Marrakesh 2013

Dag 1
Het is kwart voor drie plaatselijke tijd, een uur vroeger dan in Nederland, als mijn vriendin Linda en ik na ruim drie en een half uur vliegen vanuit Eindhoven met een Boeing 737 800 van Ryanair landen op Marrakech Menara Airport, het vliegveld van de vierde stad van Marokko.
Het is voor mij vreemd om hier nu te zijn. Alle vorige keren dat ik buiten Europa kwam, of dat ik überhaupt vloog, waren in de lente of zomer. Om nu bij een erg behaaglijke 22 graden in een relatief ver land met een andere cultuur uit een vliegtuig te stappen terwijl het over anderhalve week Kerstmis is, is voor mij daardoor een vreemde gewaarwording. Alsof ik midden in de donkerste dagen van het jaar ineens een klein maar heel erg welkom stukje zomervakantie cadeau krijg. Overigens was deze vierdaagse trip ook letterlijk een cadeautje, Linda heeft dit reisje geboekt voor mijn 35e verjaardag afgelopen oktober.
In de karakteristieke aankomsthal van de luchthaven, die is opgebouwd uit grote witte X-en met glas ertussen, nemen we bij een pinautomaat 1800 dirham op. Een dirham is ongeveer 9 cent, je kunt prijzen hier dus ruwweg door tien delen.
We lopen naar buiten, waar we al een lijnbus naar het Jemaa el Fna klaar zien staan. We betalen 30 dirham per persoon en stappen in.
Niet veel later rijden we de oranjerode, negenhonderd jaar oude stadsmuren binnen van de medina, de oude binnenstad, van de plaats waaraan dit hele land z’n naam dankt. De oude Spaanse benaming voor Marrakesh, Marruecos, werd later immers verder verbasterd tot Marocco. Overigens schijnt de naam Marrakesh op zichzelf al een verbastering te zijn, die afgeleid is van de Berberse woorden mur akush, “Land van God”.
Dit is niet onze eerste kennismaking met de oude, in 1062 gestichte koningsstad. Linda en ik zijn er beiden, voordat we elkaar kenden, al eens enkele dagen geweest. Zij in 2006, ik vier jaar later.
Nu we hier terugkeren valt direct op dat de decembertemperaturen heel verschillend ervaren worden: de meeste Marokkanen die we zien dragen dikke jassen zoals je ze in Nederland pas ziet zodra het vriespunt in zicht komt, veel toeristen hebben die juist thuisgelaten en lopen in T-shirts en in enkele gevallen zelfs in korte broeken. Hoe dan ook is de kerstsfeer waar in Nederland al volop naartoe gewerkt wordt meteen als sneeuw voor de zon verdwenen.
We stappen bij het wereldberoemde Jemaa El Fna uit de bus. Dit grote, bijzonder sfeervolle plein staat bekend als het drukste van het gehele Afrikaanse continent.
Met onze vesten inmiddels uitgetrokken en met de rugzak en het mini-koffertje waarin onze spullen voor de komende dagen zitten lopen we naar ons hostel, dat Linda vooraf online geboekt heeft. Via de erg drukke Rue Fatima Zohra en Rue Dar el Bacha zijn we in een minuut of tien in de Rue Bab Doukkala, een smal voetgangersstraatje. Hier moeten we ergens in de buurt zijn, maar in deze wirwar van krappe straatjes waarin een stoffige, vale tint van terracotta-achtig rood overheerst ontbreken vaak de straatnaambordjes. Een viertal kinderen van circa acht à tien jaar ziet dat we even niet weten waar we heen moeten, ze bieden meteen aan om ons de weg te wijzen. Enthousiast lopen ze voor ons uit om te laten zien waar ons hostel genaamd Riad 63 zit. We beseffen dat dit ons vast wel wat geld gaat kosten, maar zelf in dit doolhof op zoek gaan lijkt nogal een lastige missie, dus laten we het maar gebeuren.
Na slechts een half minuutje lopen door een stil, ongeveer drie meter breed steegje genaamd Arset Aouzal wijzen de jongens ons de deur die we volgens hen moeten hebben. Het is een deur van een pand met huisnummer 63, maar absoluut niets wijst erop dat dit een hostel is. Ik pak mijn portemonnee en geef één van de jongens het kleinste biljet dat we hebben: 20 dirham, zo’n twee euro dus. Een vrij royaal bedrag voor een half minuutje “werk” lijkt me, zeker voor kinderen van een basisschoolleeftijd. Als ze beginnen te protesteren denk ik, heel naïef, nog even dat ik teveel heb gegeven, maar nog voordat ik kan zeggen dat ze het wisselgeld mogen houden hoor ik één van de jongens heel brutaal 50 dirham eisen. Dan gaat de deur van huisnummer 63 open en kunnen we, terwijl twee jongens aan mijn arm trekken en zeuren om meer geld, naar binnen vluchten. Gelukkig blijkt dat we nu inderdaad ons hostel hebben gevonden.
De beheerder van het hostel is een vriendelijke, verlegen man die Achmed heet. We vullen met hem de papieren in, betalen alvast de 48 euro voor de komende drie nachten en krijgen dan de sleutel van het hangslot aan de deur van onze kamer en van de voordeur van het hostel. Dat valt mee, want we hebben op internet gelezen dat eerdere gasten geen sleutel hadden gekregen en dus op- of buitengesloten waren als de beheerder even niet aanwezig was.
We zoeken onze kamer op en treffen eigenlijk niets meer of minder aan dan hetgeen je verwacht voor het erg bescheiden bedrag van 8 euro per persoon per nacht dat we hier betalen. Ons kleine kamertje heeft geen ramen, de muren zijn zo scheef gebouwd dat ze dit zelfs in Pisa met gefronste wenkbrauwen aan zouden zien en een gordijn moet voor wat privacy zorgen omdat de deur maar een deel van de deuropening vult. De nogal povere, zwartgeverfde badkamer met toilet en douche (die zo geplaatst is dat je ongeveer tegen de wc-pot aan moet staan om te kunnen douchen) bevindt zich op de gang en dus buiten onze kamer, maar omdat de enige andere kamer op de eerste verdieping onbezet is zal dit toch onze privébadkamer zijn. We hebben een tv met honderden zenders, al zijn die allemaal Arabisch. Verder is er nog een dakterras waarop je via een stalen trap kunt komen.
Na op de kamer even bij te zijn gekomen lopen we naar het plein. We gaan op zoek naar ene Mohammed die vlakbij het Jemaa el Fna een reisbureautje moet hebben waar vrienden van ons goede ervaringen mee hebben. Ze hadden het zelfs zo gezellig met hem dat ze uitgebreid met de man op de foto zijn gegaan, en afdrukken van die foto’s gaan we op hun verzoek nu bij hem afleveren.
In een steegje op enkele tientallen meters van het plein treffen we deze Mohammed inderdaad aan. We worden allervriendelijkst in zijn kantoortje ontvangen, geven hem de meegebrachte foto’s en krijgen elk een glas van de bekende Marokkaanse muntthee. Voor 150 dirham per persoon boeken we een excursie voor aanstaande maandag naar de Ourikavallei. Daarna gaan we even verderop wat eten in een restaurantje.
We lopen wat over het plein, waarop het zoals altijd een drukte van belang is. We hebben van Mohammed begrepen dat het hier in de kerstvakantie pas ècht druk zal worden, maar ook nu is er al een aardige wirwar van mensen te zien. Er staan etenskraampjes en fruitstalletjes, er zijn verkopers die hun souvenirs op de grond uit hebben gestald, mensen proberen een publiek te trekken door verhalen te vertellen en toeristen worden aangespoord om zichzelf met henna te laten bekladden of zich met een aapje (aan een ketting) of een slang te laten fotograferen. Door de donkere lucht zweven grote rookpluimen van de geïmproviseerde restaurantjes die elke avond opgebouwd en weer afgebroken worden. Op weinig plaatsen in de wereld zullen je zintuigen harder moeten werken dan hier. Je  ziet alle drukte en bedrijvigheid om je heen, je hoort  een kakofonie van geroezemoes, jengelende fluiten van slangenbezweerders, rondscheurende brommertjes en mensen die luidkeels toeristen proberen te lokken en intussen vermengen de geuren van paardenpoep, kruiden, riolen, fruit en gebakken vlees zich in je neus. “I smell the garden in your hair” zongen Crosby, Stills & Nash in 1969 in hun hit ‘Marrakesh Express’, maar naar een tuin ruikt het hier nu bepaald niet.
Irritant vaak word je aangesproken door mensen die geld van je willen. Of dat nu verkopers, bedelaars, proppers of oplichters zijn wordt al snel irrelevant, je gaat vanzelf op de automatische piloot “no, thank you” zeggen tegen iedereen die je aanspreekt.
In een buurtsuper kopen we een zak chips, een rol koekje en flesjes cola, waarna we teruglopen naar ons hostel.

Dag 2
’s Ochtends worden we om half vijf en nogmaals rond half zes gewekt door een bijzonder luide, monotoon gezongen oproep tot gebed vanuit de luidsprekers van een moskee die zich bevindt op slechts enkele tientallen meters van ons hostel.
Om half negen gaan we de straat weer op. We besluiten om naar het noorden van de medina te gaan lopen, waar onder meer de beroemde koranschool Ben Joesoef Madrassa te vinden is.
Het blijkt echter nog niet zo makkelijk om die ook daadwerkelijk te vinden. Straatnaambordjes ontbreken hier zoals al vermeld vaak. Er zijn wel bordjes die aangeven waar de belangrijke bezienswaardigheden zijn, maar opvallend vaak lijkt het spoor van bordjes op te houden zodra je bij een splitsing komt. Wegen die op plattegronden grote vierbaanswegen lijken, blijken in de praktijk soms smalle straatjes te zijn waar twee brommers elkaar met moeite kunnen passeren. En frustrerend vaak denk je eindelijk ergens te komen zodra je een grotere, drukkere straat betreedt, om enkele tientallen meters verderop toch ineens weer in een steegje uit te komen waarin je je meteen hopeloos verdwaald waant, zelfs als je het (nog) niet bent.
Alhoewel we na enige tijd ronddolen de weg dus aardig kwijt zijn willen we niet aan iemand gaan vragen waar we naartoe moeten. We zijn, zeker na onze ervaring met die veeleisende kinderen van gisteren, op onze hoede voor de vele “professionele wegwijzers” die hier nogal stevige tarieven vragen. En toch staan we op het punt om er royaal in te tuinen bij een man die het spelletje erg goed speelt.
Als we even op zoek zijn naar straatnaambordjes komt een eenvoudig uitziende man van in de veertig of vijftig langs gelopen. Hij groet ons vriendelijk, lijkt verder te lopen en biedt dan toch aan om ons even een heel klein stukje op weg te helpen. We laten het toe. Maar een paar meter meelopen wordt al snel een paar straten en we worden onderweg dusdanig ingepalmd dat we weten dat het erg onbeleefd over zou komen om nu af te haken en onze eigen weg te gaan. We begrijpen al snel dat we er toch ingetrapt zijn en dat we zo meteen de portemonnee zullen moeten gaan trekken. Intussen vertelt de man dat hij Achmed heet, timmerman is, uit Ouarzazate komt en een broer in Rotterdam heeft. En uiteraard probeert hij ons ook wijs te maken dat alle bezienswaardigheden die we vandaag willen bezoeken dicht en/of hartstikke duur zijn. De boodschap is duidelijk: we kunnen beter gewoon met hem meegaan.
Dan komen we aan bij een afgelegen binnenplaatsje waar een man ons al op staat te wachten. Het is blijkbaar de bedoeling dat we gaan kijken in een leerlooierij die hier ergens gevestigd is. Dat zien we totaal niet zitten, dus bedanken we vriendelijk. Plotsklaps slaat de houding van onze vriendelijke vriend Achmed radicaal om. Hij speelt dat hij diep beledigd is omdat we niet op zijn doe-tip in willen gaan en eist op autoritaire toon maar liefst twintig euro voor de rondleiding van een half uur die hij ons zegt te hebben gegeven. Plotseling komt er een man uit een winkeltje aan de overkant van de straat naar ons toe gelopen, die zich “spontaan” in de discussie mengt en partij kiest voor Achmed. Uiteraard zit hij in het complot. Het is Achmed en zijn kompaan inmiddels wel duidelijk dat we niets uit gaan geven in de leerlooierij die ongetwijfeld een veel te duur eigen winkeltje heeft, dus is hun plan B in werking getreden. We zijn twee verdwaalde toeristen, we voelen ons hier ongemakkelijk en worden geconfronteerd met twee mannen die dwingend op ons inpraten: wij willen vast elke prijs betalen om maar gewoon weg te kunnen, dat weten zij ook wel. Plan B slaagt half. Ik druk Achmed een briefje van 100 dirham in de hand, verder ga ik hem echt niet tegemoet komen, waarop we weglopen. Achmed en de “toevallig” toegesnelde winkelier blijven ons nog een tijdje ietwat intimiderend volgen en eisen meer geld, maar godzijdank druipen ze uiteindelijk toch af. We kijken niet meer om en lopen stevig door.
Gelukkig vinden we daarna snel onze weg naar het Jemaa el Fna weer. De Ben Joesoef Madrasse laten we voor wat het is. Vlakbij het plein gaan we in een restaurantje ontbijten.
We willen vervolgens het Bahiapaleis gaan bezoeken. Ondanks de onprettige ervaring van zojuist durven we deze wandeling naar het zuiden van de medina wel aan, we hoeven immers alleen de relatief grote staat Rue Riad Zitoun el Jedid te volgen vanaf het Jemaa el Fna en lopen er dan recht op af.
Het negentiende-eeuwse Bahiapaleis, dat voor maar tien dirham per persoon bezocht kan worden, heb ik in 2010 al gezien. Maar ik vond de prachtige tuinen, binnenplaatsjes, sinaasappelbomen en rijkelijk gedecoreerde plafonds fraai genoeg om een keer terug naartoe te gaan. Grootvizier Si Moussa liet dit paleis bouwen met de intentie om er door de beste architecten van het land het mooiste en grootste gebouw in z’n soort van te laten maken. En zelfs als de tegenwoordig lege ruimtes je als toerist niet kunnen boeien, dan is op z’n minst de relatieve rust van de groene binnenplaatsjes een welkome afwisseling na de constante hectiek van de stad.
We beginnen na dit bezoek, bij een ideale temperatuur van ongeveer 22 graden, aan een stevige wandeling naar het westen van de stad over de Avenue de la Ménara, een brede en enkele kilometers lange straat die in een rechte lijn van de beroemde moskee van Koutoubia aan het Jemaa el Fna naar het paviljoen van Ménara loopt.
De zogenaamde tuinen van Ménara, die we vervolgens bezoeken, blijken niet echt tuinen te zijn maar een olijfboomgaard. Tussen de bomen zitten veel Marokkaanse gezinnetjes te picknicken. Ten midden van de in de twaalfde eeuw aangelegde boomgaard is een enorme rechthoekige vijver te zien waaraan aan zestiende-eeuws paviljoen staat. In vrijwel alle reisgidsen over Marokko zijn ronduit sprookjesachtige foto’s te vinden van dit paviljoen direct aan het water, met op de achtergrond het besneeuwde Atlasgebergte als imponerend decor. Maar in werkelijkheid ziet het er allemaal toch wat minder bijzonder uit. Het water is smerig, het voormalige zomerhuisje van sultan Abderrahmane is door de grootte van de vijver alleen van grote afstand frontaal te bekijken en het weer is net niet helder genoeg om de achterliggende bergen goed te kunnen zien.
We gaan weer terug richting het centrum lopen. We hebben op een plattegrondje gezien dat als we een kleine omweg nemen we langs het Stade el Harti kunnen komen. Omdat Linda en ik allebei wel een fascinatie hebben voor exotische voetbalstadions en het vooruitzicht van weer een lange, saaie wandeling over de Avenue de la Ménara ook niet erg aanlokkend is gaan we nu via de Avenue de France, een straat vol chique hotels en statige bankgebouwen.
Als we het stadion passeren blijkt het daar te wemelen van de politie. Het lijkt erop dat er een wedstrijd gespeeld gaat worden vandaag. En inderdaad, het plaatselijke Kawbab Marrakech (of KACM, zoals de club ook genoemd wordt) speelt vandaag in de hoogste nationale divisie een wedstrijd tegen RSB Berkane. Wie mijn eerdere reisverslagen heeft gelezen zal al weten dat Linda en ik als het enigszins mogelijk is graag een plaatselijke voetbalwedstrijd bezoeken tijdens onze reizen, dus nemen we ons voor om even te gaan informeren waar we kaartjes kunnen kopen. Even later zien we echter een lange rij voetbalsupporters die staan te wachten om naar binnen te kunnen en valt het ons direct op dat het uitsluitend mannen zijn. Voor het eerst vind ik het een heel klein beetje jammer dat Linda een vrouw is. We lopen maar weer door, het is natuurlijk niet de bedoeling dat Linda in een vol voetbalstadion een bezienswaardigheid gaat zijn. Onderweg word ik door verschillende jongens aangesproken met de vraag of ik misschien hun kaartje voor ze wil betalen. Sorry, volgende keer misschien.
We komen uit op de Avenue Mohammed V, de straat waaraan Hotel Oudaya staat, waarin ik in 2010 verbleef. En net zoals ik destijds met mijn toenmalige reisgenoten deed lopen we om even de drukte van de stad te ontvluchten via het park Arsat Moulay Abdeslam, dat letterlijk een oase van rust is. De altijd onberispelijk onderhouden bomen en planten staan er in deze tijd van het jaar wel een beetje flets bij.
We bekijken vervolgens de beroemde moskee van Koutoubia aan het Jemaa el Fna eens van wat dichterbij. De 77 meter hoge minaret van deze twaalfde-eeuwse moskee is zonder twijfel het bekendste en meest herkenbare gebouw van de stad.
We eten een broodje bij een eettentje aan de Rue Fatima Zohra en zoeken dan om vier uur ons hostel weer op voor een kort dutje.
Om kwart over zes gaan we de inmiddels donkere straten weer op. We besluiten om nu niet langs de drukke, inmiddels vertrouwde autoweg naar het Jemaa el Fna te lopen, maar dwars door de wirwar van straatjes, door de souks die eigenlijk al op een steenworp van ons hostel beginnen. En dat blijkt niet zo’n heel verstandige keuze. Al snel zijn we de weg die we met behulp van ons plattegrond wel hoopten te vinden helemaal kwijt en dolen we eindeloos door donkere, nauwe straatjes die vervolgens niet uit blijken te komen bij een punt dat we herkennen, maar gewoon in het volgende donkere, nauwe straatje. Zo nu en dan lopen we ineens door een drukker gedeelte en hebben we even de hoop dat we nu toch echt vlakbij het plein zijn, maar keer op keer blijken het plagerijtjes te zijn van het gigantische doolhof dat Marrakesh heet. Waarna we wederom door een donker steegje benen waarin geen enkele andere toerist te bekennen is. Normaal gesproken zou je in zo’n situatie uiteraard de weg gaan vragen, talloze keren bieden mensen ons ook spontaan aan om ons naar het plein te brengen, maar daar gaan we na vanochtend echt niet meer intrappen. Dan nog maar wat langer zoeken… De eindeloze stoet van brommers en scooters die op vaak onverantwoord hoge snelheden tussen de voetgangers doorscheuren verhoogt de irritatie over de gehele situatie behoorlijk.
Na ruim anderhalf uur steeds wanhopiger zoeken naar een herkenningspuntje vinden we eindelijk een spoor van wegwijsbordjes naar het Jemaa el Fna dat nu eens nìet abrupt stopt bij een T-splitsing. Opgelucht gaan we bij een restaurantje vlakbij het plein eten.
Na nog even over het plein te hebben gelopen gaan we nog een keertje pinnen, 500 dirham. We hebben nu dus in totaal 2300 dirham opgenomen, zo’n 210 euro, dat moet genoeg zijn voor de hele trip.
Daarna lopen we terug naar ons hostel. Nu uiteraard gewoon weer langs de drukke autoweg…

Dag 3
Om negen uur ’s ochtends staan we te wachten voor de deur van ons hostel, tien minuutjes later komt Mohammed van het eerder genoemde reisbureautje het steegje ingelopen om ons op te halen voor de excursie naar de Ourikavallei. We lopen met hem naar een busje, waarin we plaatsnemen. Mohammed stapt even later weer uit, we gaan de excursie maken met een chauffeur en met drie andere toeristen, die al snel een aangenaam gezelschap zullen blijken te zijn. Eén van hen is een vriendelijke, rustige, behoorlijk dikke en kettingrokende Duitser van een jaar of zestig die Wolfgang heet en onderweg vertelt dat hij ooit in z’n eentje met de auto vanuit zijn thuisland door een groot deel van Afrika gereisd heeft. De anderen zijn twee in Londen woonachtige Britten van ergens in de twintig of dertig, die oorspronkelijk uit Bangladesh komen. Deze mannen, een kleine magere en een slome dikke, blijken al snel werkelijk hilarisch te zijn, soms bedoeld en soms onbedoeld, en zouden eigenlijk onmiddellijk een eigen reisprogramma in de stijl van An Idiot Abroad moeten krijgen.
De eerste stop die we maken is naast de doorgaande weg bij een bescheiden berberhuisje. We weten inmiddels wel hoe dit soort “tourist traps” werken: je wordt tegen wil en dank ergens gedropt, wordt aangespoord om overal foto’s van te maken en ten slotte krijg je wat te eten en drinken aangeboden, in dit geval brood, boter, stroop en muntthee. En na zoveel gastvrijheid kun je het natuurlijk niet maken om weer te vertrekken zonder de bewoners van het huis wat geld toe te stoppen. Dat je eigenlijk helemaal niet om deze stop had gevraagd en het eigenlijk ook totaal niet interessant vond is niet relevant en iedereen weet dat een percentage van het geld dat je de bewoners van zo’n huis toestopt verdwijnt in de zakken van de chauffeur die je er zojuist naartoe heeft gebracht.
De tweede stop is bij een bedrijfje waar een tiental vrouwen argannoten zit te malen (die meer op olijven dan op noten lijken), waar vervolgens arganolie van gemaakt zal worden. Een vlotte, goedlachse vrouw die uitstekend Engels spreekt houdt een kort praatje, waarna we naar een zithoek gedirigeerd worden. Daar moeten we onder lichte dwang verschillende soorten arganolie, al dan niet verwerkt in een genezend middeltje, geurtje of smeerseltje, proeven en ruiken. Vervolgens komt uiteraard het onvermijdelijke bezoek aan het bijbehorende winkeltje, waar we een mandje in onze handen gedrukt krijgen dat maar we even moeten vullen met peperdure potjes die overwegend 100 tot 150 dirham kosten. Wolfgang moppert dat dezelfde potjes zelfs in de relatief dure kraampjes bij het Jemaa el Fna maar 50 dirham kosten. We vertrekken natuurlijk zonder iets te kopen.
We gaan verder en rijden door een herfstachtig landschap dat bezaaid is met goudgele bladeren. Links van ons loopt een smal bergstroompje met aan de overkant het ene enorme terras na het andere. Op geen van de terrassen is een mens te bekennen. Recht voor ons zien we besneeuwde bergtoppen.
De derde stop is bij een gammele houten hangbrug over het miezerige stroompje, die we oversteken. Aan de overkant worden we direct aangesproken door een paar mannen die ons kettingen willen verkopen en kinderen die euro’s en ponden voor dirhams willen wisselen. We blijven even staan bij de brug en wachten af. We kijken onze chauffeur vragend aan: wat nu? Nou, niks dus. We zijn blijkbaar alleen gestopt om even een simpele brug over te steken (en wellicht om naar deze kettingverkopers te worden gebracht). Terwijl wij uiterst voorzichtig weer teruglopen over de geïmproviseerde brug van dunne plankjes aan kabels worden we ingehaald door kinderen die er letterlijk overheen sprinten.
Na weer een kort ritje parkeert de chauffeur het busje op een parkeerplaats bij een restaurant. We gaan aan een tafeltje zitten en krijgen de menukaart. Daarop staan geen losse gerechten, alleen volledige menu’s die 120 dirham kosten, voor Marokkaanse begrippen uiteraard een absurd hoge prijs. Linda en ik zijn niet van plan om dat uit te geven voor een lunch, maar gelukkig blijkt het niet zo’n probleem te zijn om toch alleen omeletten te bestellen, die in combinatie met de grote ronde broden die je standaard bij elke maaltijd krijgt ook een prima lunch vormen.
Vanuit het restaurant gaan we te voet verder. Al heel snel passeren we een restaurant dat volledige menu’s aanbiedt voor 50 dirham. En bedankt, chauffeurtje.
Met een plaatselijke gids gaan we een wandeling maken langs drie watervallen. Het is een ietwat pittige tocht waarbij ook aardig wat geklommen moet worden en het is lang niet altijd een overbodige luxe dat de gids wijst op de stenen waar je je voeten het beste op kunt zetten. Wie hier een mooie natuurwandeling verwacht komt echter bedrogen uit. Het geïmproviseerde pad omhoog loopt dwars door een hoop winkeltjes en langs kraampjes waarin we weer de bekende souvenirs en andere prullen zien. De verkopers beweren dat hun spullen van een betere kwaliteit zijn dan in de stad, maar ik ben er vrij zeker van dat dit over het algemeen exact dezelfde beeldjes, sloffen, djelleba’s, tassen, stenen, kettingen en koelkastmagneten zijn als degene die je in de soeks van Marrakesh ziet liggen. Bovendien lijken de prijzen hier nog een stukje hoger te zijn.
Bij het kleine, magere eerste watervalletje dat we zien haken Wolfgang en de dikke Brit allebei al af, ze blijven hier wel wachten tot we weer terug zijn van het bekijken van de volgende twee watervallen. Voor Wolfgang lijkt me dat inderdaad een verstandige keuze, die liep na enkele minuten al te zuchten en steunen alsof hij een marathon aan het lopen was. De dikke Brit zegt met een knipoog dat hij achterblijft om Wolfgang te beschermen.
Met z’n drieën plus de jonge plaatselijke gids gaan we verder. Ook de tweede waterval blijkt heel weinig voor te stellen, maar de laatste is wat groter en wel de moeite waard.
Na terugkomst bij de eerste waterval, waar onze minder fitte medereizigers op ons zitten te wachten, blijkt de dikke Brit zich te hebben vermaakt met passerende Marokkanen met gelijke munt terugbetalen. In gebroken Engels heeft hij ze gevraagd of ze tegen betaling van 20 dirham een foto wilden maken van hem in de djellaba (een lang gewaad dat veel Marokkaanse mannen dragen), die hij gekocht heeft omdat hij zijn jack vergeten was en het hier toch wel een stuk frisser is dan in Marrakesh.
Even later maakt hij de onwil van de rest van de groep om hier iets te kopen in één klap goed door maar liefst 400 dirham neer te leggen voor twee doodgewone stenen waar hij zijn naam uit heeft laten kappen.
Als we weer terug zijn op de parkeerplaats blijkt onze gids nog lang niet zo’n gehaaide zakenman te zijn als veel van zijn landgenoten die ook in het toerisme werken. Hij blijft eventjes wat ijsberen in onze buurt en druipt dan stilletjes af. Het is bijna uit medelijden dat ik daarna toch maar even naar hem toeloop om hem een fooi te geven.
Op de terugweg naar Marrakesh hebben we twee extra passagiers, een Brit en een Braziliaan. Overigens hebben we de afgelopen dagen in Marrakesh veel Brazilianen gezien in zwartwit gestreepte voetbalshirts. Het zijn supporters van de voetbalclub Clube Atlético Mineiro, dat deelneemt aan het wereldkampioenschap voor clubteams dat momenteel in Marokko gehouden wordt. Helaas past het net niet in ons schema om daarvan een wedstrijd mee te pikken, de eerste wedstrijd in Marrakesh vindt uitgerekend een dag na ons vertrek plaats.
Terug in het hostel treffen we de beheerder en vertellen we hem dat we morgen al om vijf uur in de ochtend zullen vertrekken. Hij vraagt of we dan een taxi nodig hebben en zegt dat zijn buurman, die taxichauffeur is, ons bij het hostel op kan komen halen en ons voor 100 dirham naar het vliegveld kan brengen. We zagen er al een beetje tegenop om zo vroeg in de ochtend de straat op te moeten gaan om een taxi te zoeken, met wellicht weer de nodige prijsonderhandelingen waar we sowieso geen trek in hebben, dus dat komt goed uit. De beheerder zegt tevens toe dat zijn broer morgenochtend aanwezig zal zijn om onze sleutel aan te nemen.
We lopen voor een laatste keer naar het Jemaa el Fna, nu maar weer gewoon via de bekende route over de Rue Dar el Bacha en de Rue Fatima Zohra. We willen op onze laatste avond gaan eten bij de bekende eetstalletjes op het plein.
Daarbij aangekomen worden we direct al aangesproken door een man die ons een menukaart voorschotelt. Voordat we iets gezegd hebben gokt hij dat we Nederlanders zijn, waar hij wel punten mee scoort. Opmerkelijk genoeg zijn we met onze donkere haren tot dusver door vrijwel iedere Marokkaan aangezien voor Italianen of Spanjaarden. De man haalt zijn iPhone tevoorschijn en wil ons iets laten zien. “Just look, it’s free”, zegt hij geruststellend, met een knipoog. Hij tovert foto’s tevoorschijn waarop hij poseert met Ruud de Wild en Sebastiaan Labrie. Dit charmeoffensief was niet eens nodig, we waren toch al van plan om hier te gaan eten. Helaas blijkt het verhaal dat je hier lekker goedkoop kunt eten achterhaald te zijn, want voor twee bordjes couscous (eentje met groente, eentje met worstjes) en twee drankjes zijn we 120 dirham kwijt, een prijs die niet zou misstaan bij de restaurantjes die het plein omringen.
We gaan we even de soeks in, maar blijven nu in de buurt van het plein. Hier is het aanzienlijk rustiger shoppen dan wanneer je dieper de wirwar van straatjes induikt. De verkopers laten je met rust, afdingen is niet aan de orde omdat alle prijzen “fixed” zijn (ongetwijfeld is alles hier relatief duur, maar dat is letterlijk een prijs die we nu wel willen betalen) en er rijden geen brommers tussen de voetgangers door. Met een deel van ons laatste geld kopen we nog een paar kleine souvenirtjes.
Daarna drinken we op het plein nog een glas verse sinaasappelsap, kijken nog een keer goed rond en laten, in elk geval voor deze trip, voor de laatste keer de overdosis aan indrukken, geluiden, geuren en kleuren van het wereldberoemde Jemaa el Fna achter ons.
Om half negen zijn we terug in ons hostel.

Dag 4
We moeten er vandaag al om half vijf uit om op tijd te zijn voor onze vlucht terug naar Eindhoven, maar hoeven eigenlijk niet eens de wekker te zetten aangezien we op dat tijdstip toch al elke ochtend gewekt worden door het oproep tot gebed van de moskee vlakbij. Een half uurtje later staan we in de receptie van het hostel klaar.
Om tien over vijf is de broer van de beheerder nog nergens te bekennen en ook op de taxichauffeur wachten we nog altijd tevergeefs. Omdat we ook niet weten waar die broer uithangt gaan we maar even naar buiten en bellen we zelf aan. Daarop komt de broer al snel naar ons toe. We gaan met hem naar buiten, naar de Rue Bab Doukkala, waar de buurman al klaarstaat met zijn taxibusje.
Onze trip zit erop. Ondanks een paar minder prettige voorvalletjes was het weer een indrukwekkende ervaring. Ik zou dan ook niemand een bezoek aan Marrakesh afraden. Daarvoor is er toch teveel moois te zien en bijzonders te beleven in deze erg levendige stad waarin ze het woord “saai” waarschijnlijk niet eens kennen. En het Jemaa el Fna is een ervaring op zich, eigenlijk moet je daar gewoon een keer geweest zijn. Je doet er alleen wel verstandig aan om een hoge irritatiegrens mee te nemen en een gezonde sceptische houding richting iedereen die je aanspreekt.
Terwijl we de stadsmuren van Marrakesh uitrijden is het een vreemd idee dat we vandaag rond lunchtijd gewoon weer in een koud en grijs Eindhoven zullen zitten. En dat ik over 26 uur alweer op m’n werk zal zijn…

Mocht je meer reisverslagen van mij willen lezen, dan kun je hier klikken om mijn boek ‘De Mooiste Dagen’ te bestellen. Met 296 pagina’s aan uitgebreide verslagen van mijn reizen door onder anderen Egypte, Cuba, Mexico, Guatemala, Jordanië, Marokko, Laos en Kroatië!

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: