Archive for november, 2014

Oma Reusel

Over mijn Opa Mierd, Oma Mierd en Opa Reusel heb ik eerder al een stukje geschreven. Er ontbrak er dus nog één in “de reeks”. Mijn oma Reusel.

Elisabeth Maria Vermeulen, roepnaam Betsie, werd op 3 april 1924 geboren in Eindhoven. Ze trouwde op 20 november 1948 in Reusel met Jan Vermeulen, uiteraard geen familie. Samen kregen ze zes kinderen, waaronder op 6 oktober 1954 mijn moeder. Op 8 oktober 1978 werd ik Betsie’s derde kleinkind en werd zij mijn Oma Reusel. Of eigenlijk werd ze twee Oma Reusels, want in mijn geheugen zitten twee behoorlijk contrasterende versies van haar.

De meeste mensen zouden zich rot schrikken als hun moeder of oma op een feestje ineens in huilen uit zou barsten. Of als ze gebeld zouden worden omdat die moeder of oma met vage klachten op is genomen in het ziekenhuis. In mijn familie was dat echter jarenlang business as usual, we keken er op den duur nauwelijks nog van op als het weer eens gebeurde. Wellicht door een bepaalde persoonlijkheidsstoornis had mijn oma immers een vreemde manier van aandacht vragen. Daarmee heeft ze lange tijd het leven van mijn ouders, ooms en tantes best een beetje zuur gemaakt.

Maar ondanks alle nukken heb ik haar vroeger ervaren als een lieve, gezellige, melige, hartelijke en vaak ook ontzettend vrolijke oma van het soort waarvan elk kind er één, of liever nog twee, hoort te hebben. Waarbij je graag ging logeren of op bezoek kwam. En ook toen ik al lang en breed volwassen was bleef ze die oma-rol vervullen. Talloze keren hoorde ik haar verzuchten dat ze zo graag de loterij wilde winnen, omdat ze dan al haar kleinkinderen een auto kon geven. En wellicht nog vaker, eigenlijk tot vervelens toe, hoorde ik haar vragen wanneer ik eindelijk eens in haar appartementje in de Mariahof langs zou komen met een leuke vrouw. “Of moet ik er eentje voor je gaan zoeken?” vroeg ze er dan achteraan.

Dinsdag 3 februari 2009 begon sowieso niet als een geweldige dag. Het was grijs en druilerig, het ging niet zo lekker op mijn werk en mijn auto had mankementen die ik vooral op financieel gebied even niet kon gebruiken. Maar erger nog was de situatie van mijn oma. Sinds haar hersenbloeding van enkele maanden eerder ging het niet goed met haar, maar de laatste dagen was het een aflopende zaak geworden. Een week eerder riep ze nog regelmatig om haar moeder, die al veertig jaar dood was. Nu was ze al enkele dagen niet meer bij bewustzijn en stopte ze soms een tijdje met ademen. Ik zat op mijn werk meer naar mijn GSM dan naar mijn beeldscherm te kijken, wachtend op het onvermijdelijke telefoontje van mijn ouders die samen met mijn ooms en tantes in ploegendiensten dag en nacht naast het bed van mijn oma zaten. Om elf uur ’s ochtends kwam dat telefoontje. Mijn laatste grootouder was overleden. Ik was dertig jaar oud, zat op een grijze dag in mijn eentje in een kantoor op een bedrijventerrein in Eindhoven en was vanaf dat moment niemands kleinkind meer.

Dat is bijna zes jaar geleden. Eerlijk gezegd denk ik niet zo heel vaak meer aan mijn opa’s en oma’s. De meeste mensen van mijn leeftijd hebben al een tijdje geen grootouders meer en ik heb er vrede mee dat die van mij er niet meer zijn. Ze waren geestelijk en lichamelijk versleten toen ze overleden, of ze zijn al zo lang dood dat ik inmiddels niet beter meer weet.

Maar toch, als ik in Reusel ben en langs woonzorgcentrum de Mariahof rij, dan kijk ik altijd even naar het tweede appartementje rechts van de hoofdingang. Dan denk ik uiteraard aan mijn opa en oma die daar woonden. Aan alle keren dat ik daar op bezoek ben geweest. En aan mijn vriendin Linda, met wie ik inmiddels drie jaar heel gelukkig ben. Omdat ik het toch wel jammer vind dat ik haar daar nooit voor heb kunnen stellen…

Comments (3) »

De onbewoond eiland-cd

Muziek is voor mij een enigszins uit de hand gelopen passie. Al sinds mijn vroege jeugd voel ik een innerlijke noodzaak om elk liedje dat ik mooi vind, of ten minste mooi zou kunnen gaan vinden, op te sporen en te bezitten. Dat heeft geleid tot een verzameling van ruim 3.000 cd’s en 2.000 platen. Ter geruststelling: ik ben inmiddels heel tevreden met wat ik heb, dus groeit die collectie al enkele jaren helemaal niet zo hard meer.

Het jaar loopt nu weer op z’n einde. Mensen gaan weer lijstjes en overzichtjes maken. De stemming voor de Top 2000 van Radio 2 is geopend. En ik besloot mezelf een bijna onmogelijke dubbele opdracht te geven.

Opdracht 1: Stel je voor dat je enkele jaren op een onbewoond eiland moet slijten, ver weg van al die platen en cd’s. Je krijgt een cd-speler en een doosje batterijen mee, maar je mag verder alleen één cd-recordable met een speelduur van 80 minuten inpakken. Welke liedjes ga je daar in hemelsnaam op branden?

Opdracht 2: Licht elke keuze kort toe, in maximaal vijf regels (uitgaande van lettertype Calibri corps 8 in WordPad) per liedje.

Na een paar dagen piekeren, toevoegen, wegstrepen, wikken en wegen is dit het chronologisch gerangschikte resultaat.

01. Elvis Presley – I Want You, I Need You, I Love You (1956) 2:40
Toen ik een jaar of acht was won ik op een bingoavond een ketting met hangertje waarop een foto stond van een zanger, ene Elvis. Ik inspecteerde de muziekcollectie van mijn moeder en vond de cassette ‘Elvis’ Christmas Album’, die ik confisceerde voor nadere inspectie. Daarmee begon een jarenlange obsessie. In mijn kindertijd hingen mijn slaapkamermuren vol met “The King” en was hij niet uit mijn cassettespeler weg te slaan. Zo’n grote fan ben ik al lang niet meer, maar mijn favoriete Elvis-liedje van toen, het prachtige en smachtende ‘I Want You, I Need You, I Love You’, vind ik nog altijd het mooiste nummer uit de beginjaren van de popmuziek.

02. France Gall – Poupée de Cire, Poupée de Son (1965) 2:32
In muzikaal opzicht ben ik conservatief. Als je wil experimenten en vernieuwen: prima, maar doe mij maar een toegankelijk liedje van een minuut of drie, liefst met melodieën die zo sterk zijn dat je er een muziekdoosje aan zou kunnen wijden. Vanuit dat oogpunt reken ik deze compositie van de even beroemde als beruchte Serge Gainsbourg tot één van de hoogtepunten uit de muziekgeschiedenis, want de centrale neergaande melodie uit dit liedje is misschien wel de mooiste die ik tot ooit gehoord heb. Tel daar een rijk en zonnig klinkend arrangement, een nostalgische stoflaagje en een onweerstaanbaar zwoele vrouwenstem aan toe en ik ben verkocht.

03. The Beach Boys – God Only Knows (1966) 2:55
Er zijn veel liedjes die ik erg goed vind, maar er is er naar mijn mening maar één echt perfect: ‘God Only Knows’ van The Beach Boys. Een massieve brok van 175 seconden aan bovenmenselijke muzikale schoonheid. Hemelse melodieën, een songtekst met een ultieme liefdesverklaring, een satijnen stem, een majestueus arrangement, sprookjesachtige klanken, een muzikale warmte die zowel aan het kerstgevoel als de Californische zon doet denken: het zit hier allemaal in één liedje. In 2007 liet ik een notenbalkje met de eerste noten van ‘God Only Knows’ op mijn rechterarm tatoeëren, ik vind het een fijn idee dat ik het nu altijd een beetje bij me zal hebben.

04. Tim Hardin – (How Can We) Hang On to a Dream (1966) 2:04
Muziek heeft het interessante vermogen hele nare emoties ontzettend mooi te kunnen maken. ‘Hang On to a Dream’ is daarvan misschien wel het allerbeste voorbeeld. De diep melancholische treurzang van amper twee minuten combineert een bluesy piano, ietwat lusteloze zang, stemmige strijkers en een songtekst over een ooit zo mooie relatie die ineens in het niets opgelost is. Het resultaat is zo beeldschoon dat je er op een goede dag bijna heimwee naar je laatste sombere bui door zou kunnen krijgen. Het feit dat Tim Hardin in 1980 na een jarenlange heroïneverslaving platzak, eenzaam en vergeten overleed geeft zijn mooiste liedje een extra dramatische lading.

05. Warm Sounds – Birds and Bees (1967) 2:30
In 1990 was ik op vakantie in de Duitse Eiffel. Via de autoradio hoorde ik verschillende keren ‘Birds and Bees’, een obscuur liedje uit 1967 dat Felix Meurders regelmatig draaide. Ik werd er verliefd op, maar de titel of de naam van de uitvoerende wist ik niet. Pas in 2001 slaagde ik er in om het nummer terug te vinden. Ik kocht online een exemplaar van de destijds 34 jaar oude single. Toen ik vol spanning het plaatje op de draaitafel legde bleek het nog net zo magisch te klinken als het al die jaren in m’n hoofd gedaan had. Inmiddels ben ik enkele honderden luisterbeurten verder en nog altijd is het nummer niet gaan slijten en is het op ‘God Only Knows’ na mijn favoriete liedje.

06. The Moody Blues – Nights in White Satin (1967) 4:27
Ik heb een erg constante muzieksmaak. Vrijwel alles wat ik ooit mooi heb gevonden vind ik nu nog mooi. ‘Nights in White Satin’ is daar een goed voorbeeld van, dit is al een jaar of dertig een grote favoriet van me, met name door het spookachtige geluid van de dwarsfluit, de mellotron en het ver weg klinkende, vervormde achtergrondkoortje. Pas veel later kwam ik er achter dat dit liedje op het thema-album ‘Days of Future Past’ onderdeel is van een groter geheel, een episch muzikaal verslag van zomaar een dag uit het leven, met de nacht als de grote, mysterieuze climax. De albumversie van 7:27 is het mooist, maar uit ruimtegebrek kies ik hier voor de kortere singleversie.

07. Procol Harum – A Whiter Shade of Pale (1967) 4:02
Het wordt eentonig, maar ook dit vind ik al van kinds af aan één van de beste liedjes die ik ooit gehoord heb. De melodieën hadden net zo goed van Bach kunnen zijn (sterker nog, dat zijn ze ook min of meer, luister maar eens naar zijn adembenemend mooie ‘Air on a G String’), het kerkorgel heeft iets spookachtigs (Brian Wilson van The Beach Boys zei ooit dat die nummer hem het gevoel geeft dat hij bij zijn eigen begrafenis is) en Gary Brooker’s stem geeft het geheel lekker veel soul. In 2006 nam Procol Harum een prachtige live-versie op bij een kasteel in Denemarken met een groot orkest en koor, maar hoe mooi die ook is: de sfeer van de originele versie is niet te overtreffen.

08. The Beatles – Penny Lane (1967) 3:01
Ik reken The Beatles al heel lang tot mijn favoriete bands. Uiteraard. Kun je echt van popmuziek houden en helemaal niets hebben met “The Fab Four”? Veel bands zijn heel beroemd geworden met twee of drie liedjes die iedereen kent, The Beatles hebben minstens dertig van zulke liedjes. Ik vind het dan ook erg lastig om hun beste nummer te kiezen. Het bijna spirituele ‘Let It Be’? Of ‘Here Comes The Sun’, dat klinkt als het muzikale equivalent van de eerste mooie lentedag? Of toch het übersentimentele ‘The Long and Winding Road’? Vandaag kies ik voor ‘Penny Lane’, een vrolijk maar toch ook melancholisch liedje, prachtig gearrangeerd met barokke elementen.

09. The Yellow Balloon – Stained Glass Window (1967) 2:08
Door mijn liefde voor The Beach Boys en The Beatles ben ik me uiteindelijk verder gaan verdiepen in soft pop uit de (latere) jaren zestig. Ik kwam tot de ontdekking dat er toen, zeker nadat voorgenoemde bands met de baanbrekende albums ‘Pet Sounds’ (1966) en ‘Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band’ (1967) het goede voorbeeld gaven, ontzettend veel schitterende liedjes gemaakt zijn in die tijd die nooit een hitparade van dichtbij hebben gezien. In deze categorie vind ik ‘Stained Glass Window’ misschien wel mijn allermooiste vondst. De melodieën zijn geweldig, het arrangement is zonnig en luchtig en het hele liedje heeft een gevoel van ultieme gelukzaligheid.

10. Cat Stevens – Wild World (1970) 3:20
Als ik mijn akoestische gitaar pak dan komt het zelden voor dat ik ‘m uiteindelijk weer terugzet zonder ‘Wild World’ even te hebben gespeeld. Dit is een liedje dat zich op de één of andere manier al in mijn vroege jeugd heel stevig vast heeft gezogen in mijn brein. Enkele jaren geleden ben ik me serieus gaan verdiepen in het rijke repertoire van Cat Stevens. Mijn conclusie: hij behoort met Paul McCartney en Brian Wilson gewoon tot de allergrootste songschrijvers uit de popgeschiedenis. Maar ondanks de vele pareltjes die hij schreef (‘Sad Lisa’, ‘Matthew and Son’, ‘Morning Has Broken’, ‘Father and Son’, om er maar een paar te noemen): ‘Wild World’ is toch echt zijn beste liedje.

11. The Beach Boys – Surf’s Up (1971) 4:12
Ik wilde eigenlijk niet twee liedjes van één uitvoerende op deze cd zetten, maar ik doe het toch. Ik denk dat ik de afgelopen tien jaar immers bijna net zoveel naar The Beach Boys heb geluisterd als naar alle andere muziek bij elkaar opgeteld. ‘Surf’s Up’ vind ik na ‘God Only Knows’ het beste nummer van de groep: een bijzonder sfeervol meesterwerkje dat iets groots en spannends aan lijkt te kondigen, waarin bovendien veel interessante muzikale details te horen zijn. De songtekst van woordkunstenaar Van Dyke Parks is een juweeltje op zich: ik begrijp er geen moer van, maar krijg er desondanks prachtige surrealistische beelden bij in m’n hoofd.

12. Ph.D. – I Won’t Let You Down (1981) 4:04
Wat dit nummer voor mij vooral speciaal maakt is het feit dat het zich om de één of andere reden in mijn hoofd heeft genesteld als dè ultieme soundtrack van mijn vroegste jeugdherinneringen. De ontzettend warme klank van het bombastische orgel die dit liedje domineert heeft precies hetzelfde effect op mij als het bekijken van de fletse, vervaagde foto’s uit mijn kleutertijd, die ik ervaren heb als een uiterst gelukkige en zorgeloze periode. Elke keer als ik ‘I Won’t Let You Down’ hoor dan proef ik die sfeer weer even. Die tijd kun je nooit meer terug krijgen, het geluid wat erbij hoort gelukkig nog wel.

13. The Stranglers – Golden Brown (1981) 3:27
Wederom een liedje waar ik als kind al ondersteboven van was en dat tot op de dag van vandaag niet is gaan slijten. In tegendeel, eigenlijk. ‘Golden Brown’ heeft veel contrasten en juist dat maakt het zo boeiend. Mooi en kalm met een sprookjesachtige klavecimbel, maar tegelijk voorzien van een schemerig sfeertje. Een songtekst die over een verleidelijke vrouw lijkt te gaan, maar vol zit met metaforen die refereren aan heroïnegebruik. Verder klinkt het liedje zo toegankelijk dat het menig luisteraar volledig zal ontgaan dat er hoogst ongebruikelijke switches van driekwarts- naar vierkwartsmaat in zitten. Een mooi, verraderlijk vreemd en voor mij heel nostalgisch meesterwerkje.

14. Red Hot Chili Peppers – Knock Me Down (1989) 3:43
Midden jaren negentig werd ik een hele grote Red Hot Chili Peppers-fan. Ik liep jaren rond met hun logo op mijn jas en tegenwoordig met het elfje van de hoes van het album ‘One Hot Minute’ op mijn arm getatoeëerd. Vaak blijft het eerste album dat je kende van een favoriete band altijd je lievelingsplaat. Mijn eerste van de Peppers was ‘Blood Sugar Sex Magik’ (1991), maar hoe goed ik die ook nog steeds vind, ik ben daarna nog veel meer gaan houden van ‘Mother’s Milk’ (1989), een lekker energieke en toch erg melodieuze plaat, en met name van het liedje ‘Knock Me Down’. Elke keer als ik naar de erg tamme, meest recente Peppers-albums luister krijg ik hier heimwee naar…

15. Gorilla Biscuits – New Direction (1989) 2:29
Er is geen specifiek hardcore punk-nummer dat op zichzelf belangrijk genoeg voor mij is om op deze cd te horen. Maar het genre heeft zo’n grote rol gespeeld in mijn leven (en ik luister nog steeds graag naar de muziek) dat het hier niet volledig mag ontbreken. ‘New Direction’, misschien wel het ultieme hardcore anthem, is mijn favoriete nummer van mijn favoriete hardcoreband en mag dus het genre vertegenwoordigen. Gorilla Biscuits was net zo snel en energiek als menig andere hardcoreband, maar had bij mij altijd een streepje voor door de positieve teksten, en vanwege de melodieuze gitaarlijntjes en frivole basloopjes die het muzikaal allemaal net wat interessanter maken.

16. Nirvana – Heart-Shaped Box (1993) 4:42
Als kind wilde ik ooit gitaar leren spelen, nadat ik Nirvana gehoord had ging ik het daadwerkelijk doen. Zonder deze band was ik misschien nooit zelf muziek gaan maken. Als zestienjarige speelde ik tientallen uren per week mee met hun muziek. Die bleek perfect te zijn voor een beginnend gitarist: redelijk simpel en ik kon me er lekker op afreageren. Maar de eenvoud van Nirvana is bedrieglijk. Elke competente muzikant kan hun nummers naspelen, maar op de één of andere manier verhoudt een Nirvana-cover bijna altijd tot het origineel als een Ravensburger-schilderij tot een Van Gogh. Kurt Cobain kon zelfs geschreeuw en gitaarfeedback echt mooi laten klinken.

17. Shelter – In Praise of Others (1993) 3:48
Rond het einde van de jaren negentig was Shelter met afstand mijn favoriete band. Ik heb vele tientallen uren in de bus van huis naar het Grafisch Lyceum doorgebracht met cd’s van Shelter in mijn discman. In 1998 zag ik de band live in de Biebob in het Belgische Vosselaar, nog altijd is dat één van de meest indrukwekkende optredens die ik ooit gezien heb. Bovendien waren de songteksten van frontman Ray Cappo, ooit een Hare Krishna-monnik, bepalend voor mijn beslissing om vegetariër te worden, wat ik inmiddels al twaalf jaar ben. Mijn favoriete Shelter-albums zijn ‘Attaining the Supreme’ (1993) en ‘Beyond Planet Earth’ (1997), op beiden staat een versie van ‘In Praise of Others’.

18. Beastie Boys – Sabotage (1994) 2:58
Door Elvis Presley luisterde ik tot mijn zestiende eigenlijk alleen naar muziek uit de jaren vijftig en zestig. Toen ik het heerlijk lawaaierige ‘Sabotage’ op de radio hoorde was ik dusdanig onder de indruk dat ik in één ruk het heden in gesleurd werd. Mijn oude rock ‘n’ roll-cd’s verdwenen in een doos en het Beastie Boys-album ‘Ill Communication’, een explosie van energie en creativiteit, heb ik ruim een jaar lang letterlijk elke dag gedraaid. Van daaruit ging ik alternatieve muziek en vervolgens punk rock en hardcore verkennen, met alle gevolgen van dien. Het logo van Grand Royal, het eigen platenlabel van de Beastie Boys, heb ik dit jaar op mijn linkerarm laten tatoeëren.

19. Green Day – Armatage Shanks (1995) 2:17
Op mijn zestiende was Kurt Cobain mijn grote idool, maar ik vond hem een nihilistische etterbak. Met Green Day kon ik me wèl helemaal identificeren. T-shirtje en korte broek aan, gitaar vol stickers om je nek en gassen maar, dat vond ik wel wat. Hun nummers waren vrolijk en zonnig, snel en energiek, makkelijk na te spelen en belachelijk catchy, iets wat ik als de popliefhebber die ik altijd ben gebleven ook wel kon waarderen. Mijn favoriete Green Day-nummer, ‘Armatage Shanks’, speelden ze in 1994 op de MTV Awards. Ik nam het op een cassettebandje op van de tv en heb dat stuk gedraaid, want tot mijn frustratie werd het nummer ruim een jaar later pas uitgebracht op cd.

20. Rage Against The Machine – Bulls on Parade (1996) 3:51
Sommige nummers horen onlosmakelijk bij een gebeurtenis in je leven, dit is er voor mij zo één. In 1996 haalde ik mijn middelbare schooldiploma, wat vanuit de school gevierd werd op een overdekt strandje met veel drank. Er was een dj die tijdens dat feestje verschillende keren ‘Bulls on Parade’ draaide. Rage Against The Machine was destijds al één van mijn favoriete bands. De eerste keer dat ik hun titelloze eerste album hoorde voelde het alsof ik bijna letterlijk omver werd geblazen. Al snel daarna kon ik het merendeel van de plaat meespelen op mijn gitaar. Toen besloot ik dat het toch eens tijd werd om mijn akoestische gitaartje te verruilen voor een elektrische…

21. Social Distortion – When the Angels Sing (1996) 4:15
In 2001 kwamen twee goede bekenden van me om het leven door een auto-ongeluk. Eén van hen werd begraven, de ander gecremeerd, bij beide uitvaarten werd dit liedje gedraaid. Toen ik het hoorde was voor mij meteen duidelijk: als ik het hoekje om ben dan moet dit ook te horen zijn voordat ik de hens in ga. Op het album ‘White Light, White Heat, White Trash’ slaagde Social Distortion erin om een rauwe, harde en energieke punkrockplaat op de één of andere manier een erg mooi, warm, bijna spiritueel sfeertje mee te geven. Een heel bijzonder album dus. Elke keer als ik het feedbackje aan het begin van ‘When the Angels Sing’ hoor gaan mijn nekharen overeind staan.

22. Elliott Smith – Miss Misery (1997) 3:12
In 2004 speelde in ik in drie hardcorebands tegelijk en moest ik soms vijf of zes avonden per week repeteren of optreden. Ik kreeg een beetje een overdosis van die muziek. Toen hoorde ik ‘Miss Misery’, kalm, melancholisch en breekbaar als een zonnige herstdag, tijdens de aftiteling van de schitterende film ‘Good Will Hunting’ er wist direct dat dit was waar ik behoefte aan had. Ik ging meteen op zoek naar een cd van Elliott Smith, binnen een maand had ik er vijf. Van dit liedje kreeg ik zin om net als Matt Damon in de eerder genoemde film in de auto te stappen en de horizon tegemoet te rijden. En dat was een goede stimulans, ik was immers bezig met rijlessen.

23. Lagwagon – Leave the Light On (1998) 1:55
Door de radiohits van Green Day en The Offspring raakte ik in 1994 geïnteresseerd in punkrock, snel daarna ging ik me er verder in verdiepen. Ik kocht verzamel-cd’s van platenlabels als Fat Wreck, Epitaph en Nitro en ontdekte zo tientallen nieuwe bands waarvan er veel nog steeds tot mijn favorieten behoren. Lagwagon is één van die bands. Mijn favoriete punkrockplaat is al sinds 1998 ‘Let’s Talk About Feelings’ van Lagwagon. Een heel snel en energiek album met de distortieknoppen vol open, maar ook met een onafgebroken aaneenschakeling van bitterzoete melodieën en emotionele teksten die het bij mij bijzonder goed doen in de hartstreek.

24. No Use For A Name – International You Day (2002) 2:52
In mijn muzikale smaak zitten de nodige tegenstrijdigheden. Aan de ene kant houd ik enorm van mooie, zoete popliedjes met ijzersterke melodieën, aan de andere kant ben ik ook gek op snelle, energieke, stevig doordenderende punkrock. Er is naar mijn mening geen band die deze twee werelden beter verenigd heeft dan No Use For A Name. De muziek van de groep was prima geschikt als soundtrack voor moshpits, stagedives en skateboarders, maar tegelijk schreef frontman Tony Sly prachtige liedjes met persoonlijke teksten en melancholische melodieën waar zelfs menig succesvol songschrijver uit de popwereld jaloers op mag zijn.

Comments (1) »

Oud papier

Als kind kreeg ik van een vriendin van mijn ouders een stapeltje muziektijdschriften die ze in haar tienerjaren gekocht had. Het waren zeven nummers van Muziek Parade, een maandblad dat inmiddels al heel lang niet meer bestaat. Ze wist dat ik een grote Elvis-fan was en kon zich nog herinneren dat in die bladen wat artikelen over mijn held stonden. Ik heb die Muziek Parades altijd bewaard, inmiddels zijn ze ruim een halve eeuw oud. Ik blader ze nog wel eens door.

In de verschillende categorieën van een populariteitspoll laten The Shadows, Cliff Richard, The Everly Brothers en bandleider Billy Vaughn iedereen straatlengtes achter zich. Op de posters waarmee de jeugd van 1963 naar de kiosk gelokt werd staan tieneridolen als Anneke Grönloh, Rocco Granata en Freddy Quinn afgebeeld. Een 20-jarige Rob de Nijs blikt in een fotospecial terug op zijn leven en vermeldt doodleuk zijn huisadres (Linnaeusstraat 72 in Amsterdam) voor het geval fans hem zouden willen schrijven. In een “sensationeel interview” beantwoordt Willeke Alberti vragen over haar nieuwe scharrel Fons Post, zoals “Wat vinden je ouders van hem?” (ze lopen met hem weg) en “Gaan jullie wel eens samen fietsen?” (nee, ze gaan altijd met de auto).

Er zijn lijstjes waarin de hobby’s of geboortedata van vier of vijf lukraak gekozen sterren opgesomd worden. Er is aandacht voor het hippe nieuwe kapsel van een nog piepjonge Imca Marina. “De pony-harige Beatles” worden in al die zeven nummers welgeteld één keer genoemd, in een minuscuul artikeltje. The Beach Boys komen alleen voor in een kort stukje over surfmuziek, waarin de Muziek Parade-redactie zelf de vraag beantwoordt of deze muziek levensvatbaarheid heeft: “Neen, wij geloven van niet”. In een ietwat pessimistisch artikel klaagt ene Jacques de Koning over het uitblijven van vernieuwende muziek en vraagt hij zich af of de heersende bossa nova-rage een aankondiging is van een gezapig nieuw tijdperk in de popmuziek.

Gezapigheid in de overtreffende trap. Dat is wat die Muziek Parades in al hun gedateerde truttigheid, achterhaalde naïviteit en oppervlakkigheid uit lang vervlogen tijden zelf ook uitstralen als je ze vandaag de dag leest. Natuurlijk was er ook in 1963 veel mis met de wereld, maar als ik ze doorblader dan lijkt alle ellende waar we momenteel mee overspoeld worden verder weg dan ooit. Video’s van IS-beulen die hulpverleners met messen onthoofden. Voorstanders van Zwarte Piet die tegenstanders toebijten dat ze het land maar moeten verlaten. Tegenstanders die roepen dat alle voorstanders racisten zijn. Aanslagen in Israël en het daarop volgende slopen van Palestijnse huizen. Dagelijkse updates over Dave Roelvink. MH17. Ebola. Vogelgriep.

In de Muziek Parade van juni vond ik een vergeelde antwoordkaart waarmee je een jaarabonnement af kunt sluiten. Kan iemand een paar euro wisselen voor zes gulden en een postzegel van vier cent?

img003

Leave a comment »

Concerter

Ik kreeg wellicht het belangrijkste cadeau dat ik ooit gekregen heb toen ik een jaar of acht, negen was. Een Spaanse gitaar van het merk Concerter. Mijn muren hingen vol met posters van Elvis Presley en die hield op veel van die afbeeldingen een gitaar vast, dus vond ik het erg stoer om zelf ook zo’n ding te hebben. Op mijn slaapkamer de liedjes van mijn idool playbacken werd met mijn nieuwe accessoire in elk geval een stuk leuker.

Als ik foto’s of tv-beelden zag van mensen die gitaar speelden dan keek ik goed naar hoe ze hun handen op de hals van het instrument hadden staan. Ik probeerde mezelf te leren spelen door die grepen te imiteren. Uiteraard lukte dat niet. Het hielp sowieso bepaald niet dat mijn gitaar al maanden niet meer gestemd was en door iets te wild playbacken inmiddels een snaar mistte.

Omdat ik toch heel graag echt op mijn gitaar wilde leren spelen ging ik toen ik tien jaar oud was op muziekles. Elke dinsdagavond kreeg ik in een ruimte in het lokale gemeenschapshuis een uurtje muziektheorie van mevrouw Van Vliet. Ik vond noten leren lezen ontzettend saai en de lerares was heel streng, dus voelde het als een vervelend wekelijks extra uurtje school. In het tweede jaar kregen we ook praktijkles. Dat wil zeggen: we mochten op een blokfluit ultiem suffe liedjes als ‘Mieke Hou Je Vast’ en ‘Au Claire de la Lune’ spelen. Popmuziek leek tussen de vier muren van het klaslokaaltje niet te bestaan en mijn motivatie daalde met de week. Ik hield me vast aan de gedachte dat ik in mijn derde jaar eindelijk les zou krijgen op een instrument naar keuze. Ik vroeg mijn muzieklerares hoe lang het vervolgens nog zou duren voordat ik mijn favoriete liedjes mee zou kunnen spelen op mijn gitaar. Dat moest volgens haar binnen een jaar of vier wel lukken. Vier fucking jaar? Mijn wil was direct gebroken en ik hield het verder voor gezien.

Enkele jaren later bood mijn neef Martijn uitkomst. Hij speelde zelf gitaar in een bandje en wilde me best even laten zien hoe ik die nummers van Nirvana, Green Day en Rage Against The Machine waar ik inmiddels zo gek op was moest spelen. Hij maakte een paar avondjes vrij voor uitleg, gaf me een stapeltje bladmuziek en daarna ging ik zelf aan de slag. Ik oefende tientallen uren per week, het woord verveling bestond voor mij niet meer (en het woord huiswerk ook steeds minder). Ik speelde met mijn favoriete cd’s mee totdat het niet meer kon omdat ik op elke vingertop een blaar had. Vragen om meer bladmuziek was al snel niet meer nodig, omdat naspelen me inmiddels ook wel op gehoor lukte. En dat binnen een paar maanden. Pak aan, mevrouw Van Vliet. Met je blokfluit.

Een tijd later kocht ik een elektrische gitaar (want ‘Killing in the Name’ en ‘Smells Like Teen Spirit’ komen niet echt optimaal uit de verf op een Spaanse gitaar) en een flinke versterker die lekker hard kon. Naast mijn creativiteit kon ik nu ook al mijn frustraties kwijt in mijn gitaar. Twee of drie gebroken snaren per week werd eerder regel dan uitzondering.

Ik ging ook in bands spelen. Terwijl mijn trouwe oude Concerter ergens in een donker hoekje stof stond te verzamelen heb ik verschillende cd’s en platen opgenomen en veel op mogen treden op podia van Engeland tot Spanje en van Frankrijk tot Polen. En dat was toch meer dan waar ik op hoopte toen ik als vijftienjarige zat te ploeteren op de meest eenvoudige liedjes van het Nirvana-album ‘MTV Unplugged in New York’.

Nog altijd staat mijn Concerter in een hoekje te verstoffen. Ik kan me niet herinneren wanneer ik er voor het laatst op gespeeld heb omdat het ding behoorlijk versleten is. Op een rommelmarkt zou je er amper nog de prijs van een nieuw setje snaren voor krijgen. Maar ik zou er sowieso geen afstand van willen doen.

En van wie heb ik ‘m nou eigenlijk ooit gekregen? Ik dacht altijd van mijn peetoom Hans. Maar bij navraag bleek hij van niets te weten, terwijl hij als gitaarfanaat en -bouwer altijd een administratie bij heeft gehouden van de gitaren die hij in z’n bezit gehad heeft. Ik meende me te herinneren dat mijn oom Ron de gitaar vroeger een tijdje van me geleend heeft en dat hij dus wellicht wist waar het ding oorspronkelijk vandaan kwam. Niet dus. En ook mijn moeder heeft geen flauw idee.

Wie de gever ook mag zijn geweest: bedankt nog, het was een goed cadeau.

IMG_3695

Comments (1) »

Toevallig

Een warme zomerochtend in 1988. Mijn ouders, broers en ik zijn op een drukke snelweg onderweg naar ons vakantieadres in de Ardennen. We zijn zo’n 160 kilometer van huis, ter hoogte van het Waalse Malmedy. Ineens zien we dat een auto die ons inhaalt die van onze buren is. We zwaaien, de buren zien ons ook en zwaaien terug. Mijn moeder zegt tegen mijn vader dat hij maar moet stoppen op de eerstvolgende parkeerplaats, wellicht stoppen zij daar ook en kunnen we even gedag zeggen. Enkele kilometers verder stuurt mijn vader de auto van de snelweg af. We stoppen vlakbij een tankstation en stappen uit.
“Hee, hallo!” Horen we ineens iemand roepen. “Da’s ook toevallig!”
We kijken om en zien niet onze buren, maar twee zussen van mijn vader en hun gezinnen.

Juni 2006. Nog een maandje te gaan voordat ik een singlerondreis ga maken door Cuba met een reisgezelschap dat bestaat uit twintig personen uit het hele land, die elkaar nog niet kennen. Op het forum van onze reisorganisatie hebben we afgesproken om met z’n allen alvast kennis te maken in Utrecht, zodat het straks op Schiphol allemaal wat minder vreemd zal zijn. Er zit een vrouw uit Eindhoven in mijn reisgezelschap en omdat die stad vanuit Reusel toch op mijn route ligt heb ik haar een lift aangeboden. Zoals afgesproken stop ik om twee uur ’s middags bij het Oriental Greenhouse aan de Aalsterweg, waar ze al op me staat te wachten. Ze stapt in, ik wil me aan haar voorstellen, maar ik zie meteen dat dit niet nodig is. Vier jaar geleden waren we immers nog collega’s.

Een maand later. Ik sta in het Cubaanse stadje Trinidad in het restaurant van een gedateerd hotel met uitzicht over de Caribische Zee. Met een leeg bord in de hand sta ik in een rij voor het buffet te wachten. Voor me staan twee Nederlandse reisgenotes met elkaar te praten. Dan wordt één van hen gebeld.
“O, hallo! Leuk dat je belt… Klopt, ik ben nu in Cuba… Ja, alles prima hier… Een nicht van je is momenteel ook op vakantie in Cuba? Hoe heet ze?”
De vrouw laat even haar telefoon zakken en tekt de vrouw voor haar, die net wat pasta op haar bord schept, op de schouder.
“Ik geloof dat ik je neef aan de lijn heb!”

De lente van 2009, ik ben op reis in Jordanië. Een reisgenoot van me komt uit Gilze-Rijen. Ik vertel hem dat ik in 2005 in Egypte ook in een reisgezelschap zat met iemand uit die plaats. Dat blijkt zijn beste vriend te zijn, ze zijn een week daarvoor nog samen naar een concert gegaan.

Ik ben twee dagen na mijn moeder jarig, mijn vader twee dagen na zijn moeder. De ouders van mijn moeder waren (uiteraard) geen familie, maar hadden wel dezelfde achternaam. Mijn vriendin heet Linda en de vrouw van mijn broer Roel ook. Mijn andere broer heet Ben, de broer van (mijn) Linda ook. Roel en (zijn) Linda hebben twee kinderen en die zijn op dezelfde dag jarig.

Bijna iedereen heeft wel zulke verhalen. Over een oud-collega die in Parijs op hetzelfde terras bleek te zitten. Over een ex die in hetzelfde vliegtuig naar New York zat. Of over een neef die één cijfertje van het winnende lotnummer van de Staatsloterij zat en dezelfde dag zijn been brak. Veel mensen geloven dan ook niet in toeval. Zowel in de religieuze, filosofische als wetenschappelijke hoek zijn theorieën te vinden die stellen dat alles wat we zien als toeval het gevolg is van één gigantisch groot masterplan. En wie weet, misschien ligt er ergens wel een enorm draaiboek voor de gehele mensheid, dat geschreven is door iets of iemand die niet alleen een hogere intelligentie maar ook een soms heel vreemd gevoel voor humor heeft.

Maar als je daar heel weinig van gelooft dan zijn wij het toevallig met elkaar eens.

Leave a comment »

Strooiplek

Wat moet er met je lichaam gebeuren na je overlijden? Toen ik een jaar of tien was wist ik het wel. Ik wilde gecremeerd worden en mijn as moesten ze dan uitstrooien op een mooie plek. In de Efteling of op het veld van PSV.

Het Philips Stadion was magisch voor me. Zelfs als we er alleen maar langs reden met de auto dan kreeg ik kriebels in mijn buik. Dat was de plek waar Romario onmenselijk mooie doelpunten maakte. Waar Gerald Vanenburg tegenstanders dolde op de vierkante meter. Waar Ronald Koeman z’n best deed om ballen dwars door het net te poeieren. Waar Eric Gerets zijn medespelers op weinig subtiele wijze een arsenaal aan straffe Vlaamse scheldwoorden bijbracht.

Ik zit tegenwoordig bij elke thuiswedstrijd van PSV in dat stadion. Heel leuk, maar de kriebels in de buik zijn er al lang niet meer. Op de posities van de oude helden waar ik ooit zo tegenop keek staan inmiddels jochies die geboren werden toen ik op de middelbare school zat. Ik deel bovendien mijn vaste plek op de tribune met de immense vetrollen van mijn buurman. Hij komt vooral om spelers, liefst Joshua Brenet, toe te schreeuwen dat ze waardeloos zijn. En dat gaat luid, ik zie Brenet regelmatig verschrikt omkijken.

Als kind zag ik het stadion niet vaak van binnen. Eigenlijk alleen tijdens de jaarlijkse open dag die gratis toegankelijk was. Dan kon je jezelf met hordes andere kinderen ziek eten aan chips en winegums terwijl je keek naar een flutwedstrijdje tussen elf grijze oud-PSV’ers van ver voor je tijd en een sterrenteam met een stuk of twaalf (ze speelden altijd vals) C-artiesten die je liever ook niet gekend had. Maar dat gaf niet. Al was het heilige gras leeg gebleven, dan had ik er best een uurtje naar willen staren.

Afgelopen zaterdag staarde ik weer naar dat gras. Plotseling voelde ik een berg vetrollen in opwaartse richting langs me afschuren. Naar het schijnt zou mijn corpulente buurman die kans van zojuist er zelfs met z’n lul nog wel in hebben gelegd.

Ik hoop de jaren zeventig van deze eeuw nog te halen, maar toch: wat zou in de Efteling nou een mooi strooiplekje zijn?

Leave a comment »