Dubbelcolumn David & Joost: Jeugdsentiment

Het concept achter deze dubbelcolumns is simpel: ik kies samen met een andere schrijver een onderwerp waar we vervolgens elk op eigen wijze een stukje over schrijven. Recentelijk kon je hier al drie dubbelcolumns lezen waaraan Olav Heijt zijn medewerking verleende, maar het leek me leuk om voor de variatie ook andere gastschrijvers uit te nodigen.

David Brinks is freelance (SEO-)copywriter. Informatie over zijn werkzaamheden is te vinden op www.hardcopy.nl. Hij was zo vriendelijk om mijn uitnodiging te accepteren en stelde het onderwerp “Jeugdsentiment” voor.

David:

Vroeger. Toen mijn leven nog voornamelijk bestond uit die ene, kleine buurt. Die buurt waar ik nu nog steeds graag loop, al woon ik er al 15 jaar niet meer. Waar ik altijd met de hond ging wandelen. Duitse Herders hadden we. Mijn vader richtte ze af, zodat ze terecht konden bij de politie of douane. Nog steeds word ik een beetje blij als ik iemand zie lopen met een Duitse Herder. Ook al hebben we zelf geen hond, toch is die connectie aanwezig. Door vroeger.

Nog iets wat ik vroeger als kind elke dag deed: voetballen. En met ‘als kind’ bedoel ik dan ‘tot op het HBO’. Voor ons huis hadden we een grasveld waar je prima een partijtje op kon spelen. Met dikke eiken als doelpalen, geholpen door een neergelegde jas. Later, toen alle buurtjongens andere lestijden hadden, ging ik vaak in mijn eentje voetballen op het schoolplein. Daar kon ik makkelijk een uur de bal tegen het bakstenen fietsenhok schoppen, terwijl er ondertussen van alles door mijn hoofd ging. Het creatieve brein staat nooit stil en voetballen leek een katalysator. Om die reden heb ik in mijn kantoor ook nog steeds een voetbal liggen. Elke dag dribbel ik wel even een paar meter. En als we bij mijn ouders zijn, sta ik daar achter het huis ook regelmatig met een bal tegen de muur aan te schoppen. Ook al heb ik nu zelf twee zoontjes, er is eigenlijk niks veranderd.

Onder de noemer ‘jeugdsentiment’ schaar ik ook nog altijd de zeven jaar die ik in de supermarkt gewerkt heb in mijn oude buurt. Van mijn 14e tot mijn 21e. Van alles heb ik daar gedaan. Vakken vullen, displays bouwen, kassa draaien, drank en sigaretten verkopen, de kassa’s opmaken… Een mooie tijd vond ik het. Daar heb ik veel dingen geleerd waar ik nu als freelancer profijt van heb. Hoe je klantgericht denkt en doet, hoe je iets moet presenteren, hoe je met prijsstelling moet omgaan, hoe je van klagende klanten tevreden klanten maakt en meer in het algemeen: hoe je zo efficiënt mogelijk werkt voor je geld. En nog steeds als ik in een supermarkt ben, voel ik affiniteit met de mensen die er werken. Als ik een potje pindakaas pak uit een schap dat net gespiegeld is, zet ik er een potje van daarachter voor in de plaats.

Kortom: jeugdsentiment bestaat niet. Die kindertijd waar je soms heimwee naar hebt zit nog steeds in je. En het is heerlijk en ook nodig om soms weer even dat kind te zijn.

Joost:

Ik ben geboren in 1978, alle herinneringen die ik heb aan mijn kindertijd spelen zich dus af in de jaren tachtig. Dat was een raar decennium. Ik denk dat je er, meer nog dan in welk ander tijdperk dan ook, zelf in opgegroeid moet zijn om er van te kunnen houden. Als wij samen met de generaties voor en na ons eens nuchter de tijd zouden gaan analyseren waarin we opgroeiden, dan staan we toch een beetje voor lul. De wansmakelijke jaren tachtig waren een lelijke overgangsperiode tussen de romantische decennia ervoor en de praktische decennia erna. Met een halfvol glas in de hand kun je nog zeggen dat we een beetje van beide walletjes konden eten, met eigenlijk vielen we achteraf bekeken op veel fronten keihard tussen wal en schip.

De veertigplussers onder ons hadden in hun jeugd die prachtige glimmende LP’s met hun mooie grote hoezen. De huidige generatie kan onbeperkt alle muziek gratis downloaden. Wij hadden die inferieure cassettebandjes en betaalden vervolgens veel te veel voor in lelijke plastic doosjes verpakte cd’s, een medium dat een jaar of vijftien na z’n opkomst alweer dood verklaard zou worden.

De generaties voor ons groeiden op met buiten spelen, op straat voetballen en hutten bouwen. De generaties na ons kregen computerspellen die visueel nauwelijks nog van speelfilms te onderscheiden waren. En in de jaren tachtig? Toen ging menig mooie zomerdag verloren aan het op een tv-scherm rondschuiven van blokjes in Tetris, Super Mario of Donkey Kong.

Voor onze tijd zagen de voetbalidolen er met hun lange haren en dikke bakkebaarden uit als rocksterren. Tegenwoordig zijn ze op de rode lopers niet meer te onderscheiden van de Hollywoodsterren. In onze tijd droegen ze snorren en matjes en zagen ze eruit alsof ze net zo makkelijk achter de counter van de lokale snackbar hadden kunnen staan.

Nuchter bekeken had ik best op willen groeien in een tijd waarin The Beatles, The Stones en Elvis de radio domineerden in plaats van Frankie Goes To Hollywood, Wham! en Spandau Ballet. Ik had ook best kind willen zijn in een tijd met meerdere non-stop uitzendende kinderzenders op tv, in plaats van een paar uur per week tekenfilms op de publieke omroepen.

Maar ze zeggen wel eens dat liefde blind maakt, en als je zo bevoorrecht bent dat je een gelukkige jeugd hebt gehad dan maakt ook nostalgie een beetje blind. De jaren tachtig verliepen voor mij bijna vlekkeloos. Ik verloor in het decennium één oma en kon een stuk minder goed voetballen dan ik graag wilde, maar verder had ik weinig te klagen. De warme oranje gloed die veel van de enigszins vervaagde foto’s uit mijn oude fotoboeken hebben gekregen zit ook op mijn herinneringen.

The A-Team had hoogst onwaarschijnlijke scripts en tenenkrommend slecht acteerwerk, maar elke keer als ik langs een herhaling ervan zap dan schieten weer beelden door mijn hoofd van het plein van mijn lagere school, waarop we de aflevering van de avond daarvoor naspeelden. Iedereen wilde BA zijn, de sterkste en stoerste, of Hannibal, de leider. Murdock kon ook nog nèt, die was gek maar wel grappig en bovendien piloot. Als je pech had moest je Face zijn, de womanizer. Voor ons als kinderen was hij maar een loser. Welke jongen wilde nou de hele dag alleen maar met meisjes bezig zijn?

De ernstig overgeproduceerde bekendste nummers van A-Ha, Tears For Fears en Duran Duran zaten vol lelijke en inmiddels hopeloos gedateerde klanken uit keyboards en drumcomputers. Maar elke keer als ik ze hoor dan zie ik mezelf weer in de jaren waarin dat hits waren. Nog even op mogen blijven om met een bakje Nibits Wedden Dat…? met Jos Brink af te mogen kijken. Oorlogje voeren met de Kievitstraat en de Sperwerstraat tegen Den Dries en Den Drink. Crossfietswedstrijden met houten wasknijpers tussen de spaken.

En die snackbarmedewerkers van ons, die voetballers met hun snorren, matjes en fletse shirts waar een patroon in zat dat je hoofdpijn gaf als je er te lang naar keek, die flikten het toch maar om het Europees Kampioenschap te winnen. De generaties voor ons zitten met de trauma’s van 1974 en 1978, de jongere voetballiefhebbers van nu moeten het doen met een herinnering aan Robben die ik de WK-finale van 2010 onfortuinlijk de bal op de punt van de schoen van een Spaanse keeper mikte. Wij konden op 25 juni 1988 de straat op. Met de kinderen uit de buurt hield ik een spontane optocht met alle oranje spullen die we konden vinden, tot aan lampenkappen toe. In een vlaag van euforie staken we zelfs, zonder de benodigde ouderlijke toestemming, de Groeneweg over met onze karavaan. Die herinneringen komen elke keer als ik beelden van dat EK op tv zie weer terug.

Afgelopen zondag stond ik op een rommelmarkt bij een kraampje door een bak met oude singletjes te spitten. Het leek er op dat hier iemand met een vrij goede smaak zijn oude collectie aan het verkopen was, want ik viste er het ene na het andere kwaliteitsplaatje uit. Het stapeltje dat ik uiteindelijk afrekende was er één waar ik als zelfverklaarde serieuze muziekliefhebber wel mee voor de dag durfde te komen. ‘Bigmouth Strikes Again’ van The Smiths. ‘I Can’t Help It’ van Klaatu. ‘(Don’t Fear) The Reaper’ van Blue Oyster Cult. ‘Losing My Religion’ van REM.

Maar stiekem vond ik het singletje dat ik discreet naar de onderkant van het stapeltje had gemoffeld, het volstrekt wanstaltige voetballiedje ‘Wij Houden van Oranje’ door André Hazes met het Nederlands Elftal van 1988 in het achtergrondkoortje, toch de mooiste vondst.

Advertenties

1 Response so far »


Comment RSS · TrackBack URI

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: