in de staat Wyoming. Door een verraderlijk glad stuk wegdek raakte de bus van de weg om vervolgens over de kop te vliegen. Zanger/gitarist Antony Raneri, gitarist Jack O’Shea, gitaartechnicus Nicky Raneri en tourmanager Scott Robinson hadden geluk, ze konden allen nagenoeg ongedeerd uit de bus klimmen. Minder mazzel hadden bassist Nick Ghanbarian, die zijn lendenwervel brak, en drumtechnicus Dan Marino, die eveneens een medische ingreep nodig had. Eén inzittende van de bus, drummer John “Beatz” Holohan, kon het allemaal niet meer navertellen, hij kwam op 31-jarige leeftijd om het leven. Na ruim twee weken rouwend thuis te hebben gezeten besloten de overgebleven bandleden Anthony Raneri en Jack O’Shea om als eerbetoon aan Holohan met z’n tweetjes weer aan te sluiten bij de Never Sleep Again Tour, die toen nog 21 data op het programma had staan. Tussen het gitaargeweld van de andere bands door zette het duo mooie, breekbare akoestische versies neer van de bekendste nummers van hun band, waarbij de bas- en drumpartijen door hun ontbreken wellicht juist harder aankwamen dan ooit tevoren. Op 11 december 2005 kwam de tournee ten einde in The House of Blues in Chicago. Na het emotionele optreden trok Raneri zich in z’n eentje terug in een eetcafé. Hij bleef de hele nacht op om een liedje te schrijven over Holohan, dat hij uiteindelijk ‘Winter’ noemde. Zodra ’s ochtends het nummer klaar was liep Raneri linea recta naar The Chicago Recording Company, de opnamestudio waarin hij en O’Shea de akoestische set van hun afgelopen tournee ter afsluiting van de hele ervaring op zouden gaan nemen voor het later te verschijnen mini-album ‘Acoustic’. Ook het pas enkele uren oude ‘Winter’ namen ze hiervoor op. Na de opnamesessie heeft Raneri het nooit meer publiekelijk gespeeld.

Chad & Jeremy – Rest in Peace (1967) [klik]

De invloed die het uitkomen van het album ‘Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band’ van The Beatles in 1967 had op de popmuziek valt nauwelijks te onderschatten. De nieuwe bandjes die probeerden om hun eigen psychedelische, kleurige, rijkelijk georkestreerde thema-albums af te leveren schoten als paddenstoelen uit de grond en ook verschillende reeds gevestigde namen bleken erg goed op te hebben gelet toen “Sgt. Pepper taught the band to play”. Het Britse folkduo Chad & Jeremy dat bestond uit David Chadwick en Jeremy Clyde, beiden afkomstig uit een goed milieu (Clyde was één van de pageboys bij de kroning van koningin Elizabeth), sloot zich ook aan bij de nieuwste muzikale mode met ‘Of Cabbages and Kings’. Op de A-kant van dit album zijn aardige popliedjes te vinden met veel blazers en strijkers, op de B-kant staat de symfonische, maffe, lichtelijk pretentieuze, grotendeels instrumentale en met geluidseffecten overladen ‘Progress Suite’, die bijna een half uur duurt. Het hoogst ambitieuze karakter van de plaat ten spijt verkocht ‘Of Cabbages and Kings’ nauwelijks en waren de critici het er ook niet over eens of ze te maken hadden met een onderschat meesterwerk of twee zichzelf overschattende schoenmakers die zich beter bij hun leest hadden kunnen houden. Alhoewel ik me momenteel nog tussen die twee kampen bevind staat op dit album toch één nummer dat ik alvast wil uitroepen tot meesterwerkje: het bijna zeven minuten durende en even mooie als maffe openingsnummer ‘Rest in Peace’, geschreven vanuit het oogpunt van een grafsteenmaker die weinig complimenteus te zeggen heeft over zijn klanten. Chad & Jeremy hielden het in 1968 voor gezien, om in de jaren tachtig weer voor enige tijd bij elkaar te komen. Sinds 2003 toeren ze weer gezamenlijk. Clyde is daarnaast, meestal in de rol van deftige meneer, te zien als acteur in talloze Britse tv-series.

Super Furry Animals – Something 4 the Weekend (1996) [klik]

Super Furry Animals, genoemd naar de opdruk op een T-shirt dat de zus van zanger/gitarist Gruff Rhys eens ontworpen had, ontstond in 1993 in Cardiff, Wales. De leden kenden elkaar uit lokale bandjes en techno-projectjes en besloten hun krachten te bundelen in een alternatieve gitaarband, die in 1995 debuteerde met de EP ‘Llanfairpwllgwyngyllgogerychwyrndrobwllllantysiliogogogoch (In Space)’. Een jaar later volgde het eerste album ‘Fuzzy Logic’. Hierop is ‘Something for the Weekend’ te vinden, een vlot, lichtelijk hyperactief liedje met een uiterst pakkend refreintje. De groep zag blijkbaar in dat de compositie hitpotentie had, maar dat de gemiddelde radioluisteraar wellicht minder gecharmeerd zou zijn van de stevige gitaren en het hoge tempo. Er werd dus een wat langzamere, frissere tweede versie gemaakt met de licht gewijzigde titel ‘Something 4 the Weekend’, die wat braver klonk maar waarop het briljante refreintje nog een stuk beter tot z’n recht kwam. Alhoewel de Super Furry Animals tot op de dag van vandaag doorgaan met voortreffelijke albums en slimme singles uitbrengen (waaronder ‘The Man Don’t Give a Fuck’, dat ondanks het feit dat het woord “fuck” er ruim vijftig keer in voorkomt een bescheiden kersthit wist te worden in 1996) is de grote commerciële doorbraak uitgebleven. In Groot-Brittannië haalden de Super Furry Animals 21 keer de single top honderd maar nooit de bovenste tien van die lijst, in Nederland bleef het zelfs bij maar één heel bescheiden hitnotering: ‘Juxtapozed with U’ bleef hier in 2001 steken op nummer 92.

Sonny Burgess – We Wanna Boogie (1956) [klik]

Het platenlabel Sun Records werd in 1952 opgericht in Memphis, Tennessee en had slechts een paar jaar nodig om een legendarische status veilig te stellen die zal blijven staan zolang de mensheid popmuziek kent. Wereldsterren als Elvis Presley, Johnny Cash, Roy Orbison, Jerry Lee Lewis en Carl Perkins braken allemaal door onder de hoede van producer en labeleigenaar Sam Phillips (1923-2003). Daarnaast waren er verschillende artiesten uit de Sun-stal die geen miljoenenpubliek wisten te bereiken, maar wel een mooie cultstatus verwierven. Eén daarvan was Albert Austin “Sonny” Burgess, een boerenzoon uit Arkensas die al snel de bijnaam “The Arkensas Wild Man” kreeg. Aanvankelijk speelde Burgess met zijn zijn band The Moonlighters voornamelijk country, swing en boogie woogie, maar na twee optredens in het voorprogramma van Elvis Presley in 1955 besloot hij het roer om te gooien in een wat pittigere richting. Het leverde hem een debuutsingle op Sun Records op, ‘We Wanna Boogie’, misschien wel de meest energieke rockabilly-single uit het hele decennium. Een aanvankelijk geplande toernee met Elvis Presley vond daarna geen doorgang, Burgess ontdekte pas vele jaren later dat zijn manager niet graag ver van huis was en er daarom stiekem een stokje voor had gestoken. Een grote doorbraak bleef mede daardoor uit. Toen de ouderwetse rock ‘n’ roll in de jaren zestig uit de mode raakte hield Burgess het voor gezien en ging hij aan de slag als verkoper. Pas vijftien jaar later liet weer wat van zich horen als muzikant. De inmiddels 81-jarige Burgess presenteert tegenwoordig een rock ‘n’ roll-programma op een lokaal radiostation dat dezelfde naam draagt als zijn debuutsingle. Zijn meest recente album kwam uit in 2009.

Carlos Puebla y sus Tradicionales – Hasta Siempre (1965) [klik]

In 2006 was ik op vakantie op Cuba. Op de route die we met onze reisleider volgden bleek dat, geheel volgens de bekende clichés uit de brochures, inderdaad op bijna elke straathoek een bandje traditionele Cubaanse muziek stond te spelen. Al snel begonnen drie nummers me op te vallen die bij bijna elk bandje op het repertoire stonden: ‘Chan Chan’ (een compositie van Compay Segundo, vooral bekend van het uiterst succesvolle titelloze album van Buena Vista Social Club uit 1997), ‘Guantanamera’ (waarvan de overbekende melodie is misbruikt in verschillende smakeloze après ski-hits) en een liedje dat me minder bekend in de oren klonk, een hartstochtelijke ode aan de legendarische revolutionair Ché Guevara die ‘Hasta Siempre’ bleek te heten. In een winkeltje in de stad Santiago de Cuba wist ik een op een Cubaanse platenlabeltje uitgebrachte cd te vinden van Carlos Puebla y sus Tradicionales, de groep de verantwoordelijk was voor de originele versie van het nummer. Carlos Puebla werd in 1917 geboren in de Cubaanse havenstad Manzanillo en begon in de jaren dertig muziek te maken. Als populair muzikant en fanatiek aanhanger van het regime van Fidel Castro groeide hij in de jaren vijftig en zestig uit tot “El Cantor de la Revolución”, de zanger van de revolutie. Na de aankondiging van Ché Guevara’s vertrek uit Cuba in 1965 (hij zou daarna verblijven in onder meer Tanzania, Tsjechoslowakije en Bolivia, waar hij in 1967 geëxecuteerd werd) schreef Puebla nog dezelfde avond het afscheidslied ‘Hasta Siempre’. Of Guevara nu een grote vrijheidsstrijder of toch gewoon een kille massamoordenaar was zal ik in het midden houden, hoe dan ook brengt dit liedje zowel in de hoedanigheid van warmbloedig muzikaal eerbetoon als die van vakantie-souvenir altijd mooie gevoelens bij me naar boven.

Leave a comment »

Schatgraven, deel 1

In deze serie wil ik steeds vijf ernstig ondergewaardeerde nummers onder de aandacht brengen. Die nummers moeten voldoen aan drie criteria:

– Ik moet ze uiteraard zelf goed vinden.
– Ze mogen niet heel bekend zijn.
– Er moet een enigszins goed verhaal over te vertellen zijn.

In deel 1: Mark Eric, Crapjam, Greg Graffin, The Sails en The Yellow Balloon.

Mark Eric – Night of the Lions (1969) [klik]

Mark Eric Malmborg (Santa Monica, 1950) kreeg in 1969 als 18-jarige scholier een ongelooflijke kans. Het platenlabel Revue, een afdeling van MCA, had wat demo’s gehoord van de jonge Californiër en was enthousiast over met name zijn kwaliteiten als songschrijver. Hij mocht een album opnemen en kreeg daarvoor een bijzonder indrukwekkende gelegenheidsband ter beschikking, met onder meer Elvis Presley’s vaste leadgitarist James Burton en drummer Jim Gordon, de man die de drumpartijen van Animal in The Muppet Show inspeelde en te horen is op platen van grootheden als Eric Clapton, John Lennon en The Beach Boys. Het sprookje kwam echter abrupt weer ten einde zodra de LP, ‘A Midsummer’s Day Dream’ getiteld, uitkwam. Zonder nadere verklaring besloot Revue geen cent uit te geven aan promotie en het album een stille dood te laten sterven. Het flopte dan ook genadeloos, waarvoor Malmborg zich zo erg schaamde dat hij al snel begon te verzwijgen dat hij überhaupt ooit een plaat gemaakt had. Kort daarna werd bovendien zijn vriendin zwanger gemaakt door een andere man en werd hij door zijn ouders het huis uit gegooid. Gedesillusioneerd trok Malmborg zich terug uit de muziekbusiness. Hij verdiende daarna z’n geld met kleine rolletjes in tv-series, als fotomodel en met het spelen van covers in hotels en restaurants. In 2002 werd hij, inmiddels full time covers spelend op cruiseschepen, herontdekt door pophistorici Domenic Priore en Brian Chidester, waarna hij voor de eerste keer de gelegenheid kreeg om een optreden te geven met eigen werk, van zijn inmiddels 33 jaar oude enige album. In een koffiehuis van bescheiden afmetingen weliswaar, maar toch. Datzelfde jaar verscheen zijn album, met zestien bonustracks, op CD. De eerlijkheid gebied te zeggen dat hierop wel te horen is waarom Malmborg het waarschijnlijk sowieso niet gered zou hebben als popster: in het tijdperk van Jimi Hendrix, Cream en Woodstock klonk zijn naïeve  luchtige, zomerse muziek al behoorlijk gedateerd en bovendien is de goede man bepaald geen nachtegaaltje. Desondanks zijn op ‘A Midsummer’s Day Dream’ prachtige composities op te vinden, zoals het zonnige ‘California Home’, het dromerige ‘Where do the Girls of the Summer Go’ en het groovy, atypisch donkere ‘Night of the Lions’. Met name dit laatste nummer, dat prima op z’n plaats zou zijn geweest op de soundtrack van vrijwel elke actie- of misdaadfilm, had absoluut meer aandacht verdiend dan het ooit gekregen heeft.

Crapjam – The Only One (1995) [klik]

In 1996 was ik een middelbare scholier die ondanks een zeer beperkt budget fietsend van school naar huis regelmatig afstapte bij de plaatselijke cd-winkel. Op een dag vond ik daar, voor maar een gulden of tien, een verzamel-cd met alternatieve Nederlandse muziek genaamd ‘Nieuw Nederlands Peil 4′. Daarop stonden bands als De Heideroosjes en Osdorp Posse, die reeds mijn interesse gewekt hadden maar waarvan ik nog geen cd’s had. Ik kocht die verzamelaar en naast de nummers van voorgenoemde bands stond er nog eentje op die me erg aansprak: ‘The Only One’, een vlot gitaarpopliedje van het mij onbekende Crapjam. Het kwam van hun tweede album ‘Recorder’ uit 1995 en had een wat ongebruikelijke tekstuele boodschap: “Je bent verliefd op me, maar die andere man is veel beter voor je”. Jaren gingen voorbij, De Heideroosjes en Osdorp Posse brachten het ene album na het andere uit en waren niet van de grote festivalpodia af te slaan. Maar van Crapjam hoorde ik eigenlijk nooit meer wat. Blijkbaar bracht de band uit Meppel in 1999 nog een derde album uit, ‘Solo’. Maar daarna viel, de vele lovende recensies ten spijt, het doek. De drummer en voornaamste songschrijver van de groep, Peter Dijkman, dook vervolgens  eveneens met niet heel veel succes op in de band Clean. Uiteindelijk was gitarist Diets Dijkstra het enige bandlid dat de smaak van de roem nog enigszins mocht proeven toen hij in 1999 gitarist/bassist werd van Johan.

Greg Graffin – Fate’s Cruel Hand (1997) [klik]

Gregory Walter Graffin, Ph.D. is een inmiddels 48-jarige meneer met een terugtrekkende haarlijn en een volstrekt onopvallend uiterlijk. Hij is docent paleontologie en biologie op de University of California in Los Angeles en heeft enkele boeken geschreven over de evolutieleer en religie. Oh ja, en hij is al sinds 1979 onafgebroken de frontman van Bad Religion, één van de meest invloedrijke punkbands die Amerika ooit voortbracht. Samen met gitarist en mede-songschrijver Brett Gurewitz mag Graffin worden gezien als de geestelijk vader van de sound waarmee latere bands als Green Day, The Offspring en Blink-182 multi-miljonairs werden. Waar andere Amerikaanse punkpioniers als Black Flag, Dead Kennedys, Minor Threat en Bad Brains het vooral gooiden op energie, agressie en adrenaline maakte Bad Religion echte liedjes met fraaie melodieën en warme koortjes. En desondanks verdienden ze al snel dusdanig veel krediet “in de scene” dat hen een doorgaans onvergeeflijke misstap, het maken van een rockplaat vol synthesizers (het al snel uit de roulatie genomen ‘Into the Unknown’ uit 1983), vergeven werd. In 1997 waagde Graffin nogmaals een muzikaal uitstapje uit de punkrock, nu als solo-artiest. Het resultaat was ‘American Lesion’, een prachtige, behoorlijk sombere en volledig door Graffin zelf ingespeelde popplaat die draait om de echtscheiding tussen hem en zijn vrouw Greta, na acht jaar huwelijk en twee kinderen. Daarop is onder meer ‘Fate’s Cruel Hand’ te vinden. Inmiddels heeft de punkprofessor met Bad Religion zestien studio-albums uitgebracht, waaronder absolute klassiekers in het genre zoals ‘Suffer’ en ‘No Control’, en de gouden plaat ‘Stranger Than Fiction’. Maar ondanks dat ik mezelf een fan van Bad Religion noem zou van alle albums die Graffin gemaakt heeft ‘American Lesion’ stiekem toch best eens mijn favoriet kunnen zijn.

Epic/The Sails – I’m Only Bleeding (2003) [klik]

Een tijdje terug werd ik getipt over het album ‘Sunshine State’ van een band genaamd Epic. Nieuwsgierig gemaakt door de omschrijving ervan luisterde ik online naar wat samples. En die klonken erg bekend. Sterker nog, ik had een CD in de kast staan, ‘A Headful of Stars’ van The Sails, waarop precies dezelfde nummers stonden in precies dezelfde versies. Na wat googlen bleek dat beide “bands” eenmansprojecten waren van de Britse songschrijver, zanger, producer en multi-instrumentalist Michael Gagliano uit het Britse Woking. Nadat ‘Sunshine State’ in 2003 zo goed als onopgemerkt aan alles en iedereen voorbij was gegaan besloot hij in 2010 om het album, nadat hij drie nummers vervangen had door nieuwe werkjes, een herkansing te geven onder een nieuwe titel en een nieuwe projectnaam. En wederom zonder veel succes. Eeuwig zonde, want het album klinkt als niets meer of minder dan een verzameling hitsingles uit de late jaren zestig die op de één of andere manier uit ons collectieve geheugen zijn gewist en pas tien jaar geleden weer opdoken in Gagliano’s hoofd. De hoogtijdagen van The Beatles, The Beach Boys, The Byrds en The Hollies herleven in nummers die net zo makkelijk verloren stukken van die bands hadden kunnen zijn. Heel af en toe vervalt dit allround-talent (met uitzondering van het inspelen van de drumpartijen deed hij alles op dit album zelf) daarbij in plagiaat, zo jat hij op ‘Yesterday and Today’ erg opzichtig uit ‘God Only Knows’ van The Beach Boys en ‘Dry Your Eyes’ van The Streets. Maar we zullen het houden op een incidentje dan wel creatieve knipoog, aangezien Gagliano een veel te goede songschrijver is om weg te worden gezet als een ordinaire na-aper  Daarbij is het overigens wel ironisch dat hij al vijftien jaar speelt in prestigieuze Beatles-coverbands en momenteel deel uitmaakt van de cast van de Beatles-theatershow ‘Let It Be’.

The Yellow Balloon – Stained Glass Window (1967) [klik]

In 1963 scoorde het duo Jan & Dean een Amerikaanse nummer één-hit met ‘Surf City’. Meer grote hits volgden met ‘Drag City’, ‘The Little Old Lady from Pasadena’ en ‘Dead Man’s Curve’. Dat laatste nummer verhaalde over een gevaarlijke bocht in Los Angeles die al verschillende slachtoffers geëist had (in 1961 raakte Mel Blanc, die de stemmen insprak van onder meer Bugs Bunny en Daffy Duck, er nog zwaargewond). Ironisch genoeg liep Jan Berry, de voornaamste songschrijver van de twee, in 1966 een hersenbeschadiging op toen hij op een steenworp van de beruchte bocht tegen een geparkeerde vrachtwagen reed. Het was daarna aan zijn muzikale partner Dean Torrence om het “duo” draaiende te houden. Op zoek naar nieuw songmateriaal kwam Torrence in 1967 terecht bij de nog vrijwel onbekende producer en songschrijver Gary Zekley, die hem zijn compositie ‘Yellow Balloon’ aanbood. Torrence ging er mee aan de slag, maar tijdens het bezoeken van opnamesessie besloot Zekley dat hij niet onder de indruk was van wat hij hoorde en dat het liedje meer potentie had. Hij verzamelde snel een groepje studiomuzikanten en nam zijn eigen versie op van het nummer. In de haast om zijn single eerder uitgebracht te krijgen dan de Jan & Dean-verie gaf Zekley zijn fictionele bandje domweg dezelfde naam als het liedje, The Yellow Balloon, en liet hij ook het opnemen van een fatsoenlijk B-kantje achterwege. Hij zette gewoon de A-kant achterstevoren op de B-kant, met als logische titel ‘Noollab Wolley’. Zekley kreeg uiteindelijk gelijk: zijn versie ging op de Amerikaanse hitlijst naar een respectabele 25e plaats, die van Torrence bleef steken op nummer 111. Om in te cashen op het succes moest daarna een LP van The Yellow Balloon volgen. Zekley verzamelde daarop een echte band bij elkaar, met als meest prominente lid de bekende TV-acteur Don Grady (1944-2012), die vermomd en onder het pseudonym Luke R. Yoo fungeerde als zanger, drummer en songschrijver. Het titelloze album dat later in 1967 uitkwam bleek verrassend goed te zijn, met naast ‘The Yellow Balloon’ zomerse pareltjes als ‘How Can I Be Down’ en het schitterende door Zekley en Grady geschreven ‘Stained Glass Window’. Het enige album van The Yellow Balloon werd in 1998 opnieuw uitgebracht door Sundazed Records, met acht bonustracks en een audio-interview met Zekley.

Leave a comment »