Archive for oktober, 2013

Rotterdam

Deze column heb ik geschreven voor Metro, dat een wedstrijd houdt voor lezerscolumns over het thema Rotterdam. Ik heb de artistieke vrijheid genomen om te schrijven vanuit mijn oogpunt van ruim een half jaar geleden. Mocht je er wat van vinden, klik dat a.j.b. even hier op en breng je stem uit.

Ik haat Rotterdam.

Ik haat dat ik 101,8 kilometer moet rijden om er te komen in mijn gammele oude autootje dat ik allang niet meer vertrouw. Ik haat dat mijn barrel voor die rit ook nog eens voor een euro of vijftien aan benzine eist. Ik haat de Drechttunnel, omdat het mijn grootste nachtmerrie is om uitgerekend dààr autopech te krijgen. Ik haat de A15, waarop ik altijd midden in de avondspits terecht kom. Ik haat dat ik in de stad al verschillende keren verdwaalde in een doolhof van éénrichtingswegen en afslagen die je alleen op bepaalde tijdstippen mag nemen. Ik haat de minder fraaie wijk in Charlois waar ze woont, met rotzooi op straat, met bovenburen die ’s nachts met meubels schuiven, met groepjes voetbalhooligans die ’s avonds blikken bier drinken voor haar voordeur. Ik haat het dat ik daar als jongen uit een Brabants dorpje sowieso nooit zal kunnen wennen en dat ik me er onmogelijk thuis zou kunnen voelen. Ik haat dat ze hier alleen zit op de avonden waarop we niet samen zijn. 101,8 Kilometer van mij vandaan.

Maar hier woont ze. En niet in Eindhoven, zoals in haar profiel stond. Het leek haar beter om iemand te zoeken uit de buurt van de stad waarin haar verleden ligt en waar ze ook haar toekomst ziet, zodra haar werk haar niet meer aan Rotterdam bindt. We vonden elkaar en nu trotseert mijn versleten Seat Ibiza dus op z’n laatste krachten twee maal per week de N269, de A58, de A16, de A15, de Groene Kruisweg en de Dorpsweg en wonen we twee avonden per week samen in Rotterdam. Zij vanwege haar werk, ik vanwege haar. Niet gaan is geen optie weer. Rotterdam was geen breekpunt. Als je voor de bijl bent gegaan dan wordt Rotterdam een detail.

Maar ondanks de avondspits en ondanks de flitspaal die me laatst te pakken had houd ik van de Dorpsweg. Als ik daar rijd dan ben ik er bijna. Ondanks de vervaarlijk uitziende figuren met Feyenoordtatoeages die voor haar deur posteren hou ik van haar straat. En ondanks de rommel en de sigarettenrook die haar buren daar achter hebben gelaten kan ik steeds niet wachten tot ik weer door het trappenhuis van haar appartementencomplex loop.

Rotterdam. Ik ben blij dat ik er weer ben.

Advertenties

Comments (1) »

Dubbelcolumn Olav & Joost, deel 8: Vegetarisme

Olav:

Net als m’n bakkie koffie heb ik sterk het idee dat ik vlees nodig heb. Zonder een stuk vlees of vis heb ik niet gegeten voor mijn gevoel. Natuurlijk weet ik dat het maar net is wat je gewend bent maar ik mis het dan gewoon. Het is misschien wel net zoiets als roken. Het zit voornamelijk tussen je oren en krijg dat er maar eens uit. In mijn naaste omgeving ken ik wat vegetariërs en heb daar wel respect voor. Voor de een wat meer als de ander. Als je in een vegetarisch gezin grootgebracht wordt is het een stuk makkelijker vegetarisch te zijn en blijven. Er zijn ook mensen die eerder altijd een stukje vlees aten en besluiten er dan toch mee te stoppen. Dat is dan weer een stuk knapper. Dat getuigt dan wel weer van een stukje karakter, waarom je het ook doet.

Dierenleed wordt vaak als propaganda gebruikt om maar geen vlees meer te eten, maar zelf vind ik dat het een losstaand Item is waar zeker veel aandacht aan zou moeten worden besteed. Ook ik weet dat de varkens anders van A naar B kunnen en de manier van vroegtijdige euthanasie kan ook wat diervriendelijker. Met paardenvlees eten heb ik niet zo’n groot probleem, als ik het maar van tevoren weet zodat ik daar zelf over kan beslissen. Legbatterijen en plofkippen zijn ook uit den boze voor mij. De enige schrijnende troost is dan nog dat de arme beestjes vaak niet beter weten. Als die dieren van hun vrijheid beroofd zouden worden en vervolgens opgesloten hun leventje moeten voortzetten, krijg ik toch ook wel een naar gevoel in mijn maag. Mijn eigen kinderen hadden een konijn in een kooi van 80 x 40. “Maar we laten hem wel eens los lopen hoor” verdedigde mijn dochtertje het dierenleed. Ik ben al blij dat het beest weggelopen is om eerlijk te zijn.

Dan heb je nog de half-vegetariërs. Geen vlees eten maar wel met leren laarzen en jas door het leven gaan. Misschien niet helemaal zoals het een vegetariër betaamd, maar dan doe je toch weer wel een halve duit in het zakje. “Ik zou het niet kunnen” roep ik al heel mijn leven, maar het is een kwestie van willen natuurlijk. Te simpel denk ik dan “wat verandert er als ik er mee stop” en daar heb ik eens goed over nagedacht. Laten we dan een groep creëren van minimaal 1000 mensen die er ook zo over denken. Een groep die geen druppel op de gloeiende plaat willen laten vallen maar een emmer. Laten we dan een jaar lang proberen die groep zo groot te maken dat je je zou schamen als je na dat jaar nog vlees zou blijven eten. Vanaf nu tot een jaar verder. Geen druppel maar een emmer, misschien wel twee.

Met die gedachte kan ik het wel…

Joost:

Lange tijd was er weinig of niets dat ik lekkerder vond dan hamburgers, frikandellen, worstenbroodjes, gehaktballen en Gelderse schijven. Ik hield van vlees. Maar op een dag besloot ik dat ik eens moest proberen om het een tijdje niet meer te eten. Mijn poging duurde welgeteld twee dagen. De aantrekkingskracht van een pizza Hawaii die me voorgeschoteld werd bleek even sterker te zijn dan mijn zelfdiscipline. Maar zodra die pizza op was begon ik direct vol goede moed aan poging twee. Die tweede poging was succesvoller en duurt inmiddels al meer dan tien jaar.

Gedurende de eerste drie weken van deze tweede poging heb ik het vlees nog behoorlijk gemist en viel het me best zwaar om “nee” te zeggen als een collega worstenbroodjes uit kwam delen of als er gehaktballen op tafel kwamen. Maar daarna was de knop wel om en ging het vegetariër zijn me steeds makkelijker af. Inmiddels vind ik de aanblik en de geur van vlees zelfs ronduit onsmakelijk. Enige tijd geleden bleek een kaasbroodje dat ik gekocht had bij nader inzien toch een saucijzenbroodje te zijn. Ik spuugde de onverwachte hap vlees meteen in een servetje en werd bijna onpasselijk van de smaak in mijn mond.

Ik werd ruim tien jaar geleden overtuigd door een quote van de Ierse schrijver en Nobelprijswinnaar George Bernard Shaw. “Hoe kunnen we ideale omstandigheden verwachten op deze aarde, terwijl we zelf de levende graven zijn van vermoorde beesten?”. Hij noemde mensen levende begraafplaatsen. En dàt zette me behoorlijk aan het denken. Wilde ik nog wel verantwoordelijk zijn voor de vroegtijdige dood van wezens die aantoonbaar emoties kennen, die pijn kunnen ervaren, die kunnen horen, zien, proeven, voelen en ruiken? Wilde ik vervolgens hun dode lichamen in m’n buik hebben? Vond ik dat het feit dat een dier een lagere intelligentie en een lager bewustzijnsniveau heeft dan ik mij het recht geeft om dat wezen te degraderen tot een onderdeel van mijn avondeten? Vond ik het eerlijk dat koeien en varkens aanzienlijk minder compassie krijgen dan niet of nauwelijks intelligentere dieren zoals honden en katten, alleen maar omdat die een hogere aaibaarheidsfactor hebben? Op al die vragen moest ik ontkennend antwoorden.

Maar er zijn talloze redenen waarom mensen vegetariër worden. Om gezondheidsredenen. Of om religieuze redenen. Omdat ze het eten van vlees niet vinden passen in een beschaafde samenleving (een standpunt dat toch bepaald niet domme jongens als Einstein, Edison, Gandhi en Da Vinci er op nahielden). Uit onvrede met de leefomstandigheden van dieren in de bio-industrie. Vanwege de negatieve effecten die de vleesproductie heeft op het milieu, of op de globale voedselverdeling. Of omdat de mens anatomisch toch een stukje af staat van de vleesetende dieren, waarvan het overgrote merendeel prima in staat is om zonder hulpmiddelen z’n prooi uit te schakelen en vervolgens rauw aan stukken te scheuren met slechts z’n blote klauwen en tanden. Probeer dat als mens maar eens te doen met een koe of varken… Maar zelfs al zou de mens van nature een alleseter zijn, gaan we er doorgaans niet prat op dat door onze voortschrijdende mate van beschaving en ons rationele denken de mens zich van de dieren is gaan onderscheiden en los is gekomen van z’n oerdriften?

Inmiddels heb ik ondervonden dat je heel makkelijk zonder vlees kunt. Als je in een gemiddelde supermarkt alle vlees- en visproducten wegdenkt dan hou je nog aardig wat schappen vol voedsel over. Voor wie de textuur van vlees niet kan missen heeft elke winkel tegenwoordig bovendien een koeling vol met prima vleesvervangers (ik kan vooral Tivall’s spinazie-kaasrondo en burger royaal en eigenlijk alles van Valess van harte aanraden). Bijna één op de twintig Nederlanders is vegetariër, waardoor verreweg de meeste restaurants inmiddels ook aardig rekening houden met “ons”. De schijf van vijf laat dan ook meer dan genoeg ruimte over voor vegetarisme: zuivel, kaas, bonen, peulvruchten, noten en vleesvervangers zitten op die schijf in dezelfde categorie als vlees en vis. Je kunt dus heel eenvoudig vegetariër zijn en toch dagelijks netjes de hele schijf afwerken. Ik ben de afgelopen tien jaar geen dag ziek thuis gebleven en iedereen die me kent zal kunnen bevestigen dat ik er niet uitzie alsof ik iets tekort kom qua voeding.

Het enige wat ik ècht vervelend vind aan vegetariër zijn, is dat je regelmatig te maken hebt met niet-vegetariërs die preventief in de verdediging gaan. Je krijgt soms een vermeende aanvallende houding in de schoenen geschoven die ik niet eens in wìl nemen. Dat kan leiden tot discussies waar ik niet altijd zin in heb. Dat kan ook leiden tot bijdehante opmerkingen of tot makkelijke provocaties waar ik eigenlijk nooit zin in heb. “Je weet niet wat je mist!”. “Stel je niet aan, pak ook gewoon een worstenbroodje”. “Wat geeft het, die koe is nu toch al dood”. Of het altijd hilarische “Ach, dan eet ik vanavond wel een extra biefstukje, ter compensatie”. Of ze wijzen je erop dat je zelf misschien niet altijd 100% consequent bent. Dat ben ik ook niet. Ik eet nooit vlees of vis en draag geen leer, maar ik knijp nog wel eens een oogje dicht voor producten waar stremsel of gelatine inzit. Beter inconsequent goed dan consequent fout, denk ik dan maar.

Deels begrijp ik die defensieve houding wel. Het kan nou eenmaal confronterend zijn als iemand iets wat voor jou heel normaal is afkeurt, zelfs al keurt hij dat alleen voor zichzelf af. Maar net als een politieke of religieuze overtuiging vind ik dat vegetarisme een persoonlijke keuze moet zijn die je nooit aan iemand op moet dringen. Aan het denken willen zetten en informeren is prima, willen bekeren niet. Ik ga er vanuit dat elk volwassen mens prima in staat is om de voors en tegens op een rijtje te zetten en dan zelf een conclusie te trekken.

Maar welke conclusie je ook trekt, besef dat zelfs die ene individuele keuze van jou wel degelijk effect heeft. Geld uitgeven in de supermarkt is een beetje als stemmen. Net zoals jouw ene stem bij de Tweede Kamerverkiezingen bijdraagt aan hoe groot of klein een partij wordt, zo bepalen ook jouw euro’s welk product meer of minder geproduceerd zal worden. Op minder vraag volgt minder aanbod. Op minder vleesconsumptie volgen minder slachtingen. En denk niet dat één vegetariër geen verschil maakt. Schattingen over het aantal runderen, varkens, schapen en kippen dat de gemiddelde Nederlander in z’n leven opeet komen doorgaans uit tussen de vijfhonderd en duizend. Niet echt een te verwaarlozen aantal.

Ja, ik heb een goed gevoel over mijn tweede poging tot vegetariër zijn. Ik denk dat ik die nog wel even vol ga houden.

Leave a comment »

Dubbelcolumn Olav & Joost, deel 7: Tatoeages

Olav:

Het nieuwe en aparte is er al een tijdje vanaf. Op mijn veertiende heb ik zelf mijn eerste gezet. Ik zat op de LTS (schilderen) en druppelde wat Oost-Indische inkt op mijn hand. Vervolgens pakte ik een passer en stak er lustig op los. Het werkte en ik zette er nog netjes twee puntjes naast. Thuis waren ze minder blij met mijn creativiteit, dat weet ik nog wel. Toen ik een jaar of twintig geleden de eerste liet zetten had ik nog wel een beetje bekijks. Een tribalbandje om de biceps, net boven de T-shirtmouwlijn. Voor die tijd redelijk apart, temeer omdat ie rondom loopt. Aan de binnenzijde was het iets pijnlijker dus werd het daar door sommigen weggelaten. De tweede werd een schorpioen op m’n enkel, aan de binnenkant. Op de bobbel was het minst prettig. “Het inkleuren is minder pijnlijk” zei hij nog, en natuurlijk geloofde ik hem. Een schorpioen? Mijn sterrenbeeld is kreeft dus die link is niet te leggen. Vind het een mooi beest en op het voorbeeldbord stond ook eigenlijk geen mooiere afbeelding. Het had op dat moment wat mij betreft net zo goed een schildpad kunnen worden. Er moest gewoon iets op. De derde ging op mijn schouder als ode aan mijn kinderen. Een soort van Maori-afbeelding met de namen van mijn liefsten er omheen. De vierde was ook een ode aan en is het eigenlijk nog steeds. Plekkie in m’n hart en op m’n andere schouder.

“Ja, maar als je straks oud bent..” werd er toen nog wel eens gezegd. Ja, wat dan? Dan zeggen ze, “Ooh, die heeft een tattoo!”. Alsof het me dan nog interesseert wat ze van mijn versieringen vinden, terwijl ik druk doende ben mezelf in leven te houden. Als mensen me daar op willen veroordelen moeten ze dat zeker doen. “Boeie” zeggen we dan.

Ja, het nieuwe is er flink vanaf. Iedereen zit helemaal vol en het is een heel normaal en geaccepteerd straatbeeld geworden. Je bent al veel aparter als je er geen hebt. Het is een onderdeel van het straatbeeld en ieder heeft zijn of haar verhaal erbij. Prachtig vind ik het, vooral de reden ervoor of de gedachten er achter. Het zijn niet alleen schippers meer of asocialen met de “stickers”.

Mijn moeder is nu 79. Een paar jaar geleden zat ze naar mijn arm te kijken en zei, “Eigenlijk zou ik er ook wel eentje willen, of is dat gek?”. Uiteindelijk heeft ze Tinkerbell laten zetten op haar bovenarm.

“Is dat gek?”. Boeie!

Joost:

Zaterdag 14 september 2002. Zenuwachtig loop ik in Breda door de Sint Annastraat. In mijn broekzak heb ik een papiertje met een tekening van het wapen van mijn familie. Mijn ouders hebben een mooie afbeelding in kleur van dit wapen, ik heb er een wat versimpelde versie met alleen de zwarte buitenlijnen van gemaakt. Dit om de kosten te drukken en om heel eerlijk te zijn ook een klein beetje om de tatoeëersessie kort te houden voor het geval het toch wat te pijnlijk zou blijken te zijn. Inkleuren en details toevoegen kan eventueel later nog wel een keertje, zo heb ik bedacht. Na minstens een jaar of tien fantaseren over wat voor tatoeage ik later zou willen is “later” nu aangebroken en heb ik de knoop dus doorgehakt. Zodra ik aangekomen ben bij Bunker Tattoo ga ik naar binnen. Daar gaan we dan…

Inmiddels zijn we elf jaar verder en heb ik zeven middelgrote tatoeages. Dat zijn er te weinig om serieus genomen te worden door de èchte liefhebbers, maar het zijn er genoeg om zo nu en dan de vraag “Waarom, in hemelsnaam?” te moeten beantwoorden. Nou, eigenlijk om dezelfde reden waarom ik gruwel van strakke, steriele Jan des Bouvrie-interieurs. Waarom zou je iets kaal en leeg laten als je het ook kan decoreren met dingen die je mooi vindt, die prettige herinneringen bij je oproepen, die staan voor iets wat belangrijk voor je is of die iets zeggen over hoe of wie je bent?

Daarom staat op mijn linker bovenarm dus het wapen van mijn familie. Het heeft inmiddels gezelschap gekregen van de honingbij van de hoes van het Beach Boys-album ‘Wild Honey’ en van een Mayatekening van een aap die stond op een T-shirt dat ik ooit kocht in Guatemala. Op mijn rechter bovenarm staat de naam van mijn eerste serieuze band in een hoefijzer, het elfje van de hoes van het Red Hot Chili Peppers-album ‘One Hot Minute’, een beschermengel, en de zon van de hoes van het Brian Wilson-album ‘Smile’ met de eerste noten van mijn favoriete liedje ‘God Only Knows’. Ik vind het een prettig idee dat ik al die afbeeldingen als permanente souvenirs voor de rest van m’n leven bij me zal hebben. En uiteraard heb ik nog ideeën genoeg voor wat daar wellicht ooit nog bij moet gaan komen.

De toch wel een beetje gevreesde pijn bleek op die zaterdag in september 2002 dus reuze mee te vallen en al die keren daarna ook. Het had zelfs iets verslavends. Het is een soort pijn die ergens best fijn is, zoals spierpijn na een pittig stukje joggen of lekker hard krabben aan een muggenbult. Maar natuurlijk is “inkt krijgen” op de ene plek wat minder prettig dan de andere. Het is niet zo aangenaam als de tatoeëerder ergens dicht bij je botten moet gaan hameren of juist door hele zachte huid moet sleuren. Maar dat weet ik alleen uit de tweede hand, ik heb altijd op veilig gespeeld met relatief pijnloze tatoeages op mijn bovenarmen.

Het stereotype is dat mensen met tatoeages stoer zijn. Maar dat gaat natuurlijk niet op als je een bijtje, een aapje, een elfje, een engeltje en een zonnetje op je lijf hebt staan…

Leave a comment »