126

Vrijdagavond 18 december 2015. Over een uurtje mogen we spelen in het Patronaat in Haarlem, nu lopen we met z’n allen naar de overkant van de straat om wat te gaan eten. Voor de ingang van de popzaal zie ik een ongeveer honderd meter lange rij mensen staan. Het zal voor niemand als een verrassing komen dat dit bij optredens van mijn bands nooit een gebruikelijk beeld geweest is. Je zou zoiets eerder verwachten bij, ik noem maar wat, Ronnie Flex en Lil’ Kleine. Die twee staan hier vanavond dan ook in een stijf uitverkochte grote zaal, wij mogen intussen in het voorprogramma van de lokale crossover-helden Brutal Obscenity ons ding doen in de redelijk gevulde kleine zaal.

Even later zitten we backstage. Er is een gang met vier kleedkamers. De twee ruimtes aan de linkerkant zijn voor de rappers die afgelopen zomer drie weken op één stonden in de Top 40 met ‘Drank en Drugs’, plus hun aanzienlijke entourage. In de twee kamers aan de rechterkant zitten wij met de andere bands die in de kleine zaal spelen. Het is niet zo moeilijk om te zien wie waar hoort. Links hebben ze petjes, gouden kettingen, norse blikken en vrouwen met bontjassen en met rokjes die korter zijn dan hun hakken. Rechts hebben we inhammen, grijze haren, bierbuiken en T-shirts van punk- en metalbands die op hun hoogtepunt waren toen Ronnie Flex en Lil’ Kleine nog geboren moesten waren.

Een medewerkster van het Patronaat baant zich op snelwandeltempo een weg tussen de mensen, flightcases, tassen en versterkers die de gang vullen. Zeggen dat ze een beetje een overspannen indruk maakt is als zeggen dat Lionel Messi best een aardig potje kan ballen. Ze heeft zojuist onze drummer toegesnauwd dat er backstage geen plaats meer is voor zijn spullen en dat hij ze maar ergens anders neer moet zetten. Nu snelt ze naar Lil’ Kleine en gaat slaafs door de knieën om een glas op te ruimen dat hij of één van zijn makkers kapot heeft laten vallen. Verschil moet er zijn.

Toch mogen we niet klagen. Mijn bands hebben vaak genoegen moeten nemen met een paar consumptiebonnen, een vergoeding waar nauwelijks de benzine van betaald kon worden en een bezemkast waarin we onze spullen kwijt konden. Naar onze maatstaven krijgen we vanavond goed betaald, er staan mandjes met snoep en zakjes chips klaar en de koelkast is goed gevuld met bier en fris. Er is zelfs, en dat is voor mij echt een zeldzaamheid, vooraf gevraagd wat onze wensen zijn voor op het podium. Ik heb doorgegeven dat ik geen rookmachines wil en dat ik op mijn monitorspeaker graag mijn eigen gitaar heel hard wil kunnen horen. Dat ik uiteindelijk in de rook sta en alles hoor behalve mezelf mag de pret niet drukken.

Enige tijd na ons optreden loop ik onze overvolle kleedkamer uit. Aan de andere kant van de gang is een hoop rumoer en flitsen de camera’s volop. Enkele tientallen opgewonden jongedames gaan ongetwijfeld zo meteen hun net gemaakte selfies met Lil’ Kleine op Instagram of Twitter zetten. Een meisje achter me is daar al mee bezig.
“Oh my god! Hij is zo fucking knap!” roept ze tijdens het typen.

Mijn wekker ging vanochtend om half zeven, ik heb een volledige dag gewerkt en ben daarna linea recta van Veghel naar Haarlem gereden. Chillen met bitches, drank en drugs laat ik nu graag aan anderen over. Beladen met twee gitaarkoffers, een versterkertop en een rugzak wurm ik me iets na elf uur stuntelend door de achterdeur van het Patronaat naar buiten. Een stuk of twintig mensen kijken verwachtingsvol om, bekijken me even en draaien vrijwel direct daarna teleurgesteld het hoofd weer weg, ik ben nou eenmaal niet de fucking knappe bekende rapper waar ze op stonden te wachten.

Mijn ambities zijn altijd bescheiden en realistisch geweest. Toen ik voor het eerst een gitaar om mijn nek hing was mijn intentie niet om ooit de wereld te veroveren. Ik had eigenlijk maar twee doelen: een keertje optreden voor publiek en een plaat of CD uitbrengen. Alles wat eventueel daarna nog kwam was een bonus.

Mijn optreden met Once I Cry in de Patronaat was mijn 126e en over een paar maanden gaan we een EP opnemen, wat dan mijn zevende plaat of CD zal worden. Dat zijn wat mij betreft een hele hoop bonussen.

Terwijl ik op het parkeerplaatsje achter het Patronaat in de auto stap om weer naar Eindhoven te rijden sluit ik niet uit dat ik een minstens zo’n goed gevoel over heb gehouden aan deze avond als Ronnie Flex en Lil’ Kleine.

PatronaatFoto: Theo Wapenaar

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: