Archive for juni, 2013

De weg kwijt

Penny Lane, de straat in Liverpool die The Beatles bezongen in misschien wel hun mooiste liedje, kreeg in 2006 bijna een andere naam. Het stadsbestuur van de Britse havenstad had besloten om alle straten te hernoemen die een naamgever hadden die bij nader inzien toch geen eerbetoon verdiende. James Penny, één van de meest prominente Britse slavenhandelaars van de 18e eeuw, was zo iemand. Uiteindelijk werd toch maar besloten om een uitzondering te maken voor de straat die door Paul McCartney’s muzikale eerbetoon uit 1967 een toeristisch trekpleister was geworden. Verschillende andere dubieuze figuren die ooit gezien werden als helden verdwenen wèl van de Liverpoolse straatnaambordjes.

Straatnamen herzien, dat lijkt me eigenlijk wel een mooi klusje. Keizers die in de geschiedenisboeken in de meest bloederige hoofdstukken te vinden zijn zou ik schrappen uit de straatnaamboeken. Generaals die tienduizenden soldaten een naamloos graf in joegen zouden hun manschappen volgen richting vergetelheid. Geestelijken zouden te maken krijgen met mijn scheiding van kerk en straat. Zeehelden die complete volksstammen uitgemoord hebben in de overzeese koloniën waar ze naartoe gestuurd werden zouden verdwijnen uit de postadressen. Je kunt dan misschien wel hoofd van een staat worden door simpelweg uit een koninklijke moeder te komen, maar dat zou niet genoeg zijn om van mij een straat te krijgen.

Er zijn in Nederland acht straten vernoemd naar Julius Caesar, de Romeinse generaal die genocides en etnische zuiveringen uit liet voeren die naar schatting een miljoen levens hebben gekost. Drie straten werden vernoemd naar de Romeinse keizer Hadrianus, een beruchte Jodenvervolger die een seksuele relatie had met een twaalfjarige jongen. Tientallen straten en zelfs de Coentunnel werden vernoemd naar Jan Pieterszoon Coen, de zeventiende-eeuwse gouverneur-generaal van het VOC die vrijwel de gehele bevolking van de Molukse Banda-eilanden af liet slachten. Dichter Gerrit Achterberg werd veroordeeld wegens het doodschieten van zijn hospita en het aanranden van haar zestienjarige dochter en was getrouwd met een NSB’ster, toch is hij in veertien plaatsen op straatnaambordjes te vinden.

Hoeveel Nederlandse verzetshelden die een mensonterende doodstraf riskeerden voor mensen die ze niet eens kenden zouden er zijn die nooit een straat, laan, weg of zelfs maar een pad of steeg naar zich vernoemd hebben gekregen? Hoeveel ontwikkelingswerkers die zich ver weg van vrienden, familie en comfort laten omringen door ziekte en ellende, omdat een druppel op een gloeiende plaat nou eenmaal meer is dan niks, zullen ooit in een adres verwerkt worden dat niet van henzelf is? Hoeveel mensen die regelmatig schattige kinderen, onmisbare moeders en in de kiem gesmoorde talenten voor hun ogen zien overlijden aan verschrikkelijke ziektes, omdat nou eenmaal iemand hun werk moet doen, zullen ooit direct voor een postcode komen te staan?

Prins Bernhard was een rijkeluiszoon die loog over zijn SS-lidmaatschap, buitenechtelijke kinderen bij zeker drie vrouwen had, fortuinen aan smeergeld aannam en willens en wetens zaken deed met militaire dictaturen, toch zijn er in Nederland maar vier straatnamen die vaker voorkomen dan Prins Bernhardlaan.

Toch ironisch, je toetst zelden de naam van een echte held in op je navigatiesysteem, maar regelmatig die van iemand die een beetje de weg kwijt was.

Leave a comment »

Dubbelcolumn Olav & Joost, deel 6: Boodschappen doen

Olav:

Boodschappen doen is niet leuk. Ik haat het net niet, maar het zal ook mijn hobby nooit worden. Het lijkt zo doelloos iedere keer, net zo doelloos als strijken, stofzuigen, zemen en meer van die ondankbare klusjes. Dan begrijp ik wel dat er dames zijn die op een gegeven moment de zin van het “huisvrouwenleven” niet meer zien, en heftig kunnen reageren als je met je vieze poten van buiten komt terwijl er net gedweild is. Ik begrijp het volkomen.

Geen muntje voor een kar, lotgenoten die iets meer tijd hebben dan ik staan te twijfelen voor de deur van de vriezer, altijd de deur die ik hebben moet. Omdat ik altijd bijna te laat ben staan vakkenvullers altijd voor “mijn” schap en wat ik graag wil hebben is natuurlijk net op. Als ik dan vraag of het nog ergens achter staat ligt het natuurlijk onderop de container, waardoor ik nog een minuut of tien sta te wachten. Ik ben al laat, heb altijd haast en moet altijd plassen als ik daar rond loop. Waarom zie ik pas dat er “de tweede gratis” aanbiedingen zijn als ik diezelfde artikelen al in mijn kar heb liggen, alleen dan van een ander merk? Waarom kan ik de Wokkels nooit vinden? Waarom is altijd net de Almhof Maracuja Perzik Roomyoghurt op en waarom zit er in de grote aanbiedingenbak nooit iets waar ik mezelf mee zou kunnen verwennen, gewoon nooit?

Ik denk dat ik getest wordt soms. “Boiling point” noemen ze het ook wel. Ik denk dat er camera’s hangen om, onder andere mij, in de gaten te houden. Kijken hoever ze kunnen gaan, wat het maximale is wat een doorsnee klant aankan tot hij of zij gaat gooien met spullen en kwaad wegrent, vloekend en tierend.

Een oud vrouwtje vraagt me of ik iets wil pakken voor haar, helemaal onder en achterin het schap. “ik kan er niet bij meneer, sorry”. Deze ene actie maakt al het bovenstaande weer ongedaan, ik was hier niet voor niks.

Ik kijk naar boven en zie inderdaad camera’s. Mij pakken ze niet…

Joost:

Boodschappen doen is een bijzondere bezigheid. Een rondje maken door de plaatselijke Albert Heijn versterkt namelijk altijd mijn gemoedstoestand. Ga ik met een slecht humeur een karretje halen, dan kun je er donder op zeggen dat ik echt bloedchagrijnig ben tegen dat tijd dat ik ‘m weer terugzet. Ga ik vrolijk naar binnen, dan is de kans groot dat ik bij wijze van spreken huppelend de kassa passeer. Op de één of andere manier werkt de supermarkt nooit neutraliserend.

Voor een pesthumeur is de supermarkt nèt wat te rijk aan potentiële bronnen van ergernis. Oude kennissen die elkaar in een smal gangpad tegenkomen en met hun karretjes langs elkaar de zomervakanties van de afgelopen drie jaar uitgebreid doornemen. Slaapwandelaars die hun overvolle karretjes jouw richting op duwen terwijl hun afwezige blik gericht staat op de erwtjes in blik. Kinderen die jengelen omdat moeder het geen goed idee vindt dat ze straks een ijsje gaan halen. Die man die met de achtergrondmuziek mee staat te fluiten, denkt hij daar iemand een plezier mee te doen? Lege schappen waarin toch echt dat erg goedkope artikel had moeten staan dat zo prominent in de actiefolders stond. Lange rijen voor de kassa’s en toch blijkt iemand het een goed idee te vinden om nog maar een kassa te sluiten. Het verstrooide oude vrouwtje voor je in de rij dat de acht bordjes waar “alleen pinnen” op staat over het hoofd heeft gezien en uiteraard alleen contant geld bij zich heeft. De kassajuffrouw die zo mogelijk nog chagrijniger is dan je zelf inmiddels bent. En hoe kunnen die boodschappen nou meer dan veertig euro kosten?

Mocht je me ooit op een slechte dag voor de voeten hebben gelopen in de supermarkt en mocht mijn karretje toen met het jouwe in botsing zijn gekomen, dan bestaat er een kansje dat dit niet honderd procent incidenteel was. In dat geval: alsnog sorry.

Maar vandaag had ik een goed humeur. Niks aan de hand. En dan kan boodschappen doen best leuk zijn en voldoening geven. Het derde kratje bier was gratis, da’s toch vijf euro pure winst. Vanavond wat leuks op tv, dus toch maar een zak chips meenemen. Even bij de tijdschriften gekeken of er nog wat interessants bij stond. En omdat we toch impulsaankopen aan het doen waren, meteen maar even langs de chocoladerepen gegaan. Die nieuwe kaasburgers zien er goed uit, toch maar eens proberen. Ja, natuurlijk mocht die beleefde oudere meneer met z’n twee artikelen wel even voor. En u ook een bijzonder prettig weekend toegewenst!

Fluitend sta ik even later thuis de boodschappen uit te pakken. Hee, wacht even, geen afwasmiddel? Er zal vandaag toch nog even afgewassen moeten worden. Terug naar de winkel dan maar. God, wat kan ik daar chagrijnig van worden…

Leave a comment »

Concertrecensie: Green Day @ Pinkpop 2013

Op 28 augustus 1998 stond ik voor een groot dilemma. Ik was op het festival Lowlands en de optredens van Green Day en de Beastie Boys, twee bands die ik destijds al enkele jaren zowat verafgoodde, zouden elkaar deels gaan overlappen. Ik koos er uiteindelijk voor om twintig minuten van Green Day mee te pikken, daarna ging ik als een speer maar met pijn in het hart naar het Alpha-podium voor de Beastie Boys. Dan zou ik Green Day een ander keertje nog wel zien, nam ik mezelf voor. In de jaren die volgden deed Green Day Nederland nog meerdere keren aan, maar om verschillende redenen was ik daar steeds niet bij. Nu, vijftien jaar later, vond ik dat het er maar eens van moest komen.

Enigszins opgelucht lopen mijn vriendin en ik rond elf uur het festivalterrein van Pinkpop op, waar een uurtje later de derde en laatste dag van de 44e editie van dit festival zal beginnen. De bijna verdacht goedkoop op Marktplaats gekochte kaartjes blijken gelukkig niet te mooi om waar te zijn, als de barcodes gescand worden gaan de lampjes gewoon op groen. En een financiële meevaller is op Pinkpop (of elk ander groot festival) nooit weg, aangezien de prijzen er ronduit belachelijk zijn: zelfs voor iets simpels als een Magnum-ijsje, een schijfje meloen of een wit bolletje kaas plus een bekertje melk betaal je hier vijf euro.

De eerste band die we op de al aangenaam warme voormiddag zien is Puggy, een in België gebaseerd trio dat bestaat uit een Engelse zanger/gitarist, een Zweedse drummer en een Franse bassist, vandaag op enkele nummers aangevuld met een Belgische toetsenist. De band speelt op de Brand Bier Stage fijne popliedjes vol variatie, sterke melodiën, mooie koortjes en hoge stemmetjes, maar met name de energieke drummer Egil Franzén zorgt dat er ook altijd genoeg pit in zit. Met System Of A Down’s ‘Toxicity’ wordt daarnaast een verrassende cover gespeeld. Het enige wat op het optreden van dit kleine internationale gezelschap aangemerkt kan worden is dat er best wat minder drum- en percussie-intermezzo’s in mogen zitten, desondanks: een aangename verrassing.

Na, van een afstandje, flarden van Trixie Whitley en het bijzonder vervelende Will & The People mee te hebben gekregen gaan we bij de 3FM Stage kijken naar de Nederlandse singer/songwriter Johannes Sigmond, beter bekend als Blaudzun. Hij heeft een uitgebreide band bij en 3FM-hits als ‘Flame on my Head’ en ‘Elephants’ in z’n repertoir, maar weet op dit grote podium toch niet volledig te overtuigen. Sigmond is geen grote podiumpersoonlijkheid en zijn trucjes worden al snel eentonig: steeds die klaagstem, steeds die afwisseling tussen zacht en hard, steeds weer die monotoon doordreunende percussie op de hevigere gedeeltes.

Op hetzelfde podium zien we even later Stereophonics. Een opvallende keuze van de Pinkpop-programmeurs: de band uit Wales scoort in Groot-Brittanië nog wel zo nu en dan een klein hitje, maar is in Nederland al enige tijd uit beeld verdwenen bij het grote publiek. Menigeen zal ‘Have a Nice Day’, ‘Maybe Tomorrow’ en de Chris Farlowe-cover ‘Handbags and Gladrags’ nog mee kunnen zingen, maar deze nummers zijn inmiddels tien tot twaalf jaar oud. De band van frontman Kelly Jones lijkt er niet bijzonder op te zijn gebrand om zieltjes (terug) te winnen. Veel van hun nummers kabbelen ongeïnspireerd voorbij of proberen geforceerd lichtjes te rocken en de mannen staan op het podium met het enthousiasme van een stel ambtenaren op maandagochtend. Interactie met het publiek blijft grotendeels beperkt tot aankondigingen als “This is the first single from our new album”.

Liggend op het grote grasveld voor het hoofdpodium horen we daarna dat het optreden van Ben Howard in de smaak valt, vooral bij het vrouwelijke deel van het publiek. Als de Britse singer/songwriter klaar is gaan we naar het afgeschermde voorste vak om alvast een goede plek te hebben bij Green Day. De band komt om half negen het podium op na maar liefst drie introliedjes (‘Bohemian Rhapsody’ van Queen, ‘Blitzkrieg Bop’ van de Ramones en ‘The Good, the Bad and the Ugly’ van Ennio Morricone) en een stukje cheerleaden door een man in een roze konijnenpak.

Green Day is inmiddels allang niet meer de band waar ik in 1994 als zestienjarige zo gek op werd. Die Green Day was een band zonder franje. Drie bandleden, liedjes van iets meer dan twee minuten met vier à vijf akkoorden, optredens in T-shirts en afgeknipte spijkerbroeken. Die Green Day bestaat niet meer. Tegenwoordig maken de heren lang(dradig)e epische punkpop-opera’s en staan ze op het podium met drie extra muzikanten. Niet omdat alle liedjes dat nou zo heel erg nodig hebben, maar vooral omdat frontman Billie Joe Armstrong dan z’n handen vrij heeft om heel veel theater te maken en zich de punkrockversie van Freddie Mercury te kunnen wanen. Zijn gitaar hangt vooral nog als een accessoire om zijn schouwers. Van de twee doelgroepen die de formatie uit Oakland inmiddels te bedienen heeft komt, zoals verwacht, eerst de meeste recente aan bod. Relatief nieuwere hits als ‘Know Your Enemy’, ‘Oh Love’, ‘Holiday’ en ‘Boulevard of Broken Dreams’ gaan er bij het merendeel van het publiek in als koek.

Dan hangt Billie Joe zijn herkenbare lichtblauwe, met stickers bedekte Fernandes Stratocaster om (of één van de exacte replica’s die hij daarvan schijnt te hebben laten maken) en weten mijn generatiegenoten en ik dat wij aan de beurt zijn. Nu gaan er nummers komen van ‘Dookie’, het album dat in 1994 één van mijn hoofdredenen was om gitaar te gaan leren spelen en naar punkrock te gaan luisteren, twee beslissingen waar ik nog vrijwel dagelijks plezier aan beleef. Met ‘Burnout’, ‘Welcome to Paradise’, ‘Longview’, ‘Basket Case’, ‘When I Come Around’ en ‘She’ worden uiteindelijk zes nummers gespeeld van deze plaat, een bevredigend aantal, bovendien worden ze onberispelijk uitgevoerd. Een fan uit het publiek krijgt de dag van zijn leven als hij met grote ogen een deel van ‘Longview’ mag zingen en als bedankje een gitaar mee naar huis krijgt. Voor mij is het allemaal genoeg om Billie Joe & co de tenenkrommende carnavalsshow te vergeven die vervolgens op het podium uitbreekt, inclusief malle hoedjes, grote brillen en BH’s en een melige covermedley. Ze doen maar.

Na twee uur verlaat Green Day even het podium, om uiteraard snel weer terug te komen voor een toegift. Ik heb vooraf enkele recente setlists van de band doorgenomen en weet dat er voor mij niets interessants gespeeld meer zal worden. We verlaten om de grootste drukte voor te zijn het festivalterrein. De temperatuur is nog aangenaam en terwijl we de Wilhelminaberg beklimmen op weg naar onze parkeerplaats spelen mijn oude jeugdhelden in de verte nog een paar nummer van na mijn tijd.

Comments (1) »

Dubbelcolumn Olav & Joost, deel 5: Homofobie

Dit keer behandelen Olav Heijt en ik een wat gevoeliger onderwerp: homofobie.

Olav:

Mijn oudste zoon pakt zijn zusje van zes op en ze lacht, ze lacht eigenlijk altijd. “Homootje, met je homopetje!” roept ze ineens en trekt aan z’n cap. Ik weet niet goed hoe ik er op moet reageren en begin te lachen. Tegelijkertijd vraag ik me af waar ze die woorden vandaan zou hebben. Zeer waarschijnlijk van haar twee broers, die al redelijk beginnen te snappen waar het allemaal om draait in het leven, maar die zeker nog niet door hebben wat wel en vooral niet belangrijk is. Maar dat komt vanzelf.

Aan de ene kant merk ik wel dat de taboes, ook wat homo’s betreft, behoorlijk doorbroken zijn, maar aan de andere zijde merk ik toch ook weer wel dat de acceptatie niet 100% is en misschien ook wel nooit zal worden. Niet vaak maar toch gebruik ik het ongemerkt zo nu en dan als een soort van scheldwoord. “Homo, watje”, alsof er iets mis mee zou zijn. Misplaatst en “not done”, zeker weten, want ik heb absoluut geen hekel aan homo’s of lesbiennes, in geen geval. Ik ken er verschillende en het zijn vaak ook gewoon alleraardigste mensen. Natuurlijk zijn er in die “categorie” ook misbaksels, net zo goed als onder de “heteromensen”.

Lang geleden draaide ik me om in een kroeg en er stonden twee mannen te tongzoenen en ik moet eerlijk zeggen dat ik er niet zo lang naar kon kijken. Het is niet perse vies maar gewoon een niet zo veel voorkomend beeld en dat choqueerde me nog het meeste denk ik. Frappant is dan weer wel dat als ik het twee vrouwen zie doen, ik er toch net iets langer naar kan kijken.

Waar ik minder goed tegen kan zijn de rebellerende homo’s, die zich altijd aangevallen voelen en op ieder moment en plaats hun geaardheid erg breed en luidruchtig uit moeten dragen. Natuurlijk moet je je laten horen als je je “onderdrukt” voelt, maar dat kan ook op andere manieren. Ik heb het idee dat je op deze manier de hetero’s alleen maar tegen je keert.

Ik heb dus absoluut geen hekel aan homo’s maar wel aan aanstellers, van welke geaardheid dan ook.

Op Koninginnedag stond ik met een “homokennis” te praten en ik pakte wat op van de grond. Terwijl ik een beetje draaide zei hij, “Ja, zo vraag je er wel om natuurlijk”.

Daar kan ik dan weer wel om lachen.

Joost:

Op het station zie ik wel eens posters van de Bond tegen Vloeken, met spreuken als “Een vloek mist ieder doel” en “Als een vloek valt breekt er iets”. Dat soort betuttelende betweterigheid heeft op mij altijd een averechts effect. “Rot op met je bullshit”, denk ik dan. Ik ben over het algemeen welgemanierd genoeg om niet met schuttingtaal te smijten als het echt niet gepast is. Maar zo nu en dan een krachtterm om stoom mee af te blazen, daar is volgens mij niks mis mee. “Af en toe wat schuttingtaal, da’s eigenlijk toch heel normaal”. Zet dàt maar op een poster bij een bushokje. Als je met een hamer op je duim slaan dan is “drommels” nou eenmaal niet afdoende, als je een vaas kapot laat vallen lucht “grutjes” gewoon niet op en ‘Killing in the Name’ van Rage Against The Machine zou toch een stuk minder overtuigend hebben geklonken als Zack de la Rocha in het refrein “No sir, I won’t do what you tell me” had staan blaffen.

Of je zit voetbal te kijken, een speler van je clubje weet op magistrale wijze een manier te vinden om een onmisbare kans tòch te missen, dan bekt “Kun je nou helemaal niks, ontzettende homo?” verdomd lekker. Ik floep er wel eens wat uit van een dergelijke strekking. En dat is iets waar ik me eigenlijk wèl voor schaam. Terwijl ik “homo” helemaal geen beledigend woord vind. Maar dat is nou eigenlijk het punt: door het woord in een denigrerende context te plaatsen, alsòf het een belediging is, beledig ik juist iedereen die homoseksueel is. En indirect ook mezelf. Ik zou immers de indruk kunnen wekken dat ik een homofoob ben.

Homofobie. Bij dat woord denk ik aan mannen die geen enkele vrouw kunnen krijgen, maar die er wel van overtuigd zijn dat elke homoseksuele man hen zou willen bespringen. Aan mensen die in een wereld waarin al hindernissen genoeg zijn het toch nodig vinden om andere mensen het leven zuur te maken, ook al doen die geen vlieg kwaad. Aan ouders die liever hebben dat hun lesbische dochter alleen blijft of trouwt met een man waar ze nooit van zal kunnen houden, dan dat ze zielsgelukkig wordt met een vrouw. Aan mensen die stug blijven beweren dat homoseksualiteit een ziekte is, of aangeleerd gedrag, terwijl wetenschappelijk allang bewezen is dat dit niet zo is. Aan mannen die vinden dan homo’s hun geaardheid zoveel mogelijk verborgen moeten houden, maar die zelf geen mogelijkheid onbenut laten om te benadrukken hoe heteroseksueel ze zelf zijn. Aan mensen die het moeilijk vinden om te accepteren dat niet iedereen hetzelfde in elkaar zit.

Homoseksualiteit. Bij dat woord denk ik aan mensen die een andere voorkeur hebben dan de meerderheid, maar die uiteindelijk gewoon de mooiste gevoelens die je van nature mee kunt krijgen volgen. Niets meer en niets minder.

Homo genoemd worden of homofoob, ik weet wel welke van de twee ik op zou vatten als een belediging.

Dus de eerstvolgende keer dat ik Arjen Robben weer een kansloze poging zie ondernemen om dwars door een verdediger heen te dribbelen dan zal ik m’n best doen om me in te houden en hem gewoon, heel netjes, een stomme klootzak te noemen.

Leave a comment »

Dubbelcolumn José & Joost: Nageslacht

Als je moeder, met haar tweede kleinkind op komst, aangeeft dat ze wel een dubbelcolumn met je wil schrijven, dan hoef je natuurlijk niet lang te denken over een onderwerp.  Met medewerking van José van Gisbergen-Vermeulen: “Nageslacht”.

José:

Al sinds mensenheugenis bezitten mensen en dieren een natuurlijke drang om zichzelf te vermeerderen. Zo begon bij Broer en mij al snel nadat wij 38 jaar geleden getrouwd waren, keurig zoals het in die tijd hoorde, het te kriebelen. Wij wilden nageslacht. Nu was het niet verstandig om dat te overhaasten, mede omdat ook in die oertijd het gebruikelijk was dat de nieuwbakken moeder dan bij haar kindjes thuis bleef. Wat inhield dat het gezinsinkomen een heel stuk kelderde. Dus toch maar een paar jaartjes gewacht en onze ouder-/verzorgergevoelens een tijdje zoet gehouden met een hondje.

Toen dan uiteindelijk de tijd volgens ons rijp was en we er vol voor gingen duurde het nog tien maanden voordat het zover was. We waren zwanger! Na een goed doorlopen zwangerschap werd op zondag 8 oktober 1978 onze zoon Josephus Joannes geboren. Voor mijn schoonvader een rechtstreekse stamhouder, waar hij apetrots op was. Hij is die middag voor het eerst sinds lange tijd weer naar de plaatselijk voetbalclub gegaan, alleen maar om het nieuws daar van de daken te kunnen schreeuwen. Sjef van Simonne had een nieuwe Sjef als nageslacht!

Omdat wij altijd al graag zeker drie kinderen wilden gingen we er de daarop volgende jaren nog twee keer voor. Met als resultaat nog twee semi-stamhouders, Roel en Ben. Na nog een klein beetje twijfelen over misschien toch nog een vierde, hebben we dat plan uit ons hoofd gezet. Het was goed zo. Je moet al dat nageslacht ook nog zonder kleerscheuren groot proberen te krijgen wat op zich best wel een klus is.

Inmiddels staan onze jongens al een aantal jaren op eigen benen. Loslaten doe je je nageslacht nooit meer en dat is natuurlijk ook niet de bedoeling! Vanaf het moment dat je voor het eerst in je leven zwanger bent, echt vanaf dag één, begint het zorgen, het zorgen maken en gelukkig ook het plezier om je nageslacht.

Het mooie is dat onze familie sinds ruim twee jaar weer aan het uitbreiden is. We weten nu ook hoe het is om kleinkind-nageslacht te hebben. Hiervoor geldt hetzelfde als bij je kinderen; zorgen, zorgen maken en er wel heel veel plezier van hebben.

We hopen dan ook dat er de komende jaren nog een paar leuke exemplaartjes nageslacht zullen volgen. Goed voorbeeld doet goed volgen zegt men, dus dat moet wel lukken.

Joost:

Een paar weken geleden hing ik aan de telefoon met mijn moeder en hoorde ik op de achtergrond dat mijn broer, schoonzus en nichtje bij hen op bezoek waren. Helemaal uit het niets vroeg mijn moeder ineens of ik die avond thuis zou zijn. “Zomaar, uit belangstelling”. Even later belde mijn schoonzus. Ze zei dat ze op weg was naar haar zus, maar dat die zojuist had laten weten dat ze later thuis zou zijn. En nu wilde ze met mijn broer even langskomen. “Zomaar, om de tijd te doden”. Twee doorzichtige smoesjes, een broer en schoonzus die een rondje langs de directe familie aan het maken waren, ik wist genoeg.

Ervan uitgaande dat alles wel goed gaat, dan krijgen mijn ouders over een maand of acht dus hun tweede kleinkind. Zolang de gedachten van mijn schoonzus en de relationele status van mijn jongste broer ongewijzigd blijven lijkt het erop dat de eventuele derde van mijn vriendin en mij zal moeten komen. Uiteraard is dat al ten sprake gekomen. Ik ben immers al 34, bijna tien jaar ouder dan mijn moeder was toen ze mij kreeg. Het leeftijdsverschil tussen mij en mijn eventuele kinderen zal sowieso een stuk groter worden dan dat tussen mij en mijn eigen ouders.

Tsja, kinderen. Als je ze op mijn leeftijd nog niet hebt, dan zul je er ongetwijfeld al over uit zijn of je ze ooit nog zult willen of niet. Voor mij is dat eigenlijk nooit een vraag geweest. Ik vind de toekomst er een stuk gezelliger uitzien als ik er een paar kinderen bij denk. Maar ook voor na die toekomst vind ik het een prettig idee om ooit een nageslacht te hebben. Het is een geruststellende gedachte dat er dan misschien over een eeuw nog mensen rondlopen op deze planeet die het nog wel eens hebben over hun opa. En dat ze wellicht zo nu en dan nog eens door zijn oude fotoalbums bladeren, dat ze heel misschien zelfs nog ergens een mapje hebben met de stukjes die die ouwe in 2013 schreef. Wie schrijft die blijft, wie nageslacht krijgt ook.

Maar voorlopig hebben mijn vriendin en ik nog geen haast. We kennen elkaar pas anderhalf jaar, wonen pas twee maanden samen en sowieso moet zij eerst nog maar eens zien te promoveren. En daarna zien we wel wanneer we zomaar, om de tijd te doden, een rondje maken langs al onze ouders en broers.

Leave a comment »

Dubbelcolumn Olav & Joost, deel 4: Reizen

Voor onze vierde gezamenlijke dubbelcolumn kozen Olav en ik voor het thema “Reizen”.

Olav:

Zo nu en dan zap ik wel eens langs van die reisprogramma’s. Heel slim van bijvoorbeeld zo’n Floortje Dessing om zo’n programma te maken, want ze kan gaan en staan waar ze wil. Veelal naar de meest wazige landen, juist omdat het voor haar mooi is om daar geweest te zijn en voor ons weer leuk om zo’n land te ontdekken, ook al is het op tv. Goed bedacht, goed gedaan, Floortje.

Ik moet wel zeggen dat als ik dat allemaal gadesla ik gewoon jaloers ben omdat ik eigenlijk nergens geweest ben. Vroeger, met mijn ouders, gingen we naar Italië of Duitsland en de grootste klapper was wel Daytona Beach. Geweldig was dat, ik zal dat ook nooit meer vergeten. Ik weet niet of mijn moeder dat indertijd van te voren wist, maar we gingen dus eigenlijk naar de “Daytona Speedweek”, en niet naar Disney World of andere typisch Amerikaanse bezienswaardigheden. We hebben cross-, race- en dirt trackwedstrijden gezien, crosskleren gekocht en hamburgers gegeten bij Wendy’s, dat tegenover het hotel stond. Mijn moeder en mijn zus waren erbij en ik denk eerlijk gezegd dat zij zich er iets anders van voorgesteld hadden toen, sorry nog.

Zuid Frankrijk was een drama omdat het blijkbaar veel te warm was voor een pasgeboren baby in een kant en klare bungalowtent. In Tunesië werden, in mijn eerste middag op het strand, mijn tas met spullen en mijn radio gestolen terwijl ik lag te tukken. De aangifte was een regelrechte aanfluiting want we werden gewoon uitgelachen en het viel me mee dat mijn radio daar niet op de balie stond te spelen. Met de kinderen in Kroatië, hoog op een berg met alleen een rotsenstrand in de buurt was ook niet echt een hoogtepunt en die all-in zomervakantie in Turkije in een “ster-te-weinig-resort” was alleen leuk omdat we met het juiste stelletje waren gegaan.

Nee, één van de mooiste trips was Parijs. Zomaar op de bonnefooi met z’n tweetjes in de auto gesprongen en hup, weg waren we. Eten in de auto, Jim Morrison’s slaapplaats bekeken en in onbekende dorpjes op een gammel stoeltje bier en wijn gedronken met natuurlijk kaas en brood. Dat is vakantie. Lekker helemaal niks, alleen elkaar, geweldig was dat.

Dan zie ik Floortje en denk ik, het maakt niet zo veel uit waar je heen gaat en ik hoef de wereld niet perse te zien. Het gaat om de intensiteit en daar hoef je geen vijftien uur voor te vliegen.

Gewoon in je autootje stappen en gaan… De horizon tegemoet.

Joost:

Er zijn mensen die op vakantie zeggen te gaan om uit te rusten. Ik heb dat nooit zo begrepen. Koffers inpakken, met een hoop bagage de trein nemen naar Schiphol, daar inchecken, wachten tot je kunt gaan boarden, urenlang gevangen zitten op een te krap vliegtuigstoeltje, met verstopte oren en een jetlag landen, in de zinderende hitte een taxi of de metrolijn vinden die je naar je hotel brengt, in een plaats waar je nog nooit geweest bent je hotel zien te vinden, uitpakken, snel je bezwete outfit uittrekken, even douchen en een restaurant zoeken voor je eerste fatsoenlijke maaltijd in een halve dag terwijl je al bijna 24 uur wakker bent: ik kan me een paar honderd rustgevendere dingen bedenken. Zoals gewoon thuis blijven en met een boek op de bank liggen, bijvoorbeeld.

Ik wil niet op vakantie gaan om uit te rusten, ik wil mezelf juist wakker kunnen schudden. Even weg uit de gebruikelijke comfort zone waarin je de helft van de tijd op de automatische piloot functioneert. Weg uit je vertrouwde omgeving en weg van alles wat het dagelijks leven een routine maakt. Weg van de supermarkt waar je drie keer per week komt, weg van de route die je elke dag naar het weg rijdt, weg van die laptop met Facebook en Hotmail die je net iets te vaak lijkt te roepen. Even een flinke dosis nieuwe herinneringen in je hoofd proppen. Jezelf even lekker laten overspoelen met nieuwe indrukken die zo overweldigend zijn dat ze nog steeds bezig zijn met indalen als je weken later thuis je fotoalbum samen aan het stellen bent.

Ik heb mijn vakanties dan ook het liefst zo gevarieerd mogelijk. Ik heb niets tegen luxe all-in resorts, zolang ik na een nachtje of twee weer door mag naar het volgende hotel, al mag dat van mij net zo goed een hostel, guesthouse of nachttrein zijn. Een paar uurtjes aan het zwembad of op het strand liggen vind ik prima, maar daarna ben ik wel weer toe aan iets anders. Een tempelruïne, een pittoresk stadje, een historische kathedraal of een waterval. En eigenlijk kan in een onbekend land een keer de lokale lijnbus pakken of er op uittrekken met een gehuurde fiets minstens zulke gedenkwaardige herinneringen opleveren als het bezoeken van de toeristische trekpleisters uit de boekjes. Voor mij is een vakantie pas ècht geslaagd als elke dag een avontuur op zich was. Dagen die in je geheugen samenvloeien tot één geheel beleef je immers in het dagelijks leven al genoeg.

De dagen dat ik op reis ben, dat zijn voor mij altijd de mooiste dagen van het jaar. Elke reis is goed voor maanden voorpret en jaren napret. Ik hou verslagen bij en maak foto’s om alles eindeloos te kunnen herbeleven. Maar toch vind ik het nooit onprettig om weer naar huis te gaan. Mijn familie weer kunnen zien, niet meer voor elke maaltijd de deur uit hoeven, in mijn eigen bed te kunnen slapen, mijn gitaren en mijn platenverzameling weer binnen handbereik hebben, dat is ook altijd lekker. En juist dàt maakt de dagelijkse sleur van het gewoon thuis zitten ook weer wat mooier. Als je weet dat je in fantastische steden als Marrekech, Havana, Mexico-Stad en Luxor bent geweest en in al die plaatsen toch een heel klein beetje uitkeek naar weer een comfortabel avondje thuis voor de tv, dan voelt je eigen bankje ineens een stuk lekkerder.

Comments (1) »