Reisverslag Ecuador 2015

Index:
Dag 1: 18 augustus 2015 – Van Brussel naar Atlanta, van Atlanta naar Quito
Dag 2: 19 augustus 2015 – Slenteren door Quito
Dag 3: 20 augustus 2015 – Van Quito naar Baños
Dag 4: 21 augustus 2015 – De watervallen in de omgeving van Baños
Dag 5: 22 augustus 2015 – Casa del Arbon en het uitzicht over Baños
Dag 6: 23 augustus 2015 – Van Baños naar Cuenca
Dag 7: 24 augustus 2015 – Slenteren door Cuenca
Dag 8: 25 augustus 2015 – De Inca-ruïnes van Ingapirca
Dag 9: 26 augustus 2015 – Van Cuenca naar Puerto Lopez
Dag 10: 27 augustus 2015 – Walvissen spotten en Isla de la Plata
Dag 11: 28 augustus 2015 – De stranden van Parque Nacional Machalilla
Dag 12: 29 augustus 2015 – Van Puerto Lopez naar Canoa
Dag 13: 30 augustus 2015 – Een luie dag in Canoa
Dag 14: 31 augustus 2015 – Een verspilde dag in Canoa
Dag 15: 1 september 2015 – Van Canoa terug naar Quito
Dag 16: 2 september 2015 – De evenaar en de krater Pululahua
Dag 17: 3 september 2015 – Van Quito naar Otavalo en het Condor Park
Dag 18: 4 september 2015 – Rondrit door de omgeving van Otavalo en de Fiestas de Yamor
Dag 19: 5 september 2015 – De zaterdagmarkt in Otavalo en andermaal terug naar Quito
Dag 20: 6 september 2015 – De voetbaltopper LDU Quito – Barcelona SC
Dag 21: 7 september 2015 – Een laatste keer slenteren door Quito en de vlucht naar Atlanta
Dag 22: 8 september 2015 – Een dagje Verenigde Staten, in de voetsporen van Martin Luther King
Dag 23: 9 september 2015 – Weer thuis

Dag 1: 18 augustus 2015 – Van Brussel naar Atlanta, van Atlanta naar Quito
Ik ben vier keer eerder in Latijns Amerika geweest. In 2006 in Cuba, in 2007 in Mexico, in 2008 in Mexico, Belize, Guatemala en Honduras en in 2014 in Nicaragua, El Salvador en Guatemala. Dat was echter allemaal in Noord- of Midden-Amerika. Ik ben dus nog nooit in Zuid-Amerika geweest. Daar gaan we nu verandering in brengen. Linda en ik gaan voor 21 dagen naar Ecuador. En op de terugweg pikken we nog een dagje Atlanta in de Verenigde Staten mee.
De republiek Ecuador (die vernoemd is naar de equator, de evenaar) ligt in het noordwesten van het continent. Binnen dit werelddeel lijkt het een klein landje, maar met een oppervlakte van 257.217 vierkante kilometer is het groter dan het Verenigd Koninkrijk. Het land waar de Inca’s zich in de vijftiende eeuw vestigden grenst aan Columbia, Peru en de Stille Oceaan en heeft Quito als hoofdstad. Het vasteland is verticaal verdeeld in drie zones: in het westen ligt het kustgebied (de Costa), in het midden het Andesgebergte (de Sierra) en in het oosten het Amazoneregenwoud (de Oriente). Daarnaast behoren ook de Galapagoseilanden tot Ecuador. Deze beroemde eilandengroep met vele dieren en planten die nergens anders ter wereld voorkomen is Ecuador’s voornaamste toeristische trekpleister (en was belangrijk voor de onderzoeken van Charles Darwin), toch zullen we deze niet gaan bezoeken. De vulkanische eilanden liggen zo’n duizend kilometer van het vasteland en de vliegreis er naartoe zou onze hele vakantie bijna dubbel zo duur hebben gemaakt. Gelukkig heeft de rest van het veelzijdige Ecuador ook meer dan genoeg te bieden.
Het is kwart over zes in de ochtend als ik de voordeur achter me dicht trek en we ons huis voor drie weken achter ons laten. Op deze grijze, frisse ochtend brengen Linda’s ouders ons naar vliegveld Zaventem in Brussel. Om acht uur zijn we daar. We nemen afscheid en checken meteen onze backpacks in. Wat later staan we bij de gate. Ik ben één van de passagiers die er steekproefsgewijs uit worden gepikt voor een nogal overdreven extra controle. Ik word door een bloedchagrijnige medewerker van de douane van top tot teen grondig gefouilleerd en er wordt zelfs gekeken naar wat er op mijn telefoon en fotocamera staat.
We stijgen met een half uurtje vertraging rond half twaalf op. Kort daarna kunnen we vanuit de lucht het Atomium en het Koning Boudewijn Stadion goed zien. Om de tijd door te komen kijk ik op de entertainmentset naar de documentaire ‘The Wrecking Crew’ (over een groep studiomusici die op honderden hitsingles speelde) en de film ‘Danny Collins’ (aardig komedie-drama met Al Pacino als verlopen popster). Helaas zijn de entertainmentsets van ons toestel vandaag even irritant als entertainent: ze haperen continue en worden door de crew tot drie keer toe zonder resultaat herstart. We landen om kwart voor negen ’s avonds Nederlandse tijd in het Amerikaanse Atlanta, waar het zes uur vroeger is.
We kunnen hier meteen gaan pinnen voor onze eerste dagen in Ecuador. Het land heeft sinds de afschaffing van de sucre in 2000 immers geen eigen munteenheid meer, er wordt tegenwoordig betaald met de Amerikaanse dollar. Wel zijn er zowel Amerikaanse als Ecuadoriaanse munten in omloop. De Ecuadoriaanse centavo-munten hebben dezelfde kleur, grootte en waarde als de Amerikaanse cents.
In de hoofdstad van de staat Georgia staan we ongeveer een uur in de rij voor de douane. Als we daar eenmaal klaar zijn hoeven we nog maar een dikke twee uur te wachten op onze volgende vlucht, naar de Ecuadoriaanse hoofdstad Quito. Althans, dat was de bedoeling. Halverwege het boarden wordt omgeroepen dat de gezagvoerder niet wil dat er meer mensen instappen voordat een “probleem met het vliegtuig” opgelost is. Wat dat probleem is krijgen we niet te horen. Fijn dus, als er één combinatie van woorden is die je vlak voor een vlucht niet wil horen dan is dat “probleem met het vliegtuig”. Terwijl de minuten en vervolgens ook de kwartieren doortikken en we in onzekerheid blijven staan en opgeroepen worden om weer te gaan zitten, laten de vrouwen achter de balie van Delta Airlines zich niet gek maken. Terwijl de passagiers ongeduldig en een beetje geïrriteerd wachten op nieuwe ontwikkelingen schaterlachen ze om elkaars grapjes en één van hen gaat er waggelend met haar enorme achterwerk rustig vandoor om een Mars te halen.
Als we na enige tijd toch in het vliegtuig zitten hopen we snel alsnog op te kunnen stijgen, maar dat valt nogal tegen. Als we eindelijk klaar lijken te zijn voor vertrek, breekt er een stevige onweersbui uit boven Hartsfield-Jackson Atlanta International Airport. Daarbij wordt één van de andere toestellen van Delta die klaar staan getroffen door de bliksem. En zodra ons vliegtuig groen licht krijgt blijkt dat we toestel nummer achttien zijn in de wachtrij voor het opstijgen. Met uiteindelijk twee en een half uur vertraging stijgen we dan toch op. Het flitst dan nog altijd volop en de eerste minuten van de vlucht zijn door erg hevige turbulentie behoorlijk angstaanjagend.
Om half één plaatselijke tijd zijn we eindelijk op het Aeropuerto Internacional Mariscal Sucre in Quito. In Nederland is het zeven uur later, we zijn dus al ruim 25 uur onderweg. Een uurtje later stappen we in de vooraf besproken taxi. Er rijden twee Italiaanse vrouwen met ons mee die naar hetzelfde hostel gaan, wat wel prettig is omdat we nu maar de helft van de dertig dollar hoeven te betalen die de drie kwartier durende rit naar het centrum van de stad kost.
Het is al twee uur geweest als we eindelijk aankomen in ons vooraf geboekte eerste hostel, Colonial Guesthouse. We hebben een ruime kamer (geverfd in vrijwel dezelfde warm gele kleur als onze woonkamer thuis) in dit leuke, bonte en ietwat chaotisch ingerichte gebouw. Maar het belangrijkste is dat we nu eindelijk een bed hebben om op neer te storten…

Dag 2: 19 augustus 2015 – Slenteren door Quito
Na een ietwat onrustige en niet al te lange nacht ben ik om half acht wakker. Het blijkt dat we een mooi uitzicht hebben vanuit ons hostel. Aan de overkant van de straat staan koloniale gebouwen en in de verte is de Basílica del Voto Nacional te zien, tegen een achtergrond van blauwe lucht. Een nadeel is wel dat we aan een steile weg met kinderkopjes zitten en veel lawaai horen van de hard optrekkende auto’s die voorbij komen.
We ontbijten in het hostel. Er is een vrolijk ingerichte eetkamer met een tafel met zes plaatsen. Het ontbijt bestaat uit fruit, broodjes, vers geperst sap, koffie of tee, roerei en granola. Na het ontbijt gaan we het hostel nog even verkennen. Er is een bar, een gezamenlijke ruimte en een rommelige tuin.
Even later gaan we de straat op. Alhoewel we maar enkele tientallen kilometers van de evenaar zitten is het weer hier niet tropisch. Quito, dat bijna 2,7 miljoen inwoners telt, is de hoogst gelegen hoofdstad ter wereld op een hoogte van bijna drie kilometer boven zeeniveau, daardoor is het hier relatief koel. Alhoewel veel toeristen toch gewoon in T-shirt en korte broek rondlopen zie je niet zelden Ecuadorianen lopen in dikke truien, jassen en soms zelfs sjaals. Het is hier het hele jaar door overdag zo’n 20 tot 25 graden, maar er is een verraderlijk groot verschil tussen de temperatuur in de equatoriale zon en in de schaduw, die je er heel snel weer aan herinnert dat je hoog in het Andesgebergte zit.
Als vanzelfsprekend beginnen we onze dag met een wandeling naar de basiliek waar we op uitkijken, de eerder genoemde Basílica del Voto Nacional. De bouw van deze neogotische kerk begon in 1892 en is nog altijd niet geheel voltooid. Hij werd desondanks in 1985 geïnaugureerd en gezegend door Paus Johannes Paulus II, van wie een standbeeld te zien is bij de ingang. Opvallend aan de basiliek zijn de twee 115 meter hoge torens, de hoogste kerktorens van Ecuador, en dat het gebouw gedecoreerd is met dieren die voorkomen op de Galapagoseilanden, zoals gordeldieren, iguana’s en schildpadden.
Via de Calle Venezuela lopen we richting het Plaza de la Independencia, het centrale plein van de stad. Door Quito lopen is best een beetje vermoeiend. De stad is bijna nergens vlak, dus ben je meestal aan het klimmen of dalen als je door een straat loopt. We komen aan op het plein. Op het midden ervan staat een monument ter ere van negentiende-eeuwse vrijheidsstrijders. Er omheen staan het Palacio de Carondelet (het paleis van de president), het barokke Hotel Plaza Grande (het voormalige huis van één van de stichters van de stad, waarin je kunt overnachten voor tussen de 500 en 2.000 dollar), de Catedral Metropolitano (een witte kathedraal uit de zestiende eeuw) en het paleis van de aartsbisschop (eveneens uit de zestiende eeuw).

Ecuador(15)
We lopen een klein stukje verder en komen bij de Iglesia de la Compania de Jesus. Voor vier dollar mag je hier naar binnen. En ik moet zeggen: deze in 1765 voltooide barokke kerk is die entreeprijs waard. Ik geloof niet dat ik ooit een kerk met een mooier interieur gezien heb. De pracht en praal is overweldigend. Elke vierkante centimeter van de muren, de pilaren en het plafond is prachtig, kleurig gedecoreerd of bekleed met blinkend bladgoud. Je weet bijna niet waar je moet kijken. De decoraties achter het altaar doen qua vormen een beetje denken aan de schatkamer van Petra in Jordanië, maar dan in het goud. Ik krijg altijd een beetje een dubbel gevoel van kerken met heel veel pracht en praal (een religieuze instelling zou z’n geld volgens mij wel wat beter kunnen besteden dan aan uiterlijk vertoon), maar in dit geval ziet het er wel bijzonder fraai uit. Het is verboden om hier foto’s te maken, maar ik kan het niet laten om dat stiekem toch te doen.

Ecuador(19b)
Even later komen we op het Plaza de San Francisco. Dit plein wordt gedomineerd door de brede voorgevel van de kerk en het klooster van San Francisco. De bouw hiervan begon in 1534, enkele weken nadat de stad Quito gesticht was. Het gebouw staat op de plaats waar tot dan toe het paleis stond van Atahualpa, een heerser van het Incarijk. Stenen van dat gebouw zijn verwerkt in de kerk en het klooster, die samen het grootste bouwwerk van koloniaal Latijns Amerika vormen.
Voor de lunch gaan we naar een gebouw dat gedeeld wordt door het restaurant Govindas Gopal en de winkel Oki Eco Market, die beiden gerund worden door Hare Krishna-volgelingen en uitsluitend vegetarisch voedsel verkopen. Met op de achtergrond muziek van één van de bekendste Krishna-sympathisanten uit de popmuziek, George Harrison, eten we elk een gortdroge, lauwe vegaburger.
Na nog even op een bankje te hebben gezeten op het zonnige en gezellig drukke Plaza de la Independencia gaan we terug naar ons hostel. De deur van onze kamer blijkt in het slot te zijn gevallen, terwijl we alleen een sleutel hebben van het hangslot dat aan de deur hangt en niet van de deur zelf. Ik ga Jens even halen, een vriendelijke Duitse backpacker die als vrijwilliger achter de balie van het hostel zit. Hij komt even later naar boven, met een doos met volgens mij wel honderd verschillende sleutels die kris kras door elkaar liggen. Hij heeft geen idee welke sleutel voor deze deur bestemd is, maar wil ze desnoods allemaal uit gaan proberen. “Geen zorgen,” zegt hij uiterst ontspannend lachend, “de vorige keer was de eerste sleutel die ik probeerde meteen de goeie”. Dit keer heeft hij de deur open bij de vierde of vijfde poging, om daarna weg te lopen alsof dat de normaalste zaak van de wereld is.
Aan het begin van de avond gaan we de straat weer op, om een restaurantje te zoeken waar we kunnen gaan eten. Alhoewel ik tot dusver de indruk heb dat Ecuadorianen overwegend vriendelijke mensen zijn, zit netjes opzij gaan voor mensen op de smalle trottoirs in de stad hier blijkbaar niet zo in het systeem, wat snel irritant wordt. We gaan naar La Ronda, het bekendste uitgaansstraatje van Quito. Het is een prachtig, smal, autoloos en uiterst charmant straatje met kinderkopjes dat geflankeerd wordt door pastelkleurige, fraai gerestaureerde zeventiende-eeuwse gebouwtjes met balkons vol bloemen. We hebben gelezen dat dit op vrijdag- en zaterdagavond “the place to be” is, maar helaas is het nu woensdag en uitgestorven. Bijna alles is dicht.
We lopen terug richting ons hostel en gokken erop dat we onderweg nog wel wat tegenkomen. We komen al snel iets anders tegen: een enorme groep ME-ers die een paar straatjes afgezet hebben. We gaan maar weer verder en komen dan uit bij een Italiaans restaurant dat Pizza SA heet. Terwijl we elk een veel te zoute pizza calzone weg aan het werken zijn horen we even verderop een hoop lawaai. De medewerkers van het restaurant gaan één voor één naar buiten, om op straat te staren in de richting waar de ME-ers stonden. We werken snel ons eten weg, rekenen af en gaan dan naar buiten. We hadden sowieso het idee dat er iets aan de hand was in de stad. We zagen ’s middags al opvallend veel politie op straat, hekken om belangrijke gebouwen en monumenten en regelmatig een helikopter in de lucht. Nu blijkt er een demonstratie gaande te zijn. De zoveelste in een reeks van protesten die al maanden gaande zijn, tegen president Rafael Correa. Bewapend met vlaggen en leuzen hopen de demonstranten meer democratie en lagere belastingen af te dwingen.

Ecuador(38)
Het is amper zes uur als we weer richting ons hostel gaan. Het valt op dat veel restaurants die we passeren al dicht zijn of gaan sluiten. Van een avondleven is hier door de week blijkbaar nauwelijks sprake.
Als we ’s avonds in bed liggen worden we twee keer ruw gestoord door iemand die hard tegen onze gammele deur staat te beuken. Direct naast onze kamer bevindt zich het toilet voor de mensen die een kamer zonder eigen badkamer hebben en blijkbaar is het (wellicht vooral met een paar biertjes op) moeilijk om het verschil tussen beide deuren te zien. We moeten twee keer hard “Hey, stop!” roepen om te voorkomen dat we ineens een ongenode gast aan ons voeteneind hebben staan.

Dag 3: 20 augustus 2015 – Van Quito naar Baños
We ontbijten weer in ons eigen hostel en lopen daarna met onze rugzakken en backpacks naar het dichtstbijzijnde busstation, La Marin. Hier blijkt dat Quito behoorlijk praktisch is qua openbaar vervoer. Er zijn veel busperrons, die je kunt betreden door 25 cent in een automaat te stoppen, waarna je door het draaideurtje kunt lopen. En vervolgens kun je onbeperkt met de zogenaamde metrobus door Quito reizen.
We maken een ruim een half uur durende rit naar Quitumbe, een groot, modern busstation. Hier blijkt dat het systeem voor bussen voor een langere afstand toch iets gecompliceerder is. Er zijn tientallen plaatsen waar je naartoe kunt gaan en elke bestemming heeft een eigen loket. Wij willen vandaag naar Baños en het is even zoeken naar het loket dat kaartjes hier naartoe verkoopt. Als we het eindelijk gevonden hebben, worden we meteen bij de arm genomen door een man die grote haast heeft om ons mee te nemen naar een bus die blijkbaar op het punt staat te vertrekken. We hebben echter nog niet de kans gehad om een kaartje te kopen en daarom wil de beveiliger die bij de draaideurtjes naar de perons staat ons niet doorlaten. Er volgt een hele discussie tussen de beveiliger en de man die ons mee wilde nemen, waar wij niets van begrijpen. Uiteindelijk lopen we maar weer terug naar het loket, kopen een kaartje naar Baños en nemen dan maar de volgende bus naar deze locatie, die niet heel veel later vertrekt.
Als we eenmaal in de bus zitten komt er een politieman naar ons toe. Hij wijst naar onze rugzakken, begint een heel verhaal in het Spaans af te steken en maakt een hoop gebaren. We begrijpen er wederom niets van. Vertwijfeld zegt Linda “Ik denk dat hij bedoelt dat we op moeten passen dat onze tassen niet gejat worden…?”. De politieman kijkt ons even aan en zegt dan “Si!”. Ik denk dat hij begrijpt dat we hem toch niet verstaan en dat hij het gewoon opgeeft.
We zitten in een nette, redelijk moderne bus, heel wat anders dan de zogenaamde “chicken buses” (afgedankte oude Amerikaanse schoolbussen) die we vorig jaar in Nicaragua en El Salvador regelmatig moesten nemen om van A naar B te gaan. Onderweg komen we langs de Cotopaxi, één van de hoogste actieve vulkanen ter wereld. Slechts enkele weken geleden haalde deze vulkaan het wereldnieuws, omdat door nieuwe uitbarstingen enkele dorpen in de omgeving geëvacueerd moesten worden en de president de noodtoestand voor het gebied uitriep. Nog altijd is de vulkaan niet helemaal tot rust gekomen, momenteel geldt code geel.
We rijden zo’n drie en een half uur door een fraai berglandschap en komen iets voor twee uur aan in het stadje Baños. Baños (baño is Spaans voor bad, maar baños is tevens het woord waar doorgaans toiletten mee aangeduid worden) is met een kleine 15.000 inwoners een bescheiden stadje. Het op bijna twee kilometer hoogte in een dal gelegen plaatsje is echter een belangrijke toeristische bestemming. Het staat te boek als de poort naar het Amazoneregenwoud, er zijn verschillende natuurlijke baden te vinden die een helende werking zouden hebben en het is een populaire uitvalsbasis voor verschillende avontuurlijke excursies. Maar ook als je het rustig aan wilt doen, dan is dit een leuke plaats om in te verblijven. Het centrum is klein en overzichtelijk, maar ook gezellig druk en wordt omringd door een erg imposant decor van hoge bergen. Vanuit de stad is de Cascade de La Virgen te zien, een waterval die vanuit één van de bergen omlaag klettert. Volgens een plaatselijke legende is niemand minder dan de Maagd Maria hier eens pootje komen baden, vandaar de naam.
Het weer is vreemd terwijl we door het stadje lopen, op zoek naar een hostel. Het ene moment regent het pijpenstelen, enkele seconden later is het ineens weer droog. Maar dat gaat net zo makkelijk andersom. We komen uiteindelijk uit bij een hostel dat Chimenea heet. Het is groot, gezellig en ziet er netjes uit. De kamer die ons getoond wordt is prima, mooi gedecoreerd en eigenlijk gewoon hotelwaardig. We hebben bovendien een prachtig uitzicht op de bergen rondom de stad en het voetbalveld van een plaatselijke amateurclub. Voor tien dollar per persoon per nacht hoeven we niet lang te twijfelen: dit is onze kamer voor de komende nachten.
Nadat we onze intrek hebben genomen, gaan we het stadje verkennen. We bezoeken de basiliek Reina del Rosario de Agua Santa, een opvallend gebouw met een zwarte gevel en witte torens. Ook over deze kerk worden verhalen over een bezoek van de Maagd Maria verteld, bovendien was het de afgelopen eeuw een vertrouwde schuilplaats voor de bewoners van Baños tijdens uitbarstingen van de nabij gelegen vulkaan Tungurahua.
We gaan voor een late lunch naar een restaurantje dat vegetarische burgers op het menu heeft staan. We bezoeken ook een grote hal met veel eettentjes. Daar is ook één van de bekende Ecuadoriaanse gerechten te krijgen: cuy, oftewel een geroosterde reuzencavia. Als overtuigd vegetariër vind ik het sowieso nooit prettig om te zien hoe dieren klaargemaakt worden voor consumptie, maar ook omdat ik vroeger een paar cavia’s als huisdier gehad heb vind ik het een bijzonder onprettig gezicht om ze hier aan het spit geroosterd te zien worden.
We lopen door naar een grote supermarkt om wat snacks en drankjes in te slaan. Opvallend is dat veel zoetigheid, vooral snoep van westerse merken, hier zelfs nog veel duurder is dan in Nederland. Voor een Milky Way betaal je bijvoorbeeld bijna twee dollar. Alcohol is daarentegen vaak een stuk goedkoper. Voor $1,90 heb je al een flesje rum van 375 cl. Ik kan vanavond op de kamer dus nog even een lekker goedkope Cuba Libre nemen als slaapmutsje.
We lopen via het gezellig, boomrijke pleintje voor de basiliek terug naar ons hostel. Daar zien we een paal met bordjes waar de afstanden naar verschillende wereldsteden opstaan. Naar Quito blijkt het linksaf en dan nog 172 kilometer te zijn. Naar Amsterdam is het rechtsaf en 9.735 kilometer.

Ecuador(50)
’s Avonds gaan we nog één keer de straat op voor een bescheiden diner. Bij een restaurantje krijg ik een koude omelet, te kort gebakken friet zonder zout en koffie in een smerig schoteltje. De vrouw die hier de tent runt staat er momenteel alleen voor en heeft haar kinderen over de vloer, we zullen het daar maar aan wijten.
Terug op de kamer krijgen we van het thuisfront door dat een filmpje dat een passagier gemaakt heeft van het vliegtuig dat in Atlanta door de bliksem getroffen werd, op het moment dat wij dus op hetzelfde vliegveld eveneens in een vliegtuig zaten te wachten, in Nederland het journaal gehaald heeft.

Dag 4: 21 augustus 2015 – De watervallen in de omgeving van Baños
’s Ochtends ontbijten we op het overdekte dakterras van ons hostel. Hier heb je een prachtig uitzicht van bijna 360 graden op de hoge bergen die Baños omringen en de Cascade de La Virgen. Er komt elke ochtend een cateringploegje dat hier echt een uitstekend ontbijt verzorgt. Voor $2,75 per persoon krijgen we een eigengemaakt broodje, een ovenvers plakje cake, toast, jam, koffie of warme chocolademelk, verse sap en eieren.
We gaan het hostel uit en lopen langs de hoge, smalle Cascade de La Virgen, die slechts een paar honderd meter verderop neer klettert. Bij de watervallen zijn eveneens de Piscinas de La Virgen te vinden. Van de helende “hot springs” waar Baños z’n naam aan dankt zijn dit de enige die niet buiten de stad liggen. Het is ongetwijfeld een populaire trekpleister, want tegenover ons hostel ligt een grote parkeerplaats met daar achter een flinke rij kraampjes die duidelijk bestemd zijn voor bezoekers van deze baden.
We komen bij een toeristenbureau, een soort VVV-kantoor, dat naast de kleine maar fraaie, karakteristieke klokkentoren aan het Palomino Flores (een mini-parkje midden in het stadscentrum) gevestigd is. We komen hier met een eenvoudige vraag: wat kunnen we hier zoal doen? Opmerkelijk genoeg blijkt de vrouw die ons te woord staat geen Engels te spreken. We hebben al ondervonden dat hier weinig mensen zijn die Engels spreken (en wij komen in het Spaans ook niet veel verder dan een paar basiszinnetjes en de meest noodzakelijke losse woorden), maar dat zelfs iemand die bij een toeristenbureau werkt zich nog niet een heel klein beetje kan redden in deze taal is toch wel opmerkelijk. We krijgen gratis een uitgebreide plattegrond van de stad en omgeving mee en gaan maar op zoek naar een tourbureautje waar we een georganiseerde excursie kunnen boeken. Dat kan geen probleem zijn, het krioelt hier immers van zulke bureautjes. Niet veel later boeken we voor zes dollar per persoon een rondrit langs enkele watervallen in de buurt, die later op deze ochtend aan zal vangen.
Om half elf vertrekken we voor deze tocht in een soort open vrachtwagentje met bankjes. Deze zit vol met toeristen, maar we zijn de enige westerlingen. Sowieso is het opvallend hoe weinig Europeanen en Amerikanen je ziet in een gezellig druk en door en door op toeristen gericht plaatsje als Baños. Terwijl we onderweg getrakteerd worden op een (te) hard potje reggaeton (een hier erg populaire muzieksoort die ruwweg omschreven kan worden als een mix van hip hop, R&B en reggae) rijden we over een smal weggetje door een prachtig berglandschap. Onderweg stoppen we enkele keren om even te kunnen genieten van het uitzicht en foto’s te maken.
Al snel blijkt dat dit niet slechts, zoals wij dachten, een “sight-seeing tour” is. Wie wil kan er een best avontuurlijk dagje van maken. Onze eerste wat langere stop is op een punt waar je met een zogenaamd tarabita, een soort karretje aan een kabel (zie het als een kabelbaan waarbij je met meerdere mensen in een grote stalen box staat), een imposant diep ravijn over kunt steken en met een vrij pittige snelheid op de waterval aan de overkant af kunt vliegen. Linda stapt in (het kost een dollar per persoon), ik vind het uitzicht vanaf de kant al spannend genoeg.
Bij de volgende stop kan iedereen die dat wil het nóg wat spannender maken. Hier is een canopy-baan, waaraan je eveneens over het hele diepe ravijn kunt vliegen, maar nu zelf hangend aan een kabel in een positie naar keuze: hangend in een zithouding (zoals bij een gewone kabelbaan), horizontaal hangend op je buik (in de zogenaamde Superman-pose), of ondersteboven hangend. Linda gaat in de zithouding naar de overkant (dat kost tien dollar), ik ben wederom de grote kerel die op de kant blijft staan om haar tasje vast te houden en foto’s te maken.

Ecuador(84)

Vreemd genoeg rijden we tijdens deze watervallentour de onbetwist beroemdste waterval van de omgeving, de Pailon del Diablo, na een korte fotostop van grote afstand weer voorbij. Onze laatste wat langere stop maken we bij een andere waterval. We moeten het laatste stuk hier naartoe te voet afleggen, over een steil aflopend bospad. Een fraaie, smalle waterval in een mooie, groene omgeving is onze beloning. Maar de afdaling op de heenweg wil natuurlijk zeggen dat we op de terugweg flink moeten klimmen. En dat valt, mede door het warme weer en de ijle lucht op deze grote hoogte (waar je best kortademig van wordt), toch best een beetje tegen.
Rond half twee zijn we terug in Baños. We gaan op zoek naar een plek om te lunchen en komen uiteindelijk uit bij een gezellig tentje in een rustige straat, dat Café Hood heet (niet te verwarren met de eveneens in Baños gevestigde horecagelegenheden Café Good en Casa Hood). Met een prima knoflookstokbroodje kaas, een grote fles bier, The Doors op de achtergrond en live Spaans voetbal op tv kan ik het zo wel even hebben.
Bier wordt in Ecuador in café en restaurants meestal gedronken uit grote flessen van ruim 600 milliliter, bijna twee keer zo groot als een reguliere fles dus. Het meest voorkomende merk is Pilsener, gevolgd door het nog net iets lekkerdere Club. Op veel plaatsen zijn dit qua bier de enige keuzes en tapbier is hier sowieso vrijwel onbekend. De prijs voor een grote fles loopt nogal uiteen, van één dollar in de meest eenvoudige tentjes tot soms meer dan drie dollar in de betere restaurants.
Om zeven uur gaan we de straat weer op. Het is dan al helemaal donker. De schemering valt hier het hele jaar door om zes uur in de avond in en binnen een half uur is het dan ook echt donker. We gaan nu naar Casa Hood om daar pasta te gaan eten. In het restaurant staat een man gelijktijdig gitaar en panfluit te spelen, om daarna met de pet rond te gaan.

Dag 5: 22 augustus 2015 – Casa del Arbon en het uitzicht over Baños
Ik ben al om kwart over vijf klaarwakker en lees daarna het eerste boek van deze vakantie uit, ‘Carrie’ van Stephen King. Daarna gaan we weer ontbijten op het overdekte dakterras. Na een paar ietwat grijze, wisselvallige dagen hebben we nu gelukkig mooi, zonnig weer. We gaan de straat op en boeken bij een tourbureautje een korte, eenvoudige excursie voor later op de ochtend. We gaan naar de Casa del Arbol, het boomhuis.
Ecuador(108)

Na een tijdje op een bankje op het gezellig drukke, zonnige centrale plein van Baños te hebben gezeten worden we om elf uur bij het tourbureautje opgepikt met een pickup truck. We hebben gezelschap van een Australische en een Aziatische man die bezig zijn aan een heel wat langere reis dan wij: de Australiër is net begonnen aan een reis van zeven maanden, de Aziaat heeft er al veertien maanden opzitten en gaat binnenkort toch maar weer eens naar huis. Dan lijken wij met onze drie weken in verhouding wel dagjesmensen. Het is dan ook niet heel verrassend dat deze mannen niet op weg zijn naar dezelfde toeristische trekpleister als wij. Zij worden onderweg afgezet bij een canopy-baan, waar ze dus gaan doen wat Linda gisteren ook heeft gedaan, maar dan over een lang, grillig parcours.
Wij hebben voor de rest van de route dus een privé-chauffeur. Die brengt ons naar de top van één van de bergen die Baños omringen, naar het uitzichtpunt in de vorm van een houten huisje in een boom die op de rand van een afgrond staat. Het uitzicht is een enorme afgrond, met daar achter de nog actieve vulkaan Tungurahua, die nu deels verzwolgen is door de wolken. Toeristen komen hier echter vooral naartoe voor de twee schommels die aan het boomhuis bevestigd zijn. Alhoewel je hier dus gewoon met grond onder je voeten opstapt zweef je als je vooruit schommelt richting een duizelingwekkende diepte. Vanuit het juiste standpunt kun je hier makkelijk indrukwekkende foto’s maken. Linda is weer degene die de waaghals uit gaat hangen (al is dat nu relatief, er staan ook oma’s en kleine kinderen in de rij), ik maak de foto’s. Even verderop is een grasveldje te vinden waarop je je door de bergen op de achtergrond waant in The Sound of Music.

Ecuador(119)

We vragen aan onze chauffeur of hij, in plaats van ons weer naar het centrum van Baños te brengen, ons af kan zetten bij de Bellavista. Dat vindt hij gelukkig geen probleem. Halverwege de rit stappen we uit en na de laatste paar honderd meter te hebben gelopen, komen we uit bij het grote kruis dat dit uitzichtpunt markeert. ’s Avonds en ’s nachts wordt het kruis verlicht en is het te zien vanuit Baños. Vanaf dit punt heb je een geweldig uitzicht over de volledige stad, die ligt op de platte bodem van een soort grote kom die gevormd wordt door groene bergen. Alhoewel het vanuit de stad lijkt of het een helse klim is om bij het Bellavista te komen valt dit eigenlijk reuze mee. Er loopt een makkelijk begaanbaar pad omhoog, dat nooit heel steil wordt. Desondanks hebben we onszelf de klim nu dus bespaart, maar we gaan wel te voet weer naar beneden. Binnen drie kwartier zitten we weer bij Café Hood voor een lunch.

Ecuador(131)

Terug in ons hostel bekijken we op één van de computers bij de receptie via een stream de laatste twintig minuten van de wedstrijd SC Heerenveen – PSV. Daarna gaan we weer voor een paar uurtjes naar de kamer.
Als we ’s avonds de straat weer op gaan is het overduidelijk dat het nu zaterdag is. De straten zijn heel veel voller en gezellig dan op de voorgaande twee avonden hier. Toch zien we nog altijd niet echt veel westerlingen. We gaan eten bij een klein Italiaans restaurantje en gaan daarna voor de tweede keer pinnen. De 240 dollar die we in Atlanta op hadden genomen zijn bijna op, we pinnen nu 300 dollar. Daarna gaan we weer naar de kamer.

Dag 6: 23 augustus 2015 – Van Baños naar Cuenca
We gaan ’s ochtends weer lunchen op het overdekte dakterras en pakken daarna op de kamer onze spullen in. Ik merk nu ineens dat er twee sneeën zitten in de splinternieuwe rugzak die ik een dag voor ons vertrek gekocht heb. Even denk ik dat ik een waardeloze aankoop heb gedaan, maar op het tweede gezicht blijkt vrij duidelijk dat het niet aan de kwaliteit van het materiaal ligt, maar dat iemand met een mes of een ander scherp voorwerp in de tas moet hebben gesneden. Ik moet meteen weer denken aan de politieman die in de bus in Quito naar ons toe kwam. Die bedoelde dus dat we onze rugtassen op schoot moeten houden. Ik had de mijne tijdens die rit op de grond staan, tussen mijn benen geklemd. Iemand die achter me zat moet toen onder mijn stoel door mijn tas open hebben gesneden, dat is de enige logische verklaring. Gelukkig zaten er geen waardevolle spullen in het vak waar in gesneden is en ik mis dan ook niets. De enige schade die ik heb opgelopen is dat mijn rugtas dus vernield is en dat er zo diep is gesneden dat ook mijn flight bag (de beschermhoes voor mijn backpack) die ik daarin bewaarde beschadigd is.
Vastbesloten om vanaf nu nog een stuk voorzichtiger te zijn lopen we naar het busstation. We laten het even gezellige als gemoedelijke Baños achter ons en weten nu al dat we verderop tijdens deze reis best eens heimwee naar dit plaatsje zouden kunnen gaan krijgen indien één van onze volgende bestemmingen toch een beetje tegen blijkt te vallen.
Op het busstation kopen we voor twee dollar per stuk twee kaartjes voor de bus naar Riobamba. Het is een beetje een chaos als we in de bus stappen. Een jonge vrouw in lokale klederdracht (een donkere rok, kleurig gestreepte kleden en een soort jagershoedje) reageert nogal boos als Linda op een stoel gaat zitten. Ze had blijkbaar besloten dat zowel de plek naast haar als de twee achter haar gereserveerd waren voor haar familie. Linda is het daar niet helemaal mee eens. Uiteindelijk blijken er toch exact genoeg plaatsen te zijn voor iedereen en loopt het met een sisser af.
De eerste rit duurt twee uur en drie kwartier, daarna zijn we in Riobamba. Aanvankelijk waren we van plan om hierna de twee uur durende rit naar Alausi te maken, om dan morgen de laatste vier uur naar Cuenca af te leggen. We hebben inmiddels echter de plannen gewijzigd: we gaan even door de zure appel heen bijten en gewoon vandaag de zes uur durende rit naar Cuenca uitzitten. We hadden immers toch al ingecalculeerd dat dit weinig meer dan een reisdag zou gaan worden. Minpuntje is wel dat we zojuist de bus naar Cuenca hebben gemist. En de volgende vertrekt pas over twee uur. Pluspunt is dat we niet, zoals we vooraf hadden begrepen, met een taxi naar een ander busstation hoeven voor de rit naar Cuenca. We kunnen gewoon op dit busstation blijven.
Met twee kaartjes naar Cuenca à acht dollar op zak lopen we met onze dagrugzakken en backpacks het busstation af, waar verschillende mannetjes hun best doen om een bepaalde bus nog even vol te krijgen. Dat doen ze door herhaaldelijk de bestemming door de hal te laten schallen. En na een keer of vijftig “Quitoquitoquito!” wordt dat best een beetje irritant. Tegenover het busstation vinden we een eettentje waarvoor de omschrijving “eenvoudig” nog een ernstig understatement is. Het is een betonnen hok waarin een paar tafels en stoelen staan en iets wat door moet gaan voor een balie. Daar achter staat een kinderwagen waar een baby in ligt te slapen. We vragen of we twee sandwiches zonder vlees en een drankje kunnen krijgen. Even later zitten we, voor het bescheiden totaalbedrag van $2,50, met enige moeite elk een gortdroge witte boterham met een erg zout blokje kaas weg te werken, die we wegspoelen met cola.
Omdat de bus ruim op tijd al klaar staat nemen we een half uur voor vertrek alvast onze plaatsen in. Dan liggen onze backpacks in elk geval alvast veilig in het bagageruim en sowieso zitten de stoelen van de redelijk comfortabele bus nèt wat lekkerder dan de plastic stoelen van de wachtruimte van het busstation. We vertrekken om één uur in de middag. De bus wordt uitgezwaaid door een bedroefd kijkend oud vrouwtje dat zojuist afscheid heeft genomen van wat waarschijnlijk haar dochter en kleinkinderen zijn. Ze blijft daarna kruisjes slaan totdat we uit het zicht zijn.
We rijden door een erg imposant berglandschap. Wie dat niet interessant genoeg vindt kan op de tv in de bus kijken naar de domme allstar-actiefilm ‘The Expendables 2′. We maken onderweg een paar stops om mensen in of uit te laten stappen, gelukkig zijn het er niet te veel en zijn ze niet te lang. Wel verloopt de rit behoorlijk traag door het vele klimmen en dalen en door een hoop erg scherpe bochten. Na een tijdje kijken we omlaag naar een groot dal waarop een dicht wolkenveld rust. Het is een uitzicht dat je normaal gesproken alleen vanuit een vliegtuig ziet.
Om half zeven, na het invallen van de duisternis, staan we op het busstation van Cuenca. Dit station staat een eindje van het centrum van de stad af, dus moeten we nu een taxi nemen. Er zijn nu echter meer mensen op zoek naar een taxi dan dat er taxi’s zijn, dus duurt het even voordat we er eentje aan kunnen houden. De eerste chauffeur rijdt echter botweg weer door als we naar zijn zin niet snel genoeg uit kunnen leggen waar we naartoe willen gaan. Bij de tweede chauffeur hetzelfde verhaal. De derde blijkt gelukkig een stuk vriendelijker en geduldiger. Voor $1,50 brengt hij ons naar Hostal Alvanos, dat Linda in de Lonely Planet gevonden heeft. We nemen hier voor tien dollar per persoon per nacht een eenvoudige doch nette kamer zonder eigen toilet of douche. Als ik op de kamer een wifi-verbinding te pakken krijg verneem ik dat één van mijn ooms overleden is.
Wat later gaan we wat eten. Even verderop in onze straat vinden we een eenvoudig restaurantje dat Julius Caesar heet. We zijn er de enige gasten. De muren zijn gedecoreerd met A4-printjes van foto’s van filmhelden uit lang vervlogen tijden. Daarna halen we nog wat snacks en drankjes bij één van de vele kleine winkeltjes in de buurt.

Dag 7: 24 augustus 2015 – Slenteren door Cuenca
’s Nachts blijkt dat die mooie, karakteristieke houten vloer van het hostel toch wat minder praktisch is: als je vanuit je kamer naar de gezamenlijke badkamer loopt, dan kraken de planken zo luid dat je eigenlijk net zo goed een paar rotjes af zou kunnen steken. Elke keer als je gaat plassen voel je je schuldig tegenover je buren.
Om half negen gaan we de straat op om eerst te ontbijten en daarna het historische centrum van de stad te gaan verkennen. Cuenca is met zo’n vierhonderdduizend inwoners de derde stad van Ecuador, na Guayaquil en Quito. De plaats werd in de zestiende eeuw gesticht op de plek waar ooit de Incastad Tomebamba lag, die echter al verwoest werd voordat de Spanjaarden hier aankwamen. Sinds 1999 staat het centrum van “Het Athene van de Andes” op de Werelderfgoedlijst van UNESCO.
Vanuit ons hostel is het maar een minuutje of vijf lopen naar het Parque Calderon, het centrale plein. Centraal hierop staat een monument voor Abdón Calderón, een in Cuenca geboren Ecuadoriaanse vrijheidsstrijder uit de negentiende eeuw, omringd door hoge bomen. Aan dit plein staat de Catedral de la Inmaculada Concepción, doorgaans simpelweg de Nueva Catedral (nieuwe kathedraal) genoemd. Deze werd pas in 1975 voltooid en staat tegenover de oude kathedraal, de veel kleinere Iglesia del Sagrario uit de zestiende eeuw.
De nieuwe kathedraal doet door z’n relatief lage, stompe torens een beetje denken aan de Notre Dame in Parijs. Het was eigenlijk niet de bedoeling dat de torens stomp zouden blijven, maar tijdens de bouw kwam aan het licht dat het fundament niet sterk genoeg was om de geplande torens te kunnen dragen. Dit gemis wordt echter gecompenseerd door de drie prachtige koepels met lichtblauwe tegels die op het gebouw staan. We bekijken het gebouw ook even aan de binnenkant, die er relatief sober uitziet. Er is op het moment een mis bezig. Een jongeman zit achterin de kerk op zijn knieën bijna smekend te bidden. Hij straalt één en al wanhoop uit.

Ecuador(184)

We lopen verder door de stad en begrijpen al snel waarom dit centrum op de Werelderfgoedlijst staat. In Ecuador is al heel lang een discussie gaande over of het nu Quito of Cuenca is dat het mooiste stadscentrum heeft, maar wat mij betreft wint Cuenca glansrijk. Op vrijwel elke straathoek is een kerk of een pleintje te vinden (Cuenca schijnt 52 kerken te hebben, precies één voor elke zondag van het jaar dus) en er zijn zo veel ontzettend mooie koloniale of barokke gevels te zien, dat we regelmatig even stoppen om zomaar een huis of een winkelpand te fotograferen.
Na een paar uur slenteren komen we op het erg rustige Plaza de San Sebastián, een vrijwel uitgestorven pleintje waarop eeuwen geleden stierengevechten gehouden werden, maar waarop je nu in de schaduw van de de fraaie, spierwitte Iglesia San Sebastián op een bankje kunt genieten van de rust.
Via de rivier de Tomebamba, een vrij miezerig stroompje, komen we weer vlakbij ons hostel, waar we nog heel even gaan zitten en gebruik maken van het toilet. Daarna lopen we via de straat Hermano Miguel richting het zuiden van de stad. Onderweg komen we in deze straat twee tweedehands boekenwinkeltjes tegen. Bij een klein zaakje dat simpelweg Used Books heet koop ik ‘Ghost Moon’ van Heather Graham. Even verderop staat het aanzienlijk grotere Carolina Bookstore, dat gerund wordt door een wat ouder Amerikaans stel en hoofdzakelijke tweedehands Engelstalige boeken verkoopt. Helaas houden we het echter al snel weer voor gezien, omdat de prijzen die ze hier voor simpele, afgeragde paperbacks durven te vragen vrij absurd zijn. Eveneens in dezelfde straat vinden we een tourbureautje. We willen graag de Incaruïnes van Ingapirca gaan bezoeken en vragen of ze georganiseerde trips daar naartoe hebben. Dat blijkt zo te zijn, al moeten we hier vijftig dollar (exclusief toegangskaarten) voor betalen. We hebben ons vooraf al een beetje ingelezen en beseffen meteen dat dit een volstrekt ridicule prijs is. Dat de georganiseerde tour ook nog stops maakt bij de kerk van het plaatsje Azogues en op een plek waar varkens op een traditionele wijze bereid worden verandert daar weinig aan. We zeggen dat we er nog even over na moeten denken en vertrekken weer. We gaan morgen wel proberen om op eigen houtje in Ingapirca te komen.
We steken de Tomebamba over en komen dan langs een groot park met veel speeltoestellen en sportveldjes. Zulke parken zijn we onderweg door dit land al vaker tegen gekomen. Het is mooi om te zien dat zulke openbare plekken gebruikt worden om kinderen en volwassenen gratis de gelegenheid te geven om in een netjes verzorgde omgeving te spelen en te sporten en dat er bovendien ook veel gebruik van gemaakt wordt.
We komen bij het Estadio Alejandro Serrano Aguilar, het stadion van de grootste voetbalclub van de stad, Deportivo Cuenca. Linda en ik zijn allebei grote voetballiefhebbers en wilden dit stadion, dat niet heel ver van ons hostel staat, dus wel eens bekijken. We lopen een rondje rond de grote betonnen kolos en vinden dan een poort die open staat. Een beetje aarzelend lopen we naar binnen. Een paar werklui zien ons en gebaren dat we best gewoon binnen mogen komen. Het stadion ziet er armoedig uit, met z’n eenvoudige stenen bankjes die best eens een grondige opknapbeurt kunnen gebruiken. Bovendien zitten de toeschouwers hier, zeker achter de goals, door de sintelbaan wel heel erg ver van het veld af.
We komen op de terugweg langs het Millennium Plaza, een modern winkelcentrum. We gaan even naar binnen, omdat we hebben begrepen dat hier een bioscoop is waarin wel eens Engelstalige films vertoond worden. Dat lijkt ons eventueel wel wat voor vanavond. Er blijkt echter maar één film te draaien die niet in het Spaans nagesychroniseerd is en die lijkt ons niet echt de moeite waard, dus dat plan sneuvelt direct weer. Heel groot is het winkelcentrum verder niet. Er zijn een paar winkeltjes en een food court met verschillende westerse ketens die fast food verkopen voor nog hogere prijzen dan we in Nederland gewend zijn.
We moeten vervolgens lang lopen door het stadscentrum voordat we een plek vinden waar we naar wens kunnen lunchen. Plekken om te ontbijten of te dineren heb je in de Ecuadoriaanse steden genoeg, maar ergens een eenvoudig broodje of een omelet vinden als lunch blijkt verrassend moeilijk. We komen ten slotte bij Cuchara Magica, een restaurant dat ingericht is volgens het thema goochelen, waar ik een broodje kaas met gebakken aardappeltjes bestel.
We beëindigen onze stadswandeling bij Iglesia de San Blas en lopen dan terug naar ons hostel, waar de vuile was die we vanochtend in hebben geleverd inmiddels weer schoon klaarstaat. Het is na het gezellig hostel in Quito, en zeker na de erg levendige hostels die we vorig jaar in Nicaragua en El Salvador gewend waren, wel even wennen hoe kalm en bijna uitgestorven Hostal Alvanos is.
’s Avonds gaan we eten bij Wunderbar, een restaurantje vlakbij de rivier dat we eerder vandaag toevallig hadden gevonden. Dit tentje, dat het concept van een bar en een restaurant in één claimt te hebben geïntroduceerd in Cuenca, heeft een Oostenrijkse eigenaar en maakt ook een erg westerse indruk. De serveerster van dienst spreekt echter letterlijk geen woord Engels. Als Linda haar drankje bestelt moet deze dame zelfs met gebarentaal vragen of ze dat warm of koud wil. Toch opmerkelijk dat het voor iemand die in een op toeristen gerichte horecagelegenheid blijkbaar teveel moeite is om even de woorden “hot” en “cold” in te studeren.
Na onze maaltijd (ik vond mijn pasta erg lekker, Linda was niet zo te spreken over die van haar) lopen we nog even terug naar het centrale plein om te zien hoe dat er in het donker uitziet. De kathedraal en het plein zijn sfeervol verlicht en nodigen direct uit om even op een bankje te komen zitten.
We hebben nu nog wel zin om ergens wat te gaan drinken in een bar, maar er blijkt bijna nergens wat open te zijn. Na wat zwerven komen we bij La Compañia Microcerveceria, dat een zogenaamde microbrouwerij is. Het is er druk, het ziet er gezellig uit, het is precies wat we zochten. Eén probleempje: we krijgen bij de ingang te horen dat we alleen met identificatie naar binnen mogen. We zitten niet ver van ons hostel en zouden dus makkelijk even onze paspoorten kunnen halen, maar daar hebben we dus even geen zin in. Klanten heb je graag of niet en als wij, 31 en bijna 37 jaar oud, niet eens zonder paspoort een biertje mogen drinken dan zoeken we wel weer verder. Een paar deuren van ons hostel gaan we naar binnen bij Moliendo Café, een klein en eenvoudig maar erg gezellig Colombiaans eettentje met een sympathieke eigenaar en erg schappelijke prijzen. Hier krijgen we tenminste wel gewoon een biertje zonder legitimatie. Aan het plafond hangt een bel waar bij staat dat je er aan moet trekken als je tevreden was, wat we dan ook doen als we weer vertrekken.
Later op de kamer lees ik het boek ‘Wintermaan’ van Dean Koontz uit.

Dag 8: 25 augustus 2015 – De Inca-ruïnes van Ingapirca
’s Ochtends gaan we weer naar het busstation waar we eergisteren aankwamen. Omdat we nu niet al onze bagage mee hoeven nemen gaan we niet op zoek naar een taxi, maar gewoon te voet. Binnen twintig minuten zijn we op het busstation.
We vinden het loket waar kaartjes naar Ingapirca verkocht worden. Alhoewel je naar veel locaties wel twee of drie keer per uur een bus kunt nemen, vertrekt die naar Ingapirca maar één keer per dag, om negen uur. Aan de andere kant van de balie zit een nogal pittige dame vrij luidruchtig te bellen over iets wat haar blijkbaar een beetje frustreert. Als ze eenmaal klaar is kopen we voor zeven dollar per persoon twee retourkaartjes naar de ruïnes van de Incastad. Da’s toch even wat minder geld dan de vijftig dollar die we bij dat tourbureautje kwijt zouden zijn geweest.
Elders in het busstation kopen we voor $1,60 twee broodjes kaas en twee chocoladebroodjes. Daarna gaan we naar het perron. Net als eerder in Quito valt ons op dat ze hier een vrij opmerkelijke manier van werken hebben met de bussen voor een langere afstand. Als je helemaal op het begin van de route op wilt stappen, dan moet je eerst een kaartje kopen, je naam en paspoortnummer opschrijven op een lijst, nòg een kaartje kopen (van tien cent) waarmee je door de draaideuren van het bewaakte perron kunt en vervolgens moet je op de stoel gaan zitten die op je kaartje vermeld staat. Stap je echter vijftig meter verderop in de bus, dan kun je gaan zitten waar je wil en stop je de bijrijder wat contant geld in de hand.
We leggen nu deels weer dezelfde weg af als eergisteren, maar dan in omgekeerde richting. We gaan via Azogues, Biblian en Canar. Onderweg sta ik nog even op voor een piepklein bejaard vrouwtje in klederdracht, zodat ze mijn plaats naast Linda in kan nemen. Gelukkig (ook voor Linda, het vrouwtje stinkt immers verschrikkelijk) stapt ze al vrij snel weer uit. Na een uurtje of twee rijden zijn we in Ingapirca.
Alhoewel nergens in Ecuador grotere Incaruïnes te vinden zijn dan hier is dit, zeker in vergelijking tot de bekende Mayaruïnes in onder meer Mexico en Guatemala, een zeer bescheiden archeologische site. Veel meer dan een deels ingestorte tempel en wat muurtjes van enkele stenen hoog is hier niet te zien. Toch wilden we hier graag naartoe. Alles wat met Inca’s, Maya’s en aanverwanten te maken heeft spreekt bij mij en Linda toch wel tot de verbeelding. Ingapirca (Kichwa voor “Inca muur”) werd als Hatun Cañar gesticht door de Cañari, een etnische groep die van de zestiende tot de zeventiende eeuw in deze streek woonde. Incaleider Túpac Yupanqui probeerde aanvankelijk de stad te veroveren, maar toen dat nogal lastig bleek trouwde hij maar met een Cañariprinses, waarna de Inca’s en Cañari’s vredig samen leefden in deze stad.
Het is opvallend frisjes als we uit de bus stappen. Ik gok dat de gevoelstemperatuur op deze grote hoogte, mede door de nogal stevige wind, niet veel hoger zal liggen dan op een graad of tien. Ik ben met mijn korte broek en shirt met lange mouwen in elk geval veel te optimistisch gekleed en heb het behoorlijk koud. Veel van de andere bezoekers lopen rond in jassen, mutsen en sjaals. Een winkeltje dat dikke poncho’s verkoopt doet goede zaken. In het ontvangstgebouw krijgen we te horen dat het niet toegestaan is om de archeologische site op eigen houtje te betreden, dat mag alleen met een gids. Er vertrekt om vijf voor half twaalf een rondleiding met Spaanstalige gids en 25 minuten later eentje met een Engelstalige gids. Omdat we niet zo ’n zin hebben om zo lang te wachten, en omdat we anders weinig tijd zouden hebben tussen de rondleiding en het vertrek van de bus terug naar Cuenca, lopen we maar mee met de Spaanstalige rondleiding.
Alhoewel de rijtjes stenen die over zijn gebleven van gebouwen die hier ooit stonden niet zo heel interessant zijn, is het uitzicht wel prachtig. Ingapirca is gebouwd op een heuvel tussen diepe dalen en hoge bergen. Bovendien lopen er lama’s door het park. We begrijpen uiteraard weinig van de gids, maar gelukkig staan er ook overal bordjes met uitleg in drie talen: Spaans, Engels en Kichwa (een inheemse taal). De Tempel van de Zon is het enige echte gebouw dat hier nog te vinden is. Zoals gebruikelijk bij de Inca’s is het zonder cement of iets vergelijkbaars gebouwd. De stenen zijn zorgvuldig zo neergelegd dat ze precies passen.

Ecuador(237)

Na de rondleiding lopen we nog even naar een uitzichtpunt en om één uur vertrekt de bus terug naar Cuenca. Na een rit van twee en een half uur zijn we weer terug op het busstation aldaar. We kopen alvast twee kaartjes à acht dollar voor een bus naar Puerto Lopez morgenochtend, een stadje aan de Stille Oceaan. We lopen daarna terug naar het centrum van de stad en eten bij een restaurantje dat Austria heet apfelstrudel met ijs. Iets voor vijf uur zijn we weer in ons hostel.
’s Avonds gaan we eten bij Moliende Café, het goedkope en gezellige Colombiaanse tentje waar we gisterenavond wat gedronken hebben. Voor twee maaltijden zijn we, inclusief drankjes, maar $7,50 kwijt en er staat zowaar een vegetarische hamburger van bruine bonen op het menu (dat het meer een prakje dan een echte burger is neem ik maar voor lief). Alhoewel het door de week bij vrijwel geen enkele horecagelegenheid echt heel druk is hier, zit het bij Moliende Café nu helemaal vol.
Na het eten willen we weer driehonderd dollar gaan pinnen. Bij de eerste vijf automaten die we tegenkomen lukt dat echter niet. Uiteindelijk besluiten we voor nu genoegen te nemen met honderd dollar en bij apparaat nummer zes komt er eindelijk geld uit de muur.

Dag 9: 26 augustus 2015 – Van Cuenca naar Puerto Lopez
Met onze dagrugzakken en backpacks ondernemen we ’s ochtends weer de twintig minuten durende wandeling naar het busstation. Buiten dat station staat een lange rij met eettentjes. Bij één daarvan gaan we ontbijten. Het is wel makkelijk dat je vrijwel overal een zogenaamd continental breakfast kunt bestellen, wat doorgaans bestaat uit één of twee broodjes, roerei, een kwakje jam, een stukje kaas, een glas vers geperst sap (het is meestal een verrassing wat voor sap) en een kop koffie. Alhoewel koffie een belangrijk exportproduct is voor Ecuador is het opmerkelijk dat je hier vrijwel nergens een echte, goede kop koffie krijgt, maar doorgaans afgescheept wordt met een kop warm water en een bus Colombiaanse oploskoffie.
We vertrekken om tien over acht met de bus uit Cuenca. Het is hier (net als in verschillende landen die we eerder bezocht hebben) gebruikelijk dat er tijdens de rit mensen in- en uitstappen die snacks, drankjes, snoepgoed, ijsjes of kranten verkopen. Sommige verkopers doen dat door simpelweg even op en neer te lopen door het gangpad terwijl ze hun koopwaar omhoog houden, anderen houden er een heel praatje bij. Helemaal aan het begin van de reis hebben we een snoepverkoper aan boord die zijn beroep zeer serieus neemt en ruim een kwartier blijft praten met het fanatisme van een tv-dominee.
De rit die we nu maken is de mooiste tot nu toe, echt een attractie op zich. Deze gaat deels door het nationale park El Cajas, waar de adembenemende grillige rotsformaties, bergen en idyllische meertjes elkaar opvolgen. Wat later rijden we langs angstaanjagend diepe afgronden en komen we zo hoog dat we op een gegeven moment bovenop een massief wolkenveld kijken dat strekt zover het oog reikt. Het is echt een onwerkelijk gezicht.

Ecuador(297)

Uiteindelijk verlaten we voor het eerst sinds we in Ecuador zijn het Andesgebergte. Zodra we in de buurt van Guayaquil komen, met bijna 2,7 miljoen inwoners de grootste stad van het land, wordt het landschap vlak. We voelen ook dat het hier wat warmer is en in plaats van de dikke truien en de jassen die we in Quito, Baños en Cuenca zagen zien we hier mensen in hemdjes en korte broeken. Zoals je het eigenlijk wil zien op vakantie.
Om tien voor half één zijn we op het busstation van Guayaquil, dat echt gigantisch blijkt te zijn. Het heeft drie verdiepingen met bushaltes en een hoop winkeltjes en restaurantjes. Het lijkt veel meer op een internationaal vliegveld dan op een busterminal. We moeten nu even uit zien te vinden waar we moeten zijn voor kaartjes naar Puerto Lopez, want er zijn hier niet minder dan honderd busbedrijven actief die elk hun eigen loket hebben. Gelukkig zijn Ecuadorianen overwegend erg behulpzaam, we hebben hier eigenlijk nog geen enkele keer meegemaakt dat iemand die we aanspraken ons niet wilde helpen, dus worden we al snel de juiste richting in gewezen. Voor zes dollar per persoon kopen we kaartjes voor de bus, die blijkt te vertrekken op verdieping twee, halte 78.
Volgens een lijstje dat we op het busstation in Cuenca hebben gekregen moet hier om één uur een bus naar Puerto Lopez vertrekken. Als we om tien over half één alvast in die bus stappen, rijdt die echter direct daarna aan. Toch maar goed dat we zo ruim op tijd waren, want volgens datzelfde lijst zou de volgende bus om half vier pas vertrekken. Het is nu zo warm dat bijna iedereen in de bus z’n raam open zet, in de plaatsen waar we hiervoor waren was het daar echt te koel voor.
We vertrekken dus meteen weer uit Guayaquil, dat alhoewel het de grootste stad van Ecuador is een negatieve reputatie heeft op toeristisch gebied. Diverse reisgidsen en -websites stellen onomwonden dat je Guayaquil in principe best over kunt slaan. Bovendien staat de stad aan de Rio Guayas bekend als de minst veilige plaats van het land. De wijken waar wij doorheen rijden zijn vies en lelijk.
We vervolgen de rit door een overwegend vlak landschap. Dit is weer heel wat anders dan de kronkelige bergweggetjes en de slaperige dorpjes met veel vrouwen in klederdracht die we tot dusver gewend waren. Afgezien van een vrij lange stop bij het busstation van het stadje Jipijapa (ik betwijfel het of ik ooit in een plaats ben geweest met een vrolijker klinkende naam) rijden we aardig door. Wat later komen we toch weer even door een heuvelachtiger landschap, waar het nu erg mistig is.
Om half vijf stoppen we op het bescheiden busstationnetje van Puerto Lopez. Alhoewel dit met 16.000 inwoners een vrij klein plaatsje is vonden ze het blijkbaar nodig om het busstation enkele kilometers van het centrum te bouwen. Om daar te komen ben je, als je geen zin hebt in een stevige wandeling, aangewezen op de talloze motortaxi’s die de hele dag door op en neer rijden. Een ritje van en naar het station kost standaard één dollar.
We laten ons afzetten bij hostel Maxima, wederom een hostel dat Linda vooraf in de Lonely Planet gevonden heeft. We worden ontvangen door een vriendelijk, klein vrouwtje, ze blijkt de eigenares en bovendien naamgeefster van dit hostel te zijn. Als we zeggen dat we uit Nederland komen, brengt ze meteen “onze” Maxima ter sprake. “Yo soy la Reina de Ecuador!” (ik ben de koningin van Ecuador) roept ze ons lachend na als we naar onze kamer lopen. Voor vannacht hebben we een hele ruime kamer gekregen met maar liefst vijf bedden, morgen moeten we verkassen naar een kleinere kamer die nu nog even niet beschikbaar is.
Niet veel later lopen we naar het centrum. Ik had eigenlijk gehoopt hier een sfeervol, mellow strandparadijsje te treffen zoals Playa el Tunco (een plaatsje in El Salvador waarin we vorig jaar enkele dagen verbleven), maar dat valt best tegen. De hoofdstraat is een stoffige zandweg waaraan lelijke, aftandse, slecht onderhouden gebouwen staan en het uitzicht wordt wat verpest door werkzaamheden die bezig zijn tussen de weg en het strand. Dat het nu bewolkt en een beetje grijs is helpt ook niet echt. Puerto Lopez dankt de toestroom van toeristen vrijwel geheel aan één feit en dat is dat boottochten naar Isla de la Plata nou eenmaal hier vertrekken.
Dat neemt echter niet weg dat er achter de werkzaamheden wel degelijk een hoop moois te zien is. Puerto Lopez heeft een wit zandstrand en de zee ligt vol met kleine vissersbootjes, waar talloze pelikanen en andere zeevogels boven zwermen. En ondanks de bewolking is het toch warm en lichtelijk zweterig weer. We lopen langs de twee Italiaanse restaurants in het centrum, maar die zijn allebei nog niet open. Uiteindelijk bestellen we een maaltijd in het restaurant van Hotel Pacifico.

Ecuador(306)

Na het eten gaan we weer driehonderd dollar pinnen, om daarna bij een tourbureautje een boottocht naar Isla de la Plata voor morgen te boeken. Vijfenveertig dollar per persoon zijn we daar voor kwijt. Daarna lopen we naar een klein, smal pleintje waar het gezellig en druk is. Overdag is Puerto Lopez redelijk sfeerloos,’s avonds wordt dat aardig goed gemaakt. Op een terrasje drinken we nog een mojito en daarna gaan we weer naar onze kamer.

Dag 10: 27 augustus 2015 – Walvissen spotten en Isla de la Plata
’s Ochtends geven we onze tassen af bij de receptie (omdat in de loop van de dag dus een andere kamer krijgen), waarna we bij een tentje met uitzicht op de oceaan gaan ontbijten. Iets voor half tien verzamelen we bij het tourbureautje waar we gisteren de trip naar Isla de la Plata geboekt hebben. Een half uur later lopen we met veertien jonge andere toeristen, een gids en enkele bemanningsleden de pier op. Terwijl we tientallen pelikanen voorbij zien vliegen en duikvluchten naar het water zien maken, varen we de Stille Oceaan op. Hoofddoel is het onbewoonde eilandje Isla de la Plata (zilvereiland, zo genoemd vanwege de legende dat de beroemde ontdekkingsreiziger Francis Drake er een zilverschat verborgen zou hebben), daarnaast hopen we onderweg walvissen te zien.
We zitten midden in het walvissenseizoen, de tijd van het jaar waarin ze hier naartoe komen om te paren en te baren, en hoeven dan ook niet lang te wachten tot we de eerste zien. In de verte zien we het enorme dier een stukje boven het water uit springen. Daarna zien we om de haverklap een walvis vlakbij ons bootje. De zestien meter lange zoogdieren kondigen zich meestal eerst even aan door met hun spuitgat wat water omhoog te spuiten, daarna zie je een deel van de rug en dan soms ook de staart. Dit zien we gedurende het vaartochtje enkele tientallen keren. We zien ook verschillende vissersschepen die helemaal vergeven zijn van de vogels. De vissers zwaaien vriendelijk terwijl we voorbij varen.

Ecuador(349)

Zodra we bijna bij het eiland zijn, wordt het ineens druk. Op enkele tientallen meters van ons bootje zien we zeker vijf, zes walvissen tegelijk. Plotseling zien we nog dichterbij een heleboel kleinere rugvinnen: er zwemt een school van een stuk of twintig dolfijnen tussen ons bootje en de walvissen door. Enkele dolfijnen springen boven het water uit. Na een seconde of vijftien, twintig zijn ze weer verdwenen. Dit was absoluut het meest bijzondere moment van de reis tot nu toe. Jammer dat uitgerekend vanochtend mijn fototoestel overleden is. Dan moet Linda maar nòg meer foto’s maken dan ze normaal al doet.
Om half één gaat de boot vlakbij het eilandje voor anker. Er wordt een grote zak met snorkels en duikbrillen tevoorschijn gehaald en iedereen die dat wil mag hier het water in om een half uurtje te zwemmen tussen het koraal, de vele vissen en wat er verder nog meer voorbij komt.
Daarna gaan we aan land bij het enige gebouw dat het onbewoonde eiland rijk is. Dit is een voormalig hotel, dat nu dienst doet als een soort ontvangstgebouwtje. We gaan nu met onze gids een rondje lopen over het eiland dat ook wel “Poor Man’s Galapagos” genoemd wordt. Het bezoeken van de Galapagoseilanden, die duizend kilometer van het vasteland van Zuid-Amerika liggen, is een erg duur grapje en voor wie dat niet kan of wil betalen is Isla de la Plata een redelijk alternatief. Sommige dieren die nauwelijks buiten de Galapagoseilanden voorkomen zitten hier immers ook, maar dan op slechts vijftig kilometer van de Ecuadoriaanse kust. Onze gids spreekt overigens helemaal geen Engels, gelukkig biedt een Tsjechische toeriste spontaan aan om alles voor ons te vertalen naar het Engels, wat ze vervolgens ook trouw blijft doen. Terwijl we op het strand staan zie ik vlakbij de kust nog even een walvis voorbij zwemmen.
We lopen over een steil maar prima begaanbaar pad naar boven en komen uiteindelijk op een hoog punt, vanwaar we aan beide kanten van het slechts enkele vierkante kilometers grote eilandje de oceaan kunnen zien. Om ons heen staan dorre bomen die dood lijken. Via onze vrijwillige tolk horen we dat het hier soms jarenlang niet regent maar dat de bomen zeker niet dood zijn, zodra het een keertje regent is binnen een week het hele eiland groen. In de verte zien we hoge kliffen die deels wit zijn. We krijgen te horen dat de witte kleur afkomstig is van een soort braaksel dat de zeevogels hier lozen nadat ze sardientjes gegeten hebben.
Vervolgens moet de groep in tweeën gedeeld worden, omdat op één van de mogelijke wandelroutes niet meer dan tien mensen tegelijkertijd mogen lopen. De ene helft van de groep gaat nu naar de kliffen, wij gaan met de andere helft de zogenaamde fregatroute lopen. Al heel snel komen we de wellicht bekendste bewoners van Isla de la Plata tegen, de blauwvoetgenten, die vooral bekend staan onder hun veel leukere Engelse naam: blue footed boobies. Deze watervogels zien er met hun grote lichtblauwe voeten en heldere gele ogen behoorlijk opvallend uit en bewegen zich heel komisch waggelend voort, als een onhandige kruising tussen een eend en een kleine pinguïn. De opvallende naam booby is afkomstig van bobo, het Spaanse woord voor clown. Deze naam hebben de beestjes om twee redenen gekregen: wegens hun grappige loopje en omdat ze zo “onnozel” zijn om totaal geen angst te kennen voor de mens. Je kunt ze moeiteloos tot op een metertje naderen zonder dat ze ook maar op je reageren.

Ecuador(403)

De eerste twee blauwvoetgenten die we zien zijn volgens de gids een pril stelletje. Ze zijn verwikkeld in een paringsdans, waarbij ze in slow motion om elkaar heen draaien, alsof ze in een trance zijn. Terwijl we verder lopen blijkt dit eiland vergeven te zijn van deze vogels. En allemaal zijn ze tam genoeg om uitgebreid te kunnen fotograferen. Alhoewel de blauwvoetgenten voorkomen van Mexico tot Peru worden ze voornamelijk geassocieerd met de Galapagoseilanden, waar ongeveer de helft van de volledige populatie zit.
Wat later zien we opnieuw iets bijzonders. We komen bij een dal waar het werkelijk krioelt van de aan onder meer de aalscholver en de gent verwante fregatvogels. Het zijn er honderden bij elkaar op een kluitje. De grote zwarte zeevogels, ongeveer een meter lang met een spanwijdte van ruim twee meter, zitten met tientallen in een boom, of vliegen wat heen en weer. Veel van de vrouwtjes zitten te broeden op hun nest. Verschillende mannetjes hebben een opvallende rode keel, die bedoeld is om vrouwtjes te lokken.
Na twee en een half uur op het eiland vertrekken we weer. Op het bootje krijgen we nog een lunch: een stuk ananas, een stuk watermeloen en twee broodjes met kaas of tonijn. Terwijl we wegvaren wordt het bootje omringd door gigantische schildpadden, die afkomen op de stukjes meloen die het water in worden gegooid. Daarna keren we vol gas terug naar Puerto Lopez. Daar zijn we om iets na vijf uur.
We hebben nu een vele kleinere, eenvoudigere kamer in hostel Maxima. Bovendien zit deze aan de straatkant, wat iets minder prettig is. Niet dat het hier nu zo heel druk is op straat, maar de dunne houten wandjes van het gebouw laten zoveel geluid door dat je wat dat betreft eigenlijk net zo goed op straat had kunnen liggen. ’s Avonds gaan we alsnog naar één van de Italiaanse restaurants die gisteren dicht waren.

Dag 11: 28 augustus 2015 – De stranden van Parque Nacional Machalilla
Als ik om half zeven ’s ochtends wakker word is er een hoop lawaai te horen. Van het verkeer buiten, maar ook van de tv van de buren, die ik letterlijk zou kunnen verstaan als ik Spaans zou spreken. Wat later gaan we de straat op om maar weer eens een continental breakfast te scoren. Daarna lopen we even naar het strand. Nadat we tot dusver vooral erg bewolkt weer hebben gehad in Puerto Lopez (op Isla de la Plata was het wel mooi weer) is nu zowaar een stukje blauwe lucht te zien. Op het strand staan een paar kleine tentjes van mensen die hier kamperen.
We gaan naar het tourbureau waar we eerder de trip naar Isla de la Plata geboekt hebben. Er schijnt hier vlakbij een gebied te zijn met een paar mooie, afgelegen strandjes en dat willen we wel eens gaan bekijken. Het bureautje biedt georganiseerde trips daar naartoe aan en we informeren wat daar de prijs van is. Ze blijken er net zoveel voor te vragen als voor de boottocht naar het eiland: 45 dollar per persoon. Het lijkt erop dat de tourbureau’s in Ecuador gezamenlijk af hebben gesproken dat bijna alle excursies standaard 45 à 50 dollar kosten, ongeacht of ze dat waard zijn of niet. We bedanken vriendelijk en besluiten om dan maar op eigen houtje te gaan. Je kunt hier immers vrijwel overal komen met de bus.
We betalen weer een dollar voor een motortaxi en laten ons afzetten bij het busstation. Daar nemen we een bus in de richting van Jipijapa en stappen uit bij de ingang van het Parque Nacional Machalilla. Nationale parken zijn in Ecuador vrijwel altijd gratis te betreden, wel wordt je bij het betreden verzocht om je naam en persoonlijke gegevens (zoals woonplaats en paspoortnummer) op te schrijven. De busrit naar hier heeft ons vijftig cent per persoon gekost, we zijn tot dusver dus elk een dollar kwijt voor deze excursie die georganiseerd 45 dollar zou hebben gekost.
Vanaf de ingang naar het park kun je via een drie kilometer lange zandweg direct naar het Playa Los Frailes lopen (of er een motortaxi naartoe nemen), dat vrijwel unaniem geaccepteerd wordt als het allermooiste strand van Ecuador. Je kunt het echter ook bewaren als toetje en een avontuurlijkere tweede route nemen en dat is wat wij nu gaan doen.
We komen door een soort tunnel van kronkelige droge bomen, die heel erg doen denken aan de bomen die we gisteren zagen op Isla de la Plata. Daartussen groeien kaktussen en kaktusbomen, waarvan ons gisteren verteld is dat ze slechts een meter per eeuw groeien. Desondanks zien we verschillende bomen van zeker een meter of vier hoog. Vrijwel continue ritselt het om ons heen en zo nu en dan zien we één van de hagedisjes voorbij schieten die dit geluid veroorzaken. En wat de wandeling ook prettig maakt: de lucht is ineens helemaal blauw geworden. Het is daarmee meteen ook behoorlijk warm.
De wandeling brengt ons langs verschillende uitgestorven strandjes met elk een heel ander karakter. Bij de eerste kijken we van grote hoogte in een afgrond met voor ons een eilandje en kliffen. De tweede heeft zwart zand en is vergeven van de kleine krabbetjes die driftig heen en weer lopen. Zodra je bij ze in de buurt komt schieten ze direct in een holletje in het zand. Het derde strand is behoorlijk ruig. Hoge golven slaan hier met veel geweld op de grillige rotsen.

Ecuador(534)

Vlak voordat we bij Playa Los Frailes zijn moeten we nog even een flinke klim maken, naar een uitzichtpunt op 110 meter hoogte. Vanaf daar kunnen we aan de rechterkant het ruige rotsstrand van zojuist zien en aan de linkerkant Playa Los Frailes. En even later lopen we, na meer dan twee uur wandelen, door het bloedhete witte zand van dit perfecte strand, dat momenteel toch niet overdreven druk is. We hebben nu wel behoefte aan een koud drankje. Alhoewel een strand als dit in elk westers land vergeven zou zijn van de strandtentjes, bars en restaurants is dat hier niet het geval: onder een afdakje staan twee mannen met elk een koelbox, de één verkoopt flesjes frisdrank en de ander ijsjes. En meer is er niet. We kopen elk een drankje en een ijsje en gaan dan op het strand liggen.
Als we het wel weer gezien hebben lopen we via de wat snellere zandweg terug naar de ingang van het park. Dat valt toch nog best tegen, bij deze hitte drie kilometer lopen terwijl je nog een hele tocht met veel klimmen en dalen in de benen hebt. Gelukkig hoeven we, eenmaal aangekomen bij de ingang, niet lang te wachten op een bus terug naar Puerto Lopez.
Nadat we weer wat bij zijn gekomen in onze kamer gaan we de straat op voor een late lunch. Visliefhebbers kunnen ruimschoots aan hun trekken komen in Puerto Lopez. Zelfs als je iets geks wil proberen zoals een gebakken slak of goudvis, dan zit je hier goed. Maar een eenvoudig broodje kaas krijgen blijkt toch weer heel wat gecompliceerder. Na enige tijd zoeken vinden we eindelijk een tentje dat tosti’s op de kaart heeft staan.
’s Avonds gaan we voordat we de straat op gaan nog even langs de receptie om alvast af te rekenen en om aan Maxima te vragen of je vanuit hier makkelijk in Canoa kunt komen. Het is in Ecuador eenvoudig om naar een busstation te lopen en een bus te nemen naar je volgende bestemming, tenzij er een overstap bij komt kijken. Betrouwbare informatie over vertrektijden vanaf een bepaald busstation kun je immers alleen bij dat busstation zelf vinden. En nu is het wel zo dat naar veel grotere plaatsen om de twintig minuten wel een bus vertrekt, maar bij minder populaire bestemmingen kan het best zijn dat er slechts om de twee of drie uur een bus rijdt.
Verder hebben we sowieso even getwijfeld over waar we hierna naartoe zouden gaan. We stippelen onze route nooit echt vooraf uit, we vinden het juist fijn om de flexibiliteit te hebben om ergens langer te kunnen blijven of juist eerder weg te gaan. Ook is het fijn om de vrijheid te hebben om ter plaatse te kunnen bepalen wat je volgende stap zal worden. Als je thuis bestemmingen uit zit te zoeken op internet of in de Lonely Planet, dan kun je immers nog niet inschatten of je na een dikke week in de Andes behoefte hebt om de kust eens op te gaan zoeken, of dat je dan nog altijd geen genoeg kunt krijgen van de imposante berglandschappen. Wel is het zo dat we vooraf heel losjes schetsen wat we ongeveer willen gaan doen (of eigenlijk: Linda doet dat). En het punt is dat het losse schetsje van deze reis ophoudt in Puerto Lopez. Bovendien zij we toch een klein beetje in een soort dode hoek beland, van waaruit je wellicht minstens drie verschillende bussen zult moeten nemen om bij één van de volgende plaatsen te komen waar we eventueel wel naartoe zouden willen.
Omdat we toch wel zin hebben om nog even bij de kust te blijven en omdat Puerto Lopez ons een beetje tegen is gevallen hebben we uiteindelijk besloten om naar Canoa te gaan, een andere kustplaats die niet heel ver weg is en dus wél redelijk goed bereikbaar zou moeten zijn.
Maxima blijkt een enorme spraakwaterval. Ze spreekt niet zo heel goed Engels, maar dat weerhoudt haar er niet van om half in het Engels, half in het Spaans en met veel handgebaren een aantal anekdotes over ons uit te storten waar we bijna geen woord tussen kunnen krijgen. En uiteindelijk schrijft ze netjes voor ons op waar en hoe laat we een bus naar Portoviejo kunnen nemen en hoe we vervolgens daar een bus naar Canoa kunnen nemen.
Op het pleintje waarop we gisteren even op een terras zaten vinden we een Colombiaans eettentje. Na het eten gaan we weer een mojito drinken.

Dag 12: 29 augustus 2015 – Van Puerto Lopez naar Canoa
Na weer wakker te zijn geworden met de herrie van het verkeer buiten en een kakofonie van hanengekraai (het lijkt wel of bijna iedereen in de stad zo’n beest heeft) lopen we de straat op en houden we een motortaxi aan, die ons voor het gebruikelijke bedrag van één dollar naar het busstation brengt. Daar aangekomen kopen we voor $3,50 per persoon twee kaartjes naar Portoviejo.
Als we bij de halte staan te wachten staat daar nog een bus klaar naar Jipijapa, die langzaam vol druppelt. Zodra deze bus klaar is om te vertrekken en die van ons er aan komt rijden vindt er nog even overleg plaats tussen de bijrijders van beide bussen. Daarna begint een man druk naar ons te gebaren dat we snel in de bus naar Jipijapa moeten stappen. We begrijpen er weinig van, maar het lijkt erop dat we geen andere keus hebben. Er zijn nog precies twee stoeltjes vrij in de bus, uiteraard niet naast elkaar.
In Jipijapa kunnen we gelukkig vrijwel direct overstappen op de bus naar Portoviejo. Blijkbaar zat deze bus bij aankomst in Puerto Lopez nòg voller dan de bus naar Jipijapa, vandaar dat we naar die andere bus gedirigeerd werden, maar inmiddels zijn er een paar stoeltjes vrij. Helemaal op de achterste bank van bus kunnen we naast elkaar zitten. Linda zit naast een man die vrijwel continue aan het stuiptrekken is van de zenuwtics. Regelmatig grijpt hij in zijn tas, om vervolgens iets op zijn gezicht te smeren uit één van de vele potjes met zalfjes die hij bij blijkt te hebben. Ook haalt hij, heel opzichtig, een doosje erectiepillen en een zakje waar met grote letters “marihuana” op staat uit de tas. Die heeft vast wilde plannen voor vanavond.
Zodra we in Portoviejo zijn worden we meteen een bus naar Canoa ingeloodst, die ook vrijwel direct daarna vertrekt. Volgens onze kaartjes, van $3,50 per stuk, is de vertrektijd tien uur, maar al tien minuten eerder dan dat zijn we onderweg, in een grotendeels lege bus. Omdat we nog niet in de gelegenheid zijn geweest om ergens ontbijt te halen trekken we maar een zak chips open die we nog bij ons hadden. Onderweg maakt de bus zonder duidelijke reden een paar irritant lange stops in verschillende stadjes. Intussen staat de muziek ook veel te hard.
In de bussen die we in dit land nemen staat bijna altijd muziek aan en dat is altijd Spaanstalige muziek. De meeste nummers die gedraaid worden zijn ruwweg te verdelen in drie categorieën: vrolijke, swingende salsa, eentonige, stampende reggaeton, en slijmerig gladde en huilerig gezongen ballades waarin heel vaak het woord “corazon” (hart) voorkomt.
Om twee uur zijn we in Canoa, een vissersdorp dat in de reisgidsen geroemd wordt om z’n ontspannen karakter. “Een slaperig dorp met een hart van goud” noemt Lonely Planet het. In datzelfde boek heeft Linda weer een hostel gevonden dat we wel eens willen bekijken, Casa Shangri-La. We vragen wat rond, maar niemand lijkt echt te weten waar het te vinden is. Als we dan eenmaal enigszins de goede richting in lopen worden we aangesproken door een Britse vrouw die toevallig ook in Casa Shangri-La verblijft. We kunnen wel even met haar mee lopen. Het hostel blijkt een stukje buiten het dorp te zitten, al is het nog altijd maar een minuut of vijf lopen van het centrum.
We zijn direct erg gecharmeerd van dit hostel. Het heeft een ruime tuin vol tropische bomen en planten, er is een klein maar mooi zwembadje en een bar die er gezellig uitziet. Als we de boomlange Nederlandse eigenaar vragen of hij nog tweepersoonskamers heeft blijkt dat niet zo te zijn, maar hij heeft wel een hele mooie, ruime vijfpersoonskamer voor $12,50 per persoon per nacht. Dat is maar een beetje meer dan wat we gewend zijn om voor een tweepersoons kamer te betalen, dus nemen we deze.
Met de equatoriale zon fel brandend boven ons lopen we even later het dorpje weer in. Het is er druk en gezellig en het plaatsje is absoluut een stuk aantrekkelijker dan Puerto Lopez. We leveren onze vuile was in bij een wasserijtje en zoeken daarna een tentje op waar we kunnen gaan lunchen. We bestellen elk een tortilla, moeten daarop maar liefst drie kwartier wachten, en krijgen uiteindelijk gewone omeletten. We lopen een stukje over het fraaie, witte en momenteel drukke zandstrand en gaan daarna weer even terug naar het hostel.
Om zes uur loop ik even terug naar het wasserijtje, omdat rond deze tijd onze was klaar zou moeten zijn. Alsof het de normaalste zaak is krijg ik te horen: “De was is niet klaar omdat het druk was. We komen het morgen wel brengen”. Canoa is “laid-back”, dat blijkt.
Later op de avond gaan we het centrum in om ergens wat te gaan eten. Het is er een drukte van belang en in de charmante, schemerige bars, restaurantjes en strandtentjes aan de zandweg die langs het strand loopt is het erg gezellig. Het schijnt dat dit voor veel Ecuadorianen het laatste weekend van hun vakantie is, dus wil iedereen er nog wel even wat van maken.
We komen langs een barretje dat Beach Boys Bar heet. Ze gebruiken het officiële logo van The Beach Boys als hun eigen logo en de houten deuren van het bescheiden gebouwtje zijn prachtig beschilderd met de hoesafbeeldingen van de verzamelalbums ‘Sunshine Dream’ en ‘Summer Love Songs’. Aangezien ik al jaren een enorme Beach Boys-fan ben moet ik hier uiteraard even naar binnen. Dat er geen Beach Boys gedraaid wordt maar reggae (hoofdzakelijk UB40) en dat de Cuba Libres die we bestellen nogal slap smaken mag de pret niet drukken.

Ecuador(562)
Als we ’s avonds in bed liggen en in de verte het lawaai vanuit het nog volop feestelijke centrum horen begrijpen we ineens waarom dit hostel een stukje buiten het dorp staat.

Dag 13: 30 augustus 2015 – Een luie dag in Canoa
We hebben vandaag een “vrije dag” genomen en dat blijkt een goede keuze te zijn geweest. Het is erg lekker warm en de lucht is felblauw. Jeroen, de uit Gouda afkomstige eigenaar van het hostel, is erg verheugd met dit weer. Volgens hem is het in deze tijd van het jaar meestal bewolkt en een stuk frisser hier.
We lopen naar het dorp, nemen maar weer een continental breakfast en gaan dan naar een internetcafé. De enige thuiswedstrijd van PSV die Linda en ik, allebei seizoenkaarthouders, tijdens onze vakantie moeten missen is uitgerekend de topper tegen Feyenoord. Jammer maar helaas, dan kijken we ‘m hier wel. We nestelen ons samen achter een computer en volgen de wedstrijd via een bij vlagen hevig haperende stream. PSV wint met 3-1.
Met een nu zo mogelijk nóg zonniger humeur lopen we nog een stukje over het strand en dan terug naar het hostel. Daar nemen we nog even een duik in het zwembadje om daarna met een boek langs het water te gaan liggen, tussen de palmbomen, met een koud drankje. Jeroen pakt zijn zaken relaxt aan. Zijn bar is bijna altijd onbemand, je mag zelf pakken wat je wil uit de koelkast vol met bier en frisdrank en hij vertrouwt erop dat je netjes zelf bijhoudt wat je gedronken hebt en dat je dat afrekent bij het uitchecken. Uiteraard doen we dat ook.

Ecuador(586)

We hebben het hier zo goed naar onze zin dat we, eigenlijk tegen ons eigen reisprincipe in, morgen nog een vrij dagje in Canoa gaan nemen. We hebben op een rijtje gezet wat we verder nog willen doen in Ecuador en daarbij is gebleken dat we één dag overhouden. En waar kun je die dan beter besteden dan hier?
Wat later in de middag gaan we in het centrum lunchen bij Surf Shak, een erg gezellig tentje in een houten gebouwtje dat als één van de weinig horecagelegenheden hier volledig gericht is op westerse toeristen. Er staat een vegetarische burger op de kaart, die wil ik uiteraard wel even proberen. Net als mijn vorige Ecuadoriaanse burger blijkt hetgeen dat op mijn broodje zit meer een groentenprakje dan een echte burger te zijn. En vreemd genoeg krijg ik mijn bier nu niet in een fles, maar in een grote plastic koffiekop.
Als we ’s avonds weer ergens wat willen gaan drinken blijkt dat niet te gaan. Vorige week hebben we er niets van gemerkt, maar we vernemen nu dat er in Ecuador een wet is die zegt dat er op zondag geen alcohol verkocht mag worden. Dat verklaart meteen waarom ik vanmiddag bij de Surf Shak een “vermomd” biertje kreeg. Ik weet niet of het komt door deze wet, of omdat veel Ecuadorianen morgen weer moeten gaan werken, maar het centrum van Canoa is vanavond vrijwel uitgestorven. Bijna alles is dicht en er zijn weinig mensen.
We gaan in een zijstraatje naar een heel klein restaurantje. Er is plaats voor hooguit een tafel of drie en aan één van de tafels zit de opa van de familie die het restaurant runt het journaal te kijken.

Dag 14: 31 augustus 2015 – Een verspilde dag in Canoa
De beslissing om nog een extra dagje in Canoa te blijven pakt verkeerd uit. Het is op deze ochtend grijs, bewolkt en het miezert voortdurend. Terwijl we door de nu erg kalme straten van Canoa lopen lijkt het wel alsof de zomer die hier eergisteren nog in alle hevigheid gevierd werd plotseling voorbij is. Het is een beetje deprimerend.
We lopen na maar weer eens een continental breakfast over de zandweg aan het strand, totdat de lange rij barretjes, restaurants en hostels ophoudt. Even overwegen we nog om zo meteen alsnog uit te gaan checken en de bus naar onze volgende bestemming te nemen. Uiteindelijk besluiten we dat toch maar niet te gaan doen. Wel gaan we in het internetcafé alvast een hostel boeken voor morgen.
De middag komen we door met wat pootjebaden in zee, met lezen op het overdekte terras van het hostel en een middagdutje in onze kamer.
’s Avonds gaan we weer naar de Surf Shak, wellicht één van de weinige tentjes in Canoa waarin het nu wel heel gezellig en druk is. Het lijkt wel alsof alle westerse backpackers zich hier verzamelen. Er wordt classic rock gedraaid en aan een tafel wordt gepokerd. Enkele oude mannen die hier tot het meubilair lijken te behoren (ze zaten er elke keer dat we tot nu toe in de Surf Shak waren of er voorbij liepen) zitten te ouwehoeren onder het genot van hun zoveelste grote fles bier. Het is van zes tot acht happy hour, wat wil zeggen dat je twee cocktails krijgt voor drie dollar. Daar maken we na het eten maar eventjes gebruik van en we bestellen Cuba Libres. We krijgen de vraag of we er gewoon twee willen, of misschien elk een dubbele? We kiezen voor dat laatste en krijgen even later twee plastic bekers van een halve liter.
Daarna gaan we terug naar het eenvoudige restaurantje van gisteren, waar ze goede en goedkope pizza’s hebben. We verwachten dat we morgen tijdens onze volgende reisdag niet echt in de gelegenheid zullen zijn om te ontbijten en lunchen, dus bestellen we één pizza die we in laten pakken, om morgen in de bus koud op te kunnen eten.
Terug bij ons hostel gaan we alvast afrekenen. Jeroen, de eigenaar, blijft nog een tijdje bij ons zitten om een praatje te maken. Hij praat honderduit over zijn belevenissen als hosteleigenaar, wat hij hier al zeven en een half jaar is. Hij vertelt over een Nederlandse man die hier eens elf weken verbleef, zo goed bevriend raakte met Jeroen dat die hem zelfs 1.100 dollar leende en die op een dag ineens vertrokken was en nooit meer iets van zich liet horen. Over twee backpacksters die het hostel eens twee weken draaiend hielden en zogenaamd alleen inkomsten hadden van mensen die één nacht waren blijven slapen (terwijl een buurman zeker wist dat er gasten waren die een hele week gebleven waren). Over wat hij mist aan Nederland (shag en oude kaas) en wat juist niet (dat alles zo duur is). Tussendoor komt zijn enorme zwarte hond even bij ons aan de bar staan. Als hij rechtop staat is hij bijna net zo lang als een gemiddeld mens.
Ons programma voor de rest van de reis staat nu vast. We gaan morgen terug naar Quito, de stad waarin we twee weken geleden aankwamen. Van daaruit gaan we overmorgen een bezoekje brengen aan het zogenaamde Mitad del Mundo. Een dag later vertrekken we dan naar Otavalo, waar we waarschijnlijk drie nachtjes zullen blijven. Dan keren we andermaal terug naar Quito waar we dan nog één keer slapen, om op de avond van maandag 7 september vanuit die stad naar Atlanta te vliegen. We hebben daar dan een overstaptijd van twaalf uur, die we willen benutten om de stad in te gaan. En over een dikke week zijn we dan weer thuis.
’s Avonds op de kamer lees ik mijn derde boek uit, ‘The Wrath of Angels’ van John Connolly.

Dag 15: 1 september 2015 – Van Canoa terug naar Quito
Iets voor zeven uur laten we ons mooiste hostel van deze reis voor de laatste keer achter ons en lopen we naar het dorp. Bij de opstapplaats voor bussen (een echt busstation hebben ze hier niet) kunnen we direct in een bus naar Pedernales stappen. Het is een betrekkelijk duur ritje, $3,50 per persoon, terwijl een busrit hier doorgaans ongeveer een dollar per uur kost en het maar twee uur is naar Pedernales. De rit daar naartoe is prachtig. Er is veel groen en regelmatig zien we de oceaan nog even. Vlak voordat we op onze eerste bestemming van vandaag zijn passeren we ongemerkt de evenaar, waar Pedernales een klein stukje boven ligt.
Op het lelijke, aftandse busstationnetje in Pedernales zijn we net op tijd om de laatste twee kaartjes voor de eerstvolgende bus naar Quito te kopen, waar we $8,50 per persoon voor betalen. Zoals de prijs al duidelijk maakt: dit gaat een lange rit worden.
Terwijl we terug het Andesgebergte inrijden merkt Linda dat de grote witte juten zak die onder de stoel van de vrouw voor haar ligt steeds meer haar kant op komt en lijkt te bewegen. Niet veel later zien we ineens de kop van een levende kip door een gat in de zak steken. Een tweede kip steekt haar snavel door een ander gat en probeert zich ook naar buiten te wurmen. We vragen even aan de mensen voor ons of ze alstublieft die zak even bij zich willen houden. Ze doen dat, maar aan de blikken op hun gezichten is duidelijk te zien dat ze niet begrijpen wat het probleem is.
Om drie uur zijn we na een rit van een kleine zes uur terug op vertrouwd grondgebied, in de hoofdstad Quito. We staan nu op het moderne busstation Quitumbe, waar een kleine twee weken geleden nog deze stad achter ons lieten door de bus naar Baños te nemen. We nemen een overvolle metrobus naar het centrum. Terwijl in de lange afstandsbussen alleen maar Spaanstalige muziek gedraaid wordt, hoor je in stadsbussen vaak wel westerse popmuziek. Maar het opmerkelijke is dat als je hier ergens zulke muziek hoort, dat het dan vrijwel uitsluiten hits uit de jaren tachtig zijn.
Om half vijf zijn we eindelijk in ons nieuwe hostel, Posada Colonial. We worden ontvangen door een sympathieke, ietwat verlegen man. We hebben nu een eenvoudige kamer zonder eigen toilet of badkamer in een mooi en net koloniaal hostel, met karakteristieke zware houten vloeren en piepende oude deuren. De locatie kan bovendien nauwelijks beter. We zitten op vijf minuutjes lopen van het centrale plein van de stad, op een steenworp van het Plaza Santo Domingo en de gelijknamige zeventiende-eeuwse kerk, en slechts tientallen meters van het begin van het beroemde uitgaansstraatje La Ronda. We merken meteen dat het hier weer heel wat frisser is dan aan de kust. In Canoa hadden we ’s nachts een ventilator aan staan, hier kunnen we weer onder onze dekens gaan kruipen.
Na het inchecken gaan we de stad weer even in en lopen over het Plaza de la Independencia, het centrale plein van de stad, dat twee weken geleden nog één van de eerste bezienswaardigheden was die we zagen van Ecuador. De vele hekken en politieagenten die hier destijds stonden zijn er nu niet meer. Aan het plein staat een groot, fraai VVV-kantoor. Daar gaan we even informeren naar trips naar de Mitad del Mundo, waar we morgen naartoe willen. De eerste vrouw die we aanspreken blijkt echter nauwelijks Engels te spreken. Toch opmerkelijk dat dit blijkbaar niet gezien wordt als een vereiste voor iemand die werkt bij misschien wel het belangrijkste toeristenbureau van het hele land. Uiteindelijk komen we te weten dat, we hadden het eigenlijk al een beetje verwacht, een georganiseerde excursie daar naartoe $45 kost. Wederom gaan we het dus maar weer op eigen houtje doen.
Na het eten bij Pizza SA, een Italiaans restaurant waar ze helaas de gewoonte hebben om veel te veel zout op al hun eten te gooien, zoeken we na een pittige reisdag onze kamer weer op. ’s Avonds lopen we nog even naar het dakterras van het hostel. Vanaf daar heb je, zeker in het donker, een prachtig uitzicht over de stad. We kijken uit op vier volgebouwde heuvels die nu een golvende zee van lichtjes vormen. We kunnen het grote gevleugelde Mariabeeld op één van de heuvels zien en het topje van de Santa Domingo.

Ecuador(603)

Dag 16: 2 september 2015 – De evenaar en de krater Pululahua
Ik ben pas om half acht wakker, een record. Tijdens deze reis ben ik meestal al ergens tussen vijf en zes klaarwakker. Het is heerlijk weer vandaag en de lucht is grotendeels blauw. Bij een bakkerijtje vlakbij ga ik wat broodjes halen om op te eten op het dakterras. Voor $1,40 heb ik twee kaasbroodjes en twee chocoladebroodjes. Helaas blijkt wederom dat ze in Ecuador over het algemeen niet zo heel goed zijn in het maken van brood of broodjes. Het smaakt sowieso nooit echt heel vers. De broodjes die we nu hebben zijn bovendien echt niet lekker. Er zit meer suiker (!) op de kaasbroodjes dan dat er kaas inzit en de chocoladebroodjes smaken zonder overdrijven naar taai taai. Ik zou inmiddels best wat overhebben voor een goede, verse boterham met Nederlandse kaas.
We gaan vandaag dus op eigen houtje naar Mitad del Mundo. We lopen naar busstation La Marin en nemen voor 25 cent de metrobus naar één van de grotere busterminals van de stad, het noordelijk gelegen Ofelia. Daar stappen we over op een bus naar Cuidad Mitad del Mundo, waar we zelfs maar 15 cent per persoon voor hoeven betalen. Wederom vragen we ons af waar mensen in hemelsnaam die $45 voor een georganiseerde tour daar naartoe betalen.
Binnen een half uur zijn we bij Mitad del Mundo. We worden direct heel vriendelijk ontvangen door twee agenten van de toeristenpolitie, die ons gratis een plattegrond van Ecuador en eentje van Quito aanbieden. We lopen naar een loket, waar verschillende soorten entreekaartjes voor de “stad” te koop zijn. Je kunt voor een paar dollar een paar onderdelen ervan bezoeken, of je kunt voor $7,50 een “full pass” kopen. Wij doen dat laatste.
Mitad del Mundo (Spaans voor Midden van de Wereld) is een soort themapark dat geheel in het teken staat van de evenaar en dat er uitziet als een dorpje. Het is echter niet bewoond, in de vrolijk gekleurde huisjes zitten talloze souvenirshops, barretjes en restaurants. Daarnaast is er een rij wat grotere grijze gebouwen, waarin verschillende museumpjes gevestigd zijn. Middelpunt van het park is een groot monument met bovenop een stenen wereldbol, dat precies op de evenaar staat. Althans, dat is wat de toeristen maar moeten geloven. Jaren geleden is gebleken dat de evenaar eigenlijk 240 meter verderop ligt, maar dat wordt hier uiteraard stil gehouden. Wij willen het spelletje wel meespelen, je kunt nou eenmaal leuke foto’s maken bij de gele lijn die de evenaar aan zou moeten duiden, met het grote monument op de achtergrond.

Ecuador(611)
Het monument is een gebouw, zo zien we als we dichterbij komen. We gaan naar binnen en treffen een lift, waarmee we naar boven gaan. Daar heb je een leuk uitzicht over het park en de bergen er omheen. We gaan met de trap naar beneden en dan blijkt dat in dit monument een museum zit.
Na wat souvenirs te hebben gekocht zoeken we een restaurant op, waar we gaan lunchen. Daarna bezoeken we nog enkele musea, maar daarin is niet heel veel meer te zien dan wat foto’s en aangeklede poppen. Het enige museumpje dat we zien dat wel de moeite waard is herbergt een enorme maquette van het historische centrum van Quito en een wat kleinere maquette van Cuenca.
Eenmaal buiten het park pinnen we weer driehonderd dollar. Bij het pinautomaat vragen we aan een agent hoe we bij Catequilla kunnen komen. Hij legt uit dat we dan het beste één van de wit met groene pickup-trucks aan kunnen houden die hier dienst doen als taxi’s.
Catequilla is geen toeristische trekpleister. De archeologische site schijnt er verlaten bij te liggen. Je zult er weinig of niets over vinden in reisgidsen. Toch willen we er, nu we hier toch zijn, wel even naartoe. Alhoewel het monument van het moderne Mitad del Mundo dus 240 van de evenaar af blijkt te staan, staat een bescheiden monumentje dat de voorlopers van de Inca’s omstreeks het jaar 800 bouwden opmerkelijk genoeg wél exact op de evenaar.
We houden een taxi aan en vragen aan de chauffeur of die ons naar Catequilla kan brengen. Hij knikt, zegt het dat twee dollar kost en we stappen in. Na een tijdje rijden stopt de chauffeur in een dorpje: Catequilla. We leggen uit dat we niet in het dorpje Catequilla moeten zijn, maar bij de archeologische site met dezelfde naam. We zien aan de ietwat twijfelende blik van de man dat dit bepaald geen bestemming is waar vaak om gevraagd wordt. Maar na even piekeren lijkt hij te begrijpen wat we bedoelen. Voor drie dollar extra zal hij ons er naartoe brengen. Het ritje dat dan volgt is redelijk spannend. We blijven maar klimmen en rijden over een smal weggetje van los zand, met links van ons een flinke afgrond. Na enige tijd komen we bij een stuk weg dat zo steil is dat we door het losse zand niet verder kunnen. De chauffeur probeert nog wel even om verder te rijden, maar we slippen meteen weer omlaag. Dus wat nu? We stappen uit en zien een heuvel voor ons. Daar zou het monument best eens op kunnen staan, denken we. Het zou wel nog een flinke klim zijn. Als we aanstalten maken om er naartoe te lopen, protesteert de taxichauffeur. We proberen hem duidelijk te maken dat we willen dat hij hier op ons blijft wachten, maar hij spreekt geen Engels en wij spreken geen Spaans, en sowieso maakt hij niet de indruk dat hij zin heeft om hier een half uurtje zijn tijd te gaan verdoen. Omdat we nu te ver van de bewoonde wereld zitten om de terugweg te voet te gaan ondernemen leggen we ons er maar bij neer dat het niet gaat lukken om bij Catequilla te komen. We maken dan maar wat foto’s van het uitzicht vanaf deze berg en stappen dan weer in de taxi. Als we even later uitstappen geef ik de taxichauffeur een biljet van tien dollar. Het verwachte wisselgeld krijg ik echter niet. Meneer heeft ineens bedacht dat het vijf dollar voor de heen- en vijf dollar voor de terugweg was. Grapjas. We weten toch vrij zeker dat vooraf afgesproken is dat het vijf dollar voor een retourtje was, maar we accepteren het maar.
Onze laatste bestemming voordat we weer terugkeren naar Quito is Pululagua (ook wel geschreven als Pululahua). Hiervoor maken we weer een kort busritje, waarna we nog een stuk moeten lopen. De Pululagua was ooit een machtige vulkaan, met één van de grootste kraters op aarde. Door een uitbarsting zo’n 2.500 jaar geleden werd een flink deel van het huidige Ecuador bedolven onder een laag as, met desastreuze gevolgen voor de mensen die er destijds leefden en hun culturen. Vandaag de dag is de vijf kilometer brede en vierhonderd meter diepe krater van de inmiddels dode vulkaan echter nauwelijks nog als dusdanig te herkennen. Het ziet er eerder uit als een ietwat vreemd gevormd dal. En in dat groene, erg vruchtbare dal zijn tegenwoordig boerderijtjes gevestigd. Het is daarmee één van de slechts twee bewoonde vulkaankraters op aarde.

Ecuador(631)

Na ons bezoek aan de Pululagua gaan we vlakbij lunchen, om daarna weer een bus terug naar Mitad del Mundo te nemen. Daar pakken we weer een bus naar busstation Ofelia in Quito. Voordat we teruggaan naar ons hostel hebben we vlakbij het busstation nog wat te regelen. Aan de andere kant van de weg staat namelijk het Estadio de Liga Deportiva Universitaria, bijgenaamd Casa Blanca, het stadion van voetbalclub LDU Quito. En deze club zal aanstaande zondag de topper spelen tegen Barcelona SC en daar willen we gaan bij zijn. Het zou dus wel fijn zijn als we daar alvast kaartjes voor zouden kunnen kopen. We lopen een rondje rond het grote stadion, er kunnen ruim 55.000 mensen in, maar het blijkt hermetisch afgesloten te zijn. We weten de aandacht te trekken van een bewaker en vragen hem wanneer de kaartverkoop begint. Schijnbaar in het weekend pas. Onverrichtter zake nemen we de metrobus naar La Marin weer. Om half zes zijn we terug in het hostel.
’s Avonds lopen we het gezellige, sfeervolle uitgaansstraatje La Ronda in. Er zitten hier veel restaurants, maar die zijn door de week lang niet allemaal open. Bovendien is het aantal vegetarische gerechten dat we op de menukaarten zien staan bedroevend. Uiteindelijk worden we bij restaurant La Primera Casa (dat helemaal aan het begin, of vanuit ons hostel gezien helemaal op het einde, van La Ronda zit) aangesproken door een man die wel een paar vegetarische opties voor ons heeft. Hij blijkt een eigen cafetaria genaamd Umami te runnen in een soort achterkamertje van het restaurant. Hij heeft slechts vier gerechten in de aanbieding: pizza, rosbief, nacho’s en een vegetarisch broodje, maar ik wil dat broodje wel proberen en Linda neemt de nacho’s. We hebben aanvankelijk nog onze twijfels als de man en vrouw die het cafetaria runnen onzeker staan te stuntelen alsof we hun allereerste klanten zijn, maar het broodje dat ik wat later krijg is echt meer dan uitstekend. Zelden zo’n goed broodje gehad.
Na het diner gaan we het Plaza San Francisco nog even in het donker bekijken. Het historische plein ligt er mooi bij, maar wordt op dit tijdstip wel hoofdzakelijk bevolkt door dronkenlappen. Sowieso zie je die ’s avonds behoorlijk veel in het centrum van Quito. Na een tijdje komen er een stuk of acht motoragenten aan die met veel machtsvertoon een hartig woordje komen wisselen met iedereen die er uitziet als een zwerver.

Dag 17: 3 september 2015 – Van Quito naar Otavalo en het Condor Park
Ik heb waardeloos geslapen omdat er ’s nachts regelmatig een hard, klappend geluid te horen was, alsof er ergens een deur met kracht dichtgeslagen werd. Ik ben rond een uur of drie nog even wat rond gaan dolen om de bron van het geluid te vinden, maar tevergeefs.
Vroeg in de ochtend lopen we compleet met onze dagrugzakken en backpacks weer naar busstation La Marin. We proppen ons weer in een overvolle bus (overdag is sowieso bijna elke bus in het centrum van Quito overvol), wat met die tassen geen pretje is. We stappen uit bij busstation La Y, waar we volgens zowel de Lonely Planet als de eigenaar van ons hostel over moeten stappen op een bus naar busterminal Carcelen. Als we bij La Y echter vragen naar het hoe en wat voor deze overstap, komt dan vrouw in het kaartjeshokje niet verder dan het steeds maar weer roepen van een woord of een naam die we niet thuis kunnen brengen. We begrijpen er even niets van en stappen uiteindelijk maar in de eerstvolgende bus naar Ofelia. En vanaf daar blijken we met een kort busritje alsnog naar Carcelen te kunnen komen. Op dat busstation kopen we voor $2,50 per persoon twee kaartjes naar Otavalo. Tien minuten later vertrekt onze volgende bus.
Om half elf zijn we in Otavalo, een stadje met 90.000 inwoners iets ten noorden van Quito, dat omringd wordt door de vulkanen Imbabura, Cotacachi en Mojanda. Deze plaats wordt hoofdzakelijk bevolkt wordt door Otavalo-indianen, die er aardig in geslaagd zijn om hun identiteit en cultuur te behouden. Heel veel vrouwen lopen hier nog in de traditionele klederdracht (witte geborduurde blouses, zwarte rokken, een hoedje of hoofddoekje) en zowel mannen als vrouwen hebben vaak een lange vlecht in het haar. Ook opvallend is dat de mensen hier overwegend vrij klein zijn. Met name de bejaarden komen niet zelden maar amper boven mijn navel uit, terwijl ik met mijn 1 meter 82 ook niet echt een reus ben.
We gaan even kijken bij Hostel Runa Pacha, dat we weer in de Lonely Planet hebben gevonden en dat op enkele minuten lopen van zowel het busstation als het centrum van het stadje staat. We bekijken twee kamers. De eerste is ruim, heeft twee tweepersoons bedden, ramen, een balkon en een eigen badkamer. De tweede is een piepklein, somber hok zonder ramen en met maar één bed. De eerste kamer kost negen dollar per persoon, de tweede zeven. Dat is dus geen moeilijke keuze, we nemen de eerste. Er is wel één “maar”: omdat er dit weekend één of ander festival schijnt te worden gehouden, stijgen de prijzen dan van respectievelijk zeven en negen dollar naar negen en twaalf.
We lopen het stadje in en vinden een vegetarisch restaurantje, waar we een sandwich eten. Daarna gaan we het centrum verder verkennen. Otavalo is een leuk, gezellig stadje. De straten liggen er mooi, fleurig en verzorgd bij en alhoewel je veel traditie terugziet in met name de kleding van de mensen zijn er opvallend veel westerse shops die niet zouden misstaan in een Nederlands winkelcentrum. Er is een mooi, gezellig pleintje dat me een beetje doet denken aan het pleintje uit de film ‘Back to the Future’ (maar dan met een Zuid-Amerikaanse twist, uiteraard), inclusief klokkentoren. Op het marktplein worden in kraampjes stoffen, kleding en handgemaakte souvenirs aangeboden. Het is hier elke dag markt, maar op zaterdag is de markt nog veel groter dan op andere dagen. Mensen komen daarvoor van heinde en verre naar Otavalo.
Zomaar een aantal dingen die me op zijn gevallen na twee en een halve week in Ecuador: Er wordt op straat heel weinig gerookt. Wel worden er ontzettend veel ijsjes gegeten, ook als het niet eens zo heel warm is. Als je ergens vertrekt dan wordt hier meestal niet het Spaanse woord “adios” gebruikt, maar het Italiaanse “ciao”. Heel veel mensen hebben lelijke, amateuristische tattoo’s op hun handen en onderarmen. En alhoewel Ecuadorianen over het algemeen heel vriendelijk en behulpzaam zijn, is het hier niet heel ongebruikelijk om schaamteloos en opzichtig voor te dringen in rijen. En klokken geven in Ecuador vrijwel nooit de juiste tijd aan.
We gaan het plaatselijke VVV-kantoortje in en krijgen nu zowaar een man te spreken die buitengewoon goed Engels spreekt en uitgebreid de tijd neemt om ons te vertellen wat we hier zoal kunnen doen. Hij doet een suggestie: we kunnen ons vandaag met een taxi naar het Condor Park laten brengen en dan te voet terug naar de stad gaan en voor morgen kunnen we dan een wat grotere excursie boeken. Dat vinden we een prima plan en zo gaan we het dan ook doen.
Even verderop gaan we een tourbureau in en laten we ons informeren over wat we morgen zouden kunnen gaan doen. We kiezen uiteindelijk, voor veertig dollar per persoon, een zeven uur durende tour door de omgeving, waarbij we onder anderen enkele meren, een waterval en wat traditionele werkplaatsen te zien zullen krijgen.
We gaan nog eventjes naar onze kamer en gaan daarna de straat weer op om een taxi aan te houden. Voor vier dollar laten we ons naar El Lechero brengen, een boom die op zo’n vier kilometer van de stad op een heuveltje staat. Volgens een plaatselijke legende heeft deze boom helende krachten, maar zelfs als dat niet helemaal zou kloppen, dan is een bezoekje hieraan toch de moeite waard. Vanaf het heuveltje heb je een fraai uitzicht over onder meer het meer van San Pablo, de stad Otravalo en twee vulkanen.
We lopen nog een kilometer verder, naar het Parque Cóndor. Bij de ingang betalen we $4,75 per persoon en lopen dan een rondje door het verder uitgestorven vogelpark. In ruime kooien zijn adelaars, valken en haviken te zien. Even verderop zitten de uilen, die elk een klein spookslot-achtig gebouwtje in hun kooi hebben. Pronkstuk van het park is een enorme gier, die op een rots zit en regelmatig even met zijn gigantische vleugels (met een spanwijdte van een meter of drie) gespreid een rondje gaat wandelen. Terwijl we rondlopen zien we geen enkele andere bezoeker. Na alles in het park te hebben gezien kopen we een drankje en gaan we even op een bankje zitten, waar we een prachtig uitzicht hebben op de vulkaan Imbabura. We wachten nog even tot half vier, wanneer de vogelshow zal beginnen.

Ecuador(687)
Als we een paar minuten voor aanvang nog steeds helemaal alleen zitten op één van de stenen bankjes in het kleine openluchttheatertje vrezen we eventjes dat de valkenier straks voor ons alleen zijn show op zal moeten voeren, maar gelukkig komen er op het laatste moment nog wat meer mensen bij. De show valt vervolgens wat tegen. De man laat een paar vogels zien waar hij wat over vertelt, maar slechts één vogel laat hij wat rondjes vliegen boven het diepe dal dat direct achter het theatertje ligt. Aan het einde van de voorstelling van een half uurtje mag iedereen die dat wil nog even poseren met een kleinere roofvogel.
We gaan te voet terug naar Otavalo en dat blijkt aan te raden. Met vijf kilometer is het geen zware afstand en bovendien is het een hele mooie route over een kasseienweggetje, tussen akkertjes door, langs paarse velden vol lupine, met onderweg hele fraaie uitzichten op de stadjes en het meer in de dalen om je heen. Iedereen die we tegenkomen groet ons vriendelijk.

Ecuador(662)

Rond etenstijd zijn we weer in het centrum van het stadje. We gaan meteen op zoek naar een restaurantje en vinden een Italiaans restaurant dat gerund wordt door een oude, nogal assertieve Amerikaanse vrouw met een belachelijk zwaar zuidelijk accent. Uit de boxen komt nostalgische Amerikaanse muziek uit de jaren vijftig en zestig, met tussendoor één hele vreemde eend in de bijt: ‘We Are the World’ van USA For Africa.
De eigenaar van ons hostel, een Indiaanse man met een lange vlecht en een traditioneel hoedje, heeft tevens een winkeltje, dat naast het hostel zit. Hij verkoopt daar opmerkelijk genoeg zowel drankjes en snacks als kinderschoenen. Voordat we naar de kamer gaan doen we bij hem wat boodschappen.
Op de kamer stop ik met het lezen van het in Cuenca gekochte boek ‘Ghost Moon’, dat echt te slecht is om doorheen te komen. Ik stap over op de biografie ‘Jim Morrison: Life, Death, Legend’.

Dag 18: 4 september 2015 – Rondrit door de omgeving van Otavalo en de Fiestas de Yamor
’s Ochtends zien we vanaf ons balkon de besneeuwde top van de vulkaan Cotacachi, die tot dusver steeds verstopt zat achter wolken. We gaan om acht uur de straat op om ergens te ontbijten, maar dat blijkt nog niet mee te vallen. Bijna alles is nog dicht, zelfs de tentjes die adverteren met ontbijt. Uiteindelijk vinden we een ijssalon waar je ook kunt ontbijten. We gaan weer terug naar het hostel, waar we de eigenaar treffen. We willen alvast betalen voor de komende nacht. We hoeven bij nader inzien toch niet het “festivaltarief” van twaalf dollar per persoon te betalen, negen dollar vind hij wel genoeg. Toch sympathiek, we waren immers al akkoord gegaan met die twaalf dollar.
Als we om negen uur naar buiten gaan worden we aangesproken door een jonge man met een vlecht en een petje. Hij stelt zich voor als Diego en is onze gids voor de tour die we geboekt hebben. We blijken de enigen te zijn die zich voor vandaag in hebben geschreven. Even later komt de personenauto aangereden waarmee we de tour zullen maken. We hebben dus voor veertig dollar per persoon de hele dag lang een privé-gids en een -chauffeur. Diego spreekt redelijk Engels, maar al snel blijkt hij wat minder goed te zijn in het verstaan van die taal. Als we iets tegen hem zeggen dan lijkt dat meestal niet echt tot hem door te dringen. Maar hij is vriendelijk en doet zijn best.
We beginnen de tocht met een klim over hetzelfde weggetje dat we gisteren te voet afgedaald zijn. Onderweg stoppen we voor een uitzicht over de stad, dat we dus al gezien hebben. De volgende stop is bij een huisje in een dorpje even voorbij Otavalo. In een kamertje met kale, betonnen muren zitten twee vrouwen in klederdracht gedroogde stengels riet te vlechten. Ze zijn momenteel matten aan het maken. Diego vertelt dat ze naast matten ook onder meer mandjes en kleine roeibootjes kunnen maken. Dit werk is geen vetpot: de vrouwen doen drie uur over een klein matje dat verkocht wordt voor vijf dollar. In een hoek staat een kastje met enkele kleinere werkstukken van riet en we begrijpen natuurlijk meteen dat het op prijs gesteld zou worden als we daar iets van kopen. Voor $2,50 koopt Linda een rieten mandje.

Ecuador(736)
De volgende stop is bij het meer van San Pablo. We hebben dat gisteren tijdens onze wandeling al van bovenaf gezien, nu rijden we naar de oever en lopen we over de houten pier, die geflankeerd wordt door twee vervallen gebouwtjes die lang geleden achter zijn gelaten. We komen daarna door een heel mooi bosrijk gebied en rijden langs een beekje waarin vrouwen de was aan het doen zijn. Dan komen we bij de Peguchewaterval. Die bevindt zich in een paradijselijk groen dal met enorm hoge, eeuwenoude bomen waar kabbelende beekjes tussendoor stromen. Het heerlijke zonnige weer maakt het idyllische plaatje helemaal af.
De volgende plek waar we met onze gids en chauffeur naartoe gaan is het huis van een vriendelijk stel dat samen muziekinstrumenten maakt (terwijl hun dochtertje vrolijk door het huis rent met een grote roze bril en een roze dokterssetje). Van bamboe maken ze allerlei soorten (pan)fluiten. Ze laten even zien hoe ze de bamboe bijslijpen en vervolgens samenbinden om er een panfluitje van te maken. Daarna geven ze voor ons een kort optreden. Met fluit, percussie en harp spelen ze drie traditionele liedjes. Ze vertellen vervolgens dat ze gratis muziekles geven aan de plaatselijke kinderen en vragen of we daarvoor een kleine bijdrage zouden willen geven, of dat we iets van ze willen kopen. Voor in totaal acht dollar kopen we een vogelfluitje en het panfluitje dat ze zojuist in ons bijzijn gemaakt hebben. Intussen valt het op dat de chauffeur zich net zoveel als een toerist gedraagt als wij. Hij kijkt overal zijn ogen uit en maakt volop foto’s.
In het stadje Cotacachi gaan we lunchen. In een restaurant krijgen we soep met onder meer maïs, banaan en kaas. Linda krijgt daarna een bord met gekookte aardappelen, groenten en een stuk vlees met bot, ik krijg een vegetarisch bordje rijst met groente. Intussen hebben we een onderwerp gevonden waar we de gids en de chauffeur volop over aan het praten krijgen: voetbal. Van PSV (of “pee see vee”, zoals zij het uitspreken) en Ajax hebben ze wel gehoord. Van Feyenoord niet. Dat we zondag naar LDU Quito – Barcelona SC willen gaan vinden ze leuk. Beide clubs hebben overigens niet hun voorkeur, LDU schijnt bekend te staan als de club voor de hogere klasse, Barcelona is vooral populair in het kustgebied.
Ik denk dat de tour wat sneller verloopt dan de bedoeling was, want Diego neemt ons na de lunch mee om even een blokje om te gaan lopen. Het is een behoorlijk loze wandeling en volgens mij zijn we gewoon tijd aan het rekken. Opvallend is dat in de winkelstraat waar we doorheen lopen vrijwel alleen maar lederwaren verkocht worden. Vervolgens moeten we nog een tijdje wachten bij de auto omdat de chauffeur blijkbaar een oude bekende tegen is gekomen.
We gaan naar de laatste stop van vandaag, bij het kratermeer Cuicocha (wat Kichwa is voor “meer van de cavia’s”). Dit drie kilometer lange meer ontstond door een vulkaanuitbarsting die zo’n 3.100 jaar geleden plaatsvond. In het meer, waarin bijna niets kan leven, liggen twee beboste eilandjes. We vinden het meer wel leuk vanaf de grond, maar willen het eigenlijk ook wel eens zien vanaf grotere hoogte. We vragen aan Diego of dat kan. Het blijkt geen probleem te zijn. We stappen weer in de auto en rijden naar een hoog gelegen uitzichtpunt, vanwaar we neerkijken op het meer en de eilandjes. De chauffeur maakt ook hier volop foto’s, vaak ook met ons erop. En hij en Diego vragen ook of ze even met ons mogen poseren. Het zal mij benieuwen of we over een tijdje volop te zien zijn op hun website of in een folder.

Ecuador(774)
Op de weg terug naar Otavalo zijn we getuige van een erg kolderiek schouwspel. Een klein boertje loopt met vier koeien over de weg, totdat één van de koeien ineens besluit om om te draaien en de andere kant in te lopen. Terwijl de overige drie koeien rustig blijven staan wachten sprint het boertje zo snel als zijn korte beentjes hem kunnen dragen achter de opstandige koe aan, die stug door blijft lopen.
Iets na drie uur zijn we na een dikke zes uur met onze twee begeleiders weer terug bij het hostel, waar we even naar de kamer gaan om weer bij te komen.
We blijken heel toevallig onze komst naar Otavalo goed uitgekiend te hebben. Uitgerekend vandaag is de eerste dag van de Fiestas del Yamor, wat hier hét grote lokale feest is. Dat wordt vanavond gevierd met een grote optocht. Vanochtend al stond het langs de route vol met keukenstoelen, krukjes, banken en plastic stoelen van mensen die zo alvast hun plekje geclaimd hebben. En vroeg in de avond is het erg druk in het centrum. Er staan al volop kraampjes waar bier verkocht worden en rondom het centrale plein staan tribunes.
Omdat het nog eventjes duurt voordat de optocht gaan beginnen, gaan we nog even wat eten bij een Italiaans restaurantje. Het duurt erg lang voordat we ons eten krijgen en voordat het zover is zien we een jongen met een rugzak snel naar buiten lopen en daarna weer terugkomen. We hebben een sterk vermoeden die hij er nog even op uit is gestuurd om wat ontbrekende ingrediënten te kopen. Wellicht dat hij wat kruiden vergeten is, want mijn lasagne smaak erg flauw. Als we betaald hebben duurt het ook weer heel lang voordat we ons wisselgeld krijgen. Tussendoor zien we dezelfde jongen snel naar buiten lopen en daarna weer terugkeren. Die is ongetwijfeld geld gaan wisselen.
Na het eten gaan we aan de straat staan. De mensen zitten en staan er al een paar rijen dik. Gelukkig zijn wij een stuk langer dan de meeste mensen hier en we kunnen bovendien op een drempel staan waardoor we alles prima kunnen gaan volgen. Intussen lopen verkopers van ballonnen, suikerspinnen, snoep en plastic krukjes af en aan.
Om zeven uur begint de optocht. Harmonieën en dansgroepen worden afgewisseld met praalwagens waarop schoonheidskoninginnen met geforceerde glimlachen naar het publiek zwaaien. De vrolijk swingende dansgroepen voeren de boventoon, ze komen uit alle stadjes en dorpen uit de omgeving. Het zijn er vele tientallen en de dansers variëren in leeftijd van een jaar of vier tot in de tachtig. Het eerste uur van de optocht is nog heel leuk, maar daarna begint het toch wat eentonig te worden. En het is zo druk dat wegkomen heel moeilijk is. Uiteindelijk duurt de hele parade niet minder dan twee en een half uur. Ik ben blij als we eindelijk weer weg kunnen.

Ecuador(809)
Als we terug zijn op onze kamer zien we door het raam nog heel lang een file voorbij trekken met mensen die op weg zijn terug naar huis. Intussen breekt een groot vuurwerk los in het centrum van de stad.

Dag 19: 5 september 2015 – De zaterdagmarkt in Otavalo en andermaal terug naar Quito
Om half acht gaan we de straat op, waar het al een drukte van belang is. De grote, beroemde zaterdagmarkt van Otavalo wordt opgebouwd. Intussen willen we nog even gaan ontbijten, maar wederom blijkt dat niet mee te vallen omdat er nog bijna niets open is. We vinden een bakkerijtje, waar we weer een continental breakfast kunnen krijgen. Hierna ben ik voorlopig wel even klaar met de continental breakfasts, ik kan voorlopig geen roerei meer zien.
Na het ontbijt is de markt open en gaan we er maar eens kijken. De markt is enorm en verdeeld in verschillende secties. In het ene gedeelte worden vooral kleding en schoenen verkocht, in het andere stoffen, elders vooral groente en fruit en in weer een ander stuk vind je vooral kleurige (handgemaakte) souvenirs. We kopen wat souvenirs voor onszelf en het thuisfront en Linda koopt voor dertig dollar een paar nieuwe All Stars-schoenen, waarvan we vrij zeker van dat ze echt zijn. Het blijkt maar weer dat we slecht kunnen acteren. Als we proberen om af te dingen krijgen we steeds maar één of twee dollar van de prijs af. Als we iets oprecht te duur vinden en écht weg willen lopen krijgen we echter makkelijk 50% van de prijs af. Na een uurtje of twee op de markt hebben we het wel gezien.

Ecuador(837)

We gaan nog even 250 dollar pinnen en keren dan terug naar onze kamer om onszelf klaar te maken voor de reis terug naar Quito zo meteen.
Iets voor elf uur staan we met onze bagage op het busstation. De juiste bus vinden is nu een makkie, we horen meteen een mannetje “Quito! Quito!” schreeuwen. Een paar minuten later zijn we onderweg. We hadden aanvankelijk bedacht dat we drie nachten in Otavalo zouden blijven, maar we gaan nu dus toch een halve dag eerder terug naar Quito, omdat daar morgen al aan het einde van de ochtend de wedstrijd LDU Quito – Barcelona begint.
Na een rit van ruim twee uur arriveren we voor de derde keer in Quito. Vanaf de busterminal nemen we weer een bus naar Ofelia, een voor ons inmiddels vertrouwd busstation. Na aankomst bij Ofelia gaan we andermaal naar het stadion dat in de volksmond bekend staat als Casa Blanca, we willen omdat we nu toch in de buurt zijn kaartjes kopen voor morgen. Het is rondom de voetbaltempel zo druk, dat het lijkt alsof er vandaag al gevoetbald gaat worden. Er zijn veel verkopers die shirtjes en andere soorten merchandise uit hebben gestald op de trottoirs. Opmerkelijk genoeg worden er net zoveel shirtjes van tegenstander Barcelona uit Guayaquil verkocht als van thuisploeg LDU Quito. Ik kan het me nauwelijks voorstellen dat dit in Nederland zo zou kunnen.
Het is dan ook niet verrassend dat voor de loketten waar de kaartjes verkocht worden lange rijen staan. We moeten ons met dagrugzakken en backpacks in het gedrang storten en dat is niet zo’n pretje. Er zijn drie soorten kaartjes te koop: “palco” voor dertig dollar, “tribuna” voor twaalf en “general” voor tien. We moeten een half uurtje wachten in de rij, terwijl het pal voor de neus van de vele aanwezige politieagenten wemelt van de verkopers van zwarte kaartjes, en kopen twee kaartjes van twaalf dollar. We zijn erbij morgen. Met de kaartjes op zak lopen we terug naar busstation Ofelia en nemen weer een overvolle bus naar La Marin. Dit is de laatste keer deze reis dat we met al onze bagage een bus in moeten.
Rond drie uur nemen we opnieuw ons intrek in hostel Posada Colonial. Ik ga nog even wat drankjes en ijsjes halen bij een winkeltje vlakbij, want na een paar uur non-stop staan met onze rugzakken en backpacks zijn we daar wel aan toe.
’s Avonds gaan we weer terug naar Umami, aan het einde (of begin) van La Ronda. Ik heb wel zin in nog een keer dat vegetarische broodje. We zijn nu voor het eerst op zaterdag in La Ronda en dat is te merken. Het straatje dat door de week doorgaans zo uitgestorven is bruist nu aan alle kanten. Het is er erg gezellig. Het pittoreske kasseienstraatje met koloniale gevels met bloemrijke balkonnetjes aan beide kanten ziet er nu nog leuker uit dan voorheen. Mocht je je overdag in het centrum van Quito afvragen waar al die westerse toeristen toch uithangen: op zaterdagavond zitten ze in elk geval bijna allemaal hier.

Ecuador(848)
Na het eten gaan we nog even naar het centrale plein kijken in het donker. We gaan op een bankje bij het monument zitten en zien een agent die vanavond een ietwat sneue taak heeft: hij moet kindjes die te dicht bij het monument komen om te poseren voor een foto wegsturen.
Op de terugweg lopen we nog maar een keertje door La Ronda.

Dag 20: 6 september 2015 – De voetbaltopper LDU Quito – Barcelona SC
’s Ochtends gaan we naar een heel klein tentje vlakbij ons hostel waar een man met enige hulp van zijn dochter smoothies en tosti’s verkoopt. We bestellen samen twee smoothies en drie tosti’s en als de glazen leeg zijn krijgen we twee keer een gratis “refill”. Als we ontbeten hebben brengen we onze vuile was naar de wasserij die pal naar ons hostel zit.
Wat later ondernemen we de inmiddels vertrouwde, ruim een half uur durende busrit van La Marin naar Ofelia. De bus is overvol en om ons heen zien we verschillende voetbalshirtjes. Opmerkelijk is dat we meer shirts zien van Barcelona dan van LDU Quito en dat terwijl die eerste club uit een andere stad komt, Guayaquil. Blijkbaar hebben ze toch ook veel supporters in Quito. Onderweg passeren we zelfs een flinke optocht van mensen in gele Barcelona-shirts.
Bij het stadion is het behoorlijk druk. Alhoewel de wedstrijd pas om half twaalf begint, gaan we al om tien uur naar binnen. Er is dan een wedstrijd bezig tussen twee teams van beide clubs, wellicht de hoogste jeugdteams of de reserve-elftallen. We hebben een ietwat matig plek in een hoek. Door een groot hek dat ons vak scheidt van het vak achter ons doel wordt ons zicht ietwat beperkt. Een pluspunt is wel dat we zo’n tien stappen van de bar en ongeveer twintig stappen van het toilet zitten. Er zijn geen stoelen, maar stenen banken waarop de afzonderlijke zitplaatsen met strepen gemarkeerd zijn. Opmerkelijk aan de indeling van dit stadion is dat de meest fanatieke supporters van beide club op dezelfde tribune zitten, achter de goal aan de overkant. Op de onderste ring zit de in het wit gekleede harde kern van LDU Quito, de club die in de volksmond Liga genoemd wordt (de volledige naam is Liga Deportiva Universitaria de Quito), op de ring daarboven zitten de in het geel gekleede fans van Barcelona.
LDU Quito – Barcelona SC mag met recht een topper genoemd worden. De thuisclub werd tot dusver tien keer landskampioen en won bovendien in 2008 de Copa Libertadores (de Zuid-Amerikaanse versie van de Champions League) en een jaar later de Copa Sudamerica (de Zuid-Amerikaanse Europa League). Barcelona is daarentegen de recordkampioen van Ecuador, met veertien nationale titels. Opmerkelijk aan deze club is dat ze niet alleen dezelfde naam hebben als de uiterst succesvolle Spaanse club, maar dat ook hun logo vrijwel identiek is, ze hebben simpelweg het FCB van FC Barcelona vervangen door BSC. De club dankt z’n naam aan Eutimio Pérez, de Spaanse immigrant uit Barcelona die de club in 1925 oprichtte.
In een zo goed als vol stadion met ruim 55.000 plaatsen zien we een wedstrijd die kan worden omschreven als een slordig foutenfestival. Geen van beide teams slaagt erin om lang balbezit te houden. Er wordt bikkelhard gespeeld. Er vallen uiteindelijk negen gele kaarten en het is een klein wonder dat beide teams eindigen met elf man. Ook in het vak van Barcelona gaat het er in de rust stevig aan toe, we zien een paar flinke vechtpartijen plaatsvinden. We hebben voor het gemak maar besloten dat we vandaag voor de thuisclub zijn en kunnen twee keer juichen. Liga wint met 2-0.

Ecuador(861)
Niet geheel verrassend is het na de wedstrijd erg druk op het busstation Ofelia aan de andere kant van de weg. Er staat een lange rij voor de bus naar La Marin. Gelukkig duurt het steeds maar een paar minuten voordat daar weer een bus naartoe vertrekt. Vlak voordat wij aan de beurt zijn probeert een groepje jongens in Barcelona-shirts brutaalweg om aansluiting te vinden bij het voorste deel van de inmiddels gigantisch lange rij. Een man die naast ons staat begint hevig te protesteren en roept naar de politie-agenten even verderop. Die komen al snel orde op zaken stellen. Uiteindelijk kunnen we ons naar binnen wurmen in de zesde bus die vertrekt nadat we in de rij zijn gaan staan.
Als we weer terug zijn in het centrum van Quito moeten we weer een hele tijd zoeken voordat we ergens een eenvoudige lunch kunnen krijgen. Uiteindelijk vinden we op het centrale plein een kleine broodjeszaak waar we een simpel broodje kaas kunnen krijgen.
Op de terugweg naar ons hostel komen we langs een supermarkt en gaan daar wat snacks en drankjes inslaan. Ik zet een paar flesjes bier op de lopende band, maar die worden er door de kassajuffrouw resoluut weer afgehaald. Het is weer zondag en het verbod op het verkopen van alcohol geldt blijkbaar ook voor supermarkten. Vlakbij ons hostel probeer ik het nog even bij een kleine buurtsuper. Daar krijg ik wel moeiteloos een paar flesjes bier mee. ’s Avonds gaan we wederom eten bij La Primera Casa.

Dag 21: 7 september 2015 – Een laatste keer slenteren door Quito en de vlucht naar Atlanta
We worden ’s ochtends wakker met een raar vooruitzicht. Dit is onze laatste dag in Ecuador. Voordat we nu weer een bed van dichtbij zullen zien, ons eigen bed thuis in Eindhoven, moeten we nog twee lange vluchten, een lange dag in Quito en een lange dag in Atlanta doorbrengen. Om een uur of negen checken we uit en laten we onze backpacks in het hostel opbergen in een kast.
We gaan voor een tosti en een smoothie weer naar hetzelfde tentje als gisterenochtend. Daarna gaan we voor een laatste keer het centrum van Quito verkennen. Onderweg zien we dat bijna alle Ecuadoriaanse kranten foto’s op de voorpagina hebben staan van de wedstrijd die we gisteren bezocht hebben. We lopen nu voorbij het centrale plein en naar de Basílica del Voto Nacional, daar waar een kleine drie weken onze verkenningstocht door Ecuador begon. Toen bekeken we deze basiliek alleen van de buitenkant, nu betalen we de twee dollar per persoon om de torens te mogen beklimmen.
Op de eerste verdieping komen we bij het orgel en kunnen we vanaf grote hoogte de kerk in kijken. Hogerop blijken enkele souvenirshops en een chique restaurant te zitten. Uiteindelijk komen we in de torens, waar je een prachtig uitzicht over Quito hebt en de wijzerplaten van de klok van de achterkant kunt zien.

Ecuador(891)
We vervolgen onze wandeling via het Plaza San Blas en het Observatorio Astronomico de Quito en komen dan in een rustig parkje met een roeivijver, waar je bootjes en waterfietsen kunt huren om een rondje te maken door het park. We kopen bij een winkeltje twee flesjes cola en gaan op een bankje zitten. Bij een krantenverkoper op straat kopen we een krantje met een uitgebreid verslag van de voetbalwedstrijd van gisteren. Toch leuk als aandenken.
Na een tijdje uit te hebben gerust beginnen we aan de pittige klim naar het op een hoge, steile heuvel gelegen Parque Itchimbia. Vanaf hier heb je misschien wel het allermooiste uitzicht over Quito. Voor ons liggen de hoge heuvels met daar tussenin het langgerekte dal waarin de miljoenstad zich bevindt.
We gaan weer naar beneden en passeren onderweg het Colonial Guesthouse, het hostel waar we op 18 augustus onze eerste nacht in Ecuador doorbrachten. Het is toch wel mooi dat we op enkele uren van ons vertrek uit dit land nu weer hier zijn. Even later lopen we voor de derde keer naar binnen bij het inmiddels vertrouwde Pizza SA, waar we nu gaan lunchen.
Voor onze laatste indrukken van Quito bezoeken we nog even het centrale plein en het Plaza San Francisco. Terwijl het gezellig druk en lekker warm en zonnig is lopen we her en der wat winkeltjes in en uit, zonder echt de intentie hebben om wat te kopen.
Moe van een uur of zes slenteren zoeken we ons hostel maar weer op. We zijn al uitgecheckt, maar hebben te horen gekregen dat we totdat onze taxi naar het vliegveld vertrekt gewoon gebruik mogen maken van de gemeenschappelijke gedeeltes van het hostel. We gaan op het dakterras zitten om nog wat te lezen. In de verte zien we een grote brand woeden op één van de heuvels die Quito omringen. Een helikopter met een lading bluswater vliegt af en aan.
Om vijf uur lopen we weer naar La Ronda voor onze laatste maaltijd in Ecuador. Er is momenteel bijna niets open in het straatje. Bij het Bohemia Café, een piepklein tentje met een tv waarop The Simpsons in het Spaans te zien zijn, kunnen we wel naar binnen. We nemen elk nog een drankje en een mini-pizza.
De taxi naar het vliegveld die we gisteren door ons hostel hebben laten reserveren zou er om half zeven moeten zijn, maar als we om zes uur plaatsnemen bij de receptiebalie blijkt de chauffeur er al te zijn. Als we willen, dan kunnen we direct vertrekken. Omdat we net zo goed op het vliegveld kunnen wachten als hier doen we dat maar.
Symbolisch genoeg valt ons vertrek uit Quito samen met het invallen van de schemering. Als we om zes uur vertrekken begint het net donker te worden, als we drie kwartier later arriveren op het vliegveld is de duisternis compleet. We rekenen af met de taxichauffeur, dertig dollar heeft het ritje ons gekost, daarna gaan we de vertrekhal in.
Bij de balie van Delta Airlines vernemen we dat onze backpacks gelukkig rechtstreeks doorgestuurd zullen worden naar Brussel. We willen morgen dus een dagje door gaan brengen in Atlanta en dat zou een stuk gecompliceerder zijn geworden als we daar onze backpacks van de bagageband hadden moeten halen om ze daarna weer ergens op te bergen.
Om half twaalf stijgt het vliegtuig op en zijn we weg uit Ecuador.

Dag 22: 8 september 2015 – Een dagje Verenigde Staten, in de voetsporen van Martin Luther King
Om kwart over vijf Amerikaanse tijd, het is hier een uurtje later dan in Ecuador, landen we op Hartsfield-Jackson Atlanta International Airport. We hebben er een vlucht opzitten van een kleine vijf uur, waarin ik ongeveer een uurtje heb kunnen slapen. Op het vliegveld wordt bij de douane een onderverdeling gemaakt tussen twee soorten reizigers: er is een rij voor Amerikanen en Canadezen en een veel langere, veel tragere rij voor de rest. Maar het leuke is dat we een ESTA reistoestemming bezitten die we recentelijk al een keertje gebruikt hebben (op de heenweg) en dat we daarom nu de korte rij mogen nemen. En dat scheelt een hoop. Het is ook opvallend hoeveel vriendelijker en meer ontspannen we nu behandeld worden. De vrolijke douanier die mijn paspoort controleert verspreekt zich even en zegt geheel uit gewoonte “Welcome home!” tegen me.
Om zes uur staan we in de aankomsthal. We hebben nu bijna de klok rond de tijd voordat we in moeten checken voor de volgende vlucht. We pinnen nog even veertig dollar, halen bij een infobalie een gratis plattegrond van en boekje over Atlanta en lopen dan naar buiten, waar het nog aardedonker is. We stappen in een pendelbusje dat ons gratis naar een metrostation zal brengen. Deze rit zal tien minuten duren en daarna zijn we nog steeds op hetzelfde vliegveld. Het Hartsfield-Jackson Atlanta International Airport is dan ook enorm groot. Dit is sinds 1998 het drukste vliegveld ter wereld. In 2014 kwamen hier 96.178.899 passagiers voorbij, ruim veertig miljoen meer dan op Schiphol.
Ik ga nu eindelijk eens wat meer zien van de Verenigde Staten dan alleen een luchthaven en daar heb ik best naar uitgekeken. Al mijn hele leven kijk ik naar films en tv-programma’s die zich afspelen in dit land, het merendeel van de muziek die ik leuk vind komt hier vandaan, maar ik ben er nog nooit geweest. Daarom vind ik het wel spannend dat we er nu een dagje gaan rondlopen.
Atlanta is met een kleine half miljoen inwoners de grootste stad van de zuidoostelijke staat Georgia, bijgenaamd The Peach State, die behoorde tot de originele Thirteen Colonies. In 1996 was Atlanta enkele weken het middelpunt van de wereld, toen hier de Olympische Zomerspelen gehouden werden.
Na een busrit van tien minuten worden we afgezet voor de deur van het metrostation. We halen daar elk een plastic pasje uit een automaat dat zes dollar kost, één dollar voor het pasje en vijf voor een retourtje naar het centrum. Een kwartier en zeven haltes later zijn we daar.
Het begint net een beetje licht te worden als we metrostation Five Points uitlopen. Wel is het nu al aangenaam warm. We zitten meteen midden in downtown Atlanta, tussen de imposante wolkenkrabbers waarvan de toppen daadwerkelijk tussen de wolken zitten. Ecuador lijkt ineens weer erg ver weg, we zijn nu in een totaal andere wereld. De stad is nog erg rustig. Afgezien van wat zwervers en hier en daar een eenzame schoonmaker zijn er nog niet veel mensen te zien. Bijna alles is nog dicht. We gaan naar binnen bij Michael’s Café, een fel verlicht cafetaria, waar we een broodje eten.
Terwijl de stad nog altijd niet echt wakker wil worden passeren we het hoofdkantoor van tv-zender CNN en het Sky View-reuzenrad. We lopen door het fraaie, grote Olympic Park, dat aangelegd is als aandenken aan de Spelen van 1996. Er zijn verschillende mooie vijvers en kleine watervalletjes te zien. Op veel van de bankjes zitten of liggen zwervers.
We komen bij twee voorname toeristische trekpleisters, het Georgia Aquarium (waarin 100.000 dieren van 500 verschillende soorten te zien zijn in 32 miljoen liter water) en het museum World of Coca-Cola (het hoofdkantoor van dit frisdrankmerk bevindt zich in Atlanta en uitvinder John Pemberton, van wie een beeld voor het museum staan, kwam uit Georgia). De entreeprijzen hiervoor zijn respectievelijk veertig en zestien dollar per persoon, dat vinden we toch wel wat te veel.
We lopen door het hartje van de stad en langs het Hard Rock Café en lopen dan in oostelijke richting downtown Atlanta weer uit. We komen door een woonwijk die er karakteristiek Amerikaans uitziet, met flinke houten huizen met Amerikaanse vlaggen langs de deur en grote veranda’s aan de voorkant.
Even later zijn we bij het Martin Luther King Center. Dit is een geheel gratis toegankelijke verzameling gebouwen die in het teken staan van de in 1968 vermoorde dominee, burgerrechtenactivist en Nobelprijswinnaar, die zichzelf onsterfelijk maakte met zijn legendarische “I have a dream”-speech. Schrijver Jon Meacham noemde King ooit in één rijtje met Thomas Jefferson en Abraham Lincoln als één van de mensen die het huidige Amerika vorm hebben gegeven. We beginnen in het King Center bij het “visitor center”, dat een standbeeld voor de deur heeft staan van een andere legendarische voorstander van geweldloos verzet, Mahatma Gandhi. In het gebouw is onder meer de eenvoudige houten kar te zien waarop King’s doodskist werd vervoerd tijdens de afscheidsdienst en er is een permanente fototentoonstelling. Achter het museum ligt een straat waar een belangrijk deel van King’s leven plaatsvond. Zowel het huis waarin hij geboren werd en opgroeide als de kerk waarin hij net als zijn vader dominee was zijn daar te vinden, evenals het graf van hem en zijn vrouw Coretta.
We lopen naar buiten en beginnen bij de Ebenezer Baptist Church, een redelijk bescheiden kerkje met een opvallend neonbord. In zijn kindertijd was dit gebouw voor Martin Luther King zijn tweede huis en later predikte hij er zelf ook. We worden vriendelijk ontvangen door twee bewakers en mogen vrij doorlopen naar binnen. Het is nog vroeg, het is pas iets over negen, en we zijn momenteel de enige bezoekers. We lopen de lege kerk in, die netjes is opgeknapt en er nog exact zo uitziet als toen King hier zijn bevlogen speeches gaf. Uit de speakers schalt een preek van King, die ooit hier opgenomen is. We gaan op één van de krakende houten bankjes zitten en staren naar de kansel vanwaar King decennia geleden de woorden sprak die we nu horen. Het is een erg bijzonder moment, wat mij betreft na het zien van de dolfijnen en walvissen bij Isla de la Plata het meest indrukwekkende wat ik tijdens deze reis mee heb gemaakt. Dichter bij een ontmoeting mat Martin Luther King kun je vandaag de dag volgens mij niet meer komen.

Ecuador(911)
Als we weer naar buiten gaan willen de bewakers weten of we nog vragen hebben. Die hebben we eigenlijk niet, maar ik zie dat ze staan te trappelen om ons nog nog het één en ander te vertellen over dit gebouw. Ik vraag dus maar of het opvallende neonbord buiten helemaal authentiek is, waarop één van de twee mannen begint te glimlachen. Hij begint met “Well, actually that’s a funny story…” en vertelt met veel enthousiasme wat anekdotes. En ja, zo verzekert hij, alles aan deze kerk is authentiek. Het is alleen wat opgeknapt, maar niets is vervangen.
Een klein stukje verderop komen we bij de laatste rustplaats van Dr. Martin Luther King, Jr. en zijn in 2006 overleden vrouw Coretta Scott King, die na zijn dood zelf ook erg actief was als voorvechtster van gelijke rechten voor Afro-Amerikanen, vrouwen en homoseksuelen. Ze hebben een bijzonder mooi plekje gekregen. In een grote, langwerpige blauwe vijver staat een rond stenen eilandje, waarop hun marmeren tombe geplaatst is. Achter de vijver staat een muur met foto’s van belangrijke momenten uit King’s leven. Tegenover de tombe staat in een bloemenperk een eeuwige vlam.
We lopen lang een historische, volledig in oude staat teruggebrachte brandweerkazerne uit de negentiende eeuw en komen dan in de straat waarin Martin Luther King geboren werd en opgroeide. Zijn geboortehuis ziet er vandaag de dag weer net zo uit als toen hij er woonde. Het kan ook gratis van binnen bekeken worden, maar dat slaan we nu even over. Tegenover het geboortehuis staat een rijtje kleine houten woningen, zogenaamde “shotgun houses”, ook nog precies zoals ze er vroeger bij stonden. Een “shotgun house” is een huis dat zo eenvoudig is, dat je er als de voor- en achterdeur open staan dwars doorheen kunt schieten zonder een muur te raken. Alhoewel dit straatje een openlucht museum lijkt zijn de “shotgun houses” bewoond en is de weg gewoon vrij voor verkeer.
We laten het King Center achter ons en lopen terug naar downtown Atlanta. Het gedeelte van Auburne Avenue waar we nu doorheen komen is een beetje deprimerend, een spookstraat bijna. We passeren tientallen winkeltjes en restaurantjes die voorgoed gesloten zijn. Daartussen staat The Royal Peacock, een bijna honderd jaar oude nachtclub waarin onder meer Ray Charles, Marvin Gaye, Aretha Franklin, Louis Armstrong, BB King en The Supremes ooit optraden.
We slenteren nog wat door het centrum, waar het inmiddels dik dertig graden is. We lunchen bij Jimmy John’s, een broodjeszaak vergelijkbaar met Subway. Daarna gaan we nog wat tijd doden in het Olympic Park. En om half twee besluiten we dat we wel genoeg gezien hebben en dat onze voeten bovendien niet veel verder meer willen gaan. We hebben hier toch al een kleine zes uur rondgelopen en gisteren ongeveer net zo lang door Quito.

Ecuador(928)
We nemen de metro en de pendelbus terug naar het vliegveld. Daar blijkt maar weer eens hoe enorm dit vliegveld is: we staan in hal F en moeten een metro nemen om in hal E te komen, vanwaar we vanavond in het vliegveld naar Brussel zullen stappen.

Dag 23: 9 september 2015 – Weer thuis
We stijgen iets na zes uur op, iets na twaalf uur ’s nachts in Nederland. Door het vliegtuigraampje zien we het kluitje wolkenkrabbers in downtown Atlanta nog. De vlucht duurt zo’n acht en een half uur. We krijgen aan het begin van de vlucht wat te eten en daarna scroll ik wat door mijn entertainmentset. Tot mijn verrassing zie ik dat daar ‘Love & Mercy’ opstaat, een film over het leven van mijn grote muzikale held Brian Wilson, die tot mijn lichtelijke frustratie nog altijd niet in de Nederlandse bioscopen verschenen is. Ik kom de eerste uurtjes dus wel door. Na de film slaag ik er zowaar in om een uurtje of twee en een half te slapen.
Omstreeks negen uur worden we door mijn vader opgehaald op vliegveld Zaventem. We rijden naar Eindhoven, gaan daar nog even op bezoek bij Linda’s ouders en doen dan voor de laatste keer onze rugzakken en backpacks om, om de laatste paar honderd meter naar huis te lopen.
Als ik thuis ben realiseer ik me dat ik mijn schoenen al zo’n 45 uur lang non-stop aan heb gehad. We zijn eergisteren om acht uur Ecuadoriaanse tijd, twee uur ’s middags in Nederland, in Quito uit bed gestapt en sindsdien hebben we geen bed meer gezien. Sinds ik mijn schoenen aantrok in hostel Posada Colonial heb ik er uren mee door het historische centrum van Quito in Zuid-Amerika gelopen en uren door het moderne hart van Atlanta in Noord-Amerika.
En nu kan ik ze eindelijk uittrekken. In de woonkamer van ons eigen huis.

Ecuador(933)

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: