Archive for Blogseries

Schatgraven, deel 2

In deze serie wil ik steeds vijf ernstig ondergewaardeerde nummers onder de aandacht brengen. Die nummers moeten voldoen aan drie criteria:

– Ik moet ze uiteraard zelf goed vinden.
– Ze mogen niet heel bekend zijn.
– Er moet een enigszins goed verhaal over te vertellen zijn.

In deel 2: Bayside, Chad & Jeremy, Super Furry Animals, Sonny Burgess en Carlos Puebla y sus Tradicionales.

Bayside – Winter (2005) [klik]

Op 1 september 2005 kwam het titelloze tweede album uit van Bayside, een emo/punkpopband uit Queens, New York. Ter promotie van de plaat sloot het viertal zich anderhalve maand later aan bij de bands Hawthorne Heights, Silverstein en Aiden voor de gezamenlijke Never Sleep Again Tour. Op 31 oktober 2005 om 3:13 uur ’s nachts passeerde hun tourbus na een optreden in Boulder, Colorado het stadje Cheyenne in de staat Wyoming. Door een verraderlijk glad stuk wegdek raakte de bus van de weg om vervolgens over de kop te vliegen. Zanger/gitarist Antony Raneri, gitarist Jack O’Shea, gitaartechnicus Nicky Raneri en tourmanager Scott Robinson hadden geluk, ze konden allen nagenoeg ongedeerd uit de bus klimmen. Minder mazzel hadden bassist Nick Ghanbarian, die zijn lendenwervel brak, en drumtechnicus Dan Marino, die eveneens een medische ingreep nodig had. Eén inzittende van de bus, drummer John “Beatz” Holohan, kon het allemaal niet meer navertellen, hij kwam op 31-jarige leeftijd om het leven. Na ruim twee weken rouwend thuis te hebben gezeten besloten de overgebleven bandleden Anthony Raneri en Jack O’Shea om als eerbetoon aan Holohan met z’n tweetjes weer aan te sluiten bij de Never Sleep Again Tour, die toen nog 21 data op het programma had staan. Tussen het gitaargeweld van de andere bands door zette het duo mooie, breekbare akoestische versies neer van de bekendste nummers van hun band, waarbij de bas- en drumpartijen door hun ontbreken wellicht juist harder aankwamen dan ooit tevoren. Op 11 december 2005 kwam de tournee ten einde in The House of Blues in Chicago. Na het emotionele optreden trok Raneri zich in z’n eentje terug in een eetcafé. Hij bleef de hele nacht op om een liedje te schrijven over Holohan, dat hij uiteindelijk ‘Winter’ noemde. Zodra ’s ochtends het nummer klaar was liep Raneri linea recta naar The Chicago Recording Company, de opnamestudio waarin hij en O’Shea de akoestische set van hun afgelopen tournee ter afsluiting van de hele ervaring op zouden gaan nemen voor het later te verschijnen mini-album ‘Acoustic’. Ook het pas enkele uren oude ‘Winter’ namen ze hiervoor op. Na de opnamesessie heeft Raneri het nooit meer publiekelijk gespeeld.

Chad & Jeremy – Rest in Peace (1967) [klik]

De invloed die het uitkomen van het album ‘Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band’ van The Beatles in 1967 had op de popmuziek valt nauwelijks te onderschatten. De nieuwe bandjes die probeerden om hun eigen psychedelische, kleurige, rijkelijk georkestreerde thema-albums af te leveren schoten als paddenstoelen uit de grond en ook verschillende reeds gevestigde namen bleken erg goed op te hebben gelet toen “Sgt. Pepper taught the band to play”. Het Britse folkduo Chad & Jeremy dat bestond uit David Chadwick en Jeremy Clyde, beiden afkomstig uit een goed milieu (Clyde was één van de pageboys bij de kroning van koningin Elizabeth), sloot zich ook aan bij de nieuwste muzikale mode met ‘Of Cabbages and Kings’. Op de A-kant van dit album zijn aardige popliedjes te vinden met veel blazers en strijkers, op de B-kant staat de symfonische, maffe, lichtelijk pretentieuze, grotendeels instrumentale en met geluidseffecten overladen ‘Progress Suite’, die bijna een half uur duurt. Het hoogst ambitieuze karakter van de plaat ten spijt verkocht ‘Of Cabbages and Kings’ nauwelijks en waren de critici het er ook niet over eens of ze te maken hadden met een onderschat meesterwerk of twee zichzelf overschattende schoenmakers die zich beter bij hun leest hadden kunnen houden. Alhoewel ik me momenteel nog tussen die twee kampen bevind staat op dit album toch één nummer dat ik alvast wil uitroepen tot meesterwerkje: het bijna zeven minuten durende en even mooie als maffe openingsnummer ‘Rest in Peace’, geschreven vanuit het oogpunt van een grafsteenmaker die weinig complimenteus te zeggen heeft over zijn klanten. Chad & Jeremy hielden het in 1968 voor gezien, om in de jaren tachtig weer voor enige tijd bij elkaar te komen. Sinds 2003 toeren ze weer gezamenlijk. Clyde is daarnaast, meestal in de rol van deftige meneer, te zien als acteur in talloze Britse tv-series.

Super Furry Animals – Something 4 the Weekend (1996) [klik]

Super Furry Animals, genoemd naar de opdruk op een T-shirt dat de zus van zanger/gitarist Gruff Rhys eens ontworpen had, ontstond in 1993 in Cardiff, Wales. De leden kenden elkaar uit lokale bandjes en techno-projectjes en besloten hun krachten te bundelen in een alternatieve gitaarband, die in 1995 debuteerde met de EP ‘Llanfairpwllgwyngyllgogerychwyrndrobwllllantysiliogogogoch (In Space)’. Een jaar later volgde het eerste album ‘Fuzzy Logic’. Hierop is ‘Something for the Weekend’ te vinden, een vlot, lichtelijk hyperactief liedje met een uiterst pakkend refreintje. De groep zag blijkbaar in dat de compositie hitpotentie had, maar dat de gemiddelde radioluisteraar wellicht minder gecharmeerd zou zijn van de stevige gitaren en het hoge tempo. Er werd dus een wat langzamere, frissere tweede versie gemaakt met de licht gewijzigde titel ‘Something 4 the Weekend’, die wat braver klonk maar waarop het briljante refreintje nog een stuk beter tot z’n recht kwam. Alhoewel de Super Furry Animals tot op de dag van vandaag doorgaan met voortreffelijke albums en slimme singles uitbrengen (waaronder ‘The Man Don’t Give a Fuck’, dat ondanks het feit dat het woord “fuck” er ruim vijftig keer in voorkomt een bescheiden kersthit wist te worden in 1996) is de grote commerciële doorbraak uitgebleven. In Groot-Brittannië haalden de Super Furry Animals 21 keer de single top honderd maar nooit de bovenste tien van die lijst, in Nederland bleef het zelfs bij maar één heel bescheiden hitnotering: ‘Juxtapozed with U’ bleef hier in 2001 steken op nummer 92.

Sonny Burgess – We Wanna Boogie (1956) [klik]

Het platenlabel Sun Records werd in 1952 opgericht in Memphis, Tennessee en had slechts een paar jaar nodig om een legendarische status veilig te stellen die zal blijven staan zolang de mensheid popmuziek kent. Wereldsterren als Elvis Presley, Johnny Cash, Roy Orbison, Jerry Lee Lewis en Carl Perkins braken allemaal door onder de hoede van producer en labeleigenaar Sam Phillips (1923-2003). Daarnaast waren er verschillende artiesten uit de Sun-stal die geen miljoenenpubliek wisten te bereiken, maar wel een mooie cultstatus verwierven. Eén daarvan was Albert Austin “Sonny” Burgess, een boerenzoon uit Arkensas die al snel de bijnaam “The Arkensas Wild Man” kreeg. Aanvankelijk speelde Burgess met zijn zijn band The Moonlighters voornamelijk country, swing en boogie woogie, maar na twee optredens in het voorprogramma van Elvis Presley in 1955 besloot hij het roer om te gooien in een wat pittigere richting. Het leverde hem een debuutsingle op Sun Records op, ‘We Wanna Boogie’, misschien wel de meest energieke rockabilly-single uit het hele decennium. Een aanvankelijk geplande toernee met Elvis Presley vond daarna geen doorgang, Burgess ontdekte pas vele jaren later dat zijn manager niet graag ver van huis was en er daarom stiekem een stokje voor had gestoken. Een grote doorbraak bleef mede daardoor uit. Toen de ouderwetse rock ‘n’ roll in de jaren zestig uit de mode raakte hield Burgess het voor gezien en ging hij aan de slag als verkoper. Pas vijftien jaar later liet weer wat van zich horen als muzikant. De inmiddels 81-jarige Burgess presenteert tegenwoordig een rock ‘n’ roll-programma op een lokaal radiostation dat dezelfde naam draagt als zijn debuutsingle. Zijn meest recente album kwam uit in 2009.

Carlos Puebla y sus Tradicionales – Hasta Siempre (1965) [klik]

In 2006 was ik op vakantie op Cuba. Op de route die we met onze reisleider volgden bleek dat, geheel volgens de bekende clichés uit de brochures, inderdaad op bijna elke straathoek een bandje traditionele Cubaanse muziek stond te spelen. Al snel begonnen drie nummers me op te vallen die bij bijna elk bandje op het repertoire stonden: ‘Chan Chan’ (een compositie van Compay Segundo, vooral bekend van het uiterst succesvolle titelloze album van Buena Vista Social Club uit 1997), ‘Guantanamera’ (waarvan de overbekende melodie is misbruikt in verschillende smakeloze après ski-hits) en een liedje dat me minder bekend in de oren klonk, een hartstochtelijke ode aan de legendarische revolutionair Ché Guevara die ‘Hasta Siempre’ bleek te heten. In een winkeltje in de stad Santiago de Cuba wist ik een op een Cubaanse platenlabeltje uitgebrachte cd te vinden van Carlos Puebla y sus Tradicionales, de groep de verantwoordelijk was voor de originele versie van het nummer. Carlos Puebla werd in 1917 geboren in de Cubaanse havenstad Manzanillo en begon in de jaren dertig muziek te maken. Als populair muzikant en fanatiek aanhanger van het regime van Fidel Castro groeide hij in de jaren vijftig en zestig uit tot “El Cantor de la Revolución”, de zanger van de revolutie. Na de aankondiging van Ché Guevara’s vertrek uit Cuba in 1965 (hij zou daarna verblijven in onder meer Tanzania, Tsjechoslowakije en Bolivia, waar hij in 1967 geëxecuteerd werd) schreef Puebla nog dezelfde avond het afscheidslied ‘Hasta Siempre’. Of Guevara nu een grote vrijheidsstrijder of toch gewoon een kille massamoordenaar was zal ik in het midden houden, hoe dan ook brengt dit liedje zowel in de hoedanigheid van warmbloedig muzikaal eerbetoon als die van vakantie-souvenir altijd mooie gevoelens bij me naar boven.

Advertenties

Leave a comment »

Schatgraven, deel 1

In deze serie wil ik steeds vijf ernstig ondergewaardeerde nummers onder de aandacht brengen. Die nummers moeten voldoen aan drie criteria:

– Ik moet ze uiteraard zelf goed vinden.
– Ze mogen niet heel bekend zijn.
– Er moet een enigszins goed verhaal over te vertellen zijn.

In deel 1: Mark Eric, Crapjam, Greg Graffin, The Sails en The Yellow Balloon.

Mark Eric – Night of the Lions (1969) [klik]

Mark Eric Malmborg (Santa Monica, 1950) kreeg in 1969 als 18-jarige scholier een ongelooflijke kans. Het platenlabel Revue, een afdeling van MCA, had wat demo’s gehoord van de jonge Californiër en was enthousiast over met name zijn kwaliteiten als songschrijver. Hij mocht een album opnemen en kreeg daarvoor een bijzonder indrukwekkende gelegenheidsband ter beschikking, met onder meer Elvis Presley’s vaste leadgitarist James Burton en drummer Jim Gordon, de man die de drumpartijen van Animal in The Muppet Show inspeelde en te horen is op platen van grootheden als Eric Clapton, John Lennon en The Beach Boys. Het sprookje kwam echter abrupt weer ten einde zodra de LP, ‘A Midsummer’s Day Dream’ getiteld, uitkwam. Zonder nadere verklaring besloot Revue geen cent uit te geven aan promotie en het album een stille dood te laten sterven. Het flopte dan ook genadeloos, waarvoor Malmborg zich zo erg schaamde dat hij al snel begon te verzwijgen dat hij überhaupt ooit een plaat gemaakt had. Kort daarna werd bovendien zijn vriendin zwanger gemaakt door een andere man en werd hij door zijn ouders het huis uit gegooid. Gedesillusioneerd trok Malmborg zich terug uit de muziekbusiness. Hij verdiende daarna z’n geld met kleine rolletjes in tv-series, als fotomodel en met het spelen van covers in hotels en restaurants. In 2002 werd hij, inmiddels full time covers spelend op cruiseschepen, herontdekt door pophistorici Domenic Priore en Brian Chidester, waarna hij voor de eerste keer de gelegenheid kreeg om een optreden te geven met eigen werk, van zijn inmiddels 33 jaar oude enige album. In een koffiehuis van bescheiden afmetingen weliswaar, maar toch. Datzelfde jaar verscheen zijn album, met zestien bonustracks, op CD. De eerlijkheid gebied te zeggen dat hierop wel te horen is waarom Malmborg het waarschijnlijk sowieso niet gered zou hebben als popster: in het tijdperk van Jimi Hendrix, Cream en Woodstock klonk zijn naïeve  luchtige, zomerse muziek al behoorlijk gedateerd en bovendien is de goede man bepaald geen nachtegaaltje. Desondanks zijn op ‘A Midsummer’s Day Dream’ prachtige composities op te vinden, zoals het zonnige ‘California Home’, het dromerige ‘Where do the Girls of the Summer Go’ en het groovy, atypisch donkere ‘Night of the Lions’. Met name dit laatste nummer, dat prima op z’n plaats zou zijn geweest op de soundtrack van vrijwel elke actie- of misdaadfilm, had absoluut meer aandacht verdiend dan het ooit gekregen heeft.

Crapjam – The Only One (1995) [klik]

In 1996 was ik een middelbare scholier die ondanks een zeer beperkt budget fietsend van school naar huis regelmatig afstapte bij de plaatselijke cd-winkel. Op een dag vond ik daar, voor maar een gulden of tien, een verzamel-cd met alternatieve Nederlandse muziek genaamd ‘Nieuw Nederlands Peil 4′. Daarop stonden bands als De Heideroosjes en Osdorp Posse, die reeds mijn interesse gewekt hadden maar waarvan ik nog geen cd’s had. Ik kocht die verzamelaar en naast de nummers van voorgenoemde bands stond er nog eentje op die me erg aansprak: ‘The Only One’, een vlot gitaarpopliedje van het mij onbekende Crapjam. Het kwam van hun tweede album ‘Recorder’ uit 1995 en had een wat ongebruikelijke tekstuele boodschap: “Je bent verliefd op me, maar die andere man is veel beter voor je”. Jaren gingen voorbij, De Heideroosjes en Osdorp Posse brachten het ene album na het andere uit en waren niet van de grote festivalpodia af te slaan. Maar van Crapjam hoorde ik eigenlijk nooit meer wat. Blijkbaar bracht de band uit Meppel in 1999 nog een derde album uit, ‘Solo’. Maar daarna viel, de vele lovende recensies ten spijt, het doek. De drummer en voornaamste songschrijver van de groep, Peter Dijkman, dook vervolgens  eveneens met niet heel veel succes op in de band Clean. Uiteindelijk was gitarist Diets Dijkstra het enige bandlid dat de smaak van de roem nog enigszins mocht proeven toen hij in 1999 gitarist/bassist werd van Johan.

Greg Graffin – Fate’s Cruel Hand (1997) [klik]

Gregory Walter Graffin, Ph.D. is een inmiddels 48-jarige meneer met een terugtrekkende haarlijn en een volstrekt onopvallend uiterlijk. Hij is docent paleontologie en biologie op de University of California in Los Angeles en heeft enkele boeken geschreven over de evolutieleer en religie. Oh ja, en hij is al sinds 1979 onafgebroken de frontman van Bad Religion, één van de meest invloedrijke punkbands die Amerika ooit voortbracht. Samen met gitarist en mede-songschrijver Brett Gurewitz mag Graffin worden gezien als de geestelijk vader van de sound waarmee latere bands als Green Day, The Offspring en Blink-182 multi-miljonairs werden. Waar andere Amerikaanse punkpioniers als Black Flag, Dead Kennedys, Minor Threat en Bad Brains het vooral gooiden op energie, agressie en adrenaline maakte Bad Religion echte liedjes met fraaie melodieën en warme koortjes. En desondanks verdienden ze al snel dusdanig veel krediet “in de scene” dat hen een doorgaans onvergeeflijke misstap, het maken van een rockplaat vol synthesizers (het al snel uit de roulatie genomen ‘Into the Unknown’ uit 1983), vergeven werd. In 1997 waagde Graffin nogmaals een muzikaal uitstapje uit de punkrock, nu als solo-artiest. Het resultaat was ‘American Lesion’, een prachtige, behoorlijk sombere en volledig door Graffin zelf ingespeelde popplaat die draait om de echtscheiding tussen hem en zijn vrouw Greta, na acht jaar huwelijk en twee kinderen. Daarop is onder meer ‘Fate’s Cruel Hand’ te vinden. Inmiddels heeft de punkprofessor met Bad Religion zestien studio-albums uitgebracht, waaronder absolute klassiekers in het genre zoals ‘Suffer’ en ‘No Control’, en de gouden plaat ‘Stranger Than Fiction’. Maar ondanks dat ik mezelf een fan van Bad Religion noem zou van alle albums die Graffin gemaakt heeft ‘American Lesion’ stiekem toch best eens mijn favoriet kunnen zijn.

Epic/The Sails – I’m Only Bleeding (2003) [klik]

Een tijdje terug werd ik getipt over het album ‘Sunshine State’ van een band genaamd Epic. Nieuwsgierig gemaakt door de omschrijving ervan luisterde ik online naar wat samples. En die klonken erg bekend. Sterker nog, ik had een CD in de kast staan, ‘A Headful of Stars’ van The Sails, waarop precies dezelfde nummers stonden in precies dezelfde versies. Na wat googlen bleek dat beide “bands” eenmansprojecten waren van de Britse songschrijver, zanger, producer en multi-instrumentalist Michael Gagliano uit het Britse Woking. Nadat ‘Sunshine State’ in 2003 zo goed als onopgemerkt aan alles en iedereen voorbij was gegaan besloot hij in 2010 om het album, nadat hij drie nummers vervangen had door nieuwe werkjes, een herkansing te geven onder een nieuwe titel en een nieuwe projectnaam. En wederom zonder veel succes. Eeuwig zonde, want het album klinkt als niets meer of minder dan een verzameling hitsingles uit de late jaren zestig die op de één of andere manier uit ons collectieve geheugen zijn gewist en pas tien jaar geleden weer opdoken in Gagliano’s hoofd. De hoogtijdagen van The Beatles, The Beach Boys, The Byrds en The Hollies herleven in nummers die net zo makkelijk verloren stukken van die bands hadden kunnen zijn. Heel af en toe vervalt dit allround-talent (met uitzondering van het inspelen van de drumpartijen deed hij alles op dit album zelf) daarbij in plagiaat, zo jat hij op ‘Yesterday and Today’ erg opzichtig uit ‘God Only Knows’ van The Beach Boys en ‘Dry Your Eyes’ van The Streets. Maar we zullen het houden op een incidentje dan wel creatieve knipoog, aangezien Gagliano een veel te goede songschrijver is om weg te worden gezet als een ordinaire na-aper  Daarbij is het overigens wel ironisch dat hij al vijftien jaar speelt in prestigieuze Beatles-coverbands en momenteel deel uitmaakt van de cast van de Beatles-theatershow ‘Let It Be’.

The Yellow Balloon – Stained Glass Window (1967) [klik]

In 1963 scoorde het duo Jan & Dean een Amerikaanse nummer één-hit met ‘Surf City’. Meer grote hits volgden met ‘Drag City’, ‘The Little Old Lady from Pasadena’ en ‘Dead Man’s Curve’. Dat laatste nummer verhaalde over een gevaarlijke bocht in Los Angeles die al verschillende slachtoffers geëist had (in 1961 raakte Mel Blanc, die de stemmen insprak van onder meer Bugs Bunny en Daffy Duck, er nog zwaargewond). Ironisch genoeg liep Jan Berry, de voornaamste songschrijver van de twee, in 1966 een hersenbeschadiging op toen hij op een steenworp van de beruchte bocht tegen een geparkeerde vrachtwagen reed. Het was daarna aan zijn muzikale partner Dean Torrence om het “duo” draaiende te houden. Op zoek naar nieuw songmateriaal kwam Torrence in 1967 terecht bij de nog vrijwel onbekende producer en songschrijver Gary Zekley, die hem zijn compositie ‘Yellow Balloon’ aanbood. Torrence ging er mee aan de slag, maar tijdens het bezoeken van opnamesessie besloot Zekley dat hij niet onder de indruk was van wat hij hoorde en dat het liedje meer potentie had. Hij verzamelde snel een groepje studiomuzikanten en nam zijn eigen versie op van het nummer. In de haast om zijn single eerder uitgebracht te krijgen dan de Jan & Dean-verie gaf Zekley zijn fictionele bandje domweg dezelfde naam als het liedje, The Yellow Balloon, en liet hij ook het opnemen van een fatsoenlijk B-kantje achterwege. Hij zette gewoon de A-kant achterstevoren op de B-kant, met als logische titel ‘Noollab Wolley’. Zekley kreeg uiteindelijk gelijk: zijn versie ging op de Amerikaanse hitlijst naar een respectabele 25e plaats, die van Torrence bleef steken op nummer 111. Om in te cashen op het succes moest daarna een LP van The Yellow Balloon volgen. Zekley verzamelde daarop een echte band bij elkaar, met als meest prominente lid de bekende TV-acteur Don Grady (1944-2012), die vermomd en onder het pseudonym Luke R. Yoo fungeerde als zanger, drummer en songschrijver. Het titelloze album dat later in 1967 uitkwam bleek verrassend goed te zijn, met naast ‘The Yellow Balloon’ zomerse pareltjes als ‘How Can I Be Down’ en het schitterende door Zekley en Grady geschreven ‘Stained Glass Window’. Het enige album van The Yellow Balloon werd in 1998 opnieuw uitgebracht door Sundazed Records, met acht bonustracks en een audio-interview met Zekley.

Leave a comment »

Nutteloze muzieklijstjes, delen 1, 2 en 3

Nutteloze muzieklijstjes, deel 1: Tien muzikale moordenaars.

1. Phil Spector

Phil Spector (1939) is in de jaren zestig wellicht de bekendste producer in de popwereld. Zijn beroemde “Wall of Sound” wordt vaak gekopieerd, hij stampt verschillende succesvolle meidengroepen uit de grond (The Crystals, The Ronettes) en werkt met onder meer The Beatles, Ramones, The Righteous Brothers en Ike & Tina Turner. Op 3 februari 2003, dezelfde datum waarop producer Joe Meek in 1967 zijn huisbazin en daarna zichzelf doodschoot, krijgt de politie een alarmerend telefoontje van Spector’s chauffeur. Bij aankomst in Spector’s huis in Alhambra, Californië vinden ze het levenloze lichaam van B-actrice Lana Clarkson, die door haar mond is geschoten. “I think I killed somebody”, zou Spector even daarvoor met het moordwapen nog in de hand hebben gezegd tegen één van zijn werknemers. Later verklaart hij echter dat Clarkson per ongeluk zelfmoord pleegde. Spector komt op borgtocht vrij. In 2007 loopt een rechtzaak nog op een mislukking uit als de jury niet tot een unaniem oordeel kan komen. Op 29 mei 2009 lukt dat wel en wordt Spector veroordeeld tot een gevangenisstraf van 19 jaar tot levenslang. Hij zit momenteel zijn straf uit in een gevangenis in Corcoran.

2. Sid Vicious

Sid Vicious, in 1957 geboren als Simon Ritchie, wordt in 1977 bassist van de punkband Sex Pistols als vervanger van Glen Matlock. Vicious kan nauwelijks spelen, maar heeft exact de uitstraling waar de band naar op zoek is. Vicious groeit uit tot een punkicoon en na het vertrek van zanger Johnny Rotten heeft de band Britse top tien-hits met de door Vicious gezongen covers ‘My Way’, ‘Something Else’ en ‘C’mon Everybody’. Op 12 oktober 1978 verblijft Vicious met zijn vriendin Nancy Spungen (die door haar onmogelijke gedrag “Nauseating Nancy” genoemd wordt) in het Chelsea Hotel in New York. Daar overlijdt Spungen in de badkamer aan een steekwond. Vicious verklaart aanvankelijk dat hij haar neer heeft gestoken tijdens een ruzie, later zegt hij dat Spungen incidenteel in het mes gevallen is. Vicious komt op borgtocht vrij en overlijdt zelf op 2 februari 1979 aan een overdosis. In zijn afscheidsbrief staat dat hij een “death pact” met Spungen gesloten had. Sid en Nancy gaan de boeken in als de tragische Romeo en Julia van de punkscene. Over hen wordt in 1986 de film ‘Sid & Nancy’ gemaakt.

3. Leadbelly

Alhoewel deze in 1888 als Huddie Ledbetter geboren folklegende overleed in 1949, nog voor de geboorte van de rock ‘n’ roll, is zijn invloed op de popmuziek groot. Onder meer The Beach Boys, The Doors, ABBA, Johnny Cash, Led Zeppelin, Creedence Clearwater Revival, Van Morrison en Nirvana brachten covers van zijn nummers uit. In januari 1918 is Ledbetter een voortvluchtige gevangene die ontsnapt is tijdens werkzaamheden in een “chain gang”. Hij krijgt met een familielid ruzie om een vrouw en brengt hem om het leven. Ledbetter wordt veroordeelt tot een celstraf van zeven tot 35 jaar in de gevangenis Sugar Land in Texas. Daar maakt hij zich al snel populair door zijn goede gedrag en omdat hij optredens geeft voor bewakers en medegevangenen. Ook gouverneur Pat Morris Neff is een liefhebber van zijn muziek, hij brengt zelfs zo nu en dan gasten mee naar de gevangenis om naar Leadbelly’s muziek te komen luisteren. Nadat hij zeven jaar gezeten heeft dient Ledbetter een gezongen verzoek om gratie in bij Neff, die hem daarop vrijlaat. Enkele jaren later verdwijnt hij weer achter de tralies nadat hij, dit keer zonder fatale gevolgen, een man neer heeft gestoken. Wederom hoeft hij slechts het minimum van zijn straf uit te zitten. In 1937 verschijnt een artikel over hem in het tijdschrift Life met de titel ‘Bad Nigger Makes Good Minstrel’.

4. Bertrand Cantat

De Franse zanger/gitarist Bertrand Cantat (1964) richt in 1983 de rockband Noir Désir op. De band is met name succesvol in eigen land, waar verschillende albums goud, platina en zelfs dubbel platina worden. In 2002 wordt de single ‘Le Vent Nous Portera’ (‘de wind die ons draagt’) een grote internationale hit. Op 1 augustus 2003 verblijft Cantat met zijn vriendin, de Franse actrice Marie Trintignant, in een hotel in Vilnius, Litouwen. Het stel krijgt ruzie over Trintignant’s contacten met haar ex, waarop Cantat haar in elkaar slaat. Ze wordt daarbij 19 keer op het hoofd geraakt en verliest haar bewustzijn. Ze raakt in coma en overlijdt enkele dagen later. Cantat wordt veroordeeld tot acht jaar cel, kort daarna wordt zijn huis in brand gestoken. Het eerste halfjaar van zijn straf zit Cantat uit in Litouwen, waarna hij overgeplaatst wordt naar een Franse gevangenis. Ondanks hevige protesten van Trintignant’s moeder en feministische groeperingen aan het adres van president Sarkozy komt Cantat vrij nadat hij de helft van zijn straf uit heeft gezeten.

5. Joe Meek

Joe Meek (1929) is in de jaren zestig één van de belangrijkste Britse muziekproducers. Hij is een pionier in het gebruik van geluidseffecten in muziek en produceert grote hits voor onder meer John Leyton, The Honeycombs, Mike Berry en The Tornadoes. Voor die laatste groep schrijft hij, alhoewel hij geen noten kan lezen, geen enkel instrument kan bespelen en toondoof is, het instrumentale nummer ‘Telstar’, dat de eerste Britse single wordt die in Amerika de eerste plaats haalt. Meek staat te boek als excentriek. Hij is volledig geobsedeerd door bovennatuurlijke zaken (hij brengt regelmatig nachten door met opnameapparatuur op begraafplaatsen), kampt met depressies, paranoia en een drugsverslaving en is homoseksueel, iets wat dan nog verboden is in Groot-Brittannië. Op 3 februari 1967, de achtste verjaardag van de dood van zijn grote idool Buddy Holly (waarmee Meek zegt te communiceren), draait de producer door. Hij grijpt een buks die hij in beslag heeft genomen van Tornados-bassist Heinz Burt en schiet er zijn huisbazin Viola Shenton mee dood. Vervolgens berooft hij zichzelf van het leven.

6. Claudine Longet

De Franse Claudine Longet (1942) werkt als danseres in Las Vegas als ze in 1960 de bekende Amerikaanse zanger Andy Williams ontmoet, waarmee ze een jaar later trouwt. Met hem aan haar zijde bouwt ze een carrière op als actrice en zangeres. Grote hitsingles scoort Longet niet, wel wordt haar debuutalbum ‘Claudine’ goud en verkopen ook haar volgende twee LP’s goed. Later heeft ze een relatie met de Olympische skiër Vladimir “Spider” Sabich. Op 21 maart 1976 komt deze te overlijden door een schotwond in de buik, die hij oploopt in zijn huis in Aspen. Longet beweert dat Sabich zichzelf incidenteel neer heeft geschoten toen hij haar het vuurwapen liet zien, maar verschillende overtuigende bewijzen spreken haar verhaal tegen. Door blunders van de politie van Aspen mogen enkele van de meeste bezwarende bewijzen echter niet gebruikt worden in de rechtzaal. Longet komt er genadig vanaf, ze wordt veroordeeld wegens nalatigheid, krijgt een bescheiden geldboete en hoeft maar dertig dagen in de cel door te brengen, op een door haarzelf te bepalen tijdstip. Ze kiest ervoor de straf drie maanden later uit te zitten, nadat ze op vakantie geweest is met haar advocaat. Sinds het incident leeft Longet in de anonimiteit.

7. Jim Gordon

Jim Gordon (1945) is in de jaren zestig en zeventig één van Amerika’s meestgevraagde sessiedrummers. Hij speelt op talloze hits van onder meer The Beach Boys, Eric Clapton, John Lennon, The Byrds en Frank Zappa. Daarnaast speelt hij de partijen in van Muppets-drummer Animal, ook is hij enige tijd lid van Eric Clapton’s supergroep Derek & The Dominos. In de late jaren zeventig begint Gordon te klagen over stemmen in zijn hoofd, hij hoort voornamelijk die van zijn moeder. Alhoewel later zal blijken dat Gordon schizofreen is worden de stemmen aanvankelijk toegeschreven aan de gevolgen van alcoholmisbruik. Op 3 juni 1983 draait Gordon door en brengt hij zijn moeder om met een hamer en een mes. Ondanks zijn schizofrenie wordt hij toerekeningsvatbaar verklaard en veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 jaar tot levenslang. Hij zit nog altijd vast.

8. Varg Vikernes

De Noorse black metalband Mayhem verliest in 1991 zanger Dead (echte naam Per Yngve Ohlin) als deze zichzelf in de gezamelijke woning van de band door het hoofd schiet. In zijn afscheidsbriefje staat alleen de korte boodschap “Excuses voor het bloed”. Gitarist Euronymous (Øystein Aarseth) is degene die het lijk ontdekt, het eerste wat hij vervolgens doet is er wat foto’s van maken (die later verschijnen op de hoes van een bootleg). Twee jaar later komt Aarseth zelf gewelddadig om het leven. Op 10 augustus 1993 wordt hij in zijn appartement met 23 messteken doodgestoken door de gitarist van zijn band, Kristian “Varg” Vikernes. Vikernes verklaart later dat hij handelde uit zelfverdediging omdat Aarseth hèm zou hebben willen vermoorden. Vikernes wordt veroordeeld tot 21 jaar cel, niet alleen wegens de moord maar ook voor brandstichting in vier kerken. Hij blijft in de gevangenis lo-fi Burzum-albums maken en komt in 2009 vrij.

9. Grad Hölzken

In 1978 heeft het Eindhovense zangduo Arno & Gradje een hit met de suikerzoete smartlap ‘Pappie, Ik Zie Tranen In Uw Ogen’. Na een wat kleinere tweede hit, ‘Jantje’s SOS’, verdwijnt het tweetal weer in de anonimiteit. Later blijkt het duo minder zoetsappig dan hun muziek deed vermoeden. In 1994 duikt Grad Hölzken, de “vader” van het duo, weer op in het nieuws als hij zes jaar cel krijgt wegens betrokkenheid bij een dodelijke schietpartij in het Eindhovense café Ontdek Je Plekje. “Zoon” Arno is zeven jaar eerder zelf het slechtoffer geworden van fataal geweld, hij komt in 1987 om bij een campingruzie.

10. Big Lurch

Op de avond van 10 april 2002 rookt rapper Antron Singleton, alias Big Lurch, PCP met een vriend. In een vlaag van waanzin brengt hij de vriendin van zijn vriend om. Daarop snijdt hij haar borst open, eet hij van haar longen en tracht hij ook happen uit haar gezicht te nemen. Vervolgens loopt hij naakt en bedekt met bloed de straat op. Hij wordt gearresteerd terwijl hij midden op de weg naar de lucht staat te staren. Singleton probeert zich ontoerekeningsvatbaar te laten verklaren maar krijgt toch levenslang. Vier maanden na zijn veroordeling komt Singleton’s eerder opgenomen debuutalbum ‘It’s All Bad’ uit. De moeder van het slachtoffer sleept daarop platenlabel Black Market Records voor de rechter met de claim dat zij Singleton drugs hebben gegeven en aan hebben gespoord tot het plegen van misdaden omdat dit zijn reputatie als “gangsta rapper” ten goede zou komen. Het merendeel van de straf die Singleton tot dusver uit heeft gezeten zat hij in eenzame opsluiting.

Nutteloze muzieklijstjes, deel 2: Tien hoogst omstreden nummers

1. Body Count – Cop Killer (1992)

In 1992 brengt rapper Ice-T met zijn metalproject Body Count een titelloos debuutalbum uit, waarop het nummer ‘Cop Killer’ te horen is. Het nummer heeft al snel een grote impact, zelfs president George Bush en vice-president Dan Quayle spreken hun afschuw uit over de verbale aanval op de wetshandhavers. Politieorganisaties in heel Amerika roepen op tot een boycot van alle producten van Time-Warner, het moederbedrijf van platenlabel Sire, om het zo te dwingen het album ‘Body Count’ uit de handel te halen. Tipper Gore, vrouw van Al en geestelijk moeder van muziekcensuurbond PMRC, vergelijkt het verkopen van het album zelfs met Adolf Hitler’s verspreiding van anti-semitisme. Een winkel in Greensboro, North Carolina krijgt van de lokale politie te horen dat ze in geval van nood niet meer op hun hulp hoeven rekenen zolang ‘Body Count’ bij hen in de schappen ligt. Als verschillende bestuursleden en aandeelhouders van Warner Bros. dreigen het bedrijf te verlaten houdt Ice-T de eer aan zichzelf en wordt ‘Body Count’ heruitgebracht zonder ‘Cop Killer’. Originele exemplaren van het album zijn inmiddels zeer gewilde collector’s items.

2. Serge Gainsbourg & Jane Birkin – Je t’Aime… Moi Non Plus (1969)

In 1969 is dit nummer met tekstregels als “Je vais et je viens, entre tes reins” (“Ik ga en ik kom, tussen je lendenen”) en de gekreunde zang voor veel mensen nog een stuk te heftig. Ook voor Gainsbourg’s oorspronkelijke zangpartner (en destijds zijn minnares) Brigitte Bardot, die hem smeekt om de met haar opgenomen originele versie niet uit te brengen. Gainsbourg neemt het daarom opnieuw op met een nieuwe vlam, de Engelse actrice Jane Birkin. Het liedje wordt verbannen in onder meer Italië, Polen, Portugal, Spanje en Groot-Brittanië en in een publiek statement afgekeurd door het Vaticaan. Desondanks bereikt de single in Engeland de tweede plaats op de hitlijst, een hogere positie wordt voor even onmogelijk gemaakt omdat platenmaatschappij Fontana de plaat uit de handel neemt. De Nederlandse koningin Juliana, een belangrijk aandeelhoudster van Fontana’s moederbedrijf Philips, schijnt hiervoor hoogstpersoonlijk verantwoordelijk te zijn. Een heruitgave op het onafhankelijke Major Minor Records haalt alsnog de eerste plaats.

3. The Kingsmen – Louie, Louie (1963)

In 1963 brengt de rockband The Kingsmen een cover uit van Richard Berry’s ‘Louie, Louie’, een nummer over een Jamaicaanse zeeman die thuiskomt van een lange reis en zijn liefje weer terugziet. Op de Kingsmen-versie zingt zanger Jack Ely zo onduidelijk dat het onmogelijk is om hem precies te verstaan. Al snel ontstaat het gerucht dat Ely opzettelijk zo zingt om te verhullen dat hij allerlei obsceniteiten uitslaakt, wat in 1963 nog volstrekt ongehoord is in een popliedje. Briefjes met de “echte” songtekst beginnen te circuleren onder fans en het nummer wordt voor talloze Amerikaanse radiostations verbannen. In de staat Indiana verbiedt governeur Matthew Wells het draaien van de single. Zelfs de FBI bemoeit zich met de zaak en stelt een heus onderzoek in. Na 31 maanden moeten de “Feds” concluderen dat ze de wartaal niet kunnen ontcijferen.

4. Sex Pistols – God Save The Queen (1977)

Na het uitkomen van de eerste Sex Pistols-single ‘Anarchy In The UK’ wordt de band in een live tv-uitzending geïnterviewd door Bill Grundy. Tijdens het gesprek neemt gitarist Steve Jones drie keer het woord “fuck” in de mond, het is respectievelijk de derde, vierde en vijfde keer in de geschiedenis van de Britse tv dat dit woord in een uitzending uitgesproken wordt. Heel Engeland spreekt er schande van, Grundy verliest zijn programma en de Pistols verliezen hun platencontract bij EMI. ‘Anarchy In The UK’, dat op dat moment 31e staat in de Britse hitlijst, wordt uit de handel genomen. Ook de tweede single ‘God Save The Queen’, die tijdens het 25e jubileum van Koningin Elizabeth II uitgebracht wordt en spreekt over een “fascistisch regime” van hare majesteit, stuit op veel tegenstand. Het nummer wordt geboycot door bijna alle Britse tv- en radiozenders en geweigerd door verschillende platenzaken. Zelfs de samenstellers van de officiële Britse hitlijst werken de Sex Pistols tegen, alhoewel de single een tijdlang de bestverkochte plaat van Groot-Brittannië is zetten ze ‘God Save the Queen’ uit protest op de tweede plaats.

5. Ozzy Osbourne – Suicide Solution (1980)

In 1980 is op het solo-album ‘Blizzard of Ozz’ van Black Sabbath-zanger Ozzy Osbourne het nummer ‘Suicide Solution’ te horen. Het nummer gaat over alcohol en is geschreven als ode aan de door alcoholmisbruik overleden AC/DC-zanger Bon Scott. De tekst is echter makkelijk verkeerd te interpreteren als promotiepraatje voor zelfmoord, wat zorgt voor de nodige kritiek en afschuw. De kritiek wordt vier jaar later heviger als de ouders van ene John McCollum Osbourne voor de rechter slepen, omdat hun zoon zichzelf door het hoofd zou hebben geschoten terwijl hij naar ‘Suicide Solution’ luisterde. Osbourne wordt vrijgesproken. Later zal het scenario zich herhalen, als ook de zelfmoord van ene Eric A. geweten wordt aan Osbourne’s onbedoeld aangedragen “oplossing”.

6. Guns N’ Roses – One in a Million (1988)

Teksten als “Police and niggers […] get out of my way” en “Immigrants and faggots / They make no sense to me” zou je wellicht verwachten van een obscure extreem rechtse skinhead-band. Ze zijn echter te horen in het nummer ‘One in a Million’, dat te vinden is op het met dubbel platina bekroondd album ‘G N’ R Lies’ van één van de grootste rockbands van de jaren tachtig en negentig, Guns N’ Roses. Zanger Axl Rose probeert later wel zijn woorden te ontkrachten door te melden dat homoseksuele artiesten als Elton John en Freddie Mercury tot zijn idolen behoren en dat de moeder van gitarist Slash Afro-Amerikaans is. Overigens is ‘One in a Million’ niet het enige nummer op ‘G N’ R Lies’ dat bij veel mensen slecht valt, ook ‘Used To Love Her’ veroorzaakt enige opschudding. In het opmerkelijk vrolijk klinkende nummer zingt Rose dat hij zijn zeurende vriendin om zeep heeft geholpen en haar heeft begraven in zijn achtertuin.

7. Beenie Man – Damn (1999)

In zijn nummer ‘Damn’ zingt de Jamaicaanse reggae-ster Beenie Man de hoogst homo-onvriendelijke regel “I’m dreaming of a new Jamaica / Come to execute all the gays”. Het zal hem nog lang blijven achtervolgen. In 2004 wordt hij verbannen bij de MTV Music Awards-ceremonie, waarvoor hij aanvankelijk was uitgenodigd. In 2010 wordt hij door de organisaties van het Nederlandse Parkpop en het Belgische festival Couleur Cafe geschrapt van de line-ups, na protesten van homorechtengroeperingen. Helaas is Beenie Man onder Jamaicaanse reggaesterren bepaald geen uitzondering, ook landgenoten als Elephant Man, Bounty Killer, TOK, Capleton, Buju Banton en Babycham hebben nummers op hun naam staan waarin wordt opgeroepen tot het vermoorden, verbranden, verkrachten of martelen van homoseksuelen.

8. Anti-Nowhere League – So What? (1981)

De Engelse punkband Anti-Nowhere League brengt in 1981 een ruwe cover van Ralph McTell’s aanvankelijk zo brave ‘Street Of London’ uit als single. Op de B-kant staat hun eigen ‘So What?’ Zanger Animal meldt in de tekst onder meer dat hij skank en speed gebruik heeft, urine heeft gedronken en seks heeft gehad met schapen, geiten, schoolmeisjes en oude mannen. Uiteraard gebruikt hij daarbij talloze obscene woorden als “fuck”, “piss”, “cunt” en “cock”. In platenzaken door heel Engeland worden exemplaren van de single wegens deze obsceniteiten door politiemedewerkers in beslag genomen om te worden vernietigd. ‘So What?’ groeit uit tot het lijflied van Anti-Nowhere League en wordt gecovered door talloze bands, waaronder Metallica.

9. NWA – Fuck Tha Police (1988)

In 1988 brengt de hip hop-groep NWA (Niggaz Wit Attitudes) het inmiddels legendarische album ‘Straight Outta Compton’ uit. Hierop staat het nummer ‘Fuck Tha Police’, waarop de politie neergezet wordt als een misdadige, racistische bende. Voor de FBI en US Secret Service is het reden om per brief hun ongenoegen te laten blijken aan platenmaatschappij Ruthless Records. NWA wordt tevens verbannen door verschillende concertzalen. Uiteraard blijkt de ophef prima voor de platenverkoop: ‘Straight Outta Compton’ wordt dubbel platina. In 1989 krijgt het Australische radiostation Triple J, dat ‘Fuck Tha Police’ dan al een half jaar zonder problemen op de playlist heeft staan, te horen dat het nummer door de Australian Broadcasting Corporation in de ban is gedaan. Uit protest draait Triple J daarop 24 uur lang non-stop NWA’s ‘Express Yourself’.

10. Prince – Darling Nikki (1984)

‘Darling Nikki’ van het album ‘Purple Rain’ wordt niet uitgebracht als single, desondanks heeft het nummer onbedoeld een enorme impact. De seksueel beladen songtekst waarin onder meer het woord “masturbating” valt is voor Tipper Gore, dan de vrouw van de latere vice-president Al Gore, de directe aanleiding voor de oprichting van de Parents Music Resource Center (PMRC). Dit conservatieve clubje dat voornamelijk bestaat uit echtgenotes van belangrijke politici wordt al snel een plaag voor met name de rock- en hip hop-wereld door het organiseren van censuuracties. Onder meer de bekende “Explicit Lyrics” stickers, die waarschuwen voor grove taal en/of songteksten over seks, geweld, drank, drugs of occulte zaken, zijn hun werk.

Nutteloze muzieklijstjes, deel 3: Tien muzikanten die in het harnas stierven

1. Ty Longley (2003)

Op 20 februari 2003 speelt de dan al 25 jaar oude hardrockband Great White, vooral bekend van de hit ‘Once Bitten, Twice Shy’ uit 1989, in nachtclub The Station in West Warwick, Rhode Island. Tijdens het openingsnummer steekt tourmanager Daniel Biechele vuurwerk af dat bij de liveshow hoort. Door dit vuurwerk vat het geluidswerende foam aan het plafond van het podium vlam en korte tijd later staat de hele club in brand. Van de 462 mensen in de zaal komen er exact honderd om het leven, 230 mensen raken gewond. Het is de op drie na meest dodelijke nachtclubbrand in de Amerikaanse geschiedenis. De 31-jarige gitarist Ty Longley, die dan pas drie jaar in Great White speelt, is het enige bandlid dat het drama niet overleeft.

2. Dimebag Darrell (2004)

In 2003 valt de populaire metalband Pantera na 22 jaar uit elkaar na een stevige ruzie tussen broers “Dimebag” Darrel Abbott (gitaar) en Vinnie Paul Abbott (drums) enerzijds en frontman Phil Anselmo anderzijds. De gebroeders Abbott beginnen een nieuwe band, Damageplan. Op 8 december 2004 spelen ze daarmee in de Alrosa Villa in Columbus, Ohio. Een halve minuut na het begin van het optreden springt ex-marinier Nathan Gale, een 25-jarige Pantera-fan die Dimebag ziet als hoofdschuldige voor het uiteenvallen van zijn favoriete band, op het podium waarna hij de 38-jarige gitarist doodschiet. Ook clubmedewerker Erin Halk (29), securitymedewerker Jeff Thompson (40) en Nathan Bray (23), een toeschouwer die Dimebag probeert te reanimeren, lopen dodelijke schotwonden op. Gale komt zelf om het leven als hij neergeschoten wordt door een politieagent.

3. Leslie Harvey (1972)

Zanger/gitarist Alex Harvey is in de jaren zeventig met zijn Sensational Alex Harvey Band een grote ster in het glamrockgenre. Wat minder bekend is zijn jongere broer Leslie, die ook gitarist is. Leslie lijkt in maart 1965 nog een engeltje op zijn schouder te hebben als hij een tourbusongeluk overleeft dat wèl het leven kost aan twee andere leden van zijn toenmalige band, Blues Council. Op 3 mei 1972 heeft hij minder geluk als hij met de band Stone The Crows op het podium staat van de Top Rank Ballroom in Swansea, Wales. Met natte handen pakt hij een microfoon vast, waarop hij geëlektrocuteerd wordt en overlijdt. Hij is 27 jaar oud. Zijn latere vervanger in de band, Jimmy McCulloch, zal de leeftijd van 27 jaar niet eens halen: hij bezwijkt op 26-jarige leeftijd aan een overdosis heroïne. Broer Alex Harvey wordt evenmin oud, hij overlijdt tien jaar na zijn jongere broer aan een hartaanval, één dag voor zijn 47e verjaardag.

4. Wong Ka-Kui (1993)

Wong Ka-Kui is zanger, gitarist en de voornaamste songschrijver van de nationaal erg succesvolle rockband Beyond uit Hong Kong. Op 24 juni 1993 moet hij met zijn band ter promotie van een nieuw album optreden in de Japanse tv-spelshow Ucchan-Nanchan No Yarunara Yaraneba in de Fuji Television-studio in Tokyo. Tijdens een spelletje vallen Wong Ka-Kui en presentator Uchimura van een glibberig, drie meter hoog platform. De muzikant valt op zijn hoofd en belandt in een coma. Zes dagen later overlijdt hij op 31-jarige leeftijd. Zijn begrafenis veroorzaakt grote verkeersopstoppingen in het centrum van Hong Kong.

5. Mark Sandman (1999)

De Amerikaanse band Morphine baart in de jaren negentig opzien door rock te spelen met een uniek instrumentarium. Het trio heeft geen gitarist, zanger/bassist Mark Sandman speelt op een tweesnarige slide-bas en wordt ondersteund door een baritonsaxofonist en een drummer. Op 3 juli 1999 speelt de groep op het Nel Nome del Rock-festival in Palestrina, Italië als Sandman op het podium instort. Hij overlijdt aan een hartaanval. Morphine houdt direct op te bestaan. In juli 2009, tien jaar na Sandman’s dood, speelt de band echter weer in Palestrina onder de naam Members Of Morphine met Jeremy Lyons als vervanger van Sandman.

6. Tiny Tim (1996)

Onder het pseudoniem Tiny Tim heeft de Amerikaanse zanger Herbert Khaury in 1968 een novelty-hit met zijn in een falsettostemmetje gezongen cover van ‘Tiptoe Through The Tulips’. In september 1996, hij is dan 64 jaar oud, krijgt Tiny Tim een hartaanval tijdens een optreden op een ukulelefestival in Montague, Massachutsetts. Hij overleeft het, maar krijgt te horen dat zijn hartproblemen dusdanig zijn dat hij nooit meer op mag treden. Hij blijft dit echt toch gewoon doen. Op 30 november 1996 krijgt hij in The Woman’s Club in Minneapolis, Minnesota tijdens het zingen van zijn grootste hit wederom een hartaanval op het podium. Dit keer komt hij er minder genadig vanaf, hij overlijdt dezelfde dag in een ziekenhuis.

7. Lord Ulli (1999)

De Duitse beatgroep The Lords begint in 1959 en heeft in eigen land met name in de jaren zestig veel succes. Opmerkelijk aan de leadzanger van de groep, “Lord” Ulli Günter, is dat hij zelfs na tientallen jaren Engelstalige nummers zingen geen woord Engels spreekt. Op 9 oktober 1999 geeft de band een jubileumconcert in Potsdam ter ere van het veertigjarige bestaan. Tijdens het optreden stort Lord Ulli in en valt hard op zijn hoofd. Vier dagen later overlijdt hij op 57-jarige leeftijd aan een schedelbasisfractuur.

8. Johnny “Guitar” Watson (1996)

De in 1935 geboren zanger/gitarist Johnny “Guitar” Watson wordt bij het grote publiek voornamelijk bekend van de hit ‘A Real Mother for Ya’ uit 1977. Minder bekend is dat hij van grote invloed is op muzikanten als Jimi Hendrix, Frank Zappa en Stevie Ray Vaughan en gezien wordt als één van de geestelijke vaders van de hip hop. Samples van zijn muziek zijn dan ook te horen in nummers van onder meer Ice Cube, Snoop Dog, Dr. Dre en Jay-Z. Op 17 mei 1996 speelt Watson live in Yokohama, Japan. Tijdens de solo van zijn nummer ‘Ain’t That A Bitch’ krijgt hij een hartaanval. Hij overlijdt ter plaatse. Ironisch genoeg zijn “Ain’t that a bitch” (vrij te vertalen als “dat is mooi klote”) zijn laatste woorden.

9. Philippé Wynne (1984)

De Amerikaanse soulgroep The Spinners (om verwarring met de Britse groep met dezelfde naam te voorkomen ook bekend als The Detroit Spinners), scoort in de jaren zestig, zeventig en tachtig talloze hits, waaronder ‘It’s a Shame’, ‘I’ll Be Around’, ‘Could It Be I’m Falling in Love’ en ‘Games People Play’. Eén van de twee leadzangers van de band is de als Phillip Walker geboren Phillipé Wynne. Op 12 juli 1984 bezwijkt hij tijdens een optreden in de nachtclub Ivey’s in Oakland, Californië aan een hartaanval. De volgende ochtend overlijdt hij in het ziekenhuis.

10. Onie Wheeler (1984)

De Amerikaanse Tweede Wereldoorlogveteraan Onie Wheeler behoort in de jaren vijftig tot de subtop van de rock ‘n’ roll. Hij staat onder contract bij het legendarische platenlabel Sun en gaat op toernee met de allergrootsten, waaronder Elvis Presley, Jerry Lee Lewis en Carl Perkins. Op 26 mei 1984 speelt hij met Rev. Jimmie Snow in de legendarische Grand Ole Opry, het mekka van de country & western, als hij op het podium een hartaanval krijgt en overlijdt. Hij is dan 62 jaar oud.

Comments (2) »

Greatest misses, deel 5: de jaren nul

Het concept: uit elk decennium (van de jaren zestig tot en met de jaren nul) selecteer ik de naar mijn mening tien mooiste popliedjes (maximaal één per uitvoerende) die in geen enkel land in de top 40 hebben gestaan.

Voor het samenstellen van delen drie (jaren tachtig) en vier (jaren negentig) heb ik nog even wat meer tijd nodig, daarom nu alvast deel vijf: de jaren nul.

1. Zoli Band – Painful (2000)

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=lQQfsboTKxc

CD: ‘Zoli Band’ of ‘Red & Blue’ (November 56)

In 1994 wordt de van oorsprong Hongaarse Zoli Teglas zanger van de Californische hardcore-punkband Ignite. Met zijn warme, melodieuze stem valt hij direct op in het doorgaans weinig subtiele genre. Eind jaren negentig besluit Teglas zijn horizon wat te verbreden. Met de hulp van enkele leden en roadies van zijn band neemt hij demo’s op van pop-, folk- en rocknummers die hij geschreven heeft. In 2000 komt van dit project in eigen beheer een titelloos album uit. Daarop is het nummer ‘Painful’ te vinden, dat een bewerking is van ‘All in All (This One Last Wild Waltz)’ van Dexy’s Midnight Runners uit 1982. Teglas en de zijnen hebben van het zwierige walsje een stemmige folkballade gemaakt met een aangepaste tekst. Terwijl Teglas in punkrockkringen succesvol blijft als zanger van Ignite en later ook van Pennywise (en tijdelijk van de Misfits) blijft zijn Zoli Band op de achtergrond. Optredens worden doorgaans afgewerkt voor een bescheiden groepje muzikaal wat meer ruimdenkende Ignite-fans. In 2010 komt de dubbel-CD ‘Red & Blue’ uit, de eerste CD bevat het album uit 2000, op de tweede staat nieuw werk dat veel meer rock-georiënteerd is.

2. The Polyphonic Spree – Section 12 (Hold Me Now) (2004)

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=FcITdR8EeIY

CD: ‘Together We’re Heavy’ (Good)

In 1999 houdt de Amerikaanse rockband Tripping Daisy op te bestaan als gitarist Wes Berggren overlijdt aan een overdosis. De drie overgebleven leden beginnen daarop onder leiding van frontman Tim DeLaughter een nieuwe band, The Polyphonic Spree. Om het geluid van de orkestrale groepen van de jaren zestig en zeventig na te bootsen worden er maar liefst tien extra muzikanten bijgehaald. Uiteindelijk zal de groep zelfs circa 25 bandleden tellen, waarmee DeLaughter naast een reguliere band permanent een koortje, een stijkerssectie en een blazerssectie tot zijn beschikking heeft. Het imposante gezelschap gaat gekleed in kleurrijke gewaden en door het uitzinnige karakter van de optredens lijkt de groep op het podium op een euforische hippiesekte. De nummers op het eerste album ‘The Beginning Stages of…’ heten simpelweg ‘Section 1’ tot en met ‘Section 10’ (alhoewel ze elk een subtitel dragen). Op het tweede album ‘Together We’re Heavy’ wordt gewoon doorgeteld, waardoor het tweede nummer daarvan ‘Section 12 (Hold Me Now)’ heet. Inmiddels heeft de groep drie albums uit en staat de teller op 32 “sections”. Wat het aantal huidige en voormalige bandleden betreft gaat de teller nog wat verder, dat zijn er inmiddels ongeveer zestig.

3. Johan – Tumble And Fall (2001)

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=Q-VhNIuq0f8

CD: ‘Pergola’ (Excelsior)

In 1990 valt de band Little Mary Big kort na het bereiken van de tweede plaats in de talentenjacht De Grote Prijs van Nederland uit elkaar door ruzie tussen zanger/gitarist Jacco de Greeuw en zangeres Marike Groot. Groot wordt daarna lid van een vroege incarnatie van The Gathering, De Greeuw richt de band Visions of Johanna op. In 1996 komt onder de ingekorte naam Johan een titelloos album uit, dat erg positief ontvangen wordt en leidt tot onder meer een optreden op Pinkpop. Mede door depressies van De Greeuw en verschillende ledenwisselingen, twee problemen die Johan lang zullen blijven achtervolgen, duurt het echter een tijdje voordat het tweede album uitkomt. Pas in 2001 is het album ‘Pergola’, vernoemd naar de straat in Hoorn waar De Greeuw dan woont, een feit. Ook op album drie, ‘THX JHN’, moet vervolgens vijf jaar gewacht worden. In 2009 wordt het zilveren jubileum gevierde met de verzamelaar ‘12.5 Years, 3 Albums, 36 Songs’, die de drie albums en een DVD met alle videoclips bevat. Album vier, simpelweg ‘4’ genaamd, verschijnt relatief snel, na drie jaar al. Enkele maanden later, op 26 augustus 2009, maakt Johan bekend te zullen stoppen. Na een tournee door heel Nederland wordt op 22 december 2009 het laatste optreden gegeven in de Paradiso in Amsterdam. Gedurende het bestaan van de groep heeft Johan, tot frustratie van De Greeuw, nooit veel commercieel succes. ‘Pergola’ wordt in Nederland weliswaar een gouden plaat (al heeft het album daar acht jaar voor nodig), maar van de dertien singles die uitgebracht worden komt er niet één verder dan de zestiende plaats van de tipparade. De critici lopen daarentegen massaal weg met Johan. Als het muziekblad Oor in 2008 een door tientallen deskundigen samengestelde lijst publiceert met de honderd beste Nederlandse albums ooit gemaakt bezet Johan daarop plaatsen 4 (met ‘Pergola’), 45 (‘Johan’) en 64 (‘THX JHN’).

4. Fleet Foxes – He Doesn’t Know Why (2008)

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=gjgkRoPLYRk

CD: ‘Fleet Foxes’ (Sub Pop/Bella Union)

De folkband Fleet Foxes wordt in 2006 opgericht in Seattle. Nog datzelfde jaar komt een ongetitelde demo uit op CD-recordable. Ahoewel Fleet Foxes nog geen enkele officiële release uit heeft worden de nummers op de MySpace-pagina van de band in 2007 in twee maanden tijd een kwart miljoen keer beluisterd. Platenlabel Sub Pop (groot geworden als het label waarop onder meer Nirvana en Soundgarden begonnen) is onder de indruk en biedt de band een contract aan. In 2008 komt de EP ‘Sun Giant’ uit, aanvankelijk alleen omdat de band dan tijdens tournees iets heeft om te kunnen verkopen. Twee maanden later verschijnt het titelloze eerste album (waarop ‘He Doesn’t Know Why’ te vinden is), dat erg positief onthaald wordt en vaak wordt omschreven als een mix tussen Crosby, Stills, Nash & Young en de latere Beach Boys. Onder meer The Times, Pitchfork Media, Billboard.com, Under the Rader, No Ripcord en Mojo roepen het uiteindelijk uit tot album van het jaar. In Engeland worden er bovendien genoeg exemplaren van verkocht voor een platina status. In 2011 volgt het album ‘Helplessness Blues’.

5. Elliott – Song in the Air (2003)

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=EqGPloiP8D8

CD: ‘Song in the Air’ (Revelation)

De indie rockgroep Elliott komt in 1995 in Louisville voort uit de hardcoreband Falling Forward. Van de hardcoreroots van Elliott is echter al snel weinig meer te horen terwijl de groep steeds verder de post-rock-richting ingaat en meer gebruik maakt van piano, strijkers, koortjes en effecten. Kort na het uitkomen van het derde album ‘Song in the Air’ in 2003 besluit de groep, die onder aanvoering van zanger/gitarist Chris Higdon staat, er de brui aan te geven. Er volgt wel nog een tournee door Amerika en Europa en in 2005 komt postuum nog de restjescompilatie (met documentaire op DVD) ‘Photorecording’ uit. Highdon is momenteel frontman van een nieuwe band, Frontier(s), terwijl drummer Kevin Ratterman naam maakt als producer.

6. Sufjan Stevens – Come On! Feel The Illinoise! (2005)

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=7TboOfiTjhU

CD: ‘Illinois’ (Cycle)

Sufjan Stevens wordt geboren op 1 juli 1975 in Detroit. Hij begint zijn muzikale carrière in de folkrockband Marzuki (vernoemd naar Stevens’ broer, die professioneel marathonloper is) en de gospelpopgroep Danielson. In 2000 komt zijn eerste soloalbum uit, ‘A Sun Came’. Stevens heeft zich dan al ontwikkeld tot een multi-instrumentalist, die op zijn eigen werk talloze partijen zelf inspeelt. Instrumenten die hij bespeeld zijn onder meer gitaar, bas, banjo, sitar, piano, xylofoon, vibrafoon, hoorn, oboe, drums en blokfluit. Nadat hij in 2001 het electronische album ‘Enjoy Your Rabbit’ uitgebracht heeft komt in 2003 ‘Michigan’ uit, het eerste deel van Stevens’ uiterst ambitieuze ’50 States Project’. Hij wil over elke van de vijftig Amerikaanse staten een thema-album maken. Dat hij hier niet veel haast mee heeft blijkt als zijn volgende album, ‘Seven Swans’, niet tot het project behoort. Met het album dat daar op volgt, ‘Illinois’, pikt hij de draad wel weer op. Het uiterst gevarieerde album duurt maar liefst 74 minuten en wordt bovendien gevolgd door ‘The Avalanche: Outtakes and Extras from the Illinois Album’, een compilatie met 76 minuten aan restmateriaal. In 2009 biecht Stevens op dat het ’50 States Project’ slechts een gimmick was. Tot dusver heeft hij tien solo-albums op zijn naam staat, een derde thema-album over een Amerikaanse staat zit er echter nog niet bij.

7. Camera Obscura – Super Trouper (2006)

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=Pnhc82_RqFE

CD: V/A ‘The Saturday Sessions: The Dermot O’Leary Show’ (EMI)

De melancholische popgroep Camera Obscura wordt in 1996 opgericht in het Schotse Glasgow. Mede dankzij de steun van de legendarische DJ John Peel en stadsgenoten Belle & Sebastian groeit de band al snel uit tot één van de lievelingen van de Britse alternatieve muziek. Dat leidt echter nauwelijks tot commercieel succes. Van de dertien singles en vier albums die tot dusver uitgebracht werden haalde alleen het album ‘My Maudlin Career’ uit 2009 de Britse top 100. Hun bloedmooie versie van ‘Super Trouper’ (die je waarschijnlijk voor het eerst laat horen dat deze megahit van ABBA diep van binnen eigenlijk een hartverscheurend droevig liedje is) neemt Camera Obscura in 2006 live op in het radioprogramma The Dermot O’Leary Show. Na de uitzending komen er zoveel verzoeken binnen van luisteraars die een CD willen hebben waar dit nummer opstaat, dat het voor Dermot O’Leary de directe aanleiding is om dan maar een dubbel-CD uit te brengen met live-sessies uit zijn radioprogramma. Waarop Camera Obscura’s ‘Super Trouper’ uiteraard te horen is.

8. Acid House Kings – This Heart is a Stone (2005)

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=6vIwjaOyZWk

CD: ‘Sing Along with Acid House Kings’ (Labrador)

Acid House Kings wordt in 1991 opgericht in het Zweedse Stockholm door Joakin Ödlund en de broers Niklas en Johan Angergård en tien jaar later uitgebreid met zangeres Julia Lannerheim. Erg productief wordt de groep nooit, als in 2005 het vierde album ‘Sing Along with Acid House Kings’ uitkomt is het de eerste keer dat de Zweden minder dan vijf jaar nodig hebben gehad om met een nieuwe plaat te komen. In overeenstemming met het (opzettelijk) lekker tuttige imago van de band zit bij de CD gratis een karaoke-DVD van het volledige album.

9. Keren Ann – Not Going Anywhere (2003)

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=1504cSBhWG0&feature=related

CD: ‘Not Going Anywhere’ (Capitol)

De op 10 maart 1974 geboren singer/songwriter Keren Ann Zeidel mag met recht een wereldburger genoemd worden. Haar vader is een Russische Jood, haar moeder is half Nederlands en half Indonesisch en zelf komt ze ter wereld in Israël. De eerste elf jaar van haar leven brengt ze door in Nederland, daarna woont ze om en om in Parijs en New York. Na twee Franstalige albums uit te hebben gebracht gaat ze in 2003 op de internationalere toer met haar eerste Engelstalige plaat ‘Not Going Anywhere’. Alhoewel dit haar derde album in drie jaar is blijkt ze nog genoeg inspiratie te hebben, want hetzelfde jaar komt het debuutalbum uit van Lady & Bird, een samenwerkingsproject tussen Keren Ann en de IJslandse singer/songwriter Barði Jóhannsson.

10. Bayside – Montauk (acoustic) (2005)

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=3XfuzyYNvyM

CD: ‘Acoustic’ (Victory)

De punkpop/emoband Bayside wordt in 2000 opgericht in New York. De naam bedenken ze als ze met de metro op weg zijn naar een concert van A New Found Glory met het doel om hun demo-CD aan de optredende band te geven. Ze hebben nog altijd geen bandnaam en als ze het station Bayside passeren besluiten ze dat als bandnaam op het CD’tje te schrijven. Op 31 oktober 2005, twee maanden na het uitkomen van hun tweede album ‘Bayside’, verongelukt de tourbus van de groep bij Cheyenne, Wyoming. Zanger/gitarist Anthony Raneri en gitarist Jack O’Shea komen er vanaf met lichte verwondingen. Hun ritmesectie is minder gelukkig. Bassist Nick Ghanbarian breekt een ruggenwervel en drummer John “Beatz” Holohan komt om het leven. Raneri en O’Shea breken de ‘Never Sleep Again’ tour af en gaan naar huis. Een paar weken later besluiten ze hun akoestische gitaren in te pakken en als eerbetoon de tour met z’n tweeën te voltooien. Op de dag na het emotionele laatste optreden van de tour gaan Raneri en O’Shea de studio in om hun akoestische set op te nemen, het resultaat is het album ‘Acoustic’, waar tevens de laatste studio-opnames van Holohan op staan. Sindsdien heeft Bayside met een weer herstelde Ghanbarian en nieuwe drummer Chris Guglielmo nog drie albums gemaakt.

Leave a comment »

Greatest misses, deel 2: de jaren zeventig

Het concept: uit elk decennium (van de jaren zestig tot en met de jaren nul) selecteer ik de naar mijn mening tien mooiste popliedjes (maximaal één per uitvoerende) die in geen enkel land in de top 40 hebben gestaan.

Deel twee: de jaren zeventig.

 1. The Beach Boys – Surf’s Up (1971)

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=R2_wBbS7I08

CD: ‘Sunflower + Surf’s Up’ (Capitol)

Nadat Beach Boys-voorman Brian Wilson in 1966 zijn meesterwerk ‘Pet Sounds’ voltooid heeft besluit hij een album te gaan maken dat nog avontuurlijker, nog complexer en nog briljanter is. ‘SMiLE’ moet het gaan heten. Het TV-kijkende publiek krijgt een voorproefje als Brian in november 1966 het complexe nummer ‘Surf’s Up’ in zijn eentje vanachter de piano uitvoert voor een CBS News-special over popmuziek. De special wordt gepresenteerd door de beroemde klassieke componist en dirigent Leonard Bernstein, die onder de indruk is. Wilson komt dicht bij voltooiing van zijn langverwachte nieuwe meesterwerk, maar bezwijkt in 1967 onder zijn zwakke mentale gesteldheid, zijn drugsgebruik en de druk die zijn band en platenlabel op zijn schouders leggen. ‘SMiLE’ verdwijnt onvoltooid in de archieven en een diep gekrenkte, verslagen Wilson wordt langzaam maar zeker een kluizenaar die soms dagenlang zijn slaapkamer niet uitkomt. Vier jaar later zijn The Beach Boys allang niet hip meer. In een poging toch nog wat platen te kunnen verkopen besluit Brian’s jongste broer Carl, die zich inmiddels heeft opgeworpen als nieuwe leider van de band, ‘Surf’s Up’ alsnog te voltooien. In de archieven stuit hij op een solo-uitvoering van Brian met alleen zang en piano, en een uitgebreidere instrumentale versie van de eerste sectie van het nummer. Carl zingt daarop zelf de eerste sectie in, voorziet de tweede en derde sectie van overdubs en plakt ze aan elkaar. Hij doet dit in de in Brian’s woonkamer gevestigde opnamestudio, terwijl Brian zich boven zijn hoofd op heeft gesloten in zijn slaapkamer. Gekweld door zijn traumatische herinneringen aan het ‘SmiLE’ project weigert hij naar beneden te komen om een bijdrage te leveren. In 1971 verschijnt Carl’s voltooide versie op het album dat eveneens ‘Surf’s Up’ heet. In 2004, zes jaar nadat Carl is overleden aan longkanker, weet zijn grote broer Brian alsnog de moed te vinden om met zijn huidige begeleidingsband zijn magnum opus ‘’SmiLE’ te voltooien. Uiteraard is daarop ook ‘Surf’s Up’ te vinden.

 2. Van Dyke Parks – Clang of the Yankee Reaper (1975)

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=2VvsWDjZvlc

CD: ‘Clang of the Yankee Reaper’ (Warner Bros.)

Alhoewel Van Dyke Parks bij het grote publiek geen bekende naam is heeft dit multi-talent een bijzonder fascinerende carrère. Parks wordt op 3 januari 1943 geboren in Hattiesburg, Mississippi. Vanaf zijn tiende is hij een heuse kindster. Hij acteert in films met onder meer de legendarische Grace Kelly en heeft in rol in de razend populaire sitcom The Honeymooners. Wat later leert hij klarinet, piano en gitaar spelen en in 1963 verkast hij met zijn broer Carson (de latere componist van onder meer ‘Somethin’ Stupid’, dat een enorme hit zal worden voor Frank & Nancy Sinatra en later ook voor Robbie Williams & Nicole Kidman) naar Los Angeles om daar op te gaan treden als The Steeltown Two. Parks gaat tevens aan de slag als sessiemuzikant, arrangeur en songschrijver. In 1966 wordt hij door Brian Wilson van The Beach Boys ingehuurd om met hem het hiervoor al genoemde album ‘SMiLE’ te schrijven. In 1968 maakt Parks zijn debuut als solo-artiest met het album ‘Song Cycle’, dat hij mag maken met een voor die tijd ongekend hoog opnamebudget. Het album, dat oud-Amerikaanse invloeden voorziet van een psychedelisch tintje, wordt vrijwel unaniem geprezen door de critici maar verkoopt nauwelijks. Op zijn volgende albums legt Parks zich vooral toe op tropische calypso. Zo ook op zijn derde album, ‘Clang of the Yankee Reaper’ uit 1975, al is dat niet te horen aan het niet-representatieve titelnummer. Alhoewel zijn solo-carrière op een vrij laag pitje blijft staan hoeft Parks zich bepaald niet te vervelen. Als producer, arrangeur en/of muzikant werkt hij mee aan albums van uiteenlopende artiesten als Tim Buckley, U2, Randy Newman, Harry Nilsson, The Byrds, Cher, Ringo Starr, Sheryl Crow, The Everly Brothers, The Scissor Sisters en Silverchair. Tevens schrijft hij filmsoundtracks, maakt hij muziek voor de Amerikaanse versie van Sesamstraat en arrangeert hij het beroemde nummer ‘The Bare Necessities’ uit de film ‘Jungle Book’. Ook blijft hij sporadisch acteren, onder meer in ‘Popeye’ en de TV-serie ‘Twin Peaks’.

 3. Lori Balmer – Here Before the Sun (1972)

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=KeHXjj2y22Y

CD: V/A – ‘Tea & Symphony: The English Baroque Sound 1967-1974’ (Sanctuary)

Lori Balmer wordt in 1958 geboren in Victoria, Australië. Ze is pas dertien als in 1972 de single ‘Here Before the Sun’ uitkomt, toch kan ze dan al een muziekveteraan genoemd worden. Het is immers al haar zevende single. Balmer is vanaf haar zesde professioneel zangeres, staat vanaf haar zevende onder contract bij RCA Records en is enige tijd een vaste gast bij verschillende radio- en tv-shows van de BBC. Ondanks dat ze al heel jong een krachtige, volwassen stem heeft en ze stevig op sleeptouw genomen wordt door de gebroeders Gibb van The Bee-Gees, die familie van haar zijn, worden geen van haar singles hits. Alhoewel Balmer’s solocarrière nooit echt van de grond komt blijft ze volop actief in de muziek, zei het hoofdzakelijk anoniem. Ze is achtergrondzangeres bij enkele van de grootste namen in de popmuziek, zoals Tina Turner, Cliff Richard, Bryan Ferry, U2, Joe Cocker, George Harrison, Lionel Richie, Van Halen en Johnny Rotten. Ook zingt ze enkele filmsoundtracks in. In 2007 komt haar single ‘Here Before The Sun’ weer onder de aandacht van een select groepje muziekfans als het nummer verschijnt op ‘Tea & Symphony’, een verzamel-cd met obscure muziekschatten uit de late jaren zestig en vroege jaren zeventig.

 4. Cat Stevens – Sad Lisa (1970)

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=Vd0zduRDa6w

CD: ‘Tea for the Tillerman’ (Island)

Cat Stevens wordt op 21 juli 1948 in Londen geboren als Steven Demetre Georgiou, zoon van een Grieks-Cypriotische vader en een Zweedse moeder. Als hij muziek begint te maken kiest hij aanvankelijk voor het pseudonym Steve Adams, dat hij al snel vervangt door het opvallendere Cat Stevens. Hij is pas 18 als hij in 1966 doorbreekt en hits scoort met vlotte, rijk georkestreerde liedjes als ‘I Love My Dog’, ‘Matthew and Son’ en ‘I’m Gonna Get Me a Gun’. In 1969 loopt hij tubercolose op, hij balanceert op het randje van de dood en moet maanden in het ziekenhuis doorbrengen. Daar begint zijn spirituele zoektocht. De tienerster laat zijn haar groeien en een baard staan, ruilt de rijkelijk gearrangeerde popliedjes in voor kalere akoestische folk en gaat teksten met wat meer diepgang schrijven. De nieuwe richting slaat aan en met name het album ‘Tea for the Tillerman’ uit 1970 is een groot succes. De plaat levert de hits ‘Father and Son’ en ‘Wild World’ op. Zowel op het album als op de B-kant van ‘Wild World’ is het nummer ‘Sad Lisa’ te vinden. Stevens blijft succesvol totdat hij zich in 1977 bekeert tot de Islam en zijn nieuwe naam Yusuf Islam aanneemt. Twee jaar later stapt hij rigoureus uit de muziekwereld en verkoopt hij al zijn gitaren. Hij sticht verschillende Islamitische scholen en gaat zich volop bezig houden met liefdadigheid. In de late jaren negentig gaat hij weer voorzichtig muziek maken, al is dat aanvankelijk alleen met zang en percussie. Pas in 2003, nadat hij voor het eerst in tientallen jaren weer eens op een gitaar heeft zitten pingelen die zijn zoon in huis heeft laten slingeren, gaat hij weer popmuziek maken. In 2006 verschijnt onder de naam Yusuf ‘An Other Cup’, zijn eerste popalbum in 28 jaar.

 5. Dennis Wilson – River Song (1977)

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=r4yFWBbG_ZA

CD: ‘Pacific Ocean Blue’ (Legacy)

Dennis Wilson wordt geboren op 4 december 1944 in Los Angeles. Hij groeit op als een rebelse jongen die zichzelf voortdurend in de nesten werkt en een te korte concentratiespan heeft om iets gedaan te krijgen. Zijn broers Brian en Carl zijn dan ook bepaald niet enthousiast als hun moeder Audree hen in 1961 dwingt om Dennis mee te laten spelen in hun nieuwe bandje dat ze The Pendletones noemen. Alhoewel hij nauwelijks muzikale aanleg lijkt te hebben wordt hij achter het drumstel gezet, het enige nog vacante instrument. Alhoewel Dennis nooit een erg goede drummer zal worden blijkt hij van onschatbare waarde voor de band die al snel wereldberoemd wordt onder de nieuwe naam The Beach Boys. Hij is een belangrijke inspiratiebron voor de songteksten van de band omdat hij het enige lid is dat daadwerkelijk surft, daarna is hij het enige sekssymbool van de groep. Als hij met zijn onvaste stem een nummer mag zingen (Dennis is onder meer leadzanger op de hit ‘Do You Wanna Dance’) ontstaan er niet zelden hysterische toestanden in het publiek. Eind jaren zestig begint Dennis zich tot de niet geringe verrassing van vrijwel iedereen plotseling te ontwikkelen tot een erg verdienstelijke zanger en songschrijver. Hij specialiseert zich in lustvolle rockers en soulvolle ballads, in beiden komt zijn rauwe, karaktervolle stem uitstekend tot zijn recht. Dennis is in 1977 de eerste Beach Boy die een solo-album uitbrengt, ‘Pacific Ocean Blue’ (waarop ‘River Song’ staat). Het album is aanzienlijk beter dan alles wat zijn band in de voorgaande jaren heeft uitgebracht en verkoopt ook een stuk beter. De andere Beach Boys zijn daar bepaald niet blij mee en dwingen Dennis om te kiezen tussen de groep en zijn solocarrière. Dennis kiest voor het eerste, schrapt alle geplande solo-optredens en ‘Pacific Ocean Blue’ verdwijnt al na een paar maanden uit de omloop, om daarna decennia lang out of print te blijven. In de jaren die volgen gaat het snel bergafwaarts met Dennis. Zijn drank- en drugsverslaving loopt ernstig uit de hand, hij wordt dakloos en door een vuistslag op zijn keel wordt zijn stem beschadigd. Op 28 december 1983, hij is dan 39, duikt Dennis in een dronken bui het water in van de plezierjachthaven van Marina del Rey. Hij komt niet meer boven. Vanwege zijn sterke band met de zee krijgt de familie van president Ronald Reagan hoogstpersoonlijk toestemming om Dennis op zee te begraven. In 2008 wordt ‘Pacific Ocean Blue’ eindelijk heruitgebracht, voorzien van een extra CD met Dennis’ nooit onvoltooide en nooit eerder uitgebrachte tweede album ‘Bambu’.

 6. Nick Drake – Hazy Jane II (1970)

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=qSZ9oX0rLgg

CD: ‘Bryter Layter’ (Island)

De levensloop van Nick Drake is één van de meeste tragische in de muziekgeschiedenis. Drake wordt op 19 juni 1948 geboren in Burma als zoon van redelijk welgestelde Engelse ouders. Als scholier speelt hij piano en saxofoon in een bandje waar ook Chris de Burgh (later wereldberoemd met de hit ‘Lady in Red’) kort deel van uitmaakt. In 1969 en 1970 maakt hij de solo-albums ‘Five Leaves Left’ en ‘Bryter Layter’ (waarop ‘Hazey Jane II’ te vinden is), waarop hij hulp krijgt van blazers- en strijkersectie en leden van befaamde bands als Fairport Convention, Pentangle, Velvet Underground en de tourband van The Beach Boys. Zijn derde album ‘Pink Moon’ is radicaal anders. Hij neemt het op in twee sessies van twee uur, met alleen zijn eigen stem en een akoestische gitaar (en één piano-overdub). Gedurende zijn leven is Drake zeer onsuccesvol als muzikant. Van zijn drie albums worden slechts een paar duizend exemplaren verkocht en van platenmaatschappij Island krijgt hij een inkomen van twintig pond per week. Na het uitkomen van ‘Pink Moon’ trekt de zeer mensenschuwe Drake zich terug uit de muziek en begint hij steeds meer last van depressies en andere mentale problemen te krijgen. Hij gaat weer bij zijn ouders wonen en verbreekt het contact met veel van zijn vrienden. In de nacht van 24 op 25 november 1974 overlijdt hij aan een overdosis antidepressiva. Pas in de jaren tachtig begint postuum zijn ster te rijzen. Leden van REM en The Cure en mensen als Kate Bush en Paul Weller noemen hem als één van hun voorbeelden. Liedjes van hem zijn te horen in TV-reclames voor onder meer Volkswagen en AT&T. Lijstjes in muziekbladen met beste albums aller tijden waarin niet alle drie zijn albums in genoemd worden zijn vandaag de dag zeldzaam. Door zijn muziek, zijn tragische levensloop, het feit dat hij in zijn hele leven maar één interview en een handjevol optredens gaf en omdat er van hem geen bewegende beelden bestaan is Drake uitgegroeid tot één van de meest mysterieuze figuren in de popgeschiedenis.

 7. Graham Gouldman – Nowhere To Go (1972)

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=VdJyE3Tt8FM

CD: V/A – ‘Tea & Symphony: The English Baroque Sound 1967-1974’ (Sanctuary)

De naam Graham Gouldman zal niet direct bij veel mensen een belletje doen rinkelen, toch is hij verantwoordelijk voor een indrukwekkend aantal hits. Gouldman wordt geboren op 10 mei 1946 in het Engelse Broughton. Nog voordat hij twintig is heeft hij tien hitsingles geschreven voor onder meer The Yardbirds (‘For Your Love’), The Hollies (‘Bus Stop’), Herman’s Hermits (‘No Milk Today’), Cher en Jeff Beck. Van 1969 tot 1972 werkt hij als songschrijver, producer en sessiemuzikant en -zanger voor Super K Productions, waar hij geacht wordt minstens een liedje per dag te schrijven. Hij scoort voor Super K hits onder bedachte bandnamen als The Ohio Express en Hotlegs. In 1972 wordt Gouldman lid van de band 10cc, waarvoor hij ook talloze hits schrijft, waaronder ‘The Wall Street Shuffle’, ‘I’m Not in Love’, ‘The Things We Do for Love’ en ‘Dreadlock Holiday’. Ook met de band Wax is hij succesvol, met onder meer ‘Right Between the Eyes’ en ‘Building a Bridge to Your Heart’. Minder lucratief is Gouldman’s solo-carrière onder zijn eigen naam. De acht singles die hij uitbrengt, waaronder ‘Nowhere to Go’ (die enkele maanden voor de doorbraak van 10cc uitkomt), floppen allemaal.

 8. Fresh Maggots – Rosemary Hill (1971)

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=MuJSC0o_egI

CD: ‘Fresh Maggots’ (Sunbeam)

Onder de naam Fresh Maggots maakt het duo Mick Burgoyne en Leigh Dolphin uit het Engelse Nuneaton in 1971 één album, dat titelloos blijft. Op dat moment zijn de twee pas negentien jaar oud. Alhoewel het album positieve recensies krijgt verkoopt het nauwelijks. Het duo stopt er direct weer mee duikt de vergetelheid in, tot in 2006 hun enige album heruitgebracht wordt op cd.

 9. Heron – Lord And Master (1970)

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=6wJ_FXGwgU8

CD: ‘Heron’ (Si-Wan)

Heron uit het Engelse Maidenhead wordt in 1968 opgericht in een een folkclub. Twee jaar later komt het titelloze debuutalbum uit, dat is opgenomen in een afgelegen veld vlakbij de rivier de Thames. De vogel- en andere natuurgeluiden die je op het album kunt horen zijn dan ook geen geluidseffecten. Na een tweede album in 1972, ook in een veld opgenomen, wordt de band weer opgedoekt en wordt frontman Tony Pook timmerman. In 1997 maakt Heron een doorstart. Het comebackalbum wordt, uiteraard, weer opgenomen in een veld.

10. The Raspberries – I Saw the Light (1972)

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=ZrAlbLGB0UQ

CD: ‘Greatest’ (Capitol)

Deze groep ontstaat in 1970 als enkele leden van The Choir en Cyrus Erie, twee bands uit Cleveland die enkele regionale hits gescoord hebben, hun krachten besluiten te bundelen. The Raspberries kennen een vliegende start. Op basis van een demotape bieden de grote platenmaatschappijen tegen elkaar op om de groep in te kunnen lijven, uiteindelijk wint Capitol Records. In 1972 wordt met ‘Go All The Way’ een Amerikaanse top tien-hit gescoord, dat evenals het niet als single uitgebrachte ‘I Saw the Light’ komt van het album ‘Raspberries’. De groep valt in 1975 uit elkaar, waarna zanger Eric Carmen als solo-artiest en songschrijver voor anderen nog succesvoller wordt dan zijn band ooit was. Acht keer komt een compositie van hem in de Amerikaanse top tien, drie keer is hij zelf de uitvoerende artiest. ‘All By Myself’ wordt zowel in zijn eigen uitvoering als die van Celine Dion een megahit. Ook ‘Hungry Eyes’ uit de film ‘Dirty Dancing’ is van hem. In 2000 maken The Raspberries een nieuwe start, aanvankelijk met alleen gitarist Wally Bryson en gitarist/bassist Dave Smalley als originele leden. Sinds 2005 is ook Eric Carmen weer van de partij.

Leave a comment »

Greatest misses, deel 1: de jaren zestig

Dit is het begin van een serie die je op deze blogpagina kunt gaan volgen.

Het concept: uit elk decennium (van de jaren zestig tot en met de jaren nul) selecteer ik de naar mijn mening tien mooiste popliedjes (maximaal één per uitvoerende) die nooit ergens in de top 40 hebben gestaan.

Deel één: de jaren zestig.

1. The Beach Boys – Time To Get Alone (1969)

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=QM7vec73eSg

CD: Friends + 20/20 (Capitol)

Tot 1966 lijkt het er nog op dat Beach Boy Brian Wilson de hits uit zijn mouw kan schudden. Nadat hij circa 1966-1967 een muzikaal progressievere richting ingaat en daarop mentaal vastloopt komt daar echter stevig de klad in. Zijn medebandleden zijn vervolgens zuinig op elk meesterwerkje dat ze nog uit hem kunnen persen. Ze zijn dan ook verre van enthousiast als ze in 1967 de opnames horen die Brian geproduceerd heeft voor een nieuw bandje dat hij ontdekt heeft, Redwood. Brian blijkt twee nieuwe eigen composities aan die groep te hebben gegeven, ‘Darlin” en ‘Time To Get Alone’, en die klinken beiden verre van verkeerd. Carl Wilson, Mike Love en Al Jardine vinden dat zij recht hebben op de nieuwe nummers en confronteren Brian daarmee, die hen in tranen hun zin geeft. De Redwood-vocalen worden van de tape gewist en vervangen door die van The Beach Boys zelf. Daarmee is ook het beoogde samenwerkingsverband tussen Redwood en Brother Records, het nieuwe eigen platenlabel van The Beach Boys, van de baan. ‘Darlin” wordt een hit voor The Beach Boys, ‘Time To Get Alone’ blijft tot 1969 onuitgebracht en verschijnt dan relatief anoniem als track op het album ’20/20′. Onder de nieuwe bandnaam Three Dog Night wordt Redwood later één van de succesvolste Amerikaanse bands van de jaren zeventig.

2. The Zombies – Care of Cell 44 (1968)

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=EWfRbW-ObHk

CD: Odessey & Oracle (Big Beat)

De band The Zombies wordt in 1961 opgericht in het Engelse St. Albans door enkele schoolvrienden. Na het winnen van een bandcompetitie van de London Evening News sleept de groep een platencontract bij Decca in de wacht, wat leidt tot het uitkomen van de single ‘She’s Not There’ (later een grote hit voor Santana) in 1964. De single gaat in Engeland naar nummer twaalf en in Amerika naar nummer twee. Later dat jaar scoort de groep nog een Amerikaanse top tien-hit met ‘Tell Her No’, maar daarna blijft het succes uit. Maar liefst veertien singles floppen. Ook de single ‘Care of Cell 44’ van het album ‘Odessey and Oracle’ doet niets. Toetsenist Rod Argent, schrijver van het nummer, begrijpt er niets van. Ondanks de eigenaardige tekst die gericht is aan een vrouwelijke partner die vast zit in de gevangenis ziet hij het als een bijzonder commercieel nummer. In 1968 zijn de frustraties dermate hoog opgelopen dat The Zombies er een punt achter zetten. Een jaar later wordt de single ‘Time of the Season’ zeer verrassend alsnog een Amerikaanse nummer één-hit, maar de band weigert opnieuw bij elkaar te komen. Enkele andere bands zien hun kans schoon en beginnen te toeren als The Zombies. Zanger Colin Blunstone, die aanvankelijk kiest voor een nieuwe carrière in de verzekeringsbranche, scoort later nog enkele hits onder zijn eigen naam en onder het pseudonym Neil MacArthur (onder deze naam scoort hij een hit met een “cover” van ‘She’s Not There’). Ook is hij te horen als leadzanger op verschillende nummers van The Alan Parsons Project, waaronder de hit ‘Old and Wise’. Toetsenist Rod Argent heeft nog enkele hits met zijn nieuwe band Argent. Sinds 2001 zijn Blunstone en Argent weer samen actief, aanvankelijk onder hun eigen namen en sinds 2004 weer als The Zombies. Het succes dat in de jaren zestig grotendeels uitbleef voor de groep is later alsnog gekomen. Het album ‘Odessey and Oracle’, dat bij uitkomen weinig deed, staat in recentere jaren in de top honderd van “beste albums aller tijden” lijstjes van toonaangevende bladen als Rolling Stone, The Guardian, Mojo, NME en Q Magazine.

3. Sagittarius – My World Fell Down (1967)

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=Qs-oGEhDP0E

CD: Present Tense (Sundazed)

Gary Usher wordt geboren op 14 december 1938. Hij brengt in 1960 zijn eerste solo-singletje uit, dat niets doet. Succes heeft hij wel als hij in 1962 samen begint te werken met een buurjongen van een oom, Brian Wilson van The Beach Boys. Samen met Wilson schrijft Usher onder meer de Beach Boys-hits ‘409’ en ‘In My Room’. Snel daarna groeit hij uit tot een productieve songschrijver en producer in voornamelijk het surfgenre en stampt hij verschillende studiobandjes uit de grond. In 1967 werkt hij als producer samen met het duo Chad & Jeremy. Hij wil met hen het nummer ‘My World Fell Down’ opnemen, dat eerder al zonder succes opgenomen is door de Britse band The Ivy League. Chad & Jeremy wijzen het liedje af, waarna Usher er zelf mee aan de slag besluit te gaan. Voor de zangpartijen laat hij zijn vrienden Glen Campbell (later een zeer succesvol countryzanger), Bruce Johnston (van The Beach Boys) en Terry Melcher (de zoon van Doris Day, die voorheen samen met Johnston het duo Bruce & Terry vormde) opdraven, de muziek wordt ingespeeld door sessiemuzikanten. Hij brengt de single uit onder de naam Sagittarius, zijn eigen sterrenbeeld (boogschutter). Het plaatje komt niet verder dan de 70e plaats, maar door het erg rijke en uitgebreide arrangement en de eigenaardige non-muzikale geluidscollage die het nummer onderbreekt ontstaat al snel het hardnekkige gerucht dat ‘My World Fell Down’ eigenlijk een outtake is van de ‘SMiLE’-sessies van The Beach Boys. In 1968 volgt een volledig album van Sagittarius, ‘Present Tense’, waarop Usher nauw samenwerkt met zanger, songschrijver en producer Curt Boettcher. Het album is geen succes. Een tweede album, ‘The Blue Marble’, volgt in 1969 en doet eveneens heel weinig. Daarna komt het Sagittarius-project weer ten einde. Tot zijn dood in 1990 blijft Usher actief als producer en songschrijver, al is dat zonder veel commercieel succes.

4. Love – Alone Again Or (1967)

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=7yVBMUXr4xo

CD: Forever Changes (Elektra)

In 1965 heeft Arthur Lee zijn sporen al enigszins verdiend in de soul en rhythm & blues, hij heeft onder meer gewerkt met een jonge Jimi Hendrix. Na het zien van een optreden van The Byrds besluit Lee zijn muziek een dosis folk mee te geven, wat leidt tot de oprichting van de band Love. In de popscene van Los Angeles, met grote namen als The Byrds, The Doors en Buffalo Springfield, groeit Love al snel uit tot één van de meest spraakmakende live-acts (die bovendien opvalt door de bezetting met zowel blanke als zwarte leden), al vertaalt dat zich uiteindelijk nauwelijks in commercieel succes. Dit mede omdat de groep weinig zin heeft om al te ver buiten Los Angeles te spelen en nooit lang dezelfde bezetting weet te behouden. Het onbetwiste meesterwerk van Love is het album ‘Forever Changes’ en daarvan is ‘Alone Again Or’ het nummer dat het meeste indruk maakt. Opmerkelijk, omdat het geschreven is door gitarist Bryan MacLean en niet door frontman Arthur Lee, die verantwoordelijk is voor het leeuwendeel van het materiaal van de groep. Lee weet het nummer uiteindelijk toch naar zich toe te trekken, tijdens het mixen laat hij het volume van zijn eigen tweede stem aanmerkelijk verhogen waardoor MacLean’s leadvocalen naar de achtergrond verdwijnen. Arrangeur David Angel voorziet de opname van een strijkersectie en een mariachi-band, die producer Bruce Botnick kort daarvoor nog heeft gebruikt voor een opname met The Tijuana Brass. MacLean en Lee leven uiteindelijk beiden niet lang en gelukkig. MacLean gaat stevig aan de drank en drugs en verlaat in 1968 de band. Hij krijgt een solocontract bij Elektra Records, maar de demo’s die hij vervolgens opneemt worden afgekeurd. Hij wordt kort daarna fanatiek Christen en bezwijkt op Eerste Kerstdag 1998, pas 52 jaar oud, in een restaurant aan een hartaanval. Lee blijft lange tijd het enige constante lid van Love en belandt verschillende keren in de gevangenis wegens illegaal wapenbezit, drugsbezit en mishandeling. Hij sterft in 2006 op 61-jarige leeftijd aan leukemie. ‘Alone Again Or’, dat als single nooit verder kwam dan een 99e plaats, is inmiddels alsnog uitgegroeid tot een klassieker, met coverversies door onder meer The Damned, The Oblivians, UFO, Sarah Brightman, The Boo Radleys, Chris Pérez Band, Calexico, Matthew Sweet & Susanna Hoffs en Les Fradkin.

5. The Doors – The Soft Parade (1969)

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=1XlqCFi6o-E

CD: The Soft Parade (Elektra)

Als The Doors in 1969 hun vierde album ‘The Soft Parade’ uitbrengen valt dat bij veel fans en critici niet goed. De prominente blazers en strijkers en poppy liedjes als ‘Touch Me’, ‘Do It’, ‘Easy Ride’ en ‘Runnin’ Blue’ gaan ten koste van het rauwere geluid van de eerdere albums van de groep. De afsluitende titeltrack is echter een overtuigend goedmakertje. Het nummer ‘The Soft Parade’ duurt maar liefst 8 minuten en 37 seconden en beweegt zich in vijf secties door verschillende genres, waaronder spoken word, psychedelische pop en bluesrock. Na ‘The Soft Parade’ maken The Doors nog twee album met zanger Jim Morrison, die in 1971 lid van de Forever 27 Club wordt als hij dood gevonden wordt in de badkuip van zijn hotelkamer in Parijs. The Doors maken daarna nog twee albums als trio.

6. The Beatles – For No One (1965)

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=J6iAykoKLog

CD: Revolver (Parlophone)

The Beatles schreven zoveel klassiekers dat het er teveel waren om ze allemaal als single uit te kunnen brengen. Je kunt een aardig indrukwekkend lijstje maken met nummers die bijna iedereen kent maar toch nooit (althans niet in de Beatles-uitvoering) in de hitlijsten te bekennen waren. ‘For No One’ van het album ‘Revolver’ is één van de nummers die voor elke andere band één van de toppers zou zijn geweest, terwijl het voor The Beatles slechts een albumtrack is. Paul McCartney begint dit nummer te schrijven in de badkamer van een Zwitsers ski-resort na een ruzie met zijn vriendin Jane Asher. Hij neemt het uiteindelijk bijna solo op en begeleidt zijn eigen leadzang op klavichord, piano en bas, de enige andere muzikanten zijn Ringo Starr op drums en tamboerijn en de gerespecteerde klassieke muzikant Alan Civil (die later ook mee zou spelen op het Beatles-nummer ‘A Day in the Life’) op Franse hoorn. John Lennon, doorgaans publiekelijke niet overdreven complimenteus als het ging over McCartney’s werk, liet zich eens ontvallen dat ‘For No One’ één van zijn favoriete nummers van zijn mede-Beatle was.

7. The Yellow Balloon – Stained Glass Window (1967)

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=G13Ze1ndjfA

CD: The Yellow Balloon (Sundazed)

In 1966 besluiten Jan & Dean (bekend van hits als ‘Surf City’, ‘The Little Old Lady from Pasadena’ en ‘Dead Man’s Curve’) om het liedje ‘Yellow Balloon’ van producer/songschrijver Gary Zeckley op te nemen. Zeckley is vereerd, maar is niet zo te spreken over de versie van Jan & Dean. Hij denk dat het nummer meer potentie heeft, verzamelt een groepje sessiemuzikanten en neemt snel zijn eigen versie op. Om Jan & Dean voor te kunnen zijn wordt niet eens de tijd genomen om een B-kantje op te nemen, op de achterkant van het plaatje staat ‘Noollab Wolley’, wat eenvoudigweg de A-kant achterstevoren afgespeeld is. Zeckley krijgt gelijk: zijn versie van ‘Yellow Balloon’ gaat naar nummer 25, die van Jan & Dean blijft steken op 111. Door het succes ziet Zeckley zich genoodzaakt om van The Yellow Balloon een echte band te maken. Hij stelt een lineup samen met onder meer Don Grady, een bekende acteur uit de destijds razend populaire TV-serie ‘My Three Sons’. Omdat deze niet wil teren op zijn bekende naam en het als muzikant wil redden op basis van zijn talent werkt Grady onder het pseudonym Luke R. Yoo. Zeckley en Grady schrijven samen de derde Yellow Balloon-single ‘Stained Glass Window’, die nergens iets doet. De groep laat nog een prima titelloos album na, maar verdwijnt al snel weer uit beeld.

8. Crosby, Stills & Nash – Long Time Gone (1969)

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=rOWJAS0MhHQ

CD: Crosby, Stills & Nash (Atlantic)

Het in 1968 opgerichte Crosby, Stills & Nash (soms uitgebreid met Neil Young tot Crosby, Stills, Nash & Young) is één van de eerste echte supergroepen met leden die elders al naam gemaakt hebben. David Crosby is lid geweest van The Byrds, Stephen Stills maakte voorheen onderdeel uit van Buffalo Springfield, terwijl de Brit Graham Nash in The Hollies zat. De groep kent een vliegende start: hun titelloze debuutalbum gaat naar nummer zes en levert twee top 40-hits, terwijl het gezelschap z’n tweede optreden ooit afwerkt voor een half miljoen mensen op Woodstock. Alhoewel het niet uitgebracht wordt als single vergaart een nummer van het debuutalbum, ‘Long Time Gone’ (geschreven als reactie op de moord op senator Robert F. Kennedy), bekendheid als het prominent verwerkt wordt in de uiterst succesvolle documentaire over het Woodstock-festival. Door onderlinge ruzies valt de groep in 1970 alweer uit elkaar, waarna elk van de de vier leden (inclusief Young) een solo-album uitbrengt dat de top vijftien haalt. Sinds 1977 zijn Crosby, Stills & Nash weer actief, alhoewel zonder overdreven veel productiviteit: in 34 jaar tijd verschijnen slechts zes studioalbums.

9. Elvis Presley – Roustabout (1964)

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=fTTtxFwrUjg

CD: Roustabout (RCA)

In 1964 speelt Elvis Presley in ‘Roustabout’, de zestiende film waar hij in acht jaar tijd de hoofdrol in vertolkt. De film en het soundtrackalbum ervan ondergaan hetzelfde lot: ze zijn beiden een groot commercieel succes maar worden door critici de pan in gehakt. Het gebrek aan kwaliteit op het soundtrackalbum, waarvan alleen het titelnummer de moeite waard is (het is tekenend dat geen enkel nummer van het album als single wordt uitgebracht), is vrij eenvoudig te verklaren. Omdat Presley’s manager Tom Parker van alle songschrijvers die materiaal bijdragen eist dat ze een deel van hun copyrights afstaan haken gevestigde liedjesschrijvers als Doc Pomus, Mort Shuman, Otis Blackwell, Winfield Scott en Don Robertson af. Blackwell en Scott schrijven nog wel een titelsong voor de film, ‘I’m a Roustabout’, maar deze wordt gedumpt en vervangen door een alternatieve titelsong, ‘Roustabout’, van het schrijversteam Bernie Baum, Florence Kaye en Bill Giant, dat al talloze hits heeft geschreven voor Elvis. De achtergrondvocalen op ‘Roustabout’ worden verzorgd door The Mellomen, een vocale groep die te horen is in talloze Disney-films en op platen van onder meer Bing Crosby, Doris Day en Peggy Lee.

10. Mark Eric – Night of the Lions (1969)

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=EPas1VG9rOw

CD: A Midsummer Day’s Dream (Now Sounds)

Mark Eric Malmborg lijkt in 1969 nog in een bevoorrechte positie te zitten. Hij is pas achttien jaar oud, maar krijgt van het platenlabel Revue Records de gelegenheid om een album op te nemen dat geheel uit door hemzelf geschreven materiaal bestaat. Hij krijgt daarvoor een indrukwekkend groepje sessiemuzikanten ter beschikking, waaronder gitarist James Burton (Elvis Presley, Ricky Nelson, John Denver), drummer Jim Gordon (The Beach Boys, The Byrds, Eric Clapton, The Muppet Show) en bassist Lyle Ritz (The Beach Boys, The Righteous Brothers). Malmborg’s album ‘A Midsummer’s Day Dream’ staat bol van de Beach Boys-invloeden, het enige nummer wat sterk van de formule afwijkt is het groovy ‘Night of the Lions’, waarmee Malmborg voornamelijk indruk maakt op Jim Gordon. Het album krijgt om onduidelijke redenen volstrekt geen steun van het label en doet dan ook helemaal niets. De ambitieuze plaat flopt zo jammerlijk dat Malmborg zich er zelfs voor begint te schamen. Vrijwel gelijktijdig wordt hij door zijn ouders het huis uit geschopt en door zijn vriendin verlaten voor een ander. Voordat zijn muzikale carrière goed en wel begonnen is geeft hij er gedesillusioneerd de brui er weer aan. Hij weet nog even het hoofd boven water te houden als fotomodel en met kleine rolletjes als acteur. Dan gaat hij toch maar weer muziek maken, nu als entertainer in restaurants, hotels en op cruiseschepen. Vlak na de millenniumwisseling wordt zijn volledig vergeten album herontdekt door pophistoricus Domenic Priore. Het leidt ertoe dat Malmborg voor het eerst in zijn leven een volledig optreden geeft met eigen werk en dat zijn album, met bonustracks, wordt heruitgebracht op CD.

Leave a comment »