Archive for maart, 2018

Bank

DSC07846

In 1988 was ik negen jaar oud en gingen we voor de eerste keer in het buitenland op vakantie. Althans, zo voelde het. We waren al eens eerder in België naar een vakantiepark gegaan, maar dat telde niet echt. Ze spraken er Nederlands en het landschap was net zo vlak als thuis. De Belgen in de Ardennen hadden tenminste het goede fatsoen om Frans te spreken en een blik heuvels open te trekken. Dat leek er al meer op.

Het Buitenland. In mijn kindertijd had het voor mij altijd iets magisch. Iedereen die ik kende die ver weg op vakantie ging, kreeg het dringende verzoek om wat kleingeld te bewaren voor mijn muntenverzameling. Niet dat ik nou zoveel had met geld, sparen is nooit mijn sterkste kant geweest. Vrijwel elke gulden die ik kreeg was binnen enkele uren alweer uitgegeven aan een voetbaltijdschrift, Panini-plaatjes of een goedkope cd van de markt. Maar dat exotische geld koesterde ik wel als een schat. Ik denk dat ik gewoon iets tastbaars wilde uit al die verre landen die nog zo onbereikbaar waren.

Ik kreeg in de jaren daarna wel wat te zien van Europa. Door vakanties, schoolreisjes en optredens van een bandje waar ik in speelde kwam ik in Engeland, Luxemburg, Frankrijk, Spanje, Oostenrijk, Italië, San Marino, Duitsland en Polen. Maar de eerste keer dat ik ging vliegen en buiten Europa kwam, was pas in 2005. Ik was inmiddels 26 en mijn ouders, broer en schoonzus hadden een rondreis geboekt langs alle grote bezienswaardigheden in Egypte. Ik besloot om met ze mee te gaan. Daar kreeg ik de smaak te pakken. Ik moest nu echt eens meer van de wereld gaan zien.

Daarna boekte ik elk jaar een singlerondreis. In 2006 ging ik naar Cuba. In 2007 naar Mexico. In 2008 werd het een vierlandenreis door Mexico, Belize, Honduras en Guatemala. In 2009 bezocht ik Jordanië en in 2010 Marokko. Daarna leerde ik Linda kennen, een fervent backpacker. Samen gingen we naar onder meer Thailand, Laos, Kroatië, Bosnië-Herzegovina, Slovenië, Marokko, Nicaragua, El Salvador, Guatemala, Tsjechië, Spanje, Ecuador, de Verenigde Staten, Italië en Griekenland.

Naar al die landen heb ik sindsdien een beetje heimwee. Die reizen hebben mijn leven enorm verrijkt met onbetaalbare herinneringen. Ik weet niet wat die vliegreizen en hotels me allemaal gekost hebben, maar ik ben er wel vrij zeker van dat ik het totaalbedrag onmogelijk aan iets nóg leukers had kunnen besteden.

Maar ongeacht hoezeer ik uitkeek naar die reizen en vervolgens elke dag dat ik onderweg was koesterde, ik had overal toch ook wel een beetje heimwee naar huis. Achter die stem die heel hard “Jezus, wat is dit gaaf!” riep, zat ook altijd een zacht fluistertje dat de dagen aftelde tot de terugreis. Ik zag piramides in Egypte, Maya-ruïnes in Mexico en tempels in Thailand. Ik heb geslapen in de Sahara, gedobberd op de Dode Zee en autopech gehad in een oldtimer in Havana. Maar overal verlangde ik ook een beetje terug naar mijn eigen bed, naar een bank en een TV met Nederlandse programma’s, naar mijn platenverzameling, naar mijn gitaren, naar een supermarkt waarin ik gewoon kan vinden waar ik zin in heb.

Maar ook dat gevoel is voor mij goud waard. Je eigen bank ligt nog veel lekkerder als je weet op wat voor geweldige plekken je ernaar verlangd hebt.

Advertenties

Leave a comment »

Tweeling

Sam en Anne

Op een beeldscherm zie ik zwarte en witte pixels. Ze dansen door het beeld en vormen abstracte grijze vlekken. Althans, voor mij. De verloskundige ziet er wél wat in. Ze kijkt naar het scherm en dan naar ons. Ik zie dat ze zich een beetje schrap zet om belangrijk nieuws te gaan geven. Dat er een onverwachte mededeling gaat komen. Ik lees het af aan haar gezicht. Gek hoe je zoiets in een tijdsspanne van een seconde of twee op kunt pikken. In mijn hoofd hoor ik al “Sorry, maar…”. Uit haar mond hoor ik iets heel anders komen.
“Ik denk dat ik jullie heel blij kan gaan maken. Het zijn er twee!”

We krijgen even later bij de balie de vraag of tweelingen in de familie zitten. We zeggen van niet. Heel snel daarna bedenk ik me dat twee broers van Linda’s vader een tweeling zijn. Dat twee nichtjes van mij een tweeling zijn. Dat een ander nichtje van me een tweeling had, die helaas veel te vroeg geboren werd en het niet heeft gered. Even vergeten. Ik denk dat we nog een beetje van slag zijn. We moeten nog wat wennen aan het idee.

Twee jaar later. We hebben inmiddels twee peuters van anderhalf die dagelijks als een dubbel wervelwindje door de woonkamer trekken. Ze lopen onvermoeibaar van hot naar her, klimmen overal op, zitten overal aan en doen hun best om te zorgen dat aan het einde van de middag op elke vierkante decimeter van de vloer minimaal één stuk speelgoed ligt. Twee jaar geleden was het idee van een tweeling in huis hebben nog net zo abstract als die grijze vlekken op dat beeldscherm. Inmiddels is het al zo dat het er voor mij een beetje incompleet uitziet als ouders maar één baby hebben. Ik weet eigenlijk al bijna niet beter meer dan dat kinderen per twee komen. Alle ervaring die ik heb als vader, is immers als vader van een tweeling.

Toch is het voor veel mensen nog best iets bijzonders. “Is het een tweeling?” is een vraag die we toch nog opvallend vaak krijgen. Het zijn twee even oude kinderen die behoorlijk veel op elkaar lijken en samen in een dubbele wandelwagen zitten, ik ben er nog niet helemaal uit wat dan redelijkerwijs de andere opties zouden kunnen zijn. Maar ik zeg altijd netjes “Ja”. Eigenlijk zou ik wel eens iets anders willen zeggen.
“Nee, het is een drieli… O, verdomme. Ik ben er weer eentje kwijt.”

Wellicht komt het ook een beetje doordat we het vertikken om Sam en Anne identiek te kleden. Als tweeling moet je al veel delen. Spulletjes, aandacht, ruimte. Ik vind het heel belangrijk dat ze in elk geval de vrijheid krijgen om twee individuen te zijn en niet slechts twee helften van een duo. Dat ze ook hun eigen voorkeuren en hun eigen spulletjes hebben. En daar werken ze zelf al goed aan mee. Ze weten precies welk tutje, welk jasje, welke schoentjes en welke knuffels van wie zijn. Geef je ze de verkeerde, dan gaan ze onmiddellijk ruilen.

Linda en ik lopen met onze kinderen over straat. Een oudere man die net uit zijn auto is gestapt, blijft even staan en kijkt met een vertederde blik naar onze kinderen, die druk bezig zijn met het aanwijzen van een boom. Ik weet wat er gaat komen. In gesprekjes met vreemden komen gegarandeerd zeker twee of drie van de volgende vragen of opmerkingen voorbij.

“Is het een tweeling?”
“Is wel best druk zeker, om er twee te hebben?”
“Een jongen en een meisje?”
“Wel handig, een tweeling. Ben je meteen klaar.”
“Wat lijken ze op elkaar! Echt twee dezelfde kindjes.”
“Mijn zus/dochter/achternicht/overbuurvrouw heeft ook een tweeling.”
“Mijn man/vrouw en ik wilden vroeger ook graag een tweeling.”

Dit keer word ik positief verrast. Met een opmerking die ik nog niet eerder gehoord heb.
“Heel goed dat jullie ze niet hetzelfde kleden.”

Inderdaad. Het zijn ook echt niet dezelfde kindjes. Tegenwoordig moppert Anne als ze naar bed moet, Sam niet. Anne doet zelf haar tutje uit als we haar uit bed halen, met Sam moeten we er om strijden. Sam lust chocoladetoetjes, Anne niet. Anne is wat gehaaider, Sam een beetje lomper. Sam is momenteel een moederskindje, Anne drukt zich zo hard als ze kan tegen me aan als ik van huis ga en huilt als ik haar neerzet. Sam kan nieuwe dingen meestal net een paar dagen eerder dan Anne.

Sam en Anne kijken de oudere man even aan. Stil en van een afstandje. Ze zitten in een eenkennige fase en vooral van vreemde mannen moeten ze niets hebben. Plotseling worden ze afgeleid door een putdeksel.
“Dit!” roept Sam, er naar wijzend.
“Dit!” bevestigt Anne.

Soms kunnen ze het ook enorm met elkaar eens zijn.

Leave a comment »