Archive for augustus, 2012

Het meest waardeloze muziekjaar sinds tijden

Ik had het me nog zo voorgenomen: voorlopig even geen stukjes meer over iemand die overleden is. Ik had er op deze site al drie staan, dat vond ik voor nu wel even voldoende. Maar wist ik veel dat Tony Sly er op zijn 41e in zijn slaap tussenuit zou knijpen? Een idool wil ik hem eigenlijk niet noemen (ik ben immers geen bakvis), een held ook niet (die term kan beter exclusief blijven voor mensen die hulpeloze slachtoffers uit een brandend gebouw redden, of zoiets), maar mocht je een betere term weten voor iemand die je al je halve leven (in mijn geval dus al een kleine zeventien jaar) weet te raken, vermaken en inspireren, dan hou ik me aanbevolen.

Ik was een jaar of zestien, zeventien toen punkrock op mijn radar verscheen. Ik had er over gelezen in de Popencyclopedie en in bladen als Oor, Watt en Webber en ik was bekend met het handjevol bands in het genre dat toegankelijk genoeg was om op de radio en MTV te komen (Green Day, The Offspring, De Heideroosjes), daardoor was mijn interesse gewekt. Ik kende nog niemand die naar dat soort muziek luisterde en toegang tot het internet had ik ook nog niet. Nieuwe bands leren kennen was dus nog niet zo gemakkelijk. Gelukkig hadden de meeste platenlabels de goede gewoonte om eens in de zoveel tijd een zogenaamde label sampler uit te brengen, waarmee ze hun bands onder de aandacht brachten. Voor zo’n verzamel-cd’tje betaalde je doorgaans ongeveer een tientje (in guldens) en daarvoor kreeg je zo’n vijftien tot dertig nummers. Lekker laagdrempelig dus. Via dit soort cd’s leerde ik veel van de punk- en hardcorebands kennen die ik nog altijd tot mijn favorieten reken. Dankzij ‘Punk-O-Rama Vol. 2’ van Epitaph maakte ik kennis met onder meer Bad Religion, Rancid, Pennywise en Descendents, door ‘In-Flight Program’ van Revelation Records leerde ik Gorilla Biscuits, Youth Of Today, Shelter en Ignite kennen, op ‘Go Ahead Punk, Make My Day’ van Nitro Records hoorde ik The Vandals en AFI voor het eerst en ‘Survival of the Fattest’ van Fat Wreck Chords introduceerde me tot Lagwagon, NOFX, Good Riddance, Propagandhi en No Use For A Name. Ik was al snel helemaal verkocht.

Daarna ging ik regelmatig in Eindhoven naar platenzaak Bullit (destijds nog op het Stratumseind), om op zoek te gaan naar cd’s van de bands die mij op die samplers het meest aanspraken. Eén van die bands was No Use For A Name, waarvan ik het nummer ‘Justified Black Eye’ dus gehoord had op ‘Survival of the Fattest’. Dat nummer was afkomstig van hun derde album ‘¡Leche Con Carne!’, dat ik al snel in huis haalde. No Use For A Name werd destijds nog vaak afgedaan als een lichtelijk opgevoerde kopie van het almachtige Bad Religion, maar alhoewel het eigenlijk vloeken in de punkrockkerk is om dat toe te geven vond ik No Use beter dan Bad Religion. En om nog eerlijker te zijn: dat vind ik eigenlijk nog steeds. ‘¡Leche Con Carne!’ bleek bovendien een heerlijk album te zijn voor een beginnend gitarist, wat ik destijds was. De ritmepartijen waren makkelijk mee te spelen, de solo’s en andere riedeltjes waren voor mij ook nog wel haalbaar maar zagen er als ik ze speelde ongetwijfeld best moeilijk uit. Althans, in mijn beleving.

Vanaf het vijfde album ‘More Betterness!’ uit 1999 begon No Use steeds meer krediet te verspelen bij de oude fans, omdat de nummers steeds een beetje langzamer, melodieuzer en melancholischer begonnen te worden. Oftewel: minder punk, wat dat ook mag betekenen (en waarbij je je sowieso mag afvragen wat nou meer “punk” is: doen wat je achterban van je verlangt, of je eigen pad volgen). ‘More Betterness!’, nog altijd één van mijn favoriete albums aller tijden, heb ik in de maanden nadat het uit was gekomen helemaal grijs gedraaid in mijn stereo en in mijn discman, in de bus op weg naar het Grafisch Lyceum. Wellicht ook een beetje omdat ik destijds nog verdrong dat ik stiekem eigenlijk net zoveel hield van goede popliedjes als van de punkrock waar ik inmiddels vrijwel exclusief naar luisterde. Want Tony Sly, zanger, gitarist en songschrijver van No Use For A Name, was eigenlijk helemaal geen punker. Hij was dan wel de voorman van een band die gebruik maakte van snelle drums, gitaren met een flinke bak distortie en klettere basgitaar, maar hij schreef gewoon bitterzoete popliedjes. Geen maatschappijkritische tirades, maar kwetsbare teksten over liefde (doorgaans onbereikbaar of in de verleden tijd), angsten en twijfels. Liedjes die bij vrijwel elke andere songschrijver trage klaagzangen zouden zijn geworden, maar die in zijn handen juist energieke punkrockliedjes werden. Melancholie hoeft helemaal niet subtiel naar de luisteraar gebracht te worden, dat kun je er minstens zo effectief ook keihard inrammen, zo bleek op schitterende nummers als ‘On the Outside’, ‘International You Day’ en ‘Not Your Savior’.

Jaren later, toen ik inmiddels schreef voor het maandblad Up Magazine, kreeg ik twee keer de gelegenheid om Sly te interviewen. In het voorjaar van 2005 en nogmaals in het voorjaar van 2008. Eerlijk gezegd vond ik dat doodeng, tegelijk was het ook wel een kick. Om thuis de telefoon te nemen, een nummer in te toetsen en enkele tellen later de stem te horen die al ontelbare keren uit je stereotoren en je oordopjes kwam. Gelukkig bleek Sly een aangename gesprekspartner. Vriendelijk, geduldig, wel een tikkeltje gereserveerd. Precies goed om het beeld in stand te houden dat je wil hebben van iemand die je toch een beetje als een idool ziet (vooruit, ik breek even met mijn eerdere stelling over die term). Onlangs heb ik die twee interviews nog eens teruggelezen. Duidelijk is dat Sly geen vrolijke peer was. In 2005 vertelde hij me dat het destijds net uitgekomen album ‘Keep Them Confused’ voortkwam uit het nare, dubbele gevoel dat hij kreeg van het idee dat zijn pasgeboren dochter op moest groeien in een verdeeld land vol politici die gedreven werden door haat. Dat hij niet langer wilde proberen om zijn publiek tevreden te stellen en nu voor zichzelf had gekozen. Dat hij de eerste albums van zijn eigen band eigenlijk onbeluisterbaar vond. Dat het hem een beetje frustreerde dat zijn platenlabel zijn akoestische solo-opnamen niet uit wilde brengen (dat zouden ze overigens later wel doen). Drie jaar later zei hij dat hij het eerder genoemde ‘Keep Them Confused’ achteraf eigenlijk helemaal geen goede plaat vond.

Op 1 augustus kwam dus het bericht dat Tony Sly overleden was. Tsja, wat moet je daarmee? Ik kende hem niet persoonlijk en zal er dus in de praktijk weinig van merken. Het aantal concerten van No Use For A Name dat ik gezien heb zal definitief blijven staan op zeven (de eerste keer op Lowlands 1998, de laatste keer in de Melkweg in 2010) en het aantal reguliere albums van de band op acht. Daar komt nooit meer wat bij, daar moet ik het vanaf nu mee doen. Maar groter is het effect voor mij persoonlijk eigenlijk niet. En toch is het vreemd. Zoals ik eerder al schreef luister ik al mijn halve leven naar de muziek van No Use For A Name. Als 17-jarige middelbare scholier schoof ik regelmatig een cd van die band in mijn stereo en als 33-jarige doe ik dat nog steeds. Als de stem van en het brein achter die muziek er ineens niet meer blijkt te zijn, dan doet dat wat met je.

Ik luister betrekkelijk veel naar oudere muziek, veel van mijn favoriete muzikanten zijn de pensioengerechtigde leeftijd dan ook al ruimschoots gepasseerd. De twee muzikanten die ik hoger heb zitten dan wie dan ook, Brian Wilson en Paul McCartney, zijn inmiddels zeventigers en ik besef dat ze misschien geen twintig jaar meer mee zullen gaan. So be it. Maar dat in minder dan drie maanden tijd zowel Adam Yauch als Tony Sly als veertigers het leven zouden laten, dat was potverdomme niet de bedoeling. 2012 duurt nog ruim vier maanden en heeft al best wat leuke platen opgeleverd (waaronder ironisch genoeg ook Tony Sly’s tweede split-album met Joey Cape), maar wat mij betreft is het nu al het meest waardeloze muziekjaar sinds tijden.

Advertenties

Leave a comment »

Concertrecensie: The Beach Boys

The Beach Boys @ Lokerse Feesten, Lokeren (B), 7 augustus 2012

Eerst maar even de negativiteit eruit, dan hebben we dat alvast gehad. De nog levende leden van de dit jaar ter gelegenheid van hun vijftigjarige jubileum weer herenigde Beach Boys zijn respectievelijk 71, 70, 70, 69 en 63 jaar oud en zien er geen dag jonger uit dan ze zijn. Live staan Brian Wilson’s piano, Bruce Johnston’s keyboard en Al Jardine’s gitaar erg zacht in de mix (als ze überhaupt al aangesloten zijn), om dat op te vangen hebben ze een achtergrondband bij met onder meer drie gitaristen en twee toetsenisten die je dus wèl hoort. Brian Wilson, die zijn teksten leest van een schermpje, probeert niet eens meer de hoge noten te halen die hij vroeger moeiteloos zong, dat laat hij tegenwoordig over aan zijn rechterhand Jeffrey Foskett. Alles aan de gezichtsuitdrukkingen en lichaamstaal van de apathische Wilson schreeuwt dat hij vermoeid en verveeld is en het liefst zo snel mogelijk van het podium wil. En de patserige ringen, bonte Hawaii-shirts, haantjes-attitude en verwijfde gebaartjes van Mike Love zien er nu hij al ruimschoots pensioengerechtigd is nog fouter uit dan voorheen.

Als ik dat zo teruglees klinkt het alsof naar een Beach Boys-concert gaan vandaag de dag vergelijkbaar is met ramptoerisme. In de praktijk valt dat erg mee.

Frontman Mike Love mag dan zo’n beetje de vleesgeworden wansmaak zijn, op deze aangename zomeravond is hij de absolute heerser over het bomvolle Lokerse festivalterrein dat met 15.000 man volledig is uitverkocht. Al meer dan een halve eeuw staat Love zo’n honderd tot tweehonderd keer per jaar op het podium en als iemand zich daar als een vis in het water voelt dan is hij het wel. Hij straalt met verve uit dat hij geniet van in de spotlights staan, dat hij apetrots is op zijn bandje en dat hij al die hits dolgraag nog eens een halve eeuw zou willen blijven zingen. Ik heb genoeg bands gezien die al na een jaar of twee, drie klonken alsof ze hun eigen liedjes wel weer beu waren, die mogen allemaal even in de leer bij “The Lovester” die een draak als ‘Barbara Ann’ met alle plezier voor de zoveelduizendste keer uit zijn strot laat komen.

Zanger/gitarist Al Jardine was altijd de saaie Beach Boy. Een keurige, kalme, charmante man die vroeger, terwijl enkele van zijn bandmakkers zich op tour vermaakten met grote hoeveelheden drank, drugs en vrouwen, naar een museum ging of urenlang met zijn echtgenote belde. “Keep it clean with Al Jardine”, zoals Love op het podium nog wel eens wil roepen. Daarvoor krijgt hij nu op latere leeftijd de beloning, zijn ongeschonden stem klinkt nog exact hetzelfde als veertig jaar geleden, zoals hij laat horen op ‘Help Me, Rhonda’, ‘Then I Kissed Her’, ‘Cotton Fields’ en ‘Wouldn’t It Be Nice’.

Gitarist David Marks was helemaal in het begin in 1962 al van de partij, vertrok echter alweer in 1963 en duikt pas sinds 1997 (na decennia vol drank- en drugsmisbruik en gemiste kansen op nieuw succes) weer bij vlagen op als Beach Boy. Het is aan het jonkie van de groep (want pas 63) te zien dat hij blij en trots is om er weer te staan, hij is als prima leadgitarist een waardevolle toevoeging en bovendien geeft hij The Beach Boys na het wegvallen van Dennis Wilson (verdronken in 1983) en Carl Wilson (overleden aan longkanker in 1998) weer wat meer authenticiteit.

Zanger/toetsenist Bruce Johnston mag zich in de media soms presenteren als een enorme snob, op het podium is hij juist de bescheidenheid zelve. Johnston heeft een mooi zacht en soepel stemgeluid, is een pianovirtuoos en schreef enkele prachtige (doch uiterst zoetsappige) nummers. Daar laat hij nu echter weinig van blijken. Vocaal blijft hij op de achtergrond en zijn keyboard raakt hij nauwelijks aan, hij schikt zich duidelijk met veel plezier in de rol van de “cheerleader” die het publiek wat opjut.

En daar is ‘ie dan, helemaal links op het podium verscholen achter een grote witte vleugel: de geestelijke vader van de groep, Brian Wilson. Gedisciplineerd neemt de levende muzikale legende de leadzang op enkele van zijn composities op zich, maar hij doet weinig moeite om te verhullen dat hij op het podium niet op z’n plek is. Maar soit, zoals ze dan in België zeggen, als je nog het voorrecht zou kunnen hebben om Mozart himself aan te zien schuiven bij een uitvoering van diens werken, dan zou je ook niet klagen als zijn performance een beetje tegen blijkt te vallen. Wel dient de vraag zich aan of het geen goed idee zou zijn om Wilson zijn welverdiende pensioen te gunnen, hij lijkt er aan toe te zijn.

Terug naar het optreden van deze avond. De gematigde fans die The Beach Boys vooral kennen van hun bekendste hits, de toegankelijke zonnige surf- en autoliedjes uit de beginjaren van hun carrière, worden in de eerste helft van de set op hun wenken bediend. Na de passende opener ‘Do It Again’ (“Let’s get together and do it again”) wordt een elftal klassiekers uit de jaren 1962-1965, waaronder evergreens als ‘I Get Around’, ‘Surfer Girl’ en ‘Don’t Worry, Baby’, vrijwel naadloos en zonder adempauzes het publiek in geslingerd. De enthousiaste en qua leeftijd zeer gemengde menigte is merkbaar onder de indruk en de sceptici mogen opgelucht ademhalen: de veteranen hebben er zin in en kunnen het nog. Met een beetje hulp, maar toch.

Desondanks is het na die massieve reeks gestroomlijnde zonnigheid prettig als na een dik half uur de setlist een wat gevarieerdere wending krijgt. Dat begint met het gloednieuwe ‘That’s Why God Made the Radio’ (het enige nummer van het gelijknamige nieuwe album dat vandaag gespeeld wordt), dat prima uit de verf komt en lijkt te zorgen voor een lichte opleving bij Wilson. Hierop volgt een bonte mix met nummers die dateren van 1964 tot 1976, waaronder het ‘Pet Sounds’-trio ‘God Only Knows’, ‘Sloop John B.’ en ‘Wouldn’t It Be Nice’, de ‘Smile’-hits ‘Good Vibrations’ en ‘Heroes and Villains’ en kleinere hitjes als ‘Cotton Fields’, ‘Sail On Sailor’ en ‘You’re So Good to Me’. Omdat The Beach Boys hun reguliere set van twee uur en een kwartier voor dit festival in moeten korten tot ruim anderhalf uur sneuvelen helaas de obscuurdere nummers die vooral voor de meer gevorderde fans een traktatie zijn. De groep kiest vandaag voor een setlist die rechtstreeks van de hoes van een greatest hits-cd over zou kunnen zijn geschreven.

Na 27 nummers (waarvan 15 top tien-hits) sluiten de heren hun reguliere set af met ‘Surfin’ USA’, waarna de vijf Beach Boys (Love, Jardine, Marks en Johnston vriendelijk zwaaiend, Wilson alsof hij een bus moet halen) en hun negenkoppige achtergrondband kortstondig het podium verlaten. Veel tijd om bij te komen van de imposante stroom zomerse golden oldies krijgt het publiek echter niet voordat de groep terugkeert voor een toegift met nog eens drie wereldhits: ‘Kokomo’, ‘Barbara Ann’ en ‘Fun, Fun, Fun’. Met name tijdens de toegift blijkt dat van de onderlinge vetes tussen de bandleden waarover de afgelopen decennia zoveel gepubliceerd is verdomd weinig te merken is als ze gewoon bij elkaar zijn, muziek makend, zonder al die foute managers en hebberige advocaten om zich heen. Voorafgaand aan ‘Kokomo’ doet Jardine zijn gitaar af om aan de andere kant van het podium Wilson te vergezellen, die hij 55 jaar geleden leerde kennen op het football-veld van hun gezamenlijke high school. Na ‘Fun, Fun, Fun’ beent Wilson direct naar Love toe, de neef waar hij samen mee opgroeide, en pakt zijn veronderstelde aartsvijand met een bijna vertederende vanzelfsprekendheid bij de hand.

Dan zit het er op wat het 62e concert van deze jubileumtournee betreft. Nog vijf concerten te gaan in Azië, vijf in Australië en twee in Engeland, dan zit het er op. Maar niet voor The Beach Boys. De volgende concerten van de gestripte versie van de groep (zonder Wilson, Jardine en Marks, maar met Love en Johnston) zijn alweer geboekt en Wilson heeft al laten weten dat er misschien nog wel een album inzit. En gezien het enthousiasme waarmee Love, Jardine, Johnston en Marks nog op de planken staan zou je bijna gaan verwachten dat ze over tien jaar doodleuk weer terugkomen naar Lokeren om dan hun zestigjarige jubileum te vieren.

Comments (1) »