Archive for november, 2013

Frisse neus

Ik hou van de geur van vers gebakken brood. En van die van de zee, of van een pas geopende zak koffiepads. Van oude boeken en platen, en van nieuwe schoenen. Maar dat spreekt allemaal wel voor zich, denk ik.

Ik hou misschien zelfs nog meer van hoe de lucht ’s avonds kan ruiken als het weer lente wordt. De reuk van vers gemaaid gras maakt dat zelfs nog een stuk fijner. Alhoewel ik nooit blow en roken ronduit smerig vind, hou ik wel van de geur van cannabis die in rook opgaat, omdat ik die associeer met zomerfestivals. Ook de geur van verhit asfalt op een zinderende zomerdag vind ik wel wat hebben. En ik hou zelfs een klein beetje van de geur van pas bemeste akkers, als je in een dorp opgegroeid bent dan hoort die nou eenmaal bij de lente en de zomer.

Maar voordat we dat alles opnieuw kunnen ruiken zullen we eerst weer even een paar maanden een frisse neus moeten gaan halen. En na het zo lang mogelijk uitgesteld te hebben rook ik afgelopen week voor het eerst in maanden mijn winterjas weer.

Bah…

Leave a comment »

O, kom er eens kijken wat ik op de platenbeurs vond

Mijn kindertijd was eigenlijk vrij overzichtelijk. Zo wist ik altijd ruim van tevoren wat het hoogtepunt van het jaar zou worden: de avond van 5 december. Het hele jaar door onthield ik elk stuk speelgoed dat ik graag wilde hebben maar niet kon betalen van mijn zakgeld, medio november kreeg Sinterklaas het verzoek om dat alles dan maar even aan te gaan schaffen. En ik zal wel een lief kind zijn geweest, want ik werd eigenlijk nooit teleurgesteld door de goedheiligman. Op elke pakjesavond stond een meer dan acceptabel deel van mijn verlanglijstje netjes ingepakt voor me klaar, aangevuld met wat verrassingen die Sinterklaas er zelf bij had bedacht. En daarna wilde ik natuurlijk niets liever dan een paar dagen thuis blijven om met mijn nieuwe aanwinsten te spelen.

Tegenwoordig krijg ik, als mijn agenda en financiën het toelaten, twee keer per jaar nog een beetje dat gevoel dat ik vroeger had op 5 december. En afgelopen zaterdag was het weer zo ver. Voor de tweede keer dit jaar werd in de Jaarbeurs in Utrecht de Mega Platen & CD Beurs gehouden, de grootste platenbeurs ter wereld. Ik moet mijn eigen cadeautjes daar natuurlijk zelf betalen, dat wel, maar desondanks zijn er genoeg overeenkomsten met de pakjesavonden van vroeger. Ik maak vooraf een verlanglijstje, vind doorgaans wel een deel(tje) daarvan, kom ook altijd wel wat verrassingen tegen waar ik niet op had gerekend en als ik in de trein terug naar huis de buit inventariseer zou ik mezelf het liefst zo snel mogelijk een paar uurtjes afzonderen met een stereo-installatie om alles uitgebreid te beluisteren.

Maar tegelijk is de platenbeurs een beetje een martelgang. Als ik in een vreemde stad ben dan struin ik als het even kan altijd even door wat achterafstraatjes in de hoop daar een leuk platenzaakje te vinden (de interessantste shops zitten nooit midden in het centrum) waarin ik één of twee uurtjes op jacht kan naar mooie uitbreidingen van mijn platencollectie. Op de Mega Platen & CD Beurs vind je de halve inventaris van honderden van precies dat soort winkeltjes uit heel Europa in één hal. Het aantal bakken, dozen en kratten propvol cd’s, lp’s, singletjes en memorabilia is er nauwelijks te tellen. Eigenlijk is het gekkenwerk. Bij bijna elk kraampje dat er staat zou ik een uur door kunnen brengen. Maar het zijn er honderden en na een uur of vier ben ik doorgaans wel weer uitgeput door het slenteren, de krankzinnige overdosis aan platen, de vele duwende, porrende en voordringende mannetjes en de gewichtige discussies over de Duitse persing uit 1968 van die Stones-lp die toch ècht beter gemasterd is dan de Franse persing uit 1971, of andersom.

Als ik weer naar buiten loop dan heb ik dus altijd toch een beetje het gevoel dat ik teveel over heb geslagen. Ik zou een hele dag kunnen vullen met alleen maar door ongesorteerde bakken met spotgoedkope lp’s spitten, op zoek naar koopjes. En een dag met het speuren naar nieuwe aanwinsten voor mijn collectie oude Beach Boys-singletjes. Een dag met het opsporen van obscure meesterwerkjes uit de late jaren zestig. Een dag met het vinden van nog meer van mijn favoriete liedjes op 45 toeren. Een paar uur met het vullen van wat gaten in mijn verzameling punkrock-cd’s. Een paar uur met zoeken naar bootlegs met nooit officieel uitgebracht materiaal van mijn favoriete bands. Zie dat allemaal maar eens bevredigend te doseren in een uur of vier.

Maar als ik daarna in de trein terug nog eens bekijk wat ik ook alweer allemaal op de kop getikt heb, dan ben ik eigenlijk nooit ontevreden. Dan zitten in mijn rugzak toch maar mooi de, binnen mijn budget, meest interessante platen die ik in die hele gigantische hal tegen ben gekomen. En dan ben ik een beetje mijn eigen Sinterklaas.

Met als groot voordeel dat ik, in tegenstelling tot de goedheiligman, op mijn pakjesavonden niet elke keer weer naar dezelfde pakweg tien liedjes hoef te luisteren.

Leave a comment »

Dubbelcolumn Nina & Joost: Schrijven

Nina Kurt doet momenteel een Master studie Creative Writing aan de Newcastle University. Dus toen ik haar vroeg om een onderwerp voor te stellen voor een dubbelcolumn had ik het antwoord al aan kunnen zien komen: schrijven. Waarom doen we dat eigenlijk?

Nina:

‘Schrijfster. Of zangeres.’ Dat was standaard mijn antwoord wanneer iemand vroeg wat ik later wilde worden, al sinds ik een jaar of zeven was. Op een van deze manieren moest en zou ik mijn ziel uiten en de illusie van onsterfelijkheid bereiken. Na een paar jaar zanglessen en gitaarlessen te hebben gevolgd, had ik nog steeds het idee dat ik pas een ‘beginner’ was op het gebied van muziek maken en dat ik dat ook altijd zou blijven. Songteksten schrijven, dat ging me redelijk goed af – ik had altijd wel wat te zeggen – maar daarbij muziek te verzinnen, dat lukte me nauwelijks. Het is dan misschien ook niet zo verrassend dat die ‘lyrics’ langzaam maar zeker in gedichten veranderden. Einde van een relatie: ik schrijf erover. Overleden huisdier: ik schrijf erover. Mooie momenten tijdens een buitenlandverblijf: ik schrijf erover. Iemand vertelt me een bizar verhaal: ik zie het boek al voor me. Vooral ’s nachts, als ik eigenlijk wil slapen, komen de ideeën in mijn hoofd. Dan moet ik ze opschrijven, anders blijven ze in mijn hoofd rondspoken en kan ik niet slapen.

Dus, toen mijn afstuderen naderde en ik nog steeds geen concreet beroep voor ogen had, moest ik dat idee van schrijven toch maar eens serieus gaan nemen. Misschien kon ik beginnen met wat vertaalwerk, om maar geld te kunnen verdienen, maar mijn eigen creaties schrijven, dat bleef mijn enige ambitie. Toen ik de Master studie ‘Creative Writing’ ontdekte, bleek er eindelijk een plek te zijn voor mensen zoals ik. Een plek waar mensen me zouden aanmoedigen en helpen om mijn droom te bereiken. En mocht het niet zo lukken, ach, dan had ik toch nog een jaar extra aan de universiteit gestudeerd, wat toch nooit zomaar weggegooide tijd is!

Tijdens het eerste college van het vak ‘Profession of Writing’ werd ons gevraagd: Wat hoop je en verwacht je van dit vak te leren? Ik moest hier even over nadenken, maar één van mijn klasgenoten, een man van minstens veertig, zei meteen: ‘Dat ik nu eindelijk eens mezelf een schrijver zal durven noemen.’ Dit antwoord had een verbluffend effect op mij. Hij had gelijk, want: Waarom zou de wereld ons serieus nemen als schrijvers, als we dat zelf nog niet eens konden? Waarom zouden ze onze boeken willen kopen, als we zelf nog niet honderd procent geloofden dat deze hun geld waard waren? Dus wat ik nodig had, was een verandering van attitude.

Stap één: Ik schafte een stapeltjes kleurrijke Moleskine notitieboekjes aan, die mooie, professioneel uitziende boekjes die ik voorheen altijd had laten liggen omdat ik ze te duur vond. Nu zei ik tegen mezelf: een vakman heeft goed gereedschap nodig. Als zo’n Moleskine fijner is om mee te schrijven, en ook niet onbelangrijk, een uitstraling heeft die mij het gevoel geeft dat ik iets erg belangrijks en poëtisch aan het schrijven ben, al zou het maar een boodschappenlijstje zijn, dan heb ik nu een zeer goede reden om hier geld aan te besteden.

Stap twee: Op een dag zette ik mijn laptop uit, verliet ik het huis en liep naar de dichtstbijzijnde Starbucks. Hier bestelde ik een Pumpkin Spice Latte – enkel om een tafeltje te mogen bezetten – en nam mijn Moleskine en mijn fijnste pen uit mijn tas. Ik had geen flauw idee waarover ik zou schrijven, maar ik begon gewoon. Kijk, kijk, hier zit een schrijver. Hoe vaak heb ik wel niet een interview gelezen waarin een beroemd auteur zei ‘Het idee voor dit verhaal kwam toen ik in dat café zat’… hoe vaak ben ik wel niet op een bekende locatie in Parijs, Londen of Dublin geweest, waar een trotse plakkaat verkondigde ‘Hier schreef [Hemingway, Wilde, Joyce] zijn eerste versie van […]’. Niet dat ik thuis niet kan schrijven, maar het gaat om het gevoel dat ik bij mijn omgeving heb. Plus, thuis is de verleiding te groot om de dag te verspillen aan internet.

Stap drie? Ik kan nog niet zeggen dat ik de vraag ‘En wat doe jij?’ beantwoord met ‘Ik ben schrijver’, maar dat hoeft ook niet. Op dit moment is mijn antwoord ‘Ik studeer Creative Writing’ en dat heeft eigenlijk hetzelfde effect. ‘Ohh, wat cool! Wat voor soort teksten schrijf je?’ En zo krijg ik toch elke keer weer dat blije gevoel van binnen: ik doe iets “creatiefs”, ik werk full-time aan mijn hobby. Ik schrijf. (Sowieso zijn er genoeg mensen die naast het schrijven een part-time of full-time baan op een totaal ander vakgebied hebben, en dat werkt waarschijnlijk ook prima. Ik wil niet de suggestie wekken dat iedereen zijn hele leven maar moet omgooien om het aan het schrijverschap te wijden)

Ik moet nog veel leren, maar daarvoor ben ik hier. Wekelijks lees ik een zelfgeschreven gedicht of kort verhaal voor aan klasgenoten en krijg ik zeer positieve feedback. Dit geeft me meer zelfvertrouwen. Ik ben zelfs begonnen met het insturen van gedichten naar verschillende online literaire magazines. Onbetaald, maar geldzaken komen na mijn studie wel aan de orde. De docenten kunnen soms pijnlijk kleine verbeteringspuntjes aanwijzen. Ook dat brengt me verder. Het belangrijkste is dat ik er nu serieus mee bezig ben. Ik hoef niet langer te zeggen ‘Als ik groot ben, wil ik graag schrijven.’ Ik hoef niet langer excuses te maken: ‘Ja ooit zou het leuk zijn iets te schrijven, maar ik heb er nooit tijd voor.’ Nee, nu mag niets meer in de weg staan. Ik ben een schrijver, het is een full-time commitment.

Joost:

Er word wel eens gezegd dat de reis belangrijker is dan het doel. Ik zou dat kunnen vertalen naar schrijven: het gaat me eigenlijk nog meer om de bezigheid dan om het resultaat.

Natuurlijk is het prachtig om gelezen te worden. Het is een geweldige motivatie en het kan best een streling van je ego zijn. Ik vind het een eer dat ik merk dat er toch steeds weer mensen zijn die even de tijd willen nemen om mijn stukjes te lezen. En er zijn weinig dingen waar ik trotser op ben dan het feit dat ik sinds kort twee boeken op mijn naam heb staan. Toch schrijf ik nog net iets meer om het schrijven dan om het gelezen worden.

Beginnen met een blanco beeldscherm en er vervolgens in slagen om daarop iets fraais te scheppen, dat blijft een fascinerende bezigheid. Je bent dan toch een heel klein beetje God. Je kunt het heden of verleden vastgrijpen en met jouw eigen twist vastleggen. Ja kunt objectief blijven of het juist mooier of dramatischer maken. Er je eigen stempel opzetten. Om maar te zwijgen over de mogelijkheden van het schrijven van fictie. Je kunt personages en gebeurtenissen, maar ook hele steden, landen en tijdperken uit je mouw schudden.

Maar schrijven is voor mij niet alleen creativiteit. Het kan ook een soort therapie zijn. Je neemt iets wat door je hoofd spookt en probeert het er uit te halen. Iets in mooie, gestructureerde woorden op papier of een beeldscherm zetten kan een prima methode zijn tegen piekeren en malen. Je exporteert je hersenspinsels naar papier of een beeldscherm, daarna zijn ze ineens concreet. Ze liggen vast en kunnen geïmporteerd worden, door je vrienden en familie, door wildvreemden en misschien over enkele decennia door je oudere zelf. Je teksten kunnen jou ineens overleven. Als wat ooit in je grijze massa omging ergens vereeuwigd ligt, dan ben je na je overlijden toch een beetje minder dood.

De blogs die ik probeer te schrijven zijn ruwweg in twee groepen te verdelen. Er zijn de monologen en er zijn de dialogen met mezelf. De monologen zijn makkelijk. Ik weet wat ik wil zeggen en moet alleen nog even de woorden tot een lekker leesbaar geheel zien te kneden. Maar zo makkelijk gaat het lang niet altijd. Als ik schrijf dan is het soms alsof ik in een Word-bestandje een pittige discussie met mezelf aan het voeren ben. Waarin ik mezelf tegenspreek. Waarin ik me afvraag wat nou eigenlijk het punt is dat ik wil maken. Waarin ik mijn meningen ter plekke vorm, bijstel en schrap. Negen van de tien stukjes uit de eerste categorie zet ik uiteindelijk online. Negen van de tien uit de tweede categorie belanden in mijn digitale prullenbak (het stukje dat je nu leest behoort dus tot een minderheid). Maar juist die stukjes zijn voor mezelf vaak het meest leerzaam. En dan is schrijven ècht belangrijker dan gelezen worden.

Ik vind het hartstikke leuk dat je dit hebt willen lezen. Echt waar, hartelijk dank daarvoor. Hopelijk vind je het niet erg dat je toch een beetje op de tweede plaats komt.

Leave a comment »

Passend werk

Een dag in oktober, iets na twaalf uur ’s middags. Ik word gebeld door het uitzendbureau waarbij ik me zojuist in heb laten schrijven. Ze hebben werk voor me, bijna letterlijk per direct. Of ik een dikke anderhalf uur later al kan beginnen. Het zal geen echt leuk werk zijn, maar ik zit inmiddels dermate lang in de WW dat ik me echt niet meer de luxe kan veroorloven om wat voor betaalde baan dan ook af te wijzen. Elk werk is in deze fase passend werk, zo vind men bij de uitkeringsinstantie UWV. Geen probleem, ik ben het daar eigenlijk wel mee eens. Dus stap ik kort daarna in de auto om eindelijk weer eens aan de slag te gaan.

Om twee uur die middag sta ik in één van de meest deprimerende gebouwen die ik ooit van binnen heb gezien. Ik schat dat het ernstig gedateerde fabriekspand moet stammen van rond de oorlog en vermoed dat het sindsdien nooit noemenswaardig opgeknapt is. Op mijn hoofd heb ik een haarnetje, ik draag een viezige bedrijfspolo en -broek waarvan ik betwijfel of ze wel gewassen zijn sinds één van mijn voorgangers ze voor de laatste keer uittrok en om mijn voeten heb ik verschrikkelijk onprettig zittende werkschoenen waarvan de aankoopprijs van mijn eerste salaris af zal worden gehouden. In de hal waar ik in sta is verder geen mens te bekennen, ik zie om me heen alleen pallets vol met stapels karton en het enige wat ik hoor is het lawaai van de machines in de aangrenzende ruimtes. Mijn taak voor de eerstvolgende uren: stapels karton met de hand verplaatsen van het ene naar het andere pallet. Na enige tijd sjouwen gok ik voorzichtig dat ik toch al minstens twee uur bezig moet zijn en kijk even op mijn telefoon. Ik blijk er pas een dikke drie kwartier op te hebben zitten.

Ik ben aan het begin van de dag kort geïnstrueerd door een nogal chagrijnige man die verschillende keren luidkeels liet weten dat hij eigenlijk al vrij had moeten zijn, daarna wisselt pakweg vijf uur niemand een woord met me. Er is me verteld dat ik gedurende mijn achturige dienst recht heb op twee pauzes van een kwartier, die uiteraard van mijn werktijd afgetrokken zullen worden. Ik breng die pauzes moederziel alleen door in een schemerige kantine met de gezelligheid van een gemiddelde begraafplaats, met een bekertje automaatkoffie waarvoor ik heb moeten betalen. De laatste drie uur van mijn werkdag ben ik eindelijk weer even onder de mensen als ik stukken karton in een vouwmachine mag gaan stoppen. Ik doe mijn best om het zo snel en zo nauwkeurig mogelijk te doen en met een beetje moeite kan ik het tempo van de machine bijbenen. Zo nu en dan komt een nogal potige vrouwelijke collega me even “helpen”, door opzichtig te laten zien dat ze dit vèèl sneller kan dan ik. Tijdens een snelle plaspauze kijk ik even op mijn telefoon om de sms-jes te lezen van mijn vriendin, die me een beetje op de hoogte houdt van de stand van zaken bij de interland Turkije – Nederland. Die moet ik vanavond helaas missen, evenals mijn wekelijkse bezoekje op dinsdagavond aan mijn ouders, mijn broers en mijn nichtje van bijna drie.

Om kwart over tien ’s avonds ben ik na acht uur hard werken eindelijk weer thuis. Ik schoffel nog even wat eten naar binnen, kan een kwartiertje met mijn vriendin op de bank zitten en moet daarna echt naar bed. Ik zet mijn wekker op tien over vijf. Want precies acht uur na het einde van mijn eerste werkdag zal mijn tweede al beginnen. Dus sta ik ’s ochtends om zes uur weer in dezelfde fabriekshal, evenals de ochtend daarna. Ik haat elke minuut die ik er doorbreng en krijg met het uur meer respect voor mensen die dit soort werk jarenlang doen, of zelfs hun hele leven. Ik werk zo hard en zo goed als ik kan. De tijd gaat dan toch wat sneller, bovendien wil ik mijn goede wil tonen omdat het best zou kunnen dat ik hier nog enkele weken of maanden moet blijven werken. Ik moet er maar het beste van maken. En dat lijkt wel aardig te lukken. Ik hoor geen kwaad woord van mijn leidinggevenden. In tegendeel. Ze complimenteren me als ik klaar ben met wat ik moest doen en na weer acht uur vol te hebben gemaakt word ik naar huis gestuurd met een glimlach en een schouderklopje. Na mijn derde dag hoef ik echter niet meer terug te komen. Zonder opgaaf van reden sta ik niet meer ingepland.

Een week later loop ik naar buiten bij een ander bedrijf. Nu niet uit een aftandse fabriek, maar uit een modern kantoorgebouw. Ik heb een positief sollicitatiegesprek achter de rug, eindelijk, en ik mag weer aan het werk. Nu op een comfortabele bureaustoel, achter een computer, in mijn eigen kleding en gympen, in een mooie ruimte met een radio, gratis koffie en op het eerste oog allervriendelijkste collega’s. Ik mag weer gaan DTP-en! Heel veel zekerheid heb ik nog altijd niet, ik krijg in eerste instantie een contract voor twee maanden, maar na veertien maanden thuis te hebben gezeten en tussen de honderd en honderdvijftig sollicitatiebrieven te hebben verstuurd mag ik eindelijk mijn eigen beroep weer uit gaan oefenen.

Nog voordat ik weer thuis ben van mijn sollicitatiegesprek gaat mijn telefoon. Het is mijn werkcoach van het UWV. Hij heeft feedback gekregen van het bedrijf waarvoor ik vierentwintig uur lang stapels karton heb verplaatst voor het minimumloon (minus de kosten van mijn werkschoenen). Volgens mijn complimentjes en schouderklopjes uitdelende leidinggevenden aldaar heb ik er dusdanig de kantjes vanaf gelopen dat ze het idee hebben gekregen dat ik me bewust onmogelijk heb gemaakt. En daarom wordt de uitbetaling van mijn WW-uitkering tot nader order maar eens geblokkeerd.

De week daarna ga ik weer DTP-en. Als ik op weg ben naar m’n nieuwe baan merk ik dat het karton verplaatsen toch nog wat opgeleverd heeft. Ik ben zelden met een beter humeur naar m’n werk gegaan dan nu.

Comments (2) »