Archive for september, 2013

De Europese Jupiler League

Deze column is tevens geplaatst op Voetbalzone.nl

30 juli jongstleden mocht PSV voor het eerst sinds december 2008 weer eens ruiken aan de Champions League. Dat het Eindhovense publiek daar hunkerend naar uit had gekeken werd al snel duidelijk: voor het eerst in jaren zat het Philips Stadion tot op de laatste stoel vol voor een Europese wedstrijd. Dit ondanks een speeldatum midden in de zomervakantie en een niet heel bijzonder affiche met het Vlaamse Zulte Waregem als opponent. Toen een ronde later het grote AC Milan op bezoek kwam was het zelfs een kwestie van minuten voordat wederom alle toegangskaarten een koper hadden gevonden. Volgens schattingen had PSV voor deze wedstrijd zeker 100.000 kaarten kunnen slijten aan mensen die de Champions League-hymne nog eens ouderwets door ‘hun’ stadion wilde horen schallen.

Na het tweeluik tegen de nummer drie van Italië zat het Champions League-avontuur van PSV er echter alweer op en mochten de Eindhovenaren voor het vijfde seizoen op rij de Europa League op gaan zoeken. Het resultaat: bij de eerste poulewedstrijd tegen het Bulgaarse Ludogorets bleven een dikke 25.000 van de 36.500 stoelen in het Philips Stadion onbezet. Het mag inmiddels duidelijk zijn: er is steeds minder animo voor de Europa League.

Een dikke twintig geleden was Europees voetbal nog lekker overzichtelijk: je had de Europa Cup I waarin uitsluitend landskampioenen uitkwamen, de Europa Cup II voor bekerwinnaars en de UEFA Cup voor derunners up die net langs de nationale prijzen hadden gegrepen. Als je een Europese beker won dan was je de beste kampioen, de beste bekerwinnaar of de beste subtopper van het continent. Dat was overzichtelijk. Toen ging het vertrouwde systeem echter op de schop. De toernooien om de Europa Cup I, de Europa Cup II en de UEFA Cup verdwenen in respectievelijk 1992, 1999 en 2009, daarvoor in de plaats kwamen de Champions League en de Europa League.

De Champions League werd een schitterend toernooi, waarin plaats was voor de landskampioenen en de subtoppers van de betere voetballanden van ons werelddeel. Dit miljoenenbal leverde veel meer mooie wedstrijden op dan de oude Europa Cup I, de gemiddelde voetballiefhebber kijkt nou eenmaal liever naar de nummers twee en drie van Engeland, Spanje en Duitsland dan naar de kampioenen van Albanië, Wales en IJsland. De UEFA Cup, die omgedoopt werd tot Europa League, werd echter het kind van de rekening. Het werd een willekeurige vergaarbak, een soort Europese Jupiler League die nergens meer voor stond. Wat ben je nou eigenlijk als je dit toernooi wint? Weinig meer dan de kampioen van alle clubs die te slecht waren om de Champions League te bereiken. In deze inmiddels veel te grote en onaantrekkelijke competitie kun je vandaag de dag bovendien clubs tegenkomen die niet eens meer subtoppers genoemd kunnen worden. In de grotere voetballanden is het ontlopen van het rechterrijtje al bijna genoeg voor Europees voetbal.

Ook de politieke ontwikkelingen in de jaren negentig pakten bepaald niet goed uit voor de Europa League. Het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en Joegoslavië in 1991 en 1992 droeg enorm bij aan de stortvloed van onbekende Oostblokclubs die de Europa League bepaald niet aantrekkelijker maakten. Een dikke twintig jaar geleden leverden deze twee landen samen negen clubs aan de Europese toernooien. Inmiddels is de Sovjet-Unie opgedeeld in vijftien landen (waarvan er elf bij Europa horen) en Joegoslavië in zes landen, die gezamenlijk recht hebben op maar liefst 71 Europese tickets.

Door alle ontwikkelingen zijn de kwaliteitsverschillen tussen de Champions League en de Europa League immens geworden. De Europese programma’s van Ajax, PSV en AZ zijn veelzeggend. Dit seizoen komt de Amsterdamse landskampioen in de Champions League uit tegen drie aansprekende tegenstanders: Barcelona, AC Milan en Celtic, samen goed voor 22 Europese bekers en 84 landstitels. Intussen moet bekerwinnaar AZ het in de Europa League doen met PAOK Saloniki, Maccabi Haifa en Shakhter Karagandy: een Griekse subtopper en teams uit Israël en Kazakhstan, de nummers 69 en 132 van de FIFA-ranglijst. En vicekampioen PSV krijgt te maken met de Kroatische topclub Dinamo Zabreb, maar ook met Chornomorets Odesa en Ludogorets Razgrad. Mochten deze namen je weinig zeggen dan is dat niet zo vreemd: de eerste speelde drie seizoenen geleden nog in de tweede divisie van de Oekraïne, de laatste kwam acht jaar geleden zelfs nog uit op het vierde niveau van Bulgarije.

De grote clubs nemen de Europa League nauwelijks nog serieus. Je kunt het de èchte grootmachten die het in de weekenden op moeten nemen tegen Manchester United, Bayern München of FC Barcelona ook nauwelijks kwalijk nemen dat ze op een donderdagavond, voor een paar duizend toeschouwers, liever hun reservebank dan hun topspelers af laten rekenen met een Poolse, Roemeense of Noord-Ierse middenmoter.

En dat terwijl er makkelijk enkele maatregelen te bedenken zijn om de Europa League weer een stuk interessanter te maken. Laat de Champions League inkrimpen om zo meer echte toppers in de Europa League te laten komen. Of maak juist de Europa League kleiner, zodat er minder plaats is voor niet aansprekende clubs. Ruil het poulesysteem weer in voor ouderwetse knock-outrondes, dit voorkomt dat clubs (zoals PSV en AZ) nu al weten dat ze voor de winterstop sowieso geen aansprekende Europese tegenstander zullen treffen. Schaf die beschermde statussen af, die het nu bijna onmogelijk maken dat er in de poulefase al echte topwedstrijden te zien zijn. Of verdeel het deelnemersveld in drie regio’s: Noordwest-, Zuidwest- en Oost-Europa. Je voorkomt dan te lange reizen waardoor de uitvakken leeg blijven en je bent verzekerd van meer derby’s. Na de winterstop kunnen de beste deelnemers van elke regio dan alsnog tegen elkaar uitkomen.

De Europa League kan hoe dan ook niet blijven bestaan in z’n huidige vorm. Anders is het straks ècht een Europese Jupiler League. Met de beloftenelftallen van de grote clubs en steevast een paar duizend man op de tribunes.

Advertenties

Leave a comment »

Concertrecensie: Brabant Open Air 2013

Op zaterdagochtend 7 september, enkele uren voordat dag twee van Brabant Open Air zal beginnen, weten mijn vriendin en ik via Marktplaats twee goedkope kaartjes voor dit festival te vinden. Even later fietsen we naar Strijp-S, een grotendeels uit de jaren twintig stammend voormalige fabrieksterrein van Philips in het hart van Eindhoven. Nadat op de vrijdagavond het programma aldaar volledig ingevuld werd door Brabantse artiesten is er op de laatste dag een wat meer internationale lineup. Achttien acts, twee Amerikaanse, twee Britse en veertien Nederlandse, komen tussen half één ’s middags en middernacht uit op drie podia in en naast het Klokgebouw.

De trouwe festivalgangers die op Brabant Open Air het festivalseizoen af komen sluiten moeten het wel doen met een wat droevig slotakkoord. Het decor is hier geen uitgestrekt, zonovergoten grasveld maar een vooroorlogs fabrieksterrein onder een toepasselijk grauwe, grijze lucht. Nauwelijks meer verheffend is de sfeer bij de twee binnenpodia van dit evenement dat misschien volgend jaar toch eens een naam moet krijgen zonder de woorden “open air”.

Het eerste optreden dat we zien is dat van Douwe Bob, die in 2012 het tv-programma ‘De Beste Singer-Songwriter van Nederland’ won. De pas twintig jaar oude Amsterdammer maakt beïnvloed door country, rock ‘n’ roll uit de jaren vijftig en bands uit de jaren zestig zoals The Beatles en The Byrds makkelijk in het gehoor liggende popliedjes. Met het stomende ‘Multicoloured Angels’ en het belachelijk catchy ‘You Don’t Have To Stay’ heeft de liedjesschrijver reeds twee 3FM-hitjes op zak die vandaag uiteraard ook gespeeld worden. Begeleid door een deel van Tim Knol’s oude band zet Douwe Bob op het piepkleine Podium Anton, dat weggemoffeld is in een hoekje van de fabriekshal die tevens dienst doet als doorgang van Podium Frits (de “mainstage buiten”) naar Podium Gerard (de “mainstage binnen”), een degelijke set neer. Wel mag dit talent nog wat werken aan zijn podiumpresentatie. Interactie met het publiek is er nauwelijks, oogcontact zoeken en grapjes maken Douwe Bob liever met zijn band dan met de toeschouwers. Ook lijdt het optreden onder een voortdurende feedbacktoon.

Even later staat op Podium Gerard de Britse singer-songwriter Jon Allen. De 36-jarige Brit die enkele jaren geleden hits scoorde met ‘In Your Light’ en ‘Going Home’ moet beginnen voor een nog vrijwel lege zaal, maar weet die toch al snel redelijk te vullen. De sound van Allen is ruwweg te omschrijven als Rod Stewart die liedjes van James Blunt zingt: lichtgewicht folkpop met een rauwe stem en een hoog Sky Radio-gehalte. Zijn songmateriaal is zo saai en ongeïnspireerd dat wij de zaal al snel weer verlaten.

De volgende act op ditzelfde podium is één van de grote publiekstrekkers van vandaag, voormalig Live-frontman Ed Kowalczyk. De Amerikaan heeft slechts zijn akoestische gitaar en een basgitarist meegenomen, die overigens eerder het geluid rommeliger maakt dan dat hij daadwerkelijk wat toevoegt. Kowalczyk heeft zijn setlist ongeveer voor de helft gevuld met liedjes van zijn twee soloalbums. Deze worden door het merendeel van het publiek voor kennisgeving aangenomen, het is wel duidelijk dat men vooral komt voor de Live-hitjes. En daarvan worden de grootsten, ‘I Alone’, ‘Selling the Drama’, ‘Lightning Crashes’, ‘The Dolphin’s Cry’ en ‘Overcome’, dan ook allemaal gespeeld. Ook de Bruce Springsteen-cover ‘I’m on Fire’ komt voorbij. Kowalczyk heeft er vandaag duidelijk lol en zin in en mag voor iemand die al zeven jaar geen hit meer gescoord heeft ook nog op een opvallend enthousiaste publieksreactie rekenen. Wel teleurstellend is dat de veertiger vocaal flink smokkelt door vrijwel alle hoge uithalen over te slaan of simpelweg een octaafje lager te zingen.

Later op de avond gaan we terug naar Podium Anton, waarop The Kik speelt. De band van frontman Dave von Raven, die hard op weg is een tv-personality te worden, staat altijd garant voor een feestje. Het debuutalbum ‘Springlevend’, met het hitje ‘Simone’, is de leukste Nederlandse popplaat sinds de hoogtijdagen van Doe Maar en de af- en aankondigingen van rasrotterdammer Von Raven zijn al net zo vermakelijk als zijn al dan niet geleende liedjes. Ook vandaag is het weer feest met de voormalige DWDD-huisband die vooral herinneringen oproept aan beatmuziek uit de vroege jaren zestig. Dat is echter wel ondanks de setlist, die hoofdzakelijk gevuld is met nieuw materiaal waaraan ik toch nog even zal moeten wennen. Waar vrijwel elk liedje op ‘Springlevend’ klonk als een potentiële hit lijkt het erop dat een volgend The Kik-album zich meer aan zal laten horen als een grillige verzameling curieuze B-kantjes. En als die liedjes nog niet genoeg wenkbrauwen doen fronzen, dan doen de covers van ‘Mien, Waar Is Mijn Feestneus’ en ‘De Vogeltjesdans’ dat wel.

Met het hitje ‘Elephants’ van Blaudzun vanaf Podium Frits op de achtergrond lopen we vervolgens terug naar de fietsenstalling, gelukkig ruim op tijd om het optreden van Will and the People op het buitenpodium voor te zijn.

Leave a comment »

Blijf alsjeblieft albums maken

Dit is een reactie op deze column.

De mogelijkheid om muziek te downloaden bracht voor muziekliefhebbers een extra luxe met zich mee: liedjes werden individueel beschikbaar, je hoefde niet langer het volledige album waar het opstond aan te schaffen. Terwijl de fysieke geluidsdrager steeds verder naar de achtergrond verdween ontstond de vraag of het album als concept nog wel bestaansrecht heeft.

Dat is voor mij geen vraag. Net zoals een goed voetbalteam meer is dan alleen elf voetballers en een goed gerecht meer dan alleen een rijtje ingrediënten is een goed album meer dan alleen een verzameling liedjes. Een album kan als geheel een muzikaal statement zijn of een gevoel uitdragen. Het kan een markering zijn voor een tijdperk in je loopbaan. Het kan een context zijn die liedjes veel sterker maakt dan ze op zichzelf zijn, buiten het framewerk van het album. Het kan een manier zijn om je minder radiovriendelijke nummers (want lang niet elk goed nummer is een potentiële hit) onder de aandacht te brengen. Het kan een platform zijn voor een doorlopend thema. En het sequencen van het album is bijna net zo’n kunst als het op de juiste volgorde zetten van de akkoorden van een liedje. Voor elke muzikant die wat hij doet eerder een passie noemt dan een baan lijken me dit fantastische creatieve mogelijkheden en uitdagingen.

Door de ontwikkelingen in de muziekindustrie is het er de afgelopen jaren niet echt leuker op geworden voor muzikanten. Het publiek wil je muziek tegenwoordig gratis hebben en vervolgens laten verzuipen op een harde schijf tussen tienduizend andere liedjes die over een jaar waarschijnlijk eveneens alweer vergeten zijn. Je bent een gratis snack geworden die net zo makkelijk weg te kauwen is als een frikadel uit de muur. Maar als je anno 2013 nog een publiek wil bereiken dan heb je dat maar te slikken en pas je jouw aanbod aan op de vraag. En als het publiek geen albums meer wil, dan maak je die geen meer, toch?

Nou, nee. Wellicht ben ik een hopeloos naïeve romanticus (was muziekbeleving sowieso geen gevoelskwestie?), maar ik ben er vrij zeker van dat de muzikanten die ik bewonder en respecteer zich niet of nauwelijks bezig houden of hielden met trends, het marketen van hun muziek of zelfs de wensen van hun fans. De interessantste muziek is altijd ontstaan uit passie (“Take it or leave it”), en niet uit inspelen op de vraag van de consument (“U vraagt, wij draaien”).

Het maken van een liedje is een kunst, het samenstellen van een album ook. Waarom zou je een dief van je eigen artistieke mogelijkheden zijn voor een publiek dat te verzadigd is om twee jaar te wachten op nieuw werk en te verveeld om naar liedjes te luisteren die ze nog niet mee kunnen zingen?

Leave a comment »