Archive for mei, 2013

Dubbelcolumn David & Joost: Jeugdsentiment

Het concept achter deze dubbelcolumns is simpel: ik kies samen met een andere schrijver een onderwerp waar we vervolgens elk op eigen wijze een stukje over schrijven. Recentelijk kon je hier al drie dubbelcolumns lezen waaraan Olav Heijt zijn medewerking verleende, maar het leek me leuk om voor de variatie ook andere gastschrijvers uit te nodigen.

David Brinks is freelance (SEO-)copywriter. Informatie over zijn werkzaamheden is te vinden op www.hardcopy.nl. Hij was zo vriendelijk om mijn uitnodiging te accepteren en stelde het onderwerp “Jeugdsentiment” voor.

David:

Vroeger. Toen mijn leven nog voornamelijk bestond uit die ene, kleine buurt. Die buurt waar ik nu nog steeds graag loop, al woon ik er al 15 jaar niet meer. Waar ik altijd met de hond ging wandelen. Duitse Herders hadden we. Mijn vader richtte ze af, zodat ze terecht konden bij de politie of douane. Nog steeds word ik een beetje blij als ik iemand zie lopen met een Duitse Herder. Ook al hebben we zelf geen hond, toch is die connectie aanwezig. Door vroeger.

Nog iets wat ik vroeger als kind elke dag deed: voetballen. En met ‘als kind’ bedoel ik dan ‘tot op het HBO’. Voor ons huis hadden we een grasveld waar je prima een partijtje op kon spelen. Met dikke eiken als doelpalen, geholpen door een neergelegde jas. Later, toen alle buurtjongens andere lestijden hadden, ging ik vaak in mijn eentje voetballen op het schoolplein. Daar kon ik makkelijk een uur de bal tegen het bakstenen fietsenhok schoppen, terwijl er ondertussen van alles door mijn hoofd ging. Het creatieve brein staat nooit stil en voetballen leek een katalysator. Om die reden heb ik in mijn kantoor ook nog steeds een voetbal liggen. Elke dag dribbel ik wel even een paar meter. En als we bij mijn ouders zijn, sta ik daar achter het huis ook regelmatig met een bal tegen de muur aan te schoppen. Ook al heb ik nu zelf twee zoontjes, er is eigenlijk niks veranderd.

Onder de noemer ‘jeugdsentiment’ schaar ik ook nog altijd de zeven jaar die ik in de supermarkt gewerkt heb in mijn oude buurt. Van mijn 14e tot mijn 21e. Van alles heb ik daar gedaan. Vakken vullen, displays bouwen, kassa draaien, drank en sigaretten verkopen, de kassa’s opmaken… Een mooie tijd vond ik het. Daar heb ik veel dingen geleerd waar ik nu als freelancer profijt van heb. Hoe je klantgericht denkt en doet, hoe je iets moet presenteren, hoe je met prijsstelling moet omgaan, hoe je van klagende klanten tevreden klanten maakt en meer in het algemeen: hoe je zo efficiënt mogelijk werkt voor je geld. En nog steeds als ik in een supermarkt ben, voel ik affiniteit met de mensen die er werken. Als ik een potje pindakaas pak uit een schap dat net gespiegeld is, zet ik er een potje van daarachter voor in de plaats.

Kortom: jeugdsentiment bestaat niet. Die kindertijd waar je soms heimwee naar hebt zit nog steeds in je. En het is heerlijk en ook nodig om soms weer even dat kind te zijn.

Joost:

Ik ben geboren in 1978, alle herinneringen die ik heb aan mijn kindertijd spelen zich dus af in de jaren tachtig. Dat was een raar decennium. Ik denk dat je er, meer nog dan in welk ander tijdperk dan ook, zelf in opgegroeid moet zijn om er van te kunnen houden. Als wij samen met de generaties voor en na ons eens nuchter de tijd zouden gaan analyseren waarin we opgroeiden, dan staan we toch een beetje voor lul. De wansmakelijke jaren tachtig waren een lelijke overgangsperiode tussen de romantische decennia ervoor en de praktische decennia erna. Met een halfvol glas in de hand kun je nog zeggen dat we een beetje van beide walletjes konden eten, met eigenlijk vielen we achteraf bekeken op veel fronten keihard tussen wal en schip.

De veertigplussers onder ons hadden in hun jeugd die prachtige glimmende LP’s met hun mooie grote hoezen. De huidige generatie kan onbeperkt alle muziek gratis downloaden. Wij hadden die inferieure cassettebandjes en betaalden vervolgens veel te veel voor in lelijke plastic doosjes verpakte cd’s, een medium dat een jaar of vijftien na z’n opkomst alweer dood verklaard zou worden.

De generaties voor ons groeiden op met buiten spelen, op straat voetballen en hutten bouwen. De generaties na ons kregen computerspellen die visueel nauwelijks nog van speelfilms te onderscheiden waren. En in de jaren tachtig? Toen ging menig mooie zomerdag verloren aan het op een tv-scherm rondschuiven van blokjes in Tetris, Super Mario of Donkey Kong.

Voor onze tijd zagen de voetbalidolen er met hun lange haren en dikke bakkebaarden uit als rocksterren. Tegenwoordig zijn ze op de rode lopers niet meer te onderscheiden van de Hollywoodsterren. In onze tijd droegen ze snorren en matjes en zagen ze eruit alsof ze net zo makkelijk achter de counter van de lokale snackbar hadden kunnen staan.

Nuchter bekeken had ik best op willen groeien in een tijd waarin The Beatles, The Stones en Elvis de radio domineerden in plaats van Frankie Goes To Hollywood, Wham! en Spandau Ballet. Ik had ook best kind willen zijn in een tijd met meerdere non-stop uitzendende kinderzenders op tv, in plaats van een paar uur per week tekenfilms op de publieke omroepen.

Maar ze zeggen wel eens dat liefde blind maakt, en als je zo bevoorrecht bent dat je een gelukkige jeugd hebt gehad dan maakt ook nostalgie een beetje blind. De jaren tachtig verliepen voor mij bijna vlekkeloos. Ik verloor in het decennium één oma en kon een stuk minder goed voetballen dan ik graag wilde, maar verder had ik weinig te klagen. De warme oranje gloed die veel van de enigszins vervaagde foto’s uit mijn oude fotoboeken hebben gekregen zit ook op mijn herinneringen.

The A-Team had hoogst onwaarschijnlijke scripts en tenenkrommend slecht acteerwerk, maar elke keer als ik langs een herhaling ervan zap dan schieten weer beelden door mijn hoofd van het plein van mijn lagere school, waarop we de aflevering van de avond daarvoor naspeelden. Iedereen wilde BA zijn, de sterkste en stoerste, of Hannibal, de leider. Murdock kon ook nog nèt, die was gek maar wel grappig en bovendien piloot. Als je pech had moest je Face zijn, de womanizer. Voor ons als kinderen was hij maar een loser. Welke jongen wilde nou de hele dag alleen maar met meisjes bezig zijn?

De ernstig overgeproduceerde bekendste nummers van A-Ha, Tears For Fears en Duran Duran zaten vol lelijke en inmiddels hopeloos gedateerde klanken uit keyboards en drumcomputers. Maar elke keer als ik ze hoor dan zie ik mezelf weer in de jaren waarin dat hits waren. Nog even op mogen blijven om met een bakje Nibits Wedden Dat…? met Jos Brink af te mogen kijken. Oorlogje voeren met de Kievitstraat en de Sperwerstraat tegen Den Dries en Den Drink. Crossfietswedstrijden met houten wasknijpers tussen de spaken.

En die snackbarmedewerkers van ons, die voetballers met hun snorren, matjes en fletse shirts waar een patroon in zat dat je hoofdpijn gaf als je er te lang naar keek, die flikten het toch maar om het Europees Kampioenschap te winnen. De generaties voor ons zitten met de trauma’s van 1974 en 1978, de jongere voetballiefhebbers van nu moeten het doen met een herinnering aan Robben die ik de WK-finale van 2010 onfortuinlijk de bal op de punt van de schoen van een Spaanse keeper mikte. Wij konden op 25 juni 1988 de straat op. Met de kinderen uit de buurt hield ik een spontane optocht met alle oranje spullen die we konden vinden, tot aan lampenkappen toe. In een vlaag van euforie staken we zelfs, zonder de benodigde ouderlijke toestemming, de Groeneweg over met onze karavaan. Die herinneringen komen elke keer als ik beelden van dat EK op tv zie weer terug.

Afgelopen zondag stond ik op een rommelmarkt bij een kraampje door een bak met oude singletjes te spitten. Het leek er op dat hier iemand met een vrij goede smaak zijn oude collectie aan het verkopen was, want ik viste er het ene na het andere kwaliteitsplaatje uit. Het stapeltje dat ik uiteindelijk afrekende was er één waar ik als zelfverklaarde serieuze muziekliefhebber wel mee voor de dag durfde te komen. ‘Bigmouth Strikes Again’ van The Smiths. ‘I Can’t Help It’ van Klaatu. ‘(Don’t Fear) The Reaper’ van Blue Oyster Cult. ‘Losing My Religion’ van REM.

Maar stiekem vond ik het singletje dat ik discreet naar de onderkant van het stapeltje had gemoffeld, het volstrekt wanstaltige voetballiedje ‘Wij Houden van Oranje’ door André Hazes met het Nederlands Elftal van 1988 in het achtergrondkoortje, toch de mooiste vondst.

Advertenties

Comments (1) »

Dubbelcolumn Linda & Joost: Internetdaten

Het concept achter deze dubbelcolumns is simpel: ik kies samen met een andere schrijver een onderwerp waar we vervolgens elk op eigen wijze een stukje over schrijven. Recentelijk kon je hier al drie dubbelcolumns lezen waaraan Olav Heijt zijn medewerking verleende, maar het leek me leuk om voor de variatie ook andere gastschrijvers uit te nodigen.

Linda Spiegelberg’s werk is reeds gepubliceerd in enkele medische vakbladen, maar dit is haar eerste poging tot “recreatief schrijven”. Ze koos voor het onderwerp “Internetdaten”.

Linda:

In de huidige tijd van de social media, waarin steeds meer zich op internet afspeelt, is het ook niet zo gek dat het internetdaten steeds meer in opkomst is. Je kent het wel, van die reclames waarin twee mensen die ontzettend goed bij elkaar passen de meest geweldige dates hebben. Altijd knappe, vlotte en spontane mensen, want internetdaten is niet voor de wanhopigen onder ons die niemand kunnen krijgen. Toch zullen stiekem veel mensen het een beetje als zodanig zien. En ik was er daar stiekem, heel stiekem, ook één van. Want zeg nou zelf; zo moeilijk kan het toch niet zijn om in het ‘echte’ leven iemand tegen te komen? Niet zomaar iemand, maar als het even kan de man van je dromen? Bij de generaties voor ons, die het nog moesten doen zonder de wonderen van het wereldwijde web, is het toch ook altijd gelukt?

Totdat ik, 27 lentes jong, toch de stap eens waagde en me inschreef op zo’n site. Onder het motto: waarom ook niet? Tot dan toe was ik schrikbarend weinig mannen van m’n dromen tegengekomen op straat, bij het voetbal, bij concerten of in de kroeg. De enige keren dat het erop begon te lijken was op vakantie. Blijkbaar ben ik dan op m’n leukst. Of sta ik er het meest voor open. Maar met iemand een relatie beginnen aan andere kant van de wereld leek me toch ook weer niet zo praktisch. Ik zag me al bijna in het programma ‘Grenzeloos Verliefd’.

Nee, dan toch maar dichter bij huis zoeken. Onder lichte dwang van wat collega’s maakte ik op een anderszins vruchteloze middag op het werk dan toch maar eens een profiel aan. Erg serieus nam ik het niet: er ontbrak de eerste tijd zelfs een profielfoto. En dan begrijp ik best dat je weinig reacties kan verwachten. Na een half jaartje besloot ik dan toch een foto en wat meer tekst toe te voegen. Vanaf dat moment kwamen er gestaag wat meer berichten binnen. Want zelf ‘op zoek gaan’ en berichtjes sturen, daar was ik nog niet aan toe. Ik bleef wel gewoon wachten totdat de man van mijn dromen mij zou vinden. Want zo ‘wanhopig’ was ik immers niet. Er kwamen berichtjes van mannen (of jongens) met profielteksten als: ‘van mij mag een vrouw best een eigen willetje hebben’ (Ah, dat is goed om te horen, die heb ik namelijk wel) en ‘ik hou van leuke dingen doen’ (Da’s nou jammer, daar houd ik helemáál niet van). Eenmaal kreeg ik, na wat uitgebreider mailcontact en het uitwisselen van meer foto’s, doodleuk te horen dat hij aan die foto’s kon zien dat ik een laag zelfbeeld had en het daarom niet zag zitten. (Ah, een heuse amateurpsycholoog, maar dat stond niet in zijn profiel).

Zo’n profiel is natuurlijk wel handig. Voordat je ook maar ergens aan gaat beginnen, kan je filteren op de favoriete eigenschappen van je toekomstige droomman. Je weet meteen wat iemands lievelingsdier is, wat ‘ie graag eet en zelfs of en hoeveel kinderen er zouden moeten komen. Toch handig om alvast te weten, hoef je dat tijdens de eerste date in ieder geval niet meer te vragen. En toch is zo’n eerste date meer dan spannend. In plaats van gaandeweg erachter te komen of jullie interesses bij elkaar passen, weet je dat van tevoren al. Maar of de zogenaamde klik er is, merk je pas bij de eerste echte ontmoeting.

Via de datingsite heb ik maar één keer een eerste date gehad. Daarna hield ik het voor gezien en heb ik mijn profiel verwijderd. Inmiddels zijn Joost en ik bijna anderhalf jaar bij elkaar, en wonen sinds kort samen.

Joost:

Ik liep de toiletruimte uit, langs het podium waar de leden van de band die net klaar was met spelen nog wat na stonden te praten. Ik wurmde me in de goedgevulde kroeg tussen de menigte door en zag haar staan aan een tafeltje. Ik kende haar al bijna anderhalf jaar en was er inmiddels wel van overtuigd dat ik in m’n hele leven nooit meer iemand zou gaan ontmoeten die beter bij me zou passen dan zij. Had me de computer uit ‘Weird Science’ even geleend en ik zou iets hebben gecreëerd wat verdacht veel op haar zou lijken. Met haar uiterlijk had ze mijn aandacht al op het eerste gezicht weten te grijpen en aan mijn basiseisen, lief en intelligent zijn, voldeed ze meer dan ruimschoots. Maar wat haar vooral zo bijzonder maakte was dat in de categorie “geen vereiste eigenschap, wel een pluspunt” haar scorekaart inmiddels lang genoeg was om over te struikelen. We hadden zoveel gemeen dat het bijna griezelig werd. Ik naderde haar. Ze keek me aan met haar kalme bruine ogen en een vriendelijke glimlach. Ineens vroeg ik me af of ik op haar af zou durven stappen om haar mee uit te vragen.

Dat wil zeggen: ik vroeg me af of ik dat zou hebben gedurfd als ik haar hier nu zo tegen zou zijn gekomen en ze niet al anderhalf jaar mijn vriendin zou zijn geweest. Ik moet heel eerlijk bekennen dat ik daar niet met zekerheid bevestigend op zou kunnen antwoorden. De wil zou me zeker niet hebben ontbroken, het lef en de daadkracht waarschijnlijk wel.

Sommige mensen hebben er geen moeite mee om zo nu en dan een versierpoging te doen. Sommige mensen zien er leuk genoeg uit om anderen aan te zetten tot het ondernemen van zo’n poging. En sommige mensen krijgen wat hulp van het lot. De rest blijft alleen, of meldt zich vroeg of laat toch maar eens aan op een datingsite. Dat laatste is dus wat ik deed, een dikke twee jaar geleden. Alleen om even rond te kijken natuurlijk, want toegeven dat je “op zoek bent” lijkt zelfs op datingsites nog een beetje een taboe te zijn.

Ik kan niet zeggen dat ik mijn belevenissen op die datingsite als heel leuk heb ervaren. De toon was uiteraard anders, maar ik vond het allemaal verdacht veel overeenkomsten hebben met solliciteren. Je doorzoekt berichtjes op zoek naar een profiel dat bij je zou kunnen passen en doet vervolgens je best om jezelf te verkopen in een pakkend berichtje, al wetend dat er een hele grote kans is dat je een standaard afwijzingsmailtje gaat krijgen of gewoon helemaal geen reactie. Enkele keren kwam het tot een date. En, alhoewel uiteraard wel een stuk gezelliger, had ook dat wel iets weg van een sollicitatiegesprek. In enkele gevallen bleek de persoon waarmee ik al tijdje erg leuk aan het mailen was in het echt toch een beetje tegen te vallen. Eén keer zag ik het zelf wel zitten maar was dat niet wederzijds. En dat is pijnlijk. Bij een sollicitatiegesprek wijzen ze je af als werknemer, in dit geval als persoon. Dat komt toch anders aan. Maar zoals bij zoveel dingen heiligt het doel de middelen en het einde van dit verhaal is dat ik mijn vriendin leerde kennen.

Ook in dit tijdperk waarin vrijwel alles via het internet gedaan kan worden lijkt internetdaten voor sommige mensen nog een beetje een taboe. Een allerlaatste strohalm voor de meest wanhopigen onder ons. Zeggen dat jij en je partner elkaar via internet hebben ontmoet wil nog wel eens voor reacties zorgen die je het idee geven dat je zojuist een gênante bekentenis gedaan hebt.

Maar soms wordt ik ’s nachts even wakker na weer een topdag met een vriendin die eigenlijk te leuk is om waar te zijn en zie ik haar vredig slapen met haar hoofd half op mijn kussen. Op zo’n moment vraag ik me eigenlijk nooit af of ze misschien leuker zou zijn geweest als ik haar gewoon ouderwets in de kroeg had ontmoet.

Leave a comment »

Dubbelcolumn Olav & Joost, deel 3: Triviale ergernissen

Olav Heijt is schrijver van de pocket ‘Levensliefde’ en columnist voor De Weekkrant. Hij schrijft met veel humor en gevoel over wat hem overkomt in het dagelijks leven. Soms over bijzondere gebeurtenissen, maar vaker juist over de kleine details die de meeste mensen ontgaan.

Ongeveer een jaar geleden, toen Olav en ik nog collega’s waren, ontstond het idee om samen een onderwerp te bedenken en daar elk op eigen wijze een stukje over te schrijven. Een paar weken geleden kwam het er eindelijk van en nu zijn we alweer toe aan onze derde dubbelcolumn, met als onderwerp “Triviale ergernissen”. Hieronder eerst Olav’s invulling van dit onderwerp, daarna die van mij.

Olav:

Vlak voor ik op mijn werk ben kom ik altijd door de kern van een klein dorpje, zo’n gehucht waarin je eigenlijk geboren moet zijn om er je spaarzame tijd door te willen brengen. Op de één of andere manier heb ik altijd haast, wat voornamelijk voortkomt uit mijn afwijking altijd net even te laat weg te rijden. Ook vandaag zit ik weer op het randje van te laat komen als ik stuit op een de kopman in mijn race tegen de klok. Hij rijdt net dertig kilometer per uur en ik vloek in mijn binnenste. “Hoe kan je nu in godsnaam dertig gaan rijden?” mompel ik hardop en kijk of ik er niet langs kan zonder een argeloze mede-verkeersdeelnemer te verwonden. Schuin opzij zie ik uit mijn ooghoek een bord, een bord met daarop “dertig kilometer zone” en kalmeer. Respect voor de kopman dus, ook al ben ik een paar minuten te laat. Ik stap binnen en als ik mijn tas onder het bureau smijt zegt mijn collega gekscherend, “Hee, de avondploeg is er ook al”. “Kutopmerking” denk ik nog maar weet dat hij ergens een beetje gelijk heeft, ik ben gewoon te laat. Mijn collega laat me weten een leuk filmpje te hebben gezien op YouTube en in de etenspauze besluit ik snel even te kijken. Ik klik en krijg eerst een advertentie te zien die ik na een seconde of 4 al weer weg kan klikken. Die 4 seconden duren echt een uur en ik klik bijna de hele handel weg. “Bezig met bufferen” zegt Mr YouTube en dan heb ik het niet meer. Daar wordt ik dus, blijkbaar, zo moe van, niet van het werken. Uiteindelijk is het wel een leuk filmpje dus dat compenseert gelukkig en ik stabiliseer.

Na een heerlijke werkdag zonder al te veel frustraties rij ik weer huiswaarts en moet wachten bij een rotonde. Er komt een oudere dame aan die geen richting aangeeft en toch gewoon afslaat. Sta ik daar gewoon een seconde of drie van mijn kostbare tijd te verdoen aan zo’n bejaard dametje. “Rij dan geen auto” hoor ik mezelf nog net denken en heb daar na een halve minuut alweer spijt van. Het had mijn moeder kunnen zijn tenslotte, en die doet niks fout.

Ik moet tanken om thuis te kunnen komen en sta bij de kassa achter een man die een ander bonnetje wil. “hier staat geen btw op” zegt hij geïrriteerd tegen de jonge onervaren kassabediende. “Ik heb geen andere bonnetjes” zegt het mannetje en kijkt angstig naar de grote “btw-bonbeer” De beer draait zich om naar mij en vraagt, “Jij krijgt toch ook altijd een btw bon, of niet?” Ik heb wel het idee dat hij gelijk heeft, en niet alleen door zijn postuur, en kijk naar zijn bonnetje. Er staat inderdaad geen btw op vermeld, en ik geef het terug terwijl ik denk aan mijn kostbare seconden die ik aan het verdoen ben door dit onzinnige geleuter. “Ik heb nog wel wat btw bonnetjes voor je hoor” zeg ik hulpvaardig, maar die wil hij niet. Al met al duurt dit hele drama zeker vijf minuten en net voor ik mezelf helemaal opgevreten heb mag ik betalen.

Mijn tijdsverspilling nog verwerkend stap ik weer in en vervolg mijn weg.

Voor ik naar huis ga duik ik nog even snel de Jumbo in en als ik vanuit de parkeergarage naar de slagboom rij besef ik dat ik mijn kaartje niet betaald heb aan de automaat en er dus niet uit kan. Weer geïrriteerd loop ik naar de man die achter de kassa zit, van mij uit gezien dan, en betaal hem contant. Ook dit kost me weer een berg tijd, misschien wel drie minuten, en ik vervolg mijn weg naar huis.

Hijgend stap ik binnen en zet mijn tas op het aanrecht.

Ik plof in de stoel en zucht. Uiteindelijk zit ik een paar minuten naar buiten te staren, een paar minuten en besef dat ik helemaal geen haast had en mijn ergernissen eigenlijk helemaal geen ergernissen zijn.

Haast, haast altijd…

Joost:

De reclamespotjes van Kruidvat, waarin een veel te enthousiaste mevrouw bijna een spontaan orgasme krijgt omdat de bodylotions deze week 30% goedkoper zijn. Mensen die “me” als bezittelijk voornaamwoord gebruiken. Voetbalhaters die het nodig vinden om na een belangrijke wedstrijd die door jouw club verloren is op te merken dat het “maar een spelletje” is (al is dat nog altijd iets minder erg dan “Och, hebben die sukkels alweer verloren?”). Een kassière die je tijdens het afrekenen het gevoel geeft dat je haar stoort, omdat ze net met die collega van een kassa verderop aan het bespreken was of het zaterdag de Time Out gaat worden of toch maar weer het Stratumseind. Om daarna chagrijnig weg te kijken als je “tot ziens” zegt. Mensen die een betoog waar je je totaal niet in kunt vinden afsluiten met “Ja toch?” als een retorische vraag om instemming.

Ik heb een hoop triviale ergernissen. Kleine dingetjes die nauwelijks mijn energie waard zijn, maar die me toch net iets teveel irriteren om ze volledig te kunnen negeren. Zaken die mijn bloed niet laten koken, maar het wel een paar graadjes boven de normale lichaamstemperatuur uit laten komen. En da’s prima. Niks mis mee.

Het leuke aan triviale ergernissen is, de term zegt het al, dat ze zo lekker onbelangrijk zijn. Aan burgeroorlogen, kinderverkrachters, grensrechterdoodschoppers en enge ziektes irriteer je je niet, dat zijn zaken van een ernstigere orde. Maar die lul die je vanochtend afsneed op de snelweg, die trut die luidruchtig haar kind uitkafferde in de trein, die nieuwe single van Kane en die eikel met dat bomvolle winkelwagentje die snel even voordrong bij de kassa die net open ging, die zijn over een paar minuten weer weg. En je eventjes inwendig heel erg druk maken over een probleem waarvan je weet dat het zich op korte termijn weer op zal lossen, dat is best prettig. Lekker even krabben aan een mentale jeuk. Je onzichtbaar flink opfokken, in je hoofd een rijtje enge ziektes en politiek incorrecte opmerkingen rondsmijten waar de voltallige Bond tegen Vloeken een rolberoerte van zou krijgen, en wat later is de bron van ergernis gewoon weer weg. Was het met alle problemen maar zo makkelijk.

Er is een hoop muziek die ik nauwelijks kan verdragen. Het kraaiende gekras van Anastacia of Macy Gray. Het kronkelige geblaat van Destiny’s Child, Boyz II Men en alles wat daar op lijkt. Eigenlijk alle muziek die geschikt is om op te linedancen. De uitgekauwde stadionrock van Bon Jovi en Nickelback en het onuitstaanbare gemekker van de bijbehorende zangers. Het glibberige, bronstige muzikale voorspel van John Legend. Het nummer ‘Teenage Dirtbag’ van Wheatus, met dat afschuwelijke knijpstemmetje. Of ‘Around the World’ van Daft Punk, wellicht de meest eentonige plaat ooit gemaakt. Dat vreselijk jengelende ‘Unbreak My Heart’ van Toni Braxton. Het zanikende gejank van Starsailor op ‘Alcoholic’, ik kan er nauwelijks naar luisteren. En dan ben ik nog niet eens begonnen over het volledige techno-genre met alle zielloze aftakkingen die daar bij horen.

Toch moet ik bekennen dat het af en toe best lekker is om een gedrocht op de radio voorbij te horen komen. Heel soms zoek ik zelfs bewust op YouTube iets wanstaltigs als ‘Casanova’ van Ultimate Kaos of ‘Achy Breaky Heart’ van Billy Ray Cyrus op. Je staat dan meteen weer helemaal op scherp. Eigenlijk net zozeer als je favoriete nummers laten de platen die aankomen als een belediging voor je goede smaak je weer voelen hoe groot je passie voor muziek ook alweer is. En wat klinkt elk nummer dat je daarna hoort dan ineens lekker…

Ik hoorde jaren geleden iemand (irritant genoeg kan ik me niet meer herinneren wie) iets interessants zeggen over irritaties. Het kwam er op neer dat als je je ergert aan iemand, dat diegene dan hoogstwaarschijnlijk iets doet wat jij van jezelf niet mag. Omdat je vader of moeder, een leraar, een politieagent of gewoon je eigen aangeboren goede fatsoen je geleerd heeft dat je het moet laten. Iets waar jij nèt iets te beschaafd, te slim, te handig, te alert of te empathisch voor bent. Dat hou ik sindsdien in m’n achterhoofd. Het geeft bijna elke ergernis een positief randje, een irritatie wordt een complimentje aan jezelf. Want jij bent wèl een heer in het verkeer. Jij schreeuwt niet in het openbaar. Jij schopt niet tegen fietsen van mensen die je niet kent. Jij liet laatst wèl zonder hoorbare diepe zucht een oud mensje voorgaan in de winkel. Jij gebruikt niet om de twee zinnen steeds hetzelfde stopwoord. Jij schrijft geen blogs waarin je de favoriete muziek van half Nederland wanstaltig noemt. Elke keer dat je je ergert aan een ander wordt het je duidelijker: mensen zouden eens een voorbeeld aan jou moeten nemen.

Een triviale ergernis, volgens de letterlijke betekenis is dat iets onbelangrijks wat je als vervelend ervaart. Maar misschien is het meer iets wat je graag vervelend vindt.

Vond je dit stukje niet leuk om te lezen, dan hoop ik je in elk geval een beetje te hebben geïrriteerd.

Leave a comment »

Dubbelcolumn Olav & Joost, deel 2: Solliciteren

Olav Heijt is schrijver van de pocket ‘Levensliefde’ en columnist voor De Weekkrant. Hij schrijft met veel humor en gevoel over wat hem overkomt in het dagelijks leven. Soms over bijzondere gebeurtenissen, maar vaker juist over de kleine details die de meeste mensen ontgaan.

Ongeveer een jaar geleden, toen Olav en ik nog collega’s waren, ontstond het idee om samen een onderwerp te bedenken en daar elk op eigen wijze een stukje over te schrijven. Onlangs kwam het er eindelijk van, het onderwerp werd “Verhuizen”. Omdat we het allebei voor herhaling vatbaar vonden nu deel twee, met als onderwerp “Solliciteren”. Hieronder eerst Olav’s invulling van dit onderwerp, daarna die van mij.

Olav:

Als ik terugkijk op mijn woelige werkbestaan heb ik eigenlijk best redelijk wat verschillende baantjes gehad. De eerste jaren van mijn werkende leventje werden me heel makkelijk gemaakt. Mijn vader had een bedrijf en er werd toch wel een klein beetje aangenomen dat wij (vier kinderen) in de zaak zouden komen te werken. Voor ons was dat lekker makkelijk omdat we toch al jaren meehielpen als we uit school kwamen dus niet echt in hoefden te stromen, en daarbij hadden mijn ouders natuurlijk niks liever dan hun eigen kroost in de zaak wat ik ook wel heel goed kan begrijpen. We zijn nooit gedwongen maar we wisten wel dat ze het graag hadden, dat voelde je. Toen het familiebedrijf door hevige concurrentie genoodzaakt was te stoppen kwamen we alsnog voor de sollicitatieplicht te staan. Wat ik toen niet merkte maar nu wel weet is dat je dan jezelf in een typetje gaat wringen, het type waarvan je hoopte dat de eventuele aanstaande werkgever die persoon voor ogen had. Als je dan al mocht komen, nadat je een standaard brief had ingevuld met je eigen gegevens en een mooi cv had samengesteld, en uitgenodigd werd voor een eerste gesprek, werd je geadviseerd “dit” te zeggen, “dat” vooral niet en je op “die” manier aan te kleden. Eigenlijk dus vooral niet jezelf zijn en je zeker niet gedragen zoals je je in het dagelijkse leven gewend bent.

Zo’n man zou toch eigenlijk liever zien dat je komt zoals je bent zodat hij niet overal tussendoor hoeft te lezen en veel sneller een duidelijk beeld heeft van de persoon die hij voor zich heeft, althans dat zou je denken.

Aangezien ik niet zo heel erg goed ben in typetjes volhouden, tenminste niet langer dan een minuut of vijf, ben ik toch vrij vaak gewoon aangenomen om even zoveel keren ook weer zelf te vertrekken. “Als je beter kunt moet je gaan” zegt men wel eens, en qua werk is dat ook vaak zo. Toch zeker in het begin van je loopbaan wil je financieel groeien om vervolgens leuke dingen te kunnen doen, waarna je later meer naar de functies gaat kijken, functies waar je misschien wel oud in wilde worden, tenminste, zo keek ik er tegen aan.

Dan hoor je wel eens mensen zeggen dat je uit moet kijken wat je op Facebook plaatst aan foto’s en reacties omdat eventuele toekomstige werkgevers dan zouden kunnen zien hoe je werkelijk in elkaar steekt, en dat kun je toch niet willen?

Dan is er nog een “wassen neusbrigade” van de overheid die je verplicht laten solliciteren om bij ongewilde werkloosheid niet al te lang op andermans geld te teren, maar dat is ook zo fraudegevoelig als het maar eventueel zijn kan. Je solliciteert op functies die je baseballpet zwaar te boven gaan waardoor je meteen afgewezen wordt, of je vraagt of je je één jaar oude baby mee mag nemen omdat je geen oppas hebt. Laatst hoorde ik zelfs dat het alleen telefonisch ook al schijnt te kunnen tegenwoordig, waardoor je niet eens je warme bedje uit hoeft te komen. Vreemd toch dat er echt wel werk is maar niemand aan de slag komt?

Begin dan een paar functies terug en ga weer lekker aan het werk, kom mensen tegen en van het een komt het ander weer.

Ik heb nooit thuis gezeten en dat gaat me niet gebeuren ook.

Mocht ik zonder werk komen te zitten en echt nergens meer aan de bak kom, trek ik mijn makkelijkste kleren aan, scheer me één keer niet en loop alle bedrijven in de buurt binnen met de vraag of ik kan komen werken. Ik zal ze melden dat ik hard zal werken en ze vertellen dat ze me aan het eind van de maand mogen geven wat zij denken dat ik waard ben geweest.

Wedden dat ik te eten heb?

Joost:

Ik denk dat er niet veel momenten in een mensenleven zijn waarop je meer tegenstrijdige gevoelens hebt dan wanneer je een gebouw binnenloopt voor een sollicitatiegesprek. Je gaat voor de eerste keer de muren zien waartussen je de komende jaren meer wakkere uren door zal brengen dan in je eigen huis, òf het is zomaar een gebouw dat je een half uur later zal verlaten zonder er ooit weer terug te komen. Het gaat dus een vertrouwde omgeving voor je worden of juist helemaal niks, in beide gevallen is er eigenlijk geen reden om zenuwachtig te zijn. En toch ben je het. Behoorlijk.

Dan begint het gesprek. Je moet degene tegenover je er van overtuigen dat je niets liever wil dan dat hij of zij je nieuwe werkgever gaat worden. Dat je bij zijn of haar team wil horen, uiteraard per direct of liever nog vanaf gisteren. En vanzelfsprekend zul je daarna, als het aan jou ligt, tot aan je pensioen hondstrouw blijven. Je weet echter dat er een heel reële kans is dat de geachte heer/mevrouw aan de andere kant van de tafel je binnenkort zal bellen of mailen om je te laten weten dat een andere kandidaat veel beter en veel leuker was dan jij, dat ze je nooit of te nimmer meer terug hoeven zien en dat je maar gewoon in de WW moet blijven zitten, waar je thuishoort. Dat zullen ze natuurlijk niet zeggen, maar dat zul je wel horen.

En dat terwijl je toch zeker wist dat jij de ideale kandidaat was. Jij, met je ideale combinatie van nog relatief jong maar al best ervaren, je veelzijdigheid en flexibiliteit, je vriendelijke en rustige karakter, je gezonde lijf dat je al 25 jaar niet meer ziek thuis heeft gehouden en je meer dan schappelijke salarisindicatie. Of heb je jezelf nou juist voor lul gezet door te denken dat ze jou serieus zouden overwegen voor zo’n mooie functie? Jij, die simpele huis-tuin-en-keuken dtp-er, die ongetwijfeld weer veel te onzeker overkwam en die misschien al iets te veel voormalige werkgevers op z’n cv heeft staan?

Het heeft altijd iets heel mensonterends, dat solliciteren. Als een colporteur probeer je jezelf te verkopen. Want jij bent zo handig, zo bruikbaar en zo goedkoop. Alsjeblieft, neem mij, ik ben nu in de aanbieding, zolang de voorraad strekt. Maar voor jou zijn er tientallen anderen en met een beetje pech zul je dat ondervinden ook. Uiteraard blijf je als het weer eens zo ver is altijd netjes en formeel.

“Erg spijtig om te moeten vernemen dat uw keuze niet op mij is gevallen. Mocht er in de toekomst weer wat vrijkomen, dan hoop ik dat u nog eens aan me zult denken.”

En je slikt in wat je eigenlijk zou willen zeggen of schrijven. Uit eigen ervaring:

“Ik wil u van harte feliciteren met het vinden van de perfecte kandidaat voor de functie. Fijn! Uiteraard vind ik het niet erg dat hierdoor de één uur geleden gemaakte afspraak dat ik morgen een dagje kom proefdraaien is komen te vervallen.”

“Natuurlijk begrijp ik dat u alleen een oriënterend gesprek wilde om de arbeidsmarkt te peilen. Dat ik de stellige indruk had dat u een concrete vacature aanbood zal ongetwijfeld mijn fout zijn geweest.”

“Jammer dat u mijn nummer kwijt was en daarom gisteren niet, zoals afgesproken, kon bellen in verband met ons sollicitatiegesprek van vorige week. Ja, natuurlijk kan ik morgen nog wel een keer langskomen voor een gesprek met uw collega. Misschien dat hij inderdaad wèl in kan schatten of ik bij uw bedrijf zou passen.”

“Jammer dat u mij niet, zoals afgesproken, gisteren kon bellen in verband met de sollicitatiegesprekken die ik twee weken geleden met u en vorige week met uw collega had. Ik was even bang dat u wederom mijn nummer kwijt was! Maar dat u dit keer gewoon vergeten was te bellen, ach, dat kan gebeuren. Spijtig dat u toch voor een andere kandidaat gekozen heeft.”

“Ik betreur het dat u heeft besloten om bij nader inzien niet met mij verder te gaan omdat ik vorige week niet op gesprek kon komen. Vergeef me mijn naíviteit, maar toen u zei dat ik ook best een week later kon komen omdat ik vorige week een begrafenis had ging ik er even van uit dat u dit meende.”

“Enkele weken geleden ben ik bij u op sollicitatiegesprek geweest. U gaf daarna aan dat de baan reeds vergeven was, maar dat ik over een paar weken nog maar eens contact op moest nemen. Ik zag dat u gisteren de advertentie van enkele weken geleden opnieuw online heeft gezet. Desondanks gaf u naar aanleiding van mijn mail van vanochtend aan dat er momenteel geen geschikte vacatures voor mij zijn binnen uw bedrijf. Kan ik daaruit concluderen dat de advertentie abusievelijk opnieuw online is gezet, of dat ik bij nader inzien toch niet geschikt ben voor de functie?”

“Fijn dat ik u eindelijk te spreken krijg. Dat u mij niet, zoals toegezegd, zelf gebeld heeft vind ik uiteraard niet erg. En het feit dat u steeds niet opnam toen ik met mijn eigen mobiele telefoon belde maar dat ik u wel meteen te pakken krijg nu ik met een ander toestel bel is wel een heel grappig geval van puur toeval, niet?”

“U gaf aan dat u de indruk heeft dat mijn laatste baan een stuk gevarieerder was dan de bij u beschikbare vacature, wat mijns inziens heel erg meevalt. Ik betreur het dat u daaraan de conclusie heeft verbonden dat ik me bij u maar zou gaan vervelen. Had u me tijdens ons gesprek gisteren gevraagd hoe ik daar zelf over dacht, dan had ik uw vermoedens direct kunnen ontkrachten.”

Maar ondanks alles, mocht je dit lezen en toevallig iets weten voor een werkloze dtp-er met de ideale combinatie van nog relatief jong maar al relatief ervaren, veelzijdigheid en flexibiliteit, een vriendelijk en rustig karakter, een gezond lijf dat hem al 25 jaar niet meer ziek thuis heeft gehouden en een meer dan schappelijke salarisindicatie, geef me dan een seintje. Dan kom ik natuurlijk graag, zenuwachtig als altijd, weer op sollicitatiegesprek.

En zo niet, mocht je in de toekomst wel iets weten, dan hoop ik dat je nog eens aan me zult denken.

Comments (1) »

Dubbelcolumn Olav & Joost, deel 1: Verhuizen

Olav Heijt is schrijver van de pocket ‘Levensliefde’ en columnist voor De Weekkrant. Hij schrijft met veel humor en gevoel over wat hem overkomt in het dagelijks leven. Soms over bijzondere gebeurtenissen, maar vaker juist over de kleine details die de meeste mensen ontgaan.

Ongeveer een jaar geleden, toen Olav en ik nog collega’s waren, ontstond het idee om samen een onderwerp te bedenken en daar elk op eigen wijze een stukje over te schrijven. Nu is het er eindelijk van gekomen. Het thema werd “verhuizen”, een onderwerp waar Olav veel ervaring mee heeft en waar ik recentelijk nog mee te maken had. Lees hier wat Olav daar over te vertellen heeft, met daarna mijn eigen schrijfsel.

Olav:

Verhuizen is niet leuk, helemaal niet zelfs.

In het begin verhuis je uit luxe. Weg van je bemoeizuchtige ouders, naar een kruiphok van vier bij vier, wat natuurlijk ook veel te veel moet kosten per maand. Dat is niet erg, want je moet zo nodig op jezelf gaan wonen en voor jezelf gaan zorgen, wat je helemaal niet kunt, en alleen God weet waarom.

Als je dan na een paar jaar uitgeraasd bent en zonder noemenswaardige ziektes aan je edele delen je jeugd doorgeworsteld bent ga je met het meisje van je dromen samenwonen. Op een gegeven moment moet je dan natuurlijk naar een mooier en groter huis, gewoon omdat het kan. Een paar jaar daarna verhuis je omdat je naar het huis van je dromen kunt. Er moet wel een verbouwing plaatsvinden die natuurlijk zwaar boven het zorgvuldig gestelde budget uit komt, maar dan doen we de vloer die we graag wilden later wel een keer. Als je dan eenmaal aan kinderen begonnen bent heb je ineens kamers te weinig dus ga je weer op zoek naar een ander huis. Twee kamers extra kan geen kwaad, je weet tenslotte nooit wat er allemaal nog uit je vriendin komt floepen. Dan gaat het mis en ga je scheiden dus dat wordt, juist ja, verhuizen. Zij blijft daar en jij gaat weg. Minder eisen en minder huur. Wel genoeg kamers maar in een andere buurt. Je vindt een andere baan maar weer uit de buurt en dat heen en weer rijden raak je beu, verhuizen dus. Eenmaal daar is het leuk en goed maar het werk stagneert. Je krijgt iets aangeboden, helemaal de andere kant op. Juist, verhuizen. Te snel gekozen en iets leukers gezien, meer kamers en minder huur, verhuizen! Na 23 keer mijn hok leeg te hebben getrokken voor een beter stekkie heb ik het wel een beetje gehad. Zit nu wel lekker en heb al het dierbare kort om me heen, dus ga hier maar eens blijven voorlopig.

Een droom heb ik nog steeds. Dat is wakker worden, opstaan, naar buiten kijken en de zee zien. Een huis in de duinen of aan het strand, eender welk strand of welke zee.

Die rust vind je nergens anders, heerlijk lijkt me dat.

Verhuizen, OK, nog één keer dan…

Joost:

Ik leg mijn huissleutels op het aanrecht en zet vervolgens mijn handtekening onder het controleformulier. De man van de huurstichting geeft me een hand.
“Nou meneer, de woning is netjes achtergelaten. Zo zien we het graag. Dan zijn wij nu klaar. U kunt gaan, dan ga ik nog even wat afhandelen met de nieuwe huurster.”
Terwijl hij zich bij haar voegt loop ik, inmiddels de oude huurder, door de kale gang van wat bijna vier jaar lang mijn thuis was. Het doet me eigenlijk verrassend weinig om voor de laatste keer de deur achter me dicht te trekken. Je huis helemaal leeg zien is een beetje als een bekende in een mortuarium zien liggen. Je wil best nog een keertje kijken omdat je weet dat het daarna niet meer kan. Tegelijk is het een opluchting om voor de laatste keer je blik af te wenden van iets wat slechts nog een troosteloos omhulsel is van iets wat ooit waarde voor je had.

Een week later ben ik weer in Reusel. Ik ben in het dorp geboren en getogen en heb er 34 jaar lang onafgebroken gewoond. Nu ben ik voor de eerste keer te gast en heb ik hier geen adres meer. Dat is een raar gevoel, geen eigen plekje meer hebben in wat altijd je natuurlijke omgeving geweest is. Nadat ik zoals op elke dinsdagavond bij mijn ouders ben gaan eten, een traditie die we natuurlijk gewoon in ere houden ook nu ik wat verder weg woon, rij ik nog maar een keertje door mijn oude straat. Het is niet zo ver om, zoals eigenlijk niets binnen Reusel heel ver om is. De lucht is grijs, de meeste gordijnen en luxaflexen zijn zoals gebruikelijk gesloten en na vier jaar is de straat nog altijd een sfeerloze, zielloze bouwput. Ik werp door mijn autoruit een vluchtige blik op de donkerblauwe voordeur waardoor ik een paar duizend keer thuis kwam. Achter het keukenraam staan bloemen en frisdrankflessen die ik daar niet neergezet heb. Ik voel er weinig bij. In dat huis staan mijn spullen niet meer. En wat heb ik hier nou eigenlijk achtergelaten? Een vooral op gewenning gebaseerde band, maar die zal ik in Eindhoven uiteindelijk ook wel krijgen. Herinneringen, maar ook daarvan komen er op den duur vanzelf weer een hoop aanwaaien. En een kleinere afstand naar mijn ouders en mijn broers, maar de huidige afstand is nog altijd makkelijk te overbruggen.

Intussen begin ik me al wel een beetje thuis te voelen in Eindhoven, dertig kilometer verderop. Mijn vriendin, die voorheen een dikke honderd kilometer van me vandaan woonde, slaapt nu elke avond naast me. De straat waar we in wonen is een stuk drukker en daarmee ook wel wat gezelliger dan ik gewend was. Er zit een winkelcentrum op vijf minuten lopen. Om naar de Effenaar, het PSV-stadion, de bioscoop, een paar van mijn favoriete platenzaken en boekenwinkels, de kroegen van het Statumseind of de terrasjes van de Eindhovense Markt te gaan hoef ik niet meer een dik half uur in de auto te zitten, maar nog slechts een kleine tien minuten op de fiets. In plaatsen als Amsterdam, Utrecht, Nijmegen of Den Bosch ben je vanuit Eindhoven een stuk sneller dan vanuit Reusel. En binnen de inmiddels van een mooi zonnig kleurtje voorziene muren van het huis dat er een paar weken geleden nog zo leeg en ongezellig uitzag staan inmiddels al mijn spulletjes. Mijn bank, mijn tafel, mijn kasten, mijn boeken, mijn veel te grote verzameling cd’s en platen, mijn gitaren, mijn dozen vol oude rotzooi die alleen voor mij waarde heeft. Het was een heel gedoe om dat allemaal naar Eindhoven te krijgen. Pas als je gaat verhuizen ga je beseffen hoeveel rommel je eigenlijk hebt. In mijn geval zo’n tien auto-, zeven aanhangwagen- en twee minibusladingen. Hoe vaak mijn vader, mijn broers en ik ook met volle handen naar buiten liepen, tot op de laatste dag van de verhuizing leek het of het huis maar niet leeg wilde raken.

Na ruim een maand in onze nieuwe woning in Eindhoven kan ik zeggen dat het van mij nog wel even mag duren tot de volgende verhuizing. Al was het maar omdat ik nu al moe word bij de gedachte dat al die zooi ooit weer eens van onze nieuwe A naar een volgende B zal moeten…

Comments (2) »