Een legende in de kelder

In het Amerikaanse Saint Louis staat een restaurant dat Blueberry Hill heet. In de kelder is een zaaltje te vinden, waarin op elke derde woensdagavond van de maand een inmiddels 87-jarige man op komt treden. Hij speelt dan nummers die je zou kunnen kennen van Elvis Presley, The Beatles, The Rolling Stones, Led Zeppelin of The Beach Boys, om maar wat namen te noemen. Maar wat die de oude man speelt zijn geen covers. Al die legendarische bands hebben die nummers juist van hèm geleend.

Dat hij zijn oude hits niet zo heel goed meer uitvoert moet je hem gezien zijn leeftijd maar vergeven. Je gaat immers niet hoofdzakelijk naar een optreden van een bejaarde rocklegende om een goede performance voorgeschoteld te krijgen. Net zoals bijna niemand de Mona Lisa, het dodenmasker van Toetanchamon of de Venus van Milo alleen maar gaat bezichtigen omdat ze zo mooi zijn. Je gaat voornamelijk om later te kunnen zeggen dat je ze toch maar mooi een keer met eigen ogen hebt mogen aanschouwen.

De op 18 oktober 1926 in datzelfde Saint Louis geboren zanger, gitarist en liedjesschrijver Charles Edward Anderson Berry, zeg maar Chuck, was wellicht de eerste echte gitaarheld in de rockgeschiedenis en een onvervalste muziekpionier. Heel weinig muzikanten, misschien alleen Elvis en The Beatles, kunnen met net zoveel recht als deze voormalige kapper zeggen dat de ontwikkeling van de popmuziek anders zou zijn verlopen als zij zich er niet mee zouden hebben bemoeid. En zelfs al zegt zijn naam je weinig of niets, nummers als ‘Roll Over Beethoven’, ‘Sweet Little Sixteen’ en ‘Johnny B. Goode’ zul je vast wel herkennen. Ze zijn allemaal gemaakt volgens dezelfde ijzersterke formule: een eenvoudig doch swingend en energiek gespeeld bluesschema als basis, scherpe, korte gitaarsolo’s als decoratie en een miniatuurverhaaltje met kop en staart als songtekst. In een relatief korte glorietijd zette Berry een muzikaal nalatenschap neer dat zelfs niet meer verwoest kon worden door het feit dat hij in de decennia daarna vaker in de media kwam vanwege gerommel met jonge meisjes en het stiekem filmen van urinerende vrouwen dan met nieuwe muzikale wapenfeiten.

Zelf zag ik hem één keer optreden, vijf jaar geleden in Amsterdam. Berry was toen 82 jaar oud. He could play the guitar just like-a ringing a bell, zong hij ooit in één van zijn bekendste nummers. Nou, dat ging voor hemzelf inmiddels niet meer op. Zijn gitaarspel was beschamend slecht. En hij leek het zelf niet eens in de gaten te hebben, of hij weigerde het gewoon te erkennen. Mensen in het publiek keken elkaar bij de zoveelste tergend valse noot gepijnigd aan, “Crazy Legs” stond er op het podium echter bij alsof ze hem met open monden van bewondering aanstaarden. Zijn stem was er wel nog best redelijk aan toe en zijn bronstige haantjesgedrag was hij ook nog niet verloren. Maar waar zijn geflirt met vrouwen in het publiek en het paraderen met de borst fier vooruit er vroeger vast nog hartstikke macho uitzag, hield het nu het midden tussen eng en aandoenlijk. Waarschijnlijk kon het de man op het podium met zijn glittervestje en kapiteinspetje echter weinig schelen wat wij van hem vonden. Hij had nooit bewonderaars nodig gehad om hem de hemel in te prijzen, zijn ego was wat dat betreft aardig zelfvoorzienend. En bovendien, wat stelde dit ene publiek in de Heineken Music Hall op 19 november 2008 nou voor? Berry stond al op het podium toen de helft van dit gemiddeld toch al niet al te jonge publiek nog geboren moest worden.

Ik kan van mezelf wel zeggen dat ik geen doorsnee puber was. Zeker niet wat muzikale smaak betreft. Terwijl mijn klasgenoten luisterden naar 2 Unlimited, Captain Jack en Dr. Alban gaf ik als brugklasser mijn zakgeld uit aan cd’s met muziek die zelfs nog van voor de tijd van mijn ouders was. Wat eurohousehits als ‘No Limit’, ‘Rhythm is a Dancer’ en ‘All That She Wants’ waren voor mijn leeftijdsgenoten, dat waren stokoude jukeboxklassiekers als ‘Rock Around the Clock’, ‘Great Balls of Fire’ en ‘Roll Over Beethoven’ voor mij. Mijn interesse in oude rock ’n’ roll was begonnen bij Elvis Presley, via “The King” was ik vervolgens bij diens tijdgenoten uitgekomen. Bij Carl Perkins, Eddie Cochran, Gene Vincent, Jerry Lee Lewis, Bill Haley, Little Richard en Buddy Holly, maar vooral bij Chuck Berry. Gedurende de eerste jaren van mijn middelbare schooltijd was er geen stem die vaker uit de goedkope ghettoblaster op mijn zolderkamertje schalde dan de zijne.

Hoewel ik anno 2008 nog maar heel zelden een cd’tje opzette van mijn gewezen idool, was ik er dus bij toen de oude snoeper op een herfstavond onze hoofdstad aandeed. Ik moest wel. Als je me in 1991 had gezegd dat ik later ooit de mogelijkheid zou krijgen om naar een concert van Chuck Berry te gaan, bovendien met Jerry Lee Lewis in het voorprogramma, dan had je me daar niet achteraan moeten vertellen dat ik er uiteindelijk voor zou kiezen om toch maar gewoon thuis te blijven. Ik was het aan mijn jongere zelf verplicht om te gaan. En eigenlijk ook net zozeer aan de muziekliefhebber in mij die beseft dat de geschiedenisboekjes over rockmuziek zonder Chuck Berry best eens een stuk dunner en minder interessant hadden kunnen zijn.

De afgelopen twintig jaar heb ik vele honderden optredens bijgewoond. Daarvan waren er nuchter bekeken weinig slechter dan het concert van Chuck Berry. Maar er waren er wellicht nog minder waarvan ik met nog meer zekerheid weet dat ik het echt niet had willen missen.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: