Archive for januari, 2013

Schatgraven, deel 1

In deze serie wil ik steeds vijf ernstig ondergewaardeerde nummers onder de aandacht brengen. Die nummers moeten voldoen aan drie criteria:

– Ik moet ze uiteraard zelf goed vinden.
– Ze mogen niet heel bekend zijn.
– Er moet een enigszins goed verhaal over te vertellen zijn.

In deel 1: Mark Eric, Crapjam, Greg Graffin, The Sails en The Yellow Balloon.

Mark Eric – Night of the Lions (1969) [klik]

Mark Eric Malmborg (Santa Monica, 1950) kreeg in 1969 als 18-jarige scholier een ongelooflijke kans. Het platenlabel Revue, een afdeling van MCA, had wat demo’s gehoord van de jonge Californiër en was enthousiast over met name zijn kwaliteiten als songschrijver. Hij mocht een album opnemen en kreeg daarvoor een bijzonder indrukwekkende gelegenheidsband ter beschikking, met onder meer Elvis Presley’s vaste leadgitarist James Burton en drummer Jim Gordon, de man die de drumpartijen van Animal in The Muppet Show inspeelde en te horen is op platen van grootheden als Eric Clapton, John Lennon en The Beach Boys. Het sprookje kwam echter abrupt weer ten einde zodra de LP, ‘A Midsummer’s Day Dream’ getiteld, uitkwam. Zonder nadere verklaring besloot Revue geen cent uit te geven aan promotie en het album een stille dood te laten sterven. Het flopte dan ook genadeloos, waarvoor Malmborg zich zo erg schaamde dat hij al snel begon te verzwijgen dat hij überhaupt ooit een plaat gemaakt had. Kort daarna werd bovendien zijn vriendin zwanger gemaakt door een andere man en werd hij door zijn ouders het huis uit gegooid. Gedesillusioneerd trok Malmborg zich terug uit de muziekbusiness. Hij verdiende daarna z’n geld met kleine rolletjes in tv-series, als fotomodel en met het spelen van covers in hotels en restaurants. In 2002 werd hij, inmiddels full time covers spelend op cruiseschepen, herontdekt door pophistorici Domenic Priore en Brian Chidester, waarna hij voor de eerste keer de gelegenheid kreeg om een optreden te geven met eigen werk, van zijn inmiddels 33 jaar oude enige album. In een koffiehuis van bescheiden afmetingen weliswaar, maar toch. Datzelfde jaar verscheen zijn album, met zestien bonustracks, op CD. De eerlijkheid gebied te zeggen dat hierop wel te horen is waarom Malmborg het waarschijnlijk sowieso niet gered zou hebben als popster: in het tijdperk van Jimi Hendrix, Cream en Woodstock klonk zijn naïeve  luchtige, zomerse muziek al behoorlijk gedateerd en bovendien is de goede man bepaald geen nachtegaaltje. Desondanks zijn op ‘A Midsummer’s Day Dream’ prachtige composities op te vinden, zoals het zonnige ‘California Home’, het dromerige ‘Where do the Girls of the Summer Go’ en het groovy, atypisch donkere ‘Night of the Lions’. Met name dit laatste nummer, dat prima op z’n plaats zou zijn geweest op de soundtrack van vrijwel elke actie- of misdaadfilm, had absoluut meer aandacht verdiend dan het ooit gekregen heeft.

Crapjam – The Only One (1995) [klik]

In 1996 was ik een middelbare scholier die ondanks een zeer beperkt budget fietsend van school naar huis regelmatig afstapte bij de plaatselijke cd-winkel. Op een dag vond ik daar, voor maar een gulden of tien, een verzamel-cd met alternatieve Nederlandse muziek genaamd ‘Nieuw Nederlands Peil 4′. Daarop stonden bands als De Heideroosjes en Osdorp Posse, die reeds mijn interesse gewekt hadden maar waarvan ik nog geen cd’s had. Ik kocht die verzamelaar en naast de nummers van voorgenoemde bands stond er nog eentje op die me erg aansprak: ‘The Only One’, een vlot gitaarpopliedje van het mij onbekende Crapjam. Het kwam van hun tweede album ‘Recorder’ uit 1995 en had een wat ongebruikelijke tekstuele boodschap: “Je bent verliefd op me, maar die andere man is veel beter voor je”. Jaren gingen voorbij, De Heideroosjes en Osdorp Posse brachten het ene album na het andere uit en waren niet van de grote festivalpodia af te slaan. Maar van Crapjam hoorde ik eigenlijk nooit meer wat. Blijkbaar bracht de band uit Meppel in 1999 nog een derde album uit, ‘Solo’. Maar daarna viel, de vele lovende recensies ten spijt, het doek. De drummer en voornaamste songschrijver van de groep, Peter Dijkman, dook vervolgens  eveneens met niet heel veel succes op in de band Clean. Uiteindelijk was gitarist Diets Dijkstra het enige bandlid dat de smaak van de roem nog enigszins mocht proeven toen hij in 1999 gitarist/bassist werd van Johan.

Greg Graffin – Fate’s Cruel Hand (1997) [klik]

Gregory Walter Graffin, Ph.D. is een inmiddels 48-jarige meneer met een terugtrekkende haarlijn en een volstrekt onopvallend uiterlijk. Hij is docent paleontologie en biologie op de University of California in Los Angeles en heeft enkele boeken geschreven over de evolutieleer en religie. Oh ja, en hij is al sinds 1979 onafgebroken de frontman van Bad Religion, één van de meest invloedrijke punkbands die Amerika ooit voortbracht. Samen met gitarist en mede-songschrijver Brett Gurewitz mag Graffin worden gezien als de geestelijk vader van de sound waarmee latere bands als Green Day, The Offspring en Blink-182 multi-miljonairs werden. Waar andere Amerikaanse punkpioniers als Black Flag, Dead Kennedys, Minor Threat en Bad Brains het vooral gooiden op energie, agressie en adrenaline maakte Bad Religion echte liedjes met fraaie melodieën en warme koortjes. En desondanks verdienden ze al snel dusdanig veel krediet “in de scene” dat hen een doorgaans onvergeeflijke misstap, het maken van een rockplaat vol synthesizers (het al snel uit de roulatie genomen ‘Into the Unknown’ uit 1983), vergeven werd. In 1997 waagde Graffin nogmaals een muzikaal uitstapje uit de punkrock, nu als solo-artiest. Het resultaat was ‘American Lesion’, een prachtige, behoorlijk sombere en volledig door Graffin zelf ingespeelde popplaat die draait om de echtscheiding tussen hem en zijn vrouw Greta, na acht jaar huwelijk en twee kinderen. Daarop is onder meer ‘Fate’s Cruel Hand’ te vinden. Inmiddels heeft de punkprofessor met Bad Religion zestien studio-albums uitgebracht, waaronder absolute klassiekers in het genre zoals ‘Suffer’ en ‘No Control’, en de gouden plaat ‘Stranger Than Fiction’. Maar ondanks dat ik mezelf een fan van Bad Religion noem zou van alle albums die Graffin gemaakt heeft ‘American Lesion’ stiekem toch best eens mijn favoriet kunnen zijn.

Epic/The Sails – I’m Only Bleeding (2003) [klik]

Een tijdje terug werd ik getipt over het album ‘Sunshine State’ van een band genaamd Epic. Nieuwsgierig gemaakt door de omschrijving ervan luisterde ik online naar wat samples. En die klonken erg bekend. Sterker nog, ik had een CD in de kast staan, ‘A Headful of Stars’ van The Sails, waarop precies dezelfde nummers stonden in precies dezelfde versies. Na wat googlen bleek dat beide “bands” eenmansprojecten waren van de Britse songschrijver, zanger, producer en multi-instrumentalist Michael Gagliano uit het Britse Woking. Nadat ‘Sunshine State’ in 2003 zo goed als onopgemerkt aan alles en iedereen voorbij was gegaan besloot hij in 2010 om het album, nadat hij drie nummers vervangen had door nieuwe werkjes, een herkansing te geven onder een nieuwe titel en een nieuwe projectnaam. En wederom zonder veel succes. Eeuwig zonde, want het album klinkt als niets meer of minder dan een verzameling hitsingles uit de late jaren zestig die op de één of andere manier uit ons collectieve geheugen zijn gewist en pas tien jaar geleden weer opdoken in Gagliano’s hoofd. De hoogtijdagen van The Beatles, The Beach Boys, The Byrds en The Hollies herleven in nummers die net zo makkelijk verloren stukken van die bands hadden kunnen zijn. Heel af en toe vervalt dit allround-talent (met uitzondering van het inspelen van de drumpartijen deed hij alles op dit album zelf) daarbij in plagiaat, zo jat hij op ‘Yesterday and Today’ erg opzichtig uit ‘God Only Knows’ van The Beach Boys en ‘Dry Your Eyes’ van The Streets. Maar we zullen het houden op een incidentje dan wel creatieve knipoog, aangezien Gagliano een veel te goede songschrijver is om weg te worden gezet als een ordinaire na-aper  Daarbij is het overigens wel ironisch dat hij al vijftien jaar speelt in prestigieuze Beatles-coverbands en momenteel deel uitmaakt van de cast van de Beatles-theatershow ‘Let It Be’.

The Yellow Balloon – Stained Glass Window (1967) [klik]

In 1963 scoorde het duo Jan & Dean een Amerikaanse nummer één-hit met ‘Surf City’. Meer grote hits volgden met ‘Drag City’, ‘The Little Old Lady from Pasadena’ en ‘Dead Man’s Curve’. Dat laatste nummer verhaalde over een gevaarlijke bocht in Los Angeles die al verschillende slachtoffers geëist had (in 1961 raakte Mel Blanc, die de stemmen insprak van onder meer Bugs Bunny en Daffy Duck, er nog zwaargewond). Ironisch genoeg liep Jan Berry, de voornaamste songschrijver van de twee, in 1966 een hersenbeschadiging op toen hij op een steenworp van de beruchte bocht tegen een geparkeerde vrachtwagen reed. Het was daarna aan zijn muzikale partner Dean Torrence om het “duo” draaiende te houden. Op zoek naar nieuw songmateriaal kwam Torrence in 1967 terecht bij de nog vrijwel onbekende producer en songschrijver Gary Zekley, die hem zijn compositie ‘Yellow Balloon’ aanbood. Torrence ging er mee aan de slag, maar tijdens het bezoeken van opnamesessie besloot Zekley dat hij niet onder de indruk was van wat hij hoorde en dat het liedje meer potentie had. Hij verzamelde snel een groepje studiomuzikanten en nam zijn eigen versie op van het nummer. In de haast om zijn single eerder uitgebracht te krijgen dan de Jan & Dean-verie gaf Zekley zijn fictionele bandje domweg dezelfde naam als het liedje, The Yellow Balloon, en liet hij ook het opnemen van een fatsoenlijk B-kantje achterwege. Hij zette gewoon de A-kant achterstevoren op de B-kant, met als logische titel ‘Noollab Wolley’. Zekley kreeg uiteindelijk gelijk: zijn versie ging op de Amerikaanse hitlijst naar een respectabele 25e plaats, die van Torrence bleef steken op nummer 111. Om in te cashen op het succes moest daarna een LP van The Yellow Balloon volgen. Zekley verzamelde daarop een echte band bij elkaar, met als meest prominente lid de bekende TV-acteur Don Grady (1944-2012), die vermomd en onder het pseudonym Luke R. Yoo fungeerde als zanger, drummer en songschrijver. Het titelloze album dat later in 1967 uitkwam bleek verrassend goed te zijn, met naast ‘The Yellow Balloon’ zomerse pareltjes als ‘How Can I Be Down’ en het schitterende door Zekley en Grady geschreven ‘Stained Glass Window’. Het enige album van The Yellow Balloon werd in 1998 opnieuw uitgebracht door Sundazed Records, met acht bonustracks en een audio-interview met Zekley.

Leave a comment »

Album top 10

10. Red Hot Chili Peppers – Mother’s Milk (1989)
De Red Hot Chili Peppers maken tegenwoordig best aardige albums met altijd wel een paar leuke liedjes. En hun concerten zijn een gezellig avondje uit voor het hele gezin. Prima, maar doe mij toch maar de Red Hot Chili Peppers die 24 jaar geleden ‘Mother’s Milk’ maakten. Ze schreven destijds veel betere nummers dan nu, dat is mijn mening, maar ze stopten er ook oneindig veel meer energie, gekte, enthousiasme en hitsigheid in dan nu. En dat is een feit. Afgelopen zomer zag ik de band live in het Goffertpark in Nijmegen. Hartstikke leuk hoor, maar ik had er wat voor gegeven als ze een paar van die redelijk inwisselbare recentere hits hadden ingeruild voor enkele nummers van hun vierde album uit 1989. Zoals mijn persoonlijke favoriet, het hoogst melodieuze en minstens zo energieke ‘Knock Me Down’. Of het funky ‘Subway to Venus’ met z’n opgewekt borrelende blazers. Het snelle, freaky ‘Nobody Weird Like Me’, het lekker springerige ‘Stone Cold Bush’, of het relaxte en sfeervolle ‘Taste the Pain’. De in een aanzienlijk hogere versnelling gegooide Jimi Hendrix-cover ‘Fire’. Of, doe eens gek, het schitterende instrumentaaltje ‘Pretty Little Ditty’ (prominent gesampled in Crazy Town’s hit ‘Butterfly’) dat z’n titel volledig waard is. ‘Mother’s Milk’ ontstond na een waardeloze periode voor de band, waarin Hillel Slovak overleed aan een overdosis, drummer Jack Irons vervolgens ontslag nam en wegzakte in een diepe depressie en zanger Anthony Kiedis, minstens zo’n grote junk als Slovak, een heftige reality check kreeg. Volledig herboren keerden de Peppers daarna terug met Chad Smith (een hardere drummer dan Irons), John Frusciante (een nog betere gitarist dan Slovak) en een voorlopig cleane Kiedis. Het resultaat was een spetterende adrenalinebom vol geweldige refreintjes, briljante riffs en baslijntjes en frisse melodieën En vooral met die spreekwoordelijke rode, hete chilipeper in de reet die ik tegenwoordig zo node mis bij de band.
Beste nummer: Knock Me Down

9. Beastie Boys – Ill Communication (1994)
Voor velen zijn de Beastie Boys altijd de oppervlakkige, seksistische macho’s gebleven van “party anthems” als ‘Fight for Your Right (To Party!)’ en ‘No Sleep Till Brooklyn’ uit 1986. Dat het New Yorkse trio later tot grote creatieve hoogtes steeg en teksten ging schrijven als “The disrespect of women has got to be through / To all the mothers and the sisters and the wives and friends / I want to offer my love and respect to the end” zal lang niet iedereen zijn opgevallen. Of dat ze zichzelf op elk album opnieuw uitvonden. De leeghoofdige rap met rockgitaren van ‘Licensed to Ill’ (1986) werd op ‘Paul’s Boutique’ (1989) vervangen door frisse, fruitige en belachelijk funky hip hop en op ‘Check Your Head’ (1992) door een extreem uiteenlopende mengeling van verschillende stijlen die op papier onmogelijk lijkt te kunnen werken. Jazzy hip hop, instrumentale funky jams, rammelende en piepende hardcore punk, dromerige new age en lo-fi blues: de lijst lijkt te gevarieerd voor een makkelijk beluisterbaar album. Maar de creativiteit, het enthousiasme en de zelfverzekerdheid maken alles goed en zorgen voor een meer dan overtuigend album. Op ‘Ill Communication’ besloten de Beastie Boys daarna om eens niet het roer om te gooien, maar nog even vast te houden aan de formule van ‘Check Your Head’ (wat eigenlijk dus wil zeggen dat er wederom geen formule was, alleen prettige muzikale anarchie) en die nog wat verder te perfectioneren. Het bekendste nummer van het album, ‘Sabotage’, staat eigenlijk symbool voor de hele plaat. In theorie zou het nummer gewoon niet moeten werken. Adrock’s schelle geschreeuw gaat door merg en been en hij rammelt op zijn gitaar zonder daadwerkelijk noten of akkoorden te spelen, MCA speelt op zijn bas wel noten maar die zijn dusdanig vervormd dat je ze nauwelijks kunt onderscheiden en intussen proberen drummer Mike D. en percussionist Eric Bobo hun drum- en trommelvellen doormidden te hakken. Hoe ze het klaarspeelden zal geen muziekdocent je uit kunnen leggen, maar ze leverden hiermee één van de meest aanstekelijke nummers van de jaren negentig af.
Beste nummer: Sabotage

8. The Beach Boys – Friends (1968)
In 1966 waren The Beach Boys “on top of the world”. De hitsingles bleven al vier jaar lang onophoudelijk komen, het album ‘Pet Sounds’ en de single ‘Good Vibrations’ waren bovendien artistieke triomfen en in een lezerspoll van het Britse muziekblad NME werden The Beach Boys uitgeroepen tot beste band, nog boven The Beatles en The Rolling Stones. In 1967 donderde alles in elkaar. Het album dat het volgende meesterwerk van de groep had moeten worden, ‘Smile’, verdween onvoltooid in de archieven en bandleider Brian Wilson werd langzaam maar zeker een steeds minder actieve kluizenaar. En in 1968? Toen besloten The Beach Boys het eens rustig aan te doen, met een volstrekt ontspannen, luchtig en ambitieloos klinkend album. Een plaat die geen enkele behoefte lijkt te hebben om een meesterwerk te zijn, maar juist mede daardoor een kalmerende en uitzonderlijk aangename luisterervaring wordt. Als de vroege Beach Boys-albums waren als een ritje in een prachtige blinkende auto over een boulevard langs een zonovergoten strand vol prachtige vrouwen, dan is ‘Friends’ als een luie, broeierige zomeravond in een hangmat in je achtertuin, met een koud drankje binnen handbereik. De songteksten gaan dan ook over bijna ontnuchterend eenvoudige huis, tuin en keuken-onderwerpen als ’s ochtends wakker worden en ’s avonds weer naar bed gaan, vrienden, vogels, vissen en eenvoudigweg niets doen. In ‘Busy Doin’ Nothin” vult Brian Wilson zelfs, ondersteund door een Spaanse gitaar en een bossa nova-beat, een heel couplet met een routebeschrijving naar zijn huis. Als je naar ‘Friends’ luistert is het nauwelijks nog te geloven dat dezelfde band ruim een jaar eerder nog verwikkeld was in een duizelingwekkende artistieke wedloop met The Beatles en dat Brian Wilson toen de beste sessiemuzikanten van Los Angeles nog tot wanhoop dreef met zijn extreme perfectionisme en drang om briljant muziek te maken. Die drang is hier volledig weg, het gevoel van opluchting is er voor in de plaats gekomen. En op z’n eigen manier is ‘Friends’ daarmee stiekem toch aardig briljant.
Beste nummer: Friends

7. No Use For A Name – More Betterness! (1999)
No Use For A Name uit San Jose, Californie begon als een heel matig punkbandje. Toen in 2007 de verzamel-cd ‘All the Best Songs’ uitkwam stond daar geen enkel nummer op van de eerste twee albums van de groep, wie luistert naar die platen weet waarom. Daarna werkte het geesteskindje van zanger, gitarist en songschrijver Tony Sly zich op tot een verdienstelijke volgeling van de succesvollere genregenoten Bad Religion en NOFX. Daar bleef het echter niet bij. Sly ontpopte zich tot misschien wel de beste liedjesschrijver van het punkrockgenre. Terwijl drummer Rory Koff en bassist Matt Riddle achter hem onverminderd door bleven stomen en de distortieknoppen op de gitaarversterkers van Sly en leadgitarist Dave Nassie (de opvolger van de naar de Foo Fighters vertrokken Chris Sliflett) lekker hoog bleven staan werden de composities van Sly steeds mooier, melodieuzer en melancholischer. En punkrock of niet, hij schroomde er niet voor om cello’s, violen en orgels op zijn nummer te gebruiken als hij dat nodig achtte. Zo staat het sfeervolle ‘More Betterness!’ vol met prachtige bitterzoete popliedjes vermomd als snelle, energieke punkrocknummers, een combinatie van het beste van mijn twee favoriete muzikale werelden. En alhoewel de muziek ondanks alle mineurakkoorden op de oppervlakte nog alle kenmerken heeft van de typische vlotte, zonnige Californische skatepunk is het op ‘More Betterness!’ tekstueel allemaal wat minder rooskleurig. De meeste tracks zijn mini-portretjes van mensen die om verschillende redenen het leven niet zo heel goed aankunnen. En soms is Sly zelf de hoofdpersoon in de trieste verhaaltjes. Sly’s eigen verhaal kende uiteindelijk geen gelukkig einde. Hij overleed afgelopen juli, pas 41 jaar oud, volledig onverwacht in zijn slaap. Hij laat een vrouw en twee dochters achter. En wat mij betreft enkele van de beste melodieuze punkrockplaten ooit gemaakt, met ‘More Betterness!’ als absoluut hoogtepunt.
Beste nummer: Not Your Savior

6. The Beatles – Magical Mystery Tour (1967)
In creatief opzicht was 1967 een glorieus jaar voor The Beatles. Ze brachten drie erg sterke of op z’n minste erg slimme singles uit: ‘All You Need is Love’, ‘Hello Goodbye’ en de dubbele A-kant ‘Strawberry Fields Forever’ en ‘Penny Lane’ (waarop John Lennon en McCartney elk één van hun allerbeste Beatles-composities leveren). Daarnaast verscheen ‘Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band’, inmiddels universeel beschouwd als het beste Beatles-album en volgens velen zelfs het beste popalbum ooit gemaakt. Opvallend is dat de voorgenoemde hitsingles niet te vinden zijn op ‘Sgt. Pepper’. The Beatles hadden immers de gewoonte om nummers op een single of een album te zetten, maar doorgaans niet op allebei. Niet helemaal alles wat The Fab Four in 1967 ondernamen was een succes. Hun psychedelische filmproject ‘Magical Mystery Tour’ flopte, ondanks de geweldige muziek. De soundtrack hiervan was geen volwaardig album, in het thuisland van de Britse groep verscheen deze als dubbel-EP met slechts zes nummers. In Amerika was het EP-formaat echter nooit een groot succes geweest, dus werd ‘Magical Mystery Tour’ daar, tegen de wens van de band, uitgebracht als volledige LP. Met het materiaal van de originele dubbel-EP op kant A en de eerder genoemde singles verzameld op de B-kant. ‘Magical Mystery Tour’ is dus bijna een compilatie te noemen en wordt om die reden vaak gediskwalificeerd voor de status van volwaardig album. Desondanks durf ik wel te stellen dat geen enkele andere Beatles-LP over de gehele linie beschikt over sterker songmateriaal. Op kant B staan vier internationale nummer één-hits en kant A is met briljante albumtracks als ‘Magical Mystery Tour’, ‘The Fool on the Hill’ en ‘I Am the Walrus’ nauwelijks zwakker. ‘Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band’ mag dan worden gezien als het beste album van The Beatles. Maar volwaardig album of niet, ‘Magical Mystery Tour’ is toch echt het beste overzicht van waar de groep op z’n creatieve piek toe in staat was.
Beste nummer: Penny Lane

5. Lagwagon – Let’s Talk About Feelings (1998)
In 1990 werd in het Californische stadje Goleta Section 8 opgericht, een melodieuze punkband, aanvankelijk nog met duidelijke metalinvloeden. De groep beschikte over een aftands tourbusje dat zo traag was dat deze de bijnaam Lagwagon kreeg, niet veel later nam de band die naam over. In 1992 verscheen het debuutalbum ‘Duh’, dat al liet horen dat het gezelschap onder aanvoering van zanger en songschrijver Joey Cape op twee benen hinkte. Enerzijds was er de melige kant: een kinderlijke cartoon op de hoes, een olijke cover van het themanummer van de tekenfilmserie ‘Inspector Gadget’, de scheetgeluiden op ‘Beer Goggles’, het hyperactieve ‘Mr. Coffee’. En op het podium wilde ukkie Cape de twee koppen grotere gitarist Chris Flippin nog wel eens als klimrek gebruiken. Daar tegenover stonden melancholische composities van Cape met verbitterde teksten die lieten blijken dat de ellende die hij waarnam in zijn eigen omgeving en via het journaal zwaar wogen op zijn humeur. Op het vijfde album van Lagwagon, ‘Let’s Talk About Feelings’ uit 1998, was dat contrast er nog steeds. De maffe cartoons op het cd-hoesje, de liftgeluiden op de relaxte brug van ‘After You My Friends’ en de lollige filmsamples lijken een pokerface voor het overwegend erg serieuze karakter van het album, dat vol staat met prachtige mineurtonen en verre van opgewekte teksten. Als je dit album niet zou kennen en de songteksten en akkoordenschema’s onder ogen zou krijgen zou je ongetwijfeld een verzameling treurige klaagzangen verwachten. De meeste muzikanten zullen geneigd zijn om droefheid op een subtiele manier te brengen. Maar als je het er, zoals Lagwagon, op hoog tempo, met een flinke bak herrie en een hoop energie doorheen ramt dan komen regels als “Old friend, see you there / I will be proud from afar”, “Leave the bedsheets unclean / And they will reek of you / Still cover me in resolve” en “I can stay up late / In and out of bed / Cleaning up the mess / Inside my head” minstens zo hard aan.
Beste nummer: Leave the Light On

4. The Beach Boys – Smile (2011)
Na de artistieke triomf van het album ‘Pet Sounds’ zette Beach Boy Brian Wilson zijn zinnen op een volgend project dat nog ambitieuzer, nog complexer, nog experimenteler en nog gevarieerder moest worden. Op de wereldhit ‘Good Vibrations’ had Wilson al met veel succes verschillende losse muzikale secties (die hij “feels” noemde) aan elkaar gesmeed tot één verrassend vloeiend geheel, het album ‘Smile’ moest helemaal op die manier ontstaan, als een psychedelische lappendeken van aan elkaar geplakte miniatuurtjes. En dat geheel moest dan weer “movements” vormen met elk een thema: een reis van oost naar west door koloniaal Amerika, kinderlijke onschuld, en de vier elementen water, aarde, lucht en vuur. Uiteindelijk verslikte Wilson zich, geplaagd door onder meer mentale problemen, overmatig drugsgebruik en tijdsdruk, in het project. De onvoltooide tapes voor ‘Smile’ werden in 1967 opgeborgen en het album kreeg als beroemdste onuitgebrachte album uit de popgeschiedenis een mysterieuze, bijna mythische status. In 2011 werd het alsnog uitgebracht. Alhoewel fans en critici het er overwegend over eens waren dat de torenhoge verwachtingen van ‘Smile’ ingelost waren is dit album niet direct gemakkelijke kost. De enorme hoeveelheid ideeën de chaos, de gekte en het feit dat enkele nummers hoorbaar onvoltooid zijn bemoeilijken de eerste luisterbeurten. Geef je dit album echter de tijd om te groeien, dan openbaren zich verschillende meesterwerken van hetzelfde kaliber als ‘Good Vibrations’. Nummers als ‘Heroes and Villains’, ‘Surf’s Up’ en ‘Cabin Essence’ zijn misschien wat minder commercieel, maar minstens zo goed, minstens zo knap in elkaar gedraaid en minstens zo mooi. Maar ook relatief eenvoudigere werkjes als ‘Our Prayer’, ‘Wonderful’, ‘Wind Chimes’ en ‘Vega-Tables’ zijn hoogtepunten in de Beach Boys-discografie. De abstracte songteksten van psychedelische woordkunstenaar Van Dyke Parks scheppen bovendien prachtige surrealistische “mental pictures” bij deze nummers. Een unieke luisterervaring!
Beste nummer: Surf’s Up

3. Elliott Smith – XO (1998)
De loopbaan van de geboren Texaan Elliott Smith (echte voornaam Steve, maar dat vond hij te macho klinken) kende een opmerkelijk verloop. Als zanger en gitarist van rockband Heatmiser had hij bescheiden successen, maar nadat een akoestische demotape die hij thuis in de kelder op had genomen door platenlabeltje Cavity Search prompt tot volwaardig album werd gepromoveerd koos hij voor een solo-carrière. Zijn amateuristisch opgenomen eerste drie albums leverden hem een kleine doch fanatieke fanbasis op, waartoe ook filmregisseur Gus Van Sant behoorde, die zes van zijn nummers verwerkte in zijn succesvolle film ‘Good Will Hunting’. Het liedje ‘Miss Misery’ werd onverwacht genomineerd voor een Oscar, waarna de schuchtere Smith zichtbaar bloednerveus voor 57 miljoen tv-kijkers tijdens de uitreikingsceremonie moest spelen. Zijn nieuwe bekendheid leverde hem wel een platencontract op bij Dreamworks, met het bijbehorende vette opnamebudget. Dat gebruikte Smith om The Beatles, The Beach Boys en Simon & Garfunkel achterna te gaan met grootste, meeslepende, soms bijna epische popmeesterwerkjes waarin niet wordt gekeken op een orgeltje, een koortje of een lading violen meer of minder. En toch blijven zijn elegante akoestische gitaar en zijn bescheiden, bijna verlegen klinkende stem, de hoofdingrediënten van zijn eerdere albums, centraal staan. Daardoor wordt het dromerige karakter van zijn muziek behouden. Het is niet moeilijk om te raden wie de voornaamste inspiratiebronnen van Elliott Smith waren toen hij ‘XO’ maakte. Paul McCartney, Paul Simon, Cat Stevens en Brian Wilson, enkele van de meeste succesvolle songschrijvers uit de popgeschiedenis, klinken duidelijk door op dit album. Smith is echter niet slechts een volgeling van deze grote namen, ik waag zonder te overdrijven te stellen dat hij zich hier op een vergelijkbaar niveau bevindt. Het is eeuwig zonde dat dit achter grotendeels voorbij ging aan het grote publiek: zowel in Engeland als Amerika wist ‘XO’ niet de bovenste honderd te halen van de albumlijst.
Beste nummer: Waltz #2 (XO)

2. The Beach Boys – Pet Sounds (1966)
Begin 1966 was Brian Wilson voor zijn band en platenmaatschappij al enkele jaren de spreekwoordelijke kip met de gouden eieren. Als zanger, bassist, toetsenist, songschrijver, producer en arrangeur van The Beach Boys had het pas 23 jaar oude genie reeds tien studio-albums en evenzoveel top tien-hits afgeleverd. Toen kwam echter de ommekeer: Wilson wilde niet langer vrolijke zomerhits blijven maken, maar zijn eigen ding gaan doen. Diepere muziek maken met persoonlijkere teksten. Mede-bandlid Mike Love vreesde al voor zijn banksaldo en gebood Wilson “Don’t fuck with the formula!”, terwijl platenmaatschappij Capitol uit paniek haastig een hitcompilatie uitbracht om toch van de gebruikelijke inkomsten verzekerd te zijn. Wilson ging toch zijn gang, met ‘Pet Sounds’ als gevolg. De plaat kan een thema-album genoemd worden (alleen ‘Sloop John B.’ is dan een vreemde eend in de bijt) waarop de verschillende fases voor, tijdens en na een turbulente liefdesrelatie centraal staan. Dat levert hoop (‘I’m Waiting for the Day’), vrolijkheid (‘Wouldn’t It Be Nice’) en gelukzaligheid (‘God Only Knows’, ‘You Still Believe in Me’) op, maar ook twijfels en vrezen (‘That’s Not Me’, ‘I Know There’s an Answer’, ‘I Just Wasn’t Made for These Times’) bitterheid (‘Here Today’) en weemoed (‘Caroline, No’). Ondanks de wrange en soms ietwat duistere emoties waarmee dit album grotendeels doordrenkt is heeft ‘Pet Sounds’ altijd iets sprookjesachtigs, iets hemels, iets majestueus en wordt de stemming nooit kil en koud. Daarvoor vloeien de luchtige zanglijntjes, koortjes, blazers, strijkers en wat al niet meer veel te mooi en dromerig door elkaar heen. Zoals Brian Wilson zelf al ooit opmerkte is ‘Pet Sounds’ een album dat het beste werkt als je er in het donker naar luistert via een hoofdtelefoon, zodat je alles optimaal kunt absorberen. Desondanks werkt dit album ook oppervlakkig op de achtergrond prima: ondanks de grote vrezen van Mike Love en Capitol Records leverde het met ‘Sloop John B.’, ‘Caroline, No’, ‘Wouldn’t It Be Nice’ en ‘God Only Knows’ netjes vier hitsingles af.
Beste nummer: God Only Knows

1. The Beach Boys – Sunflower (1970)
Van 1962 tot 1967 scoorden The Beach Boys in Amerika precies 25 top 40-hits, voornamelijk met luchtige liedjes over mooie meisjes, zonovergoten stranden en snelle auto’s. Juist dat succes bleek een grote last toen ze in latere jaren andere muzikale paden ging verkennen. Veel oude fans konden zich niet vinden in het nieuwe materiaal, terwijl de hippere nieuwe doelgroep afgeschrikt werd door het brave, suffe imago van de band. Het album ‘Sunflower’ werd dan ook volkomen genegeerd en kwam in Amerika niet hoger dan een sneue 151e plaats. Doodzonde, want terwijl de albums ‘Pet Sounds’ en ‘Smile’ inmiddels universeel zijn geaccepteerd als muzikale meesterwerken verdient deze plaat wellicht dezelfde titel. Wat niet wil zeggen dat ‘Sunflower’ vergelijkbaar is met de voorgenoemde klassiekers, in tegendeel eigenlijk. Die albums zijn diep, complex, ambitieus en vernieuwend, als geheel artistieke statements op zichzelf en feitelijk zijn ze beiden soloprojecten, grotendeels ontsproten uit het getergde, melancholische brein van de briljante Brian Wilson. ‘Sunflower’ is geen van die dingen. Wat dit dan wel is? Simpelweg de meest aangename luisterervaring die The Beach Boys ooit op een LP wisten te zetten. Ook is dit de plaat waarop de groep piekt als collectief, nu eens niet als het geesteskind van Brian maar als een verbond van zes individuen, elk met hun eigen kwaliteiten. Enkele van de beste nummers die Dennis Wilson en Bruce Johnston ooit schreven zijn hier te vinden, Brian is ook nog altijd in topvorm en vocaal levert elk bandlid topprestaties. Dat resulteert in een fijn, toegankelijk, fris en fruitig, erg fraai georkestreerd en vooral zeer gevarieerd album. Elk nummer is heel anders dan het vorige, maar steeds een fraai gearrangeerd werkstukje. Met onder meer ‘This Whole World’, een doo wop-achtige achtbaanrit door duizelingwekkende akkoordenschema’s en prachtige melodieën, het spookachtige ‘All I Wanna Do’ en de ultieme ballade ‘Forever’ beschikt ‘Sunflower’ over enkele van de best bewaarde geheimen uit de popgeschiedenis.
Beste nummer: This Whole World

Leave a comment »

We waren blij met wat we hadden, je wist gewoon niet beter

Kinderen, in mijn tijd was het allemaal heel anders dan nu. We hadden niet zoveel, toen ik jong was. Maar we waren blij met wat we hadden, je wist gewoon niet beter.

We hadden bijvoorbeeld nog geen internet. Dat bestond nog helemaal niet! Kun je het je voorstellen? Echt waar, ik lieg het niet. Dat wil dus ook zeggen dat je geen e-mail had. Als je met iemand wilde communiceren ging je gewoon bij diegene langs, je schreef een brief of je belde ‘m op. Met de vaste telefoon wel te verstaan, want mobieltjes hadden we ook nog niet. Even iets opzoeken met Google of Wikipedia was er ook niet bij. Als je informatie nodig had voor een spreekbeurt dan ging je naar de bibliotheek en schreef je brieven naar bedrijven of instanties en vroeg je om een informatiepakket. YouTube? Hadden we ook nog nooit van gehoord. Als je een videoclip wilde zien dan keek je urenlang naar MTV in de hoop dat ‘ie voorbij zou komen. MTV was toen overigens nog een zender die videoclips uitzond. En jullie hebben nu die internetforums waarop je over elk denkbaar onderwerp kunt communiceren met honderd mensen uit twintig landen. In mijn tijd kreeg je, totdat het contact na een half jaar weer verwaterde, misschien eens in de twee weken een briefje uit Duitsland of Engeland van een vakantievriend. Maar dat was dan meteen ook hartstikke spannend. Post uit het buitenland, de meeste van je klasgenoten kregen dat nooit!

Mobieltjes bestonden, zoals ik al zei, ook nog niet. Als je van huis ging was je gewoon tijdelijk onbereikbaar, geen mens kon je bellen, SMS-en of WhatsAppen. Nu raak je misschien bijna in paniek van het idee, toen was dat nog volstrekt normaal. Je hield voor de zekerheid een paar kwartjes in je portemonnee zodat je in geval van nood een telefooncel op kon zoeken. Oh ja, kwartjes waren trouwens muntjes van 25 cent. En dan heb ik het dus over guldencenten, niet over eurocenten. Toendertijd had elk land nog z’n eigen munteenheid. Als je naar Duitsland ging moest je guldens wisselen voor marken, als je naar België ging wisselde je ze voor Belgische franks en in Frankrijk had je Franse franks nodig.

TV kijken was in mijn tijd ook nog heel anders dan nu. Ik heb het tijdperk waarin Nederland 1 en Nederland 2 de enige Nederlandse zenders waren nog meegemaakt. Als er op allebei niets te zien was, dan kon je eventueel nog de twee Vlaamse zenders proberen, maar daar was eigenlijk sowieso nooit wat leuks op. Dus gingen we uit arre moede maar gewoon buiten spelen of strips lezen. Je maakte er het beste van met wat je had. Televisie was toen ook nog een beetje anders dan nu. Om op de buis te kunnen komen moest je toen nog kunnen presenteren of zingen, of iets dergelijks.  Beroemd worden alleen maar door je op te laten sluiten in een huis vol camera’s, of door je met een cameraploeg voor je snufferd te misdragen op een Grieks vakantie-eiland kon toen nog niet. Televisie kijken was vroeger gewoon wat meer speciaal. Er kwam misschien zes dagen per week weinig leuks op, maar als dat dan eens wel zo was, dan was dat meteen iets bijzonders. Er waren grote avondvullende shows die gepresenteerd werden door die mensen die je nu alleen nog op Max ziet. Henny Huisman en Ron Brandsteder en zo. Heel Nederland keek daar naar en keek er ook naar uit, met zeven of acht miljoen mensen tegelijk. In je pyama met natte haren en een bakje Nibbits voor de buis voor programma’s waar je nog echt voor thuis bleef. Dat was nog eens gezellig!

En die iPods van jullie, ook die moesten we nog missen. Je had een walkman waar je naar kon luisteren als je van huis was, die was minstens tien keer zo groot als een iPod. En de muziek zat niet in dat apparaat zelf, die stond op een cassettebandje dat je dan in dat apparaat moest stoppen. Op een iPod kun je duizenden liedjes zetten, maar op zo’n cassette kon je maar negentig minuten aan muziek kwijt. Zo’n cassettebandje kon je niet even synchroniseren met je iTunes, je nam de muziek over van een LP, een CD of een andere cassettebandje terwijl je die afspeelde. Je weet wel, LP’s zijn die grote zwarte schijven, CD’s die kleinere zilverkleurige schijfjes. Zoek maar eens op zolder, misschien kun je er daar nog een paar vinden.

Jullie kunnen nu elke dag tientallen albums en tientallen films downloaden. Gratis, zonder er voor van je stoel te hoeven komen. Dat was voor ons vroeger wel anders. Muziek kon je nog helemaal niet downloaden, als je een album wilde hebben moest je er gewoon voor betalen. Een CD kostte ongeveer veertig gulden. Ik kreeg in de brugklas vijf gulden zakgeld per week en verdiende een tientje per week met het rondbrengen van folders. Ga maar na: zelfs als je het merendeel van al je geld opzij legde voor muziek, zoals ik deed, moest je minstens een maand sparen voor één album! En als het een wat onbekender album was, dan moest je er vaak ook nog eens stad en land voor afzoeken, van Bol.com of Amazon had immers ook nog nooit iemand gehoord. Je had destijds dan ook nog best veel platenzaken. Niet online dus, maar gewoon echte winkels, waar je naartoe kon gaan. En als je dan in vijf platenzaken die ene CD niet kon vinden maar in nummer zes wel, dan voelde je je als een goudzoeker die plotseling op een forse goudader gestuit was.

Kinderen, ik begrijp het als jullie voor geen goud zouden willen ruilen met de jeugd die ik gehad heb. En toch heb ik wel eens het idee dat vroeger alles beter was. Jazeker, daar ben ik weer met m’n ouderwetse gezeur, ja! Luister nu maar naar me, want als ik er straks niet meer ben zou je willen dat je mijn verhalen nog eens kon horen! Goed, waar was ik? Oh ja, vroeger was dus alles beter. Jullie downloaden nu in tien minuten de complete discografie van je favoriete band en morgen download je die van je volgende favoriete band. Ik had toen ik zo oud was als jullie misschien maar tien, twintig albums, maar die koesterde ik. Als je je puberteit moet overleven met twintig albums, dan worden dat schatten die je de rest van de leven meedraagt. Die platen blijven altijd bijzonder, die zullen altijd dierbaar voor je zijn. Ik heb het idee dat albums nu slechts snacks zijn die je achteloos consumeert en een week later weer vergeten bent. Er is gewoon te veel en het is te makkelijk verkrijgbaar. Je stelt het daardoor wat minder op prijs.

Jullie hebben meer dan wij hadden. Maar door de overvloed is het allemaal wel minder waardevol geworden. En dat vind ik ergens wel een beetje jammer voor jullie. Maar goed, ik zal er over ophouden. Anders vinden jullie me straks weer een ouwe zeurpiet… Ga nu maar weer buiten spelen. Maar het kan gaan regenen, dus zorg dat jullie iPads niet nat worden, okay?

Comments (1) »