Archive for september, 2014

Medelijden met de tegenstander

De twee elftallen komen het veld op in een doodse stilte. Pas als van beide teams de eerste drie, vier spelers binnen de lijnen staan wordt het publiek wakker en produceren enkele tientallen paren handen een beleefd applausje. Zodra dat wegsterft wordt het weer muisstil. Dan klinkt van achter één van de doelen de roep van een eenzame supporter:
“Ga snel maar weer promoveren!”
Ik denk dat hij precies verwoordt wat de elf spelers van het bezoekende team denken.

Op het veld ten midden van de idyllische bossen van het Philips de Jongh Wandelpark in Eindhoven hangt een sfeer van een veredeld trainingspartijtje. De enige permanente tribune van sportpark De Herdgang, menig amateurclub heeft een grotere, is maar voor driekwart gevuld. Op de houten noodtribunes aan de overkant van het veld, van het soort dat je op een marktplein ziet staan als de plaatselijke volksdansvereniging een voorstelling komt geven op een jaarmarkt, zitten maar enkele tientallen mensen.

Gedurende de wedstrijd merk je dat de thuisploeg hier geen supporters heeft zitten, alleen toeschouwers die er weinig om geven wie vanavond gaat winnen. Die niet zullen juichen als er een doelpunt gemaakt wordt, maar dan hooguit netjes gaan klappen of goedkeurend knikken. Het zijn mensen die benieuwd zijn naar de talenten van het beloftenteam van PSV. of die zoveel van voetbal houden dat het niet eens echt uitmaakt wie waarvoor speelt. Die niet zoveel zin hadden in weer een avondje op de bank The Voice kijken, of die misschien gewoon een reden nodig hadden om niet thuis te hoeven zijn.

Je zou bijna vergeten dat dit toch echt een competitiewedstrijd in het Nederlandse betaald voetbal is. En dat de bezoekende ploeg het vlaggenschip is van het roemruchte Sparta Rotterdam. Opgericht in 1888 en daarmee de oudste profclub van Nederland. Na Ajax, PSV en Feyenoord de vereniging die de meeste seizoenen speelde in de eredivisie. De trotse club van Rotterdam-West, van oude helden als Bok de Korver, Tonny van Ede en Rinus Terlouw, die ooit Europese wedstrijden speelde tegen Glasgow Rangers en Bayern München. Sparta werkte sinds 1954 meer dan honderd competitiewedstrijden af tegen het eerste elftal van PSV, nu moeten De Kasteelheren het opnemen tegen een jeugdteam van die ploeg, op een met wat noodgrepen opgepimpt trainingsveldje. Elke voetballiefhebber met een ook maar enigszins romantische inslag moet hiervan de tragiek in kunnen zien.

Vorig jaar was Jong PSV één van de drie beloftenteams (met die van Ajax en FC Twente) die de Jupiler League kwamen versterken, het tweede niveau van het Nederlandse voetbal, dat ernstig verzwakt was door het wegens financiële problemen wegvallen van FC Haarlem, RBC Roosendaal, AGOVV Apeldoorn en SC Veendam. Dit seizoen begon PSV met het verkopen van seizoenkaarten voor het reserveteam à 25 euro (geldig voor 19 thuiswedstrijden), precies een euro goedkoper dan het goedkoopste losse kaartje voor een enkele competitiewedstrijd van PSV 1. Ondanks deze meer dan schappelijke prijs, en aansprekende tegenstanders als NEC, Roda JC, Sparta Rotterdam, RKC Waalwijk en Jong Ajax, waren aan het begin van de competitie slechts 270 seizoenkaarten voor Jong PSV verkocht. Eén daarvan zit in mijn portemonnee. Mijn reden: waarom niet? Veel thuiswedstrijden van PSV’s tweede team worden gespeeld op de vaak zo loze maandagavond en ik hoef er maar een klein kwartiertje voor te fietsen. Veel laagdrempeliger kan betaald voetbal niet worden.

Eerder dit seizoen fietste ik voor een wedstrijd van Jong PSV naar het Philips Stadion, waarin het beloftenteam de zogenaamde ‘risicowedstrijden’ speelt. Tegenstander was NEC, dat recentelijk na twintig jaar onafgebroken eredivisievoetbal naar de Jupiler League degradeerde. Normaal gesproken kom ik als ik naar PSV fiets bij de Elisabethtunnel vast te staan in een zee van mensen. Zo was het ook toen NEC hier iets meer dan een jaar geleden aantrad tegen PSV 1. Nu was het echter zo rustig dat het je zomaar had kunnen ontgaan dat er überhaupt iets te doen was in het op twee na grootste stadion van Nederland. Even vroeg ik me zelfs af of ik me niet vergist had in de datum.

Enkele minuten later stapte ik vak O in, ook bij PSV 1 mijn vaste tribunevak. Bij de hoofdmacht zit ik bij elke wedstrijd helemaal klem tussen twee dikkerds, maar nu kon ik als ik wilde een complete rij helemaal voor mezelf hebben. Tientallen meters verderop begon een klein kind te huilen. Hij of zij galmde zo luidruchtig door het grotendeels lege stadion dat zelfs twee vakken verderop mensen omkeken. Het had iets surrealistisch. Alsof je vorig jaar op een erg gezellige, drukke verjaardag was en je dit jaar bij hetzelfde feestvarken binnenkomt in een troosteloze woonkamer waarin drie gasten elkaar in een pijnlijke stilte aanstaren.

Voor me op het veld zag ik de spelers van NEC aan een warming up doen. Vorig jaar speelden ze voor 31.500 man tegen het PSV van Georginio Wijnaldum, Memphis Depay en Adam Maher, nu moesten ze het doen tegen elf tieners die anoniem over straat kunnen, voor 350 toeschouwers en 36.150 lege stoeltjes. Je zou denken dat de ploeg uit Nijmegen hierdoor zelfverzekerder zou zijn dan ooit. Als dit troosteloze decor nog geen motivatie is om zo snel mogelijk te willen promoveren, wat dan wel? Het bleek echter een averechts effect te hebben. “Is dit nu betaald voetbal? Heb ik het hiervoor nu allemaal gedaan? Is dit het allemaal wel waard?” Alsof deze vragen door het hoofd van de elf uit Havana aan de Waal bleven spoken worstelden ze zich door een ongeïnspireerde wedstrijd heen. Jong PSV speelde niet goed, maar won wel met 1-0.

Medelijden hebben met de tegenstander is mij als PSV-supporter niet vreemd. Ik werd rond mijn negende ‘voor PSV’, heb twaalf kampioenschappen meegemaakt en zag mijn club op tv de Europa Cup I winnen in 1988. En soms vond het ik het ergens wel een beetje zielig om weer een bezoekende ploeg met 6-0, 7-1 of 10-0 afgedroogd te zien worden. Maar het medelijden dat ik dit seizoen voelde met Sparta Rotterdam en NEC was van een hele andere orde. Ik hoopte stiekem zelfs een beetje dat ze zouden winnen.
“Ga snel maar weer promoveren!”

Advertenties

Leave a comment »

Achterdocht bij de voordeur

Het was al schemerig buiten. Ik was alleen thuis en zat boven gitaar te spelen. De deurbel ging. Ik legde mijn gitaar weg, liep de kamer uit, ging de trap af en zette een paar passen in de gang. Door het troebele glas van de voordeur zag ik een schim van wat een behoorlijk grote, brede kerel moest zijn, met een getinte huidskleur. Even twijfelde ik of ik wel open zou doen. Ik wist zeker dat dit niemand kon zijn die ik kende. Maar ik besefte dat deze man mij nu ook kon zien en dat het wellicht onfatsoenlijk zou zijn om weer weg te lopen en hem daar gewoon te laten staan.

Toch een tikkeltje nerveus wordend opende ik de deur. Voor me stond een Marokkaans uitziende man met inderdaad een nogal imponerend postuur. Achter hem, aan het einde van het tuinpad, zag ik nog vijf of zes mensen. Het was duidelijk dat ze bij die man hoorden. Ze staarden me allemaal aan. Ik vroeg me af wat ze van me wilden.

De eerste 21 jaar van mijn leven woonde ik in de Kievitstraat in het dorpje Reusel, een in alle opzichten hele veilige straat. Verkeer reed er nauwelijks en je zag er vrijwel uitsluitend mensen die er woonden of die bij iemand op visite kwamen. Voor zover ik me kan herinneren kwam er alleen politie als de buurvrouw weer eens had gebeld omdat buurtkinderen papieren pijltjes door haar openstaande slaapkamerraam hadden geschoten. Het was, in elk geval in die tijd, een buurt waar niet noodzakelijk de deur op slot hoefde als je even wat boodschappen ging doen. Op zich had dat ook niet zo heel veel nut, want op het gebied van inbraakpreventie was ons huis zo lek als een mandje. Als ik thuis kwam van school, mijn ouders er even niet waren en ik vergeten was een sleutel mee te nemen, dan kon ik toch moeiteloos binnenkomen. Even met een stok met een touwtje eraan hengelen in de brievenbus, of anders het bovenlicht openwrikken en met een hark het raam eronder ontgrendelen.

Ik woon nu zo’n anderhalf jaar in Eindhoven. Mijn vriendin Linda groeide hier op, een paar honderd meter van waar wij nu wonen. Toen we samen gingen wonen heeft ze het er bij mij een beetje in moeten stampen dat je hier beter wat voorzichtiger kunt zijn. De poort ten aller tijden op slot. De voordeur niet alleen in het slot gooien, maar ook nog even met de sleutel vergrendelen. ’s Nachts ook de knip erop. De achterdeur op slot als je even naar boven gaat. Allemaal dingen waar ik in Reusel eigenlijk niet eens aan dacht, maar waarvan ik wel inzie dat het midden in een stad met ruim 220.000 inwoners, die bovendien jarenlang het hoogste aantal misdaden per inwoner had van heel Nederland, verstandig is om het toch maar te doen.

En nu, in de deuropening met die boom van een kerel tegenover me, vroeg ik me heel even af of het eigenlijk wel zo slim was om hier ’s avonds de deur open te doen voor een wildvreemde. Hoe vaak is een item in ‘Opsporing Verzocht’ niet ongeveer zo begonnen?

Langzaam hief de grote man voor me zijn hand op en wees naar het sleutelgat van de half geopende voordeur.
‘Uw sleutelbos zit nog in het slot,’ zei hij kalm. Ik keek en zag inderdaad dat ik zo verstrooid was geweest om onder meer mijn huis- en autosleutel aan de buitenkant van de deur te laten hangen. Ze moeten er bijna twee uur hebben gehangen, elke voorbijganger had ze zo mee kunnen nemen. Zonder verder iets te zeggen draaide de man zich om en met zijn gezelschap liep hij weg.

Het is goed om op je hoede te zijn. Voor inbrekers, bijvoorbeeld. Voor wildvreemde mensen die ’s avond aanbellen. Maar ook als je soms je vertrouwen in de mensheid dreigt te verliezen en te achterdochtig wordt.

Comments (1) »