Dubbelcolumn Olav & Joost, deel 7: Tatoeages

Olav:

Het nieuwe en aparte is er al een tijdje vanaf. Op mijn veertiende heb ik zelf mijn eerste gezet. Ik zat op de LTS (schilderen) en druppelde wat Oost-Indische inkt op mijn hand. Vervolgens pakte ik een passer en stak er lustig op los. Het werkte en ik zette er nog netjes twee puntjes naast. Thuis waren ze minder blij met mijn creativiteit, dat weet ik nog wel. Toen ik een jaar of twintig geleden de eerste liet zetten had ik nog wel een beetje bekijks. Een tribalbandje om de biceps, net boven de T-shirtmouwlijn. Voor die tijd redelijk apart, temeer omdat ie rondom loopt. Aan de binnenzijde was het iets pijnlijker dus werd het daar door sommigen weggelaten. De tweede werd een schorpioen op m’n enkel, aan de binnenkant. Op de bobbel was het minst prettig. “Het inkleuren is minder pijnlijk” zei hij nog, en natuurlijk geloofde ik hem. Een schorpioen? Mijn sterrenbeeld is kreeft dus die link is niet te leggen. Vind het een mooi beest en op het voorbeeldbord stond ook eigenlijk geen mooiere afbeelding. Het had op dat moment wat mij betreft net zo goed een schildpad kunnen worden. Er moest gewoon iets op. De derde ging op mijn schouder als ode aan mijn kinderen. Een soort van Maori-afbeelding met de namen van mijn liefsten er omheen. De vierde was ook een ode aan en is het eigenlijk nog steeds. Plekkie in m’n hart en op m’n andere schouder.

“Ja, maar als je straks oud bent..” werd er toen nog wel eens gezegd. Ja, wat dan? Dan zeggen ze, “Ooh, die heeft een tattoo!”. Alsof het me dan nog interesseert wat ze van mijn versieringen vinden, terwijl ik druk doende ben mezelf in leven te houden. Als mensen me daar op willen veroordelen moeten ze dat zeker doen. “Boeie” zeggen we dan.

Ja, het nieuwe is er flink vanaf. Iedereen zit helemaal vol en het is een heel normaal en geaccepteerd straatbeeld geworden. Je bent al veel aparter als je er geen hebt. Het is een onderdeel van het straatbeeld en ieder heeft zijn of haar verhaal erbij. Prachtig vind ik het, vooral de reden ervoor of de gedachten er achter. Het zijn niet alleen schippers meer of asocialen met de “stickers”.

Mijn moeder is nu 79. Een paar jaar geleden zat ze naar mijn arm te kijken en zei, “Eigenlijk zou ik er ook wel eentje willen, of is dat gek?”. Uiteindelijk heeft ze Tinkerbell laten zetten op haar bovenarm.

“Is dat gek?”. Boeie!

Joost:

Zaterdag 14 september 2002. Zenuwachtig loop ik in Breda door de Sint Annastraat. In mijn broekzak heb ik een papiertje met een tekening van het wapen van mijn familie. Mijn ouders hebben een mooie afbeelding in kleur van dit wapen, ik heb er een wat versimpelde versie met alleen de zwarte buitenlijnen van gemaakt. Dit om de kosten te drukken en om heel eerlijk te zijn ook een klein beetje om de tatoeëersessie kort te houden voor het geval het toch wat te pijnlijk zou blijken te zijn. Inkleuren en details toevoegen kan eventueel later nog wel een keertje, zo heb ik bedacht. Na minstens een jaar of tien fantaseren over wat voor tatoeage ik later zou willen is “later” nu aangebroken en heb ik de knoop dus doorgehakt. Zodra ik aangekomen ben bij Bunker Tattoo ga ik naar binnen. Daar gaan we dan…

Inmiddels zijn we elf jaar verder en heb ik zeven middelgrote tatoeages. Dat zijn er te weinig om serieus genomen te worden door de èchte liefhebbers, maar het zijn er genoeg om zo nu en dan de vraag “Waarom, in hemelsnaam?” te moeten beantwoorden. Nou, eigenlijk om dezelfde reden waarom ik gruwel van strakke, steriele Jan des Bouvrie-interieurs. Waarom zou je iets kaal en leeg laten als je het ook kan decoreren met dingen die je mooi vindt, die prettige herinneringen bij je oproepen, die staan voor iets wat belangrijk voor je is of die iets zeggen over hoe of wie je bent?

Daarom staat op mijn linker bovenarm dus het wapen van mijn familie. Het heeft inmiddels gezelschap gekregen van de honingbij van de hoes van het Beach Boys-album ‘Wild Honey’ en van een Mayatekening van een aap die stond op een T-shirt dat ik ooit kocht in Guatemala. Op mijn rechter bovenarm staat de naam van mijn eerste serieuze band in een hoefijzer, het elfje van de hoes van het Red Hot Chili Peppers-album ‘One Hot Minute’, een beschermengel, en de zon van de hoes van het Brian Wilson-album ‘Smile’ met de eerste noten van mijn favoriete liedje ‘God Only Knows’. Ik vind het een prettig idee dat ik al die afbeeldingen als permanente souvenirs voor de rest van m’n leven bij me zal hebben. En uiteraard heb ik nog ideeën genoeg voor wat daar wellicht ooit nog bij moet gaan komen.

De toch wel een beetje gevreesde pijn bleek op die zaterdag in september 2002 dus reuze mee te vallen en al die keren daarna ook. Het had zelfs iets verslavends. Het is een soort pijn die ergens best fijn is, zoals spierpijn na een pittig stukje joggen of lekker hard krabben aan een muggenbult. Maar natuurlijk is “inkt krijgen” op de ene plek wat minder prettig dan de andere. Het is niet zo aangenaam als de tatoeëerder ergens dicht bij je botten moet gaan hameren of juist door hele zachte huid moet sleuren. Maar dat weet ik alleen uit de tweede hand, ik heb altijd op veilig gespeeld met relatief pijnloze tatoeages op mijn bovenarmen.

Het stereotype is dat mensen met tatoeages stoer zijn. Maar dat gaat natuurlijk niet op als je een bijtje, een aapje, een elfje, een engeltje en een zonnetje op je lijf hebt staan…

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: