Schatgraven, deel 1

In deze serie wil ik steeds vijf ernstig ondergewaardeerde nummers onder de aandacht brengen. Die nummers moeten voldoen aan drie criteria:

– Ik moet ze uiteraard zelf goed vinden.
– Ze mogen niet heel bekend zijn.
– Er moet een enigszins goed verhaal over te vertellen zijn.

In deel 1: Mark Eric, Crapjam, Greg Graffin, The Sails en The Yellow Balloon.

Mark Eric – Night of the Lions (1969) [klik]

Mark Eric Malmborg (Santa Monica, 1950) kreeg in 1969 als 18-jarige scholier een ongelooflijke kans. Het platenlabel Revue, een afdeling van MCA, had wat demo’s gehoord van de jonge Californiër en was enthousiast over met name zijn kwaliteiten als songschrijver. Hij mocht een album opnemen en kreeg daarvoor een bijzonder indrukwekkende gelegenheidsband ter beschikking, met onder meer Elvis Presley’s vaste leadgitarist James Burton en drummer Jim Gordon, de man die de drumpartijen van Animal in The Muppet Show inspeelde en te horen is op platen van grootheden als Eric Clapton, John Lennon en The Beach Boys. Het sprookje kwam echter abrupt weer ten einde zodra de LP, ‘A Midsummer’s Day Dream’ getiteld, uitkwam. Zonder nadere verklaring besloot Revue geen cent uit te geven aan promotie en het album een stille dood te laten sterven. Het flopte dan ook genadeloos, waarvoor Malmborg zich zo erg schaamde dat hij al snel begon te verzwijgen dat hij überhaupt ooit een plaat gemaakt had. Kort daarna werd bovendien zijn vriendin zwanger gemaakt door een andere man en werd hij door zijn ouders het huis uit gegooid. Gedesillusioneerd trok Malmborg zich terug uit de muziekbusiness. Hij verdiende daarna z’n geld met kleine rolletjes in tv-series, als fotomodel en met het spelen van covers in hotels en restaurants. In 2002 werd hij, inmiddels full time covers spelend op cruiseschepen, herontdekt door pophistorici Domenic Priore en Brian Chidester, waarna hij voor de eerste keer de gelegenheid kreeg om een optreden te geven met eigen werk, van zijn inmiddels 33 jaar oude enige album. In een koffiehuis van bescheiden afmetingen weliswaar, maar toch. Datzelfde jaar verscheen zijn album, met zestien bonustracks, op CD. De eerlijkheid gebied te zeggen dat hierop wel te horen is waarom Malmborg het waarschijnlijk sowieso niet gered zou hebben als popster: in het tijdperk van Jimi Hendrix, Cream en Woodstock klonk zijn naïeve  luchtige, zomerse muziek al behoorlijk gedateerd en bovendien is de goede man bepaald geen nachtegaaltje. Desondanks zijn op ‘A Midsummer’s Day Dream’ prachtige composities op te vinden, zoals het zonnige ‘California Home’, het dromerige ‘Where do the Girls of the Summer Go’ en het groovy, atypisch donkere ‘Night of the Lions’. Met name dit laatste nummer, dat prima op z’n plaats zou zijn geweest op de soundtrack van vrijwel elke actie- of misdaadfilm, had absoluut meer aandacht verdiend dan het ooit gekregen heeft.

Crapjam – The Only One (1995) [klik]

In 1996 was ik een middelbare scholier die ondanks een zeer beperkt budget fietsend van school naar huis regelmatig afstapte bij de plaatselijke cd-winkel. Op een dag vond ik daar, voor maar een gulden of tien, een verzamel-cd met alternatieve Nederlandse muziek genaamd ‘Nieuw Nederlands Peil 4′. Daarop stonden bands als De Heideroosjes en Osdorp Posse, die reeds mijn interesse gewekt hadden maar waarvan ik nog geen cd’s had. Ik kocht die verzamelaar en naast de nummers van voorgenoemde bands stond er nog eentje op die me erg aansprak: ‘The Only One’, een vlot gitaarpopliedje van het mij onbekende Crapjam. Het kwam van hun tweede album ‘Recorder’ uit 1995 en had een wat ongebruikelijke tekstuele boodschap: “Je bent verliefd op me, maar die andere man is veel beter voor je”. Jaren gingen voorbij, De Heideroosjes en Osdorp Posse brachten het ene album na het andere uit en waren niet van de grote festivalpodia af te slaan. Maar van Crapjam hoorde ik eigenlijk nooit meer wat. Blijkbaar bracht de band uit Meppel in 1999 nog een derde album uit, ‘Solo’. Maar daarna viel, de vele lovende recensies ten spijt, het doek. De drummer en voornaamste songschrijver van de groep, Peter Dijkman, dook vervolgens  eveneens met niet heel veel succes op in de band Clean. Uiteindelijk was gitarist Diets Dijkstra het enige bandlid dat de smaak van de roem nog enigszins mocht proeven toen hij in 1999 gitarist/bassist werd van Johan.

Greg Graffin – Fate’s Cruel Hand (1997) [klik]

Gregory Walter Graffin, Ph.D. is een inmiddels 48-jarige meneer met een terugtrekkende haarlijn en een volstrekt onopvallend uiterlijk. Hij is docent paleontologie en biologie op de University of California in Los Angeles en heeft enkele boeken geschreven over de evolutieleer en religie. Oh ja, en hij is al sinds 1979 onafgebroken de frontman van Bad Religion, één van de meest invloedrijke punkbands die Amerika ooit voortbracht. Samen met gitarist en mede-songschrijver Brett Gurewitz mag Graffin worden gezien als de geestelijk vader van de sound waarmee latere bands als Green Day, The Offspring en Blink-182 multi-miljonairs werden. Waar andere Amerikaanse punkpioniers als Black Flag, Dead Kennedys, Minor Threat en Bad Brains het vooral gooiden op energie, agressie en adrenaline maakte Bad Religion echte liedjes met fraaie melodieën en warme koortjes. En desondanks verdienden ze al snel dusdanig veel krediet “in de scene” dat hen een doorgaans onvergeeflijke misstap, het maken van een rockplaat vol synthesizers (het al snel uit de roulatie genomen ‘Into the Unknown’ uit 1983), vergeven werd. In 1997 waagde Graffin nogmaals een muzikaal uitstapje uit de punkrock, nu als solo-artiest. Het resultaat was ‘American Lesion’, een prachtige, behoorlijk sombere en volledig door Graffin zelf ingespeelde popplaat die draait om de echtscheiding tussen hem en zijn vrouw Greta, na acht jaar huwelijk en twee kinderen. Daarop is onder meer ‘Fate’s Cruel Hand’ te vinden. Inmiddels heeft de punkprofessor met Bad Religion zestien studio-albums uitgebracht, waaronder absolute klassiekers in het genre zoals ‘Suffer’ en ‘No Control’, en de gouden plaat ‘Stranger Than Fiction’. Maar ondanks dat ik mezelf een fan van Bad Religion noem zou van alle albums die Graffin gemaakt heeft ‘American Lesion’ stiekem toch best eens mijn favoriet kunnen zijn.

Epic/The Sails – I’m Only Bleeding (2003) [klik]

Een tijdje terug werd ik getipt over het album ‘Sunshine State’ van een band genaamd Epic. Nieuwsgierig gemaakt door de omschrijving ervan luisterde ik online naar wat samples. En die klonken erg bekend. Sterker nog, ik had een CD in de kast staan, ‘A Headful of Stars’ van The Sails, waarop precies dezelfde nummers stonden in precies dezelfde versies. Na wat googlen bleek dat beide “bands” eenmansprojecten waren van de Britse songschrijver, zanger, producer en multi-instrumentalist Michael Gagliano uit het Britse Woking. Nadat ‘Sunshine State’ in 2003 zo goed als onopgemerkt aan alles en iedereen voorbij was gegaan besloot hij in 2010 om het album, nadat hij drie nummers vervangen had door nieuwe werkjes, een herkansing te geven onder een nieuwe titel en een nieuwe projectnaam. En wederom zonder veel succes. Eeuwig zonde, want het album klinkt als niets meer of minder dan een verzameling hitsingles uit de late jaren zestig die op de één of andere manier uit ons collectieve geheugen zijn gewist en pas tien jaar geleden weer opdoken in Gagliano’s hoofd. De hoogtijdagen van The Beatles, The Beach Boys, The Byrds en The Hollies herleven in nummers die net zo makkelijk verloren stukken van die bands hadden kunnen zijn. Heel af en toe vervalt dit allround-talent (met uitzondering van het inspelen van de drumpartijen deed hij alles op dit album zelf) daarbij in plagiaat, zo jat hij op ‘Yesterday and Today’ erg opzichtig uit ‘God Only Knows’ van The Beach Boys en ‘Dry Your Eyes’ van The Streets. Maar we zullen het houden op een incidentje dan wel creatieve knipoog, aangezien Gagliano een veel te goede songschrijver is om weg te worden gezet als een ordinaire na-aper  Daarbij is het overigens wel ironisch dat hij al vijftien jaar speelt in prestigieuze Beatles-coverbands en momenteel deel uitmaakt van de cast van de Beatles-theatershow ‘Let It Be’.

The Yellow Balloon – Stained Glass Window (1967) [klik]

In 1963 scoorde het duo Jan & Dean een Amerikaanse nummer één-hit met ‘Surf City’. Meer grote hits volgden met ‘Drag City’, ‘The Little Old Lady from Pasadena’ en ‘Dead Man’s Curve’. Dat laatste nummer verhaalde over een gevaarlijke bocht in Los Angeles die al verschillende slachtoffers geëist had (in 1961 raakte Mel Blanc, die de stemmen insprak van onder meer Bugs Bunny en Daffy Duck, er nog zwaargewond). Ironisch genoeg liep Jan Berry, de voornaamste songschrijver van de twee, in 1966 een hersenbeschadiging op toen hij op een steenworp van de beruchte bocht tegen een geparkeerde vrachtwagen reed. Het was daarna aan zijn muzikale partner Dean Torrence om het “duo” draaiende te houden. Op zoek naar nieuw songmateriaal kwam Torrence in 1967 terecht bij de nog vrijwel onbekende producer en songschrijver Gary Zekley, die hem zijn compositie ‘Yellow Balloon’ aanbood. Torrence ging er mee aan de slag, maar tijdens het bezoeken van opnamesessie besloot Zekley dat hij niet onder de indruk was van wat hij hoorde en dat het liedje meer potentie had. Hij verzamelde snel een groepje studiomuzikanten en nam zijn eigen versie op van het nummer. In de haast om zijn single eerder uitgebracht te krijgen dan de Jan & Dean-verie gaf Zekley zijn fictionele bandje domweg dezelfde naam als het liedje, The Yellow Balloon, en liet hij ook het opnemen van een fatsoenlijk B-kantje achterwege. Hij zette gewoon de A-kant achterstevoren op de B-kant, met als logische titel ‘Noollab Wolley’. Zekley kreeg uiteindelijk gelijk: zijn versie ging op de Amerikaanse hitlijst naar een respectabele 25e plaats, die van Torrence bleef steken op nummer 111. Om in te cashen op het succes moest daarna een LP van The Yellow Balloon volgen. Zekley verzamelde daarop een echte band bij elkaar, met als meest prominente lid de bekende TV-acteur Don Grady (1944-2012), die vermomd en onder het pseudonym Luke R. Yoo fungeerde als zanger, drummer en songschrijver. Het titelloze album dat later in 1967 uitkwam bleek verrassend goed te zijn, met naast ‘The Yellow Balloon’ zomerse pareltjes als ‘How Can I Be Down’ en het schitterende door Zekley en Grady geschreven ‘Stained Glass Window’. Het enige album van The Yellow Balloon werd in 1998 opnieuw uitgebracht door Sundazed Records, met acht bonustracks en een audio-interview met Zekley.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: