Bedankt voor de tip

Circa 2003 speelde ik in twee hardcorebands en was er nog een derde waarbij ik zo nu en dan inviel. Er waren soms weken waarin ik vijf of zes avonden op het podium of in een repetitiehok herrie stond te maken. Als ik tijd had, bezocht ik ook optredens van andere hardcore- en punkbands. En als ik thuis was, dan luisterde ik eigenlijk ook maar zelden naar andere muziek. Het is dus niet zo heel vreemd dat ik inmiddels al enkele jaren rondloop met een permanente fluittoon in mijn linkeroor.

Ik ben deze muziek nooit beu geworden, ik luister er nog steeds naar, wel kreeg ik rond die tijd steeds meer behoefte aan iets anders. Aan mooiere, kalmere muziek. Deze honger werd in eerste instantie voornamelijk gestild door een oude jeugdliefde, The Beatles. Ik kan me niet eens herinneren wanneer ik die band voor de eerste keer opmerkte, of wanneer hun muziek echt tot me doordrong. In mijn beleving zijn The Beatles er altijd al geweest. Het was dus een logische stap om hun platen weer op te zoeken en daarmee begon een hevige Beatles-fase van enkele maanden. Ik draaide hun albums grijs en was zelfs nog meer gefascineerd door de drie ‘Anthology’ dubbel-CD’s, die vol staan met demo’s en alternatieve versies en een mooi kijkje in de keuken bieden.

In april 2004 nam ik met mijn band Striving Higher een album op in een studio in Utrecht. Onze drummer Jeroen was een hele grote fan van The Beach Boys, een muur van zijn studentenkamer was helemaal bedekt met hoezen van Beach Boys-LP’s. Tussen de opnames door kregen we een discussie over onze favoriete bands. Hij verzekerde me dat The Beach Boys echt beter waren dan The Beatles. Ik verklaarde hem voor gek. Beach Boys-liedjes als ‘I Get Around’, ‘Fun, Fun, Fun’ en ‘Surfin’ USA’ vond ik heus wel leuk, maar beter dan psychedelische Beatles-meesterwerkjes als ‘Strawberry Fields Forever’, ‘A Day in the Life’ en ‘I Am the Walrus’? Echt niet. Kom op, zeg. Het melancholische magnum opus van The Beach Boys, ‘Pet Sounds’, had ik ook al wel eens gehoord, maar daarbij was het kwartje nog niet echt gevallen. Dat album is dan ook wat minder toegankelijk dan ’Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band’, het meesterwerk dat The Beatles er in hun creatieve strijd met de Californische collega’s tegenover stelden.

Jeroen adviseerde me om even wat verder te kijken. Verder dan alleen de bekende hits en wat moeilijker verteerbare ‘Pet Sounds’. Volgens hem hadden The Beach Boys vooral daarná hele interessante muziek gemaakt. Hun misschien wel leukste albums kwamen uit toen geen hond ze nog kocht. Nog een beetje sceptisch gaf ik daarop ‘Sunflower’ een kans. Dit album uit 1970 was hopeloos geflopt: het had slechts vier weken in de Amerikaanse album top 200 gestaan, met een 151e plek als hoogste positie. Hitsingles had het ook niet opgeleverd. Ik was vanaf de eerste luisterbeurt echter diep onder de indruk. De plaat stond propvol met prachtige melodieën, schitterende koortjes, rijke instrumentatie, volle arrangementen, positieve energie en zonnige frisheid. En elk nummer klonk weer heel anders dan het vorige. Het waren allemaal op zichzelf staande werkstukjes, alsof ze elk door een andere band gemaakt waren. En toch vond ik ze alle twaalf fantastisch. Ik was meteen nieuwsgierig genoeg om binnen korte tijd nog een aantal Beach Boys-albums aan te schaffen. Platenmaatschappij Capitol had enkele jaren eerder een reeks CD’s uitgebracht met op elk schijfje twee volledige Beach Boys-albums, dus dat schoot lekker op.

‘Sunflower’ staat vol met muzikale pareltjes en barst van de variatie, hetzelfde bleek op te gaan voor de discografie van The Beach Boys als geheel. Zo staat de bijna overambitieuze psychedelische lappendeken ‘Smile’ muzikaal mijlenver af van de  nuchtere seventies-rock van ‘Holland’. De zoete, zomerse pop van ‘All Summer Long’ heeft niet heel veel te maken met de door marijuanawalmen omgeven lo-fi van ‘Smiley Smile’. De luie, lome zomeravondklanken op ‘Friends’ zijn heel andere koek dan de ronkende primitieve synthesizers op het kinderlijke ‘Love You’. De ongepolijste blanke soul op ‘Wild Honey’ is weer heel anders dan de intens melancholische, barokke tonen van ‘Pet Sounds’.

Wat ze echter gemeen hebben, is dat elke plaat barst van de ideeën. Van muzikale rijkdom. Van prachtige melodieën, fantasievolle arrangementen en verraderlijk complexe koortjes. Daardoor hebben ze stuk voor stuk een gelaagdheid waardoor ze mij nooit gaan vervelen en ik er nog altijd zo nu en dan nieuwe elementen in ontdek. Ook bleef de samensmelting van de stemmen van Brian Wilson, Dennis Wilson, Carl Wilson, Mike Love en Al Jardine uniek. Ik heb honderden Beach Boys-covers gehoord, veel van die uitvoeringen zijn ingezongen door uitstekende en misschien zelfs betere zangers, maar nooit hebben ze dezelfde magie, nooit is het op eenzelfde manier een geheel dat veel meer is dan de som van de delen. En dan is er nog het vreugdevolle element dat zelfs in de meest melancholische nummers maar zelden helemaal ontbreekt. Carl Wilson vroeg broer Brian ooit waarom hij dacht dat hun muziek zo succesvol was. Zijn antwoord: “It celebrates the joy of life”. Het viert de vreugde van het leven.

Mijn liefde voor The Beach Boys werd een beetje obsessief. Ik kocht alle albums, zowel op CD als op vinyl. Op platenbeurzen en in platenzaken ging ik steevast eerst naar de B (en nu niet meer voor The Beatles), dan naar de W voor het solowerk van Brian Wilson, daarna kwam eventueel de rest nog. Elk boek en elke DVD die ik over mijn nieuwe favoriete band kon vinden moest ik hebben. Singletjes werden in de jaren zestig en zeventig vaak in elk land met een ander hoesje uitgebracht, dus met het verzamelen daarvan kon ik ook wel eventjes vooruit. Om maar te schetsen hoe erg mijn verzamelwoede uit de hand is gelopen: ik ben eens dolblij een Antwerpse platenzaak uitgelopen omdat ik ergens in een stoffig hoekje een tweedehands exemplaar had gevonden van ‘The Many Moods of Murry Wilson’. Een ronduit slechte LP met zielloze achtergrondmuziek, maar omdat het de enige plaat is die de vader van Beach Boys-leden Brian, Dennis en Carl Wilson uitbracht, vond ik het een onmisbaar collector’s item.

Inmiddels heb ik, solowerk van de vaste bandleden meegerekend, 154 CD’s, 64 LP’s en 114 singles van en 31 DVD’s en 22 boeken over The Beach Boys. Op mijn linkerarm staat sinds enkele jaren het bijtje van de hoes van de Beach Boys-LP ‘Wild Honey’ getatoeëerd. Op mijn rechterarm staat de zon van de hoes van Brian Wilson’s album ‘Smile’, gecombineerd met een notenbalkje met de eerste maten van ‘God Only Knows’, met afstand mijn favoriete liedje ooit gemaakt. Ik kreeg mijn vriendin zelfs zover om dit notenbalkje en het eerste couplet van het nummer op het geboortekaartje van onze tweeling te zetten.

Een week of twee nadat ik ‘Sunflower’ in 2004 voor de eerste keer hoorde, stuurde ik een mailtje naar Jeroen. Ik gaf me gewonnen. The Beach Boys waren echt beter dan The Beatles.

Natuurlijk is dit stukje op de eerste plaats een liefdesverklaring aan mijn favoriete band. Maar als ik het verhaal nog een moraal mag geven (zeker in de tegenwoordig altijd zo roerige Sinterklaastijd), dan is het dat het in discussies goed is om ruimdenkend te blijven, om je even serieus te verdiepen in het standpunt van de ander en om niet te koppig te zijn om af en toe je mening wat bij te stellen.

En als ik het nog een tweede moraal mag geven: je moet echt eens naar ‘Sunflower’ luisteren.

=====

Na het lezen van mijn ‘Liedjesboek’ liet Jeroen me weten dat ik vergeten was om te vermelden dat ik dankzij hem The Beach Boys ontdekt heb. Ik hoop dat dit het een beetje goedmaakt. Mijn liedjesboek is overigens te bestellen door hier te klikken.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: