Archive for februari, 2013

Ode aan de CD-maxi-single

De afgelopen jaren zijn de verkopen van albums op CD dramatisch geslonken. De CD-single is er nog erger aan toe, die is door het downloadgeweld al zo goed als verdwenen. Begrijpelijk: er zijn heus nog wel wat liefhebbers die 15-20 euro neer willen leggen voor een goede CD met een nummer of twaalf, maar bijna niemand is nog zo gek om zes euro te betalen voor een plastic schijfje met twee liedjes. De vinylsingle is bezig met een bescheiden comeback, maar wat ooit een populair consumptieartikel was is nu slechts nog een hebbedingetje voor de echte verzamelaar. Kortom: de single als tastbaar voorwerp is grotendeels verdwenen. Je hoort nog regelmatig artiesten zeggen dat ze een nieuwe single uit hebben gebracht, maar tegenwoordig wil dat meestal slechts zeggen dat ze een audiobestandje online gezet hebben.

Weinigen hebben een probleem met het uitsterven van de fysieke single. De gemiddelde top veertig-consument zal het wel best vinden dat hij tegenwoordig gratis aan z’n muziek kan komen. De meeste wat meer toegewijde muziekliefhebbers gaven toch al de voorkeur aan albums boven singles. En de diehards die platenbeurzen afstruinen om naar singletjes te zoeken hebben doorgaans toch weinig interesse in recentere muziek. Desondanks blijf ik het een prachtig concept vinden, het fysieke singletje. Een tastbaar voorwerp, mooi verpakt en helemaal gewijd aan één van je favoriete nummers, dat heeft toch wel iets speciaals. ‘Golden Brown’ vast kunnen pakken, ‘Nights in White Satin’ netjes in een kast kunnen bewaren, een laagje stof van ‘Let It Be’ af kunnen blazen, het heeft allemaal toch net wat meer dan deze liedjes alleen op de harde schijf van je computer hebben staan.

De optisch mooiste incarnatie van de single is natuurlijk die op 7″ vinyl. Een glanzende zwarte plak met duidelijk zichtbare groeven en een doorsnede van ruim 17 centimeter straalt nou eenmaal meer uit dan een vijf centimeter kleiner zilverkleurig stukje plastic. De 12″ maxi-single daarentegen vind ik maar een gek ding. Het ziet er uit als een LP, maar er staan maar twee, drie of vier liedjes op: dat lijkt toch op oplichterij. De reguliere CD-single is ook niks, dat is een vodje. Een CD met maar twee liedjes, verpakt in zo’n dun kartonnen hoesje dat je nauwelijks meer terug kunt vinden als je het tussen de reguliere CD’s in de kast zet. Op CD werkt het concept van de maxi-single, verpakt in een geinige dun doosje van hard plastic, daarentegen juist weer wel.

Toen ik als tiener CD’s begon te kopen en nog niet veel te besteden had waren reguliere CD’s met een gemiddelde prijs van gulden of veertig nog wat te duur, die 15 gulden die je neer moest leggen voor een CD-maxi-single waren daarentegen nog wel op te brengen. En eigenlijk vond ik het ook helemaal niet erg dat ik me vaak moest behelpen met zo’n schijfje met doorgaans maar een nummer of vier. Want dat waren elke keer weer verrassingspakketjes die een stuk avontuurlijker waren dan een regulier album. Wat je als band doet met een album is helder: daar zet je je circa twaalf liedjes op die representatief zijn voor waar jij je op dat moment in artistiek opzicht bevindt. Een maxi-single vullen is een ander verhaal. Het eerste nummer is natuurlijk één van de meest radiovriendelijke liedjes van je laatste album, maar daarop moeten toch twee of drie exclusieve B-kantjes volgen. Je wil immers je single ook verkopen aan de fans die het album al hebben.

De interessantste B-kantjes zijn uiteraard de zogenaamde “outtakes”, liedjes die het album niet gehaald hebben. Outtakes krijgen lang niet altijd hun minder eervolle status omdat ze niet goed genoeg zijn (wat natuurlijk sowieso subjectief is), niet zelden vallen ze af omdat ze teveel afwijken van de stijl van de rest van het album. Vaak zeggen B-kantjes dan ook meer over een artiest dan A-kantjes. A-kantjes zijn toegankelijk, veilig, netjes in het midden. B-kantjes zijn spannender, kunnen alle kanten op springen en je zodoende een breder beeld geven van iemand’s muzikale bedoelingen.

Omdat een succesvol album toch al snel een single of drie, vier, vijf oplevert en de meeste artiesten niet na elke albumsessie acht outtakes klaar hebben liggen verschijnen op maxi-singles ook vaak alternatieve versies van bestaande nummers. Maar die kunnen ook erg interessant zijn. Een net wat energiekere live-versie. Een net wat intiemere demo-versie. Een net wat meer swingende remix. Een BBC-sessie met een aangepast arrangement. Een instrumentale versie waarop ineens al die details te horen zijn die normaal gesproken ondergesneeuwd worden in het geheel.

Mijn tienerjaren speelden zich af in de jaren negentig, tevens de hoogtijdagen van de CD-maxi-single. Ik was helemaal weg van bands als Red Hot Chili Peppers, Nirvana, Green Day, Rage Against The Machine, Therapy?, The Offspring, Live, Beastie Boys, Foo Fighters, Korn, Bad Religion. Hun maxi-singles uit die tijd, ik kocht ze bijna allemaal, ken ik waarschijnlijk nog beter dan hun albums. Ter afsluiting van deze blog heb ik een top tien-lijstje gemaakt van mijn favoriete B-kantjes van die singles. Als ode aan een vrijwel verdwenen verschijnsel dat waarschijnlijk ook nooit meer retro zal worden.

1. Beastie Boys – Mullet Head: Van de single ‘Sure Shot’, een outtake van de sessies voor het album ‘Ill Communication’. Wellicht weggelaten omdat er al aardig wat punk-achtige nummers op de plaat stonden. Als je zin hebt om eens lekker een basgitaar te mishandelen dan is er absoluut geen beter nummer om dat op te doen dan ‘Mullet Head’.

2. Nirvana – Marigold. Van de single ‘Heart-Shaped Box’, een outtake van de sessies voor ‘In Utero’. Geschreven en gezongen door Dave Grohl, nu uiteraard de grote man achter de Foo Fighters, maar destijds slechts de drummer van de band. Nog altijd één van mijn favoriete liedjes van de goede man.

3. Foo Fighters – Down in the Park: Van de single ‘Everlong’, opgenomen tijdens de sessies voor ‘The Colour and the Shape’. Een cover van Gary Numan, die bekend staat om zijn kille, robot-achtige muziek. De Foo Fighters maken er een hevige muzikale wervelwind van, maar blijven tegelijk toch opvallend dicht bij het origineel.

4. Green Day – Going to Pasalacqua (live): Van de single ‘Longview’. ‘Going to Pasalacqua’ was op het debuutalbum ’39/Smooth’ van Green Day een hoogtepuntje, maar pas op deze live-versie krijgt het nummer echt de verdiende energie en overtuigingskracht en een glorieus karakter. Deze versie blaast het origineel keihard omver.

5. Live – Selling the Drama (acoustic): Van de single ‘Selling the Drama’. ‘Selling the Drama’ vind ik absoluut het beste nummer van het klassieke album ‘Throwing Copper’, maar deze akoestische versie is nog net wat mooier dan het origineel.

6. Beastie Boys – The Maestro (live): Van de single ‘Root Down’. Natuurlijk klinkt het allemaal een tikkeltje chaotisch, maar ook zo ongelooflijk cool, funky, enthousiast en energiek. Dit straalt nonchalante superioriteit uit en eigenlijk somt het daarmee de essentie van de Beastie Boys op in één live-opname. Hierbij vergeleken klinkt de, op zich ook verre van verkeerde, originele versie van ‘The Maestro’ ineens toch erg tam.

7. Red Hot Chili Peppers – Melancholy Mechanics: Van de single ‘Warped’, een outtake van de sessies voor het naar ondergewaardeerde album ‘One Hot Minute’. Een lekker mellow liedje met een hevige verrassing.

8. Rage Against The Machine – Fuck tha Police (live): Van de single ‘Guerrilla Radio’. Een live opgenomen cover van het meest omstreden nummer van de rapgroep NWA. Een beetje slordig ingespeeld, maar alle kenmerken van Rage Against The Machine (kwaad, hard, groovy, funky) worden hier naar nieuwe hoogtes gebracht.

9. Therapy? – Stories (cello version): Van de single ‘Stories’. Mijn favoriete nummer van Therapy?, waarop gitaar, bas en cello samen een keiharde, smerig lage groove neerleggen. Op deze remix zijn de gitaren, bas en drums weggelaten en vervangen door nog meer cello’s. Deze versie is niet per sé beter dan het origineel, maar is een interessant alternatief.

10. Korn – Wicked (Tear the Roof Off Mix): Van de single ‘ADIDAS’. ‘Wicked’ is een cover van rapper Ice Cube, gastzanger Chino Moreno (Deftones) neemt de vocalen voor zijn rekening en triphopduo Level X heeft op deze keihard en ongemeen funky bubbelende versie vrijwel alle instrumenten weggemixt. Ironisch dat de band Korn dus eigenlijk nauwelijks wat te maken had met het beste nummer dat ooit onder hun naam uitgebracht is.

Leave a comment »

Schatgraven, deel 2

In deze serie wil ik steeds vijf ernstig ondergewaardeerde nummers onder de aandacht brengen. Die nummers moeten voldoen aan drie criteria:

– Ik moet ze uiteraard zelf goed vinden.
– Ze mogen niet heel bekend zijn.
– Er moet een enigszins goed verhaal over te vertellen zijn.

In deel 2: Bayside, Chad & Jeremy, Super Furry Animals, Sonny Burgess en Carlos Puebla y sus Tradicionales.

Bayside – Winter (2005) [klik]

Op 1 september 2005 kwam het titelloze tweede album uit van Bayside, een emo/punkpopband uit Queens, New York. Ter promotie van de plaat sloot het viertal zich anderhalve maand later aan bij de bands Hawthorne Heights, Silverstein en Aiden voor de gezamenlijke Never Sleep Again Tour. Op 31 oktober 2005 om 3:13 uur ’s nachts passeerde hun tourbus na een optreden in Boulder, Colorado het stadje Cheyenne in de staat Wyoming. Door een verraderlijk glad stuk wegdek raakte de bus van de weg om vervolgens over de kop te vliegen. Zanger/gitarist Antony Raneri, gitarist Jack O’Shea, gitaartechnicus Nicky Raneri en tourmanager Scott Robinson hadden geluk, ze konden allen nagenoeg ongedeerd uit de bus klimmen. Minder mazzel hadden bassist Nick Ghanbarian, die zijn lendenwervel brak, en drumtechnicus Dan Marino, die eveneens een medische ingreep nodig had. Eén inzittende van de bus, drummer John “Beatz” Holohan, kon het allemaal niet meer navertellen, hij kwam op 31-jarige leeftijd om het leven. Na ruim twee weken rouwend thuis te hebben gezeten besloten de overgebleven bandleden Anthony Raneri en Jack O’Shea om als eerbetoon aan Holohan met z’n tweetjes weer aan te sluiten bij de Never Sleep Again Tour, die toen nog 21 data op het programma had staan. Tussen het gitaargeweld van de andere bands door zette het duo mooie, breekbare akoestische versies neer van de bekendste nummers van hun band, waarbij de bas- en drumpartijen door hun ontbreken wellicht juist harder aankwamen dan ooit tevoren. Op 11 december 2005 kwam de tournee ten einde in The House of Blues in Chicago. Na het emotionele optreden trok Raneri zich in z’n eentje terug in een eetcafé. Hij bleef de hele nacht op om een liedje te schrijven over Holohan, dat hij uiteindelijk ‘Winter’ noemde. Zodra ’s ochtends het nummer klaar was liep Raneri linea recta naar The Chicago Recording Company, de opnamestudio waarin hij en O’Shea de akoestische set van hun afgelopen tournee ter afsluiting van de hele ervaring op zouden gaan nemen voor het later te verschijnen mini-album ‘Acoustic’. Ook het pas enkele uren oude ‘Winter’ namen ze hiervoor op. Na de opnamesessie heeft Raneri het nooit meer publiekelijk gespeeld.

Chad & Jeremy – Rest in Peace (1967) [klik]

De invloed die het uitkomen van het album ‘Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band’ van The Beatles in 1967 had op de popmuziek valt nauwelijks te onderschatten. De nieuwe bandjes die probeerden om hun eigen psychedelische, kleurige, rijkelijk georkestreerde thema-albums af te leveren schoten als paddenstoelen uit de grond en ook verschillende reeds gevestigde namen bleken erg goed op te hebben gelet toen “Sgt. Pepper taught the band to play”. Het Britse folkduo Chad & Jeremy dat bestond uit David Chadwick en Jeremy Clyde, beiden afkomstig uit een goed milieu (Clyde was één van de pageboys bij de kroning van koningin Elizabeth), sloot zich ook aan bij de nieuwste muzikale mode met ‘Of Cabbages and Kings’. Op de A-kant van dit album zijn aardige popliedjes te vinden met veel blazers en strijkers, op de B-kant staat de symfonische, maffe, lichtelijk pretentieuze, grotendeels instrumentale en met geluidseffecten overladen ‘Progress Suite’, die bijna een half uur duurt. Het hoogst ambitieuze karakter van de plaat ten spijt verkocht ‘Of Cabbages and Kings’ nauwelijks en waren de critici het er ook niet over eens of ze te maken hadden met een onderschat meesterwerk of twee zichzelf overschattende schoenmakers die zich beter bij hun leest hadden kunnen houden. Alhoewel ik me momenteel nog tussen die twee kampen bevind staat op dit album toch één nummer dat ik alvast wil uitroepen tot meesterwerkje: het bijna zeven minuten durende en even mooie als maffe openingsnummer ‘Rest in Peace’, geschreven vanuit het oogpunt van een grafsteenmaker die weinig complimenteus te zeggen heeft over zijn klanten. Chad & Jeremy hielden het in 1968 voor gezien, om in de jaren tachtig weer voor enige tijd bij elkaar te komen. Sinds 2003 toeren ze weer gezamenlijk. Clyde is daarnaast, meestal in de rol van deftige meneer, te zien als acteur in talloze Britse tv-series.

Super Furry Animals – Something 4 the Weekend (1996) [klik]

Super Furry Animals, genoemd naar de opdruk op een T-shirt dat de zus van zanger/gitarist Gruff Rhys eens ontworpen had, ontstond in 1993 in Cardiff, Wales. De leden kenden elkaar uit lokale bandjes en techno-projectjes en besloten hun krachten te bundelen in een alternatieve gitaarband, die in 1995 debuteerde met de EP ‘Llanfairpwllgwyngyllgogerychwyrndrobwllllantysiliogogogoch (In Space)’. Een jaar later volgde het eerste album ‘Fuzzy Logic’. Hierop is ‘Something for the Weekend’ te vinden, een vlot, lichtelijk hyperactief liedje met een uiterst pakkend refreintje. De groep zag blijkbaar in dat de compositie hitpotentie had, maar dat de gemiddelde radioluisteraar wellicht minder gecharmeerd zou zijn van de stevige gitaren en het hoge tempo. Er werd dus een wat langzamere, frissere tweede versie gemaakt met de licht gewijzigde titel ‘Something 4 the Weekend’, die wat braver klonk maar waarop het briljante refreintje nog een stuk beter tot z’n recht kwam. Alhoewel de Super Furry Animals tot op de dag van vandaag doorgaan met voortreffelijke albums en slimme singles uitbrengen (waaronder ‘The Man Don’t Give a Fuck’, dat ondanks het feit dat het woord “fuck” er ruim vijftig keer in voorkomt een bescheiden kersthit wist te worden in 1996) is de grote commerciële doorbraak uitgebleven. In Groot-Brittannië haalden de Super Furry Animals 21 keer de single top honderd maar nooit de bovenste tien van die lijst, in Nederland bleef het zelfs bij maar één heel bescheiden hitnotering: ‘Juxtapozed with U’ bleef hier in 2001 steken op nummer 92.

Sonny Burgess – We Wanna Boogie (1956) [klik]

Het platenlabel Sun Records werd in 1952 opgericht in Memphis, Tennessee en had slechts een paar jaar nodig om een legendarische status veilig te stellen die zal blijven staan zolang de mensheid popmuziek kent. Wereldsterren als Elvis Presley, Johnny Cash, Roy Orbison, Jerry Lee Lewis en Carl Perkins braken allemaal door onder de hoede van producer en labeleigenaar Sam Phillips (1923-2003). Daarnaast waren er verschillende artiesten uit de Sun-stal die geen miljoenenpubliek wisten te bereiken, maar wel een mooie cultstatus verwierven. Eén daarvan was Albert Austin “Sonny” Burgess, een boerenzoon uit Arkensas die al snel de bijnaam “The Arkensas Wild Man” kreeg. Aanvankelijk speelde Burgess met zijn zijn band The Moonlighters voornamelijk country, swing en boogie woogie, maar na twee optredens in het voorprogramma van Elvis Presley in 1955 besloot hij het roer om te gooien in een wat pittigere richting. Het leverde hem een debuutsingle op Sun Records op, ‘We Wanna Boogie’, misschien wel de meest energieke rockabilly-single uit het hele decennium. Een aanvankelijk geplande toernee met Elvis Presley vond daarna geen doorgang, Burgess ontdekte pas vele jaren later dat zijn manager niet graag ver van huis was en er daarom stiekem een stokje voor had gestoken. Een grote doorbraak bleef mede daardoor uit. Toen de ouderwetse rock ‘n’ roll in de jaren zestig uit de mode raakte hield Burgess het voor gezien en ging hij aan de slag als verkoper. Pas vijftien jaar later liet weer wat van zich horen als muzikant. De inmiddels 81-jarige Burgess presenteert tegenwoordig een rock ‘n’ roll-programma op een lokaal radiostation dat dezelfde naam draagt als zijn debuutsingle. Zijn meest recente album kwam uit in 2009.

Carlos Puebla y sus Tradicionales – Hasta Siempre (1965) [klik]

In 2006 was ik op vakantie op Cuba. Op de route die we met onze reisleider volgden bleek dat, geheel volgens de bekende clichés uit de brochures, inderdaad op bijna elke straathoek een bandje traditionele Cubaanse muziek stond te spelen. Al snel begonnen drie nummers me op te vallen die bij bijna elk bandje op het repertoire stonden: ‘Chan Chan’ (een compositie van Compay Segundo, vooral bekend van het uiterst succesvolle titelloze album van Buena Vista Social Club uit 1997), ‘Guantanamera’ (waarvan de overbekende melodie is misbruikt in verschillende smakeloze après ski-hits) en een liedje dat me minder bekend in de oren klonk, een hartstochtelijke ode aan de legendarische revolutionair Ché Guevara die ‘Hasta Siempre’ bleek te heten. In een winkeltje in de stad Santiago de Cuba wist ik een op een Cubaanse platenlabeltje uitgebrachte cd te vinden van Carlos Puebla y sus Tradicionales, de groep de verantwoordelijk was voor de originele versie van het nummer. Carlos Puebla werd in 1917 geboren in de Cubaanse havenstad Manzanillo en begon in de jaren dertig muziek te maken. Als populair muzikant en fanatiek aanhanger van het regime van Fidel Castro groeide hij in de jaren vijftig en zestig uit tot “El Cantor de la Revolución”, de zanger van de revolutie. Na de aankondiging van Ché Guevara’s vertrek uit Cuba in 1965 (hij zou daarna verblijven in onder meer Tanzania, Tsjechoslowakije en Bolivia, waar hij in 1967 geëxecuteerd werd) schreef Puebla nog dezelfde avond het afscheidslied ‘Hasta Siempre’. Of Guevara nu een grote vrijheidsstrijder of toch gewoon een kille massamoordenaar was zal ik in het midden houden, hoe dan ook brengt dit liedje zowel in de hoedanigheid van warmbloedig muzikaal eerbetoon als die van vakantie-souvenir altijd mooie gevoelens bij me naar boven.

Leave a comment »