That’s Why God Made the Radio

In 2011 was het een halve eeuw geleden dat de meest succesvolle Amerikaanse band aller tijden, The Beach Boys, z’n eerste singletje uitbracht op een klein plaatselijk platenlabeltje (dat de vraag naar dit plaatje niet aankon en daardoor binnen enkele maanden kopje onder ging). Ter gelegenheid hiervan kregen en krijgen de fans enkele cadeaus (al moeten ze daar uiteraard wel royaal de portemonnee voor trekken) waarop ze al jaren of zelfs decennia lang niet meer hadden durven hopen. Dit begon op 1 november 2011, de dag waarop in het Beach Boys-universum Pasen, Pinksteren en Sint Juttemis allemaal samenvielen. Het verloren meesterwerk van de groep, het onvoltooide album ‘Smile’ uit 1967, maakte eindelijk de gang naar de platenzaken. Eerdere meer of minder concrete plannen in 1967, 1972, 1988 en 1997 om het magnum opus van bandleider Brian Wilson het levenslicht te laten zien hadden niets opgeleverd (afgezien van proeftapes die vervolgens al snel opdoken in het bootlegcircuit), dit keer kwam het er echter wel van. En hoe: de meest uitgebreide uitvoering van ‘The Smile Sessions’ was een uitputtende box met onder meer vijf cd’s en twee lp’s.

Er volgde meer nieuws dat deed vermoeden dat er spreekwoordelijk bijzonder koude dagen waren aangebroken in de hel: alle nog levende bandleden (Dennis Wilson verdronk in 1983, zijn broer Carl overleed in 1998 aan kanker) bleken na jaren vol onderlinge rechtszaken en weinige vriendelijke commentaren in de media over en weer toch overeen te zijn gekomen om gezamenlijk een wereldtournee te ondernemen en een nieuw album te gaan maken. Dat betekende de hereniging van originele leden Mike Love (die nooit was gestopt met touren als frontman van The Beach Boys, alhoewel de band achter hem inmiddels bestond uit ingehuurde sessiemuzikanten), Brian Wilson (het muzikale brein achter de groep, die sinds 1988 de voorkeur gaf aan zijn solocarrière), Al Jardine (de zanger en gitarist die in 1998 werd ontslagen door Love) en David Marks (de gitarist die in 1963 opstapte na een conflict met toenmalige bandmanager Murry Wilson, om na decennia vol drank- en drugsproblematiek pas eind jaren negentig weer fris en fruitig op te duiken), plus Bruce Johnston, die al sinds 1965 te boek staat als “the new guy”.

Vooraf had ik geen flauw idee wat te verwachten van een nieuw Beach Boys-album. De laatste plaat met nieuw werk, ‘Summer in Paradise’, verscheen in 1992 en was werkelijk bizar slecht, terwijl de groep ook in de late jaren zeventig en de jaren tachtig voornamelijk matige tot slechte platen af had geleverd (met het merkwaardige doch sterke ‘The Beach Boys Love You’ uit 1977 als enige uitzondering). Daar staat tegenover dat Brian Wilson de afgelopen jaren verrassend goede soloplaten uitbracht, met ‘That Lucky Old Sun’ uit 2008 als absoluut hoogtepunt, en dat ook Al Jardine’s recente solowerkje ‘A Postcard from California’ heel degelijk door de beugel kon. Verder vroeg ik me af in welke richting The Beach Boys het voor hun 29e studioalbum zouden gaan zoeken. Terug naar de naïeve, makkelijk verteerbare zomerliedjes uit het begin van hun carrière? Verder op de voet van Wilson’s frisse doch realistisch volwassen ‘That Lucky Old Sun’? Toch weer een paar pogingen om de erg foute comeback-hit ‘Kokomo’ uit 1988 te reproduceren (zoals op ‘Summer in Paradise’)? Of zou er nog een onwaarschijnlijke poging volgen om de magie van de artistieke meer hoogstaande en ambitieuze meesterwerken ‘Pet Sounds’ en ‘Smile’ opnieuw op te wekken? Het antwoord op deze vraag blijkt nu: van alles een beetje.

Het album begint indrukwekkend mooi met het stemmige, woordloze, anderhalve minuut durende ‘Think About the Days’, dat aandoet als het somberdere broertje van het hemelse ‘Our Prayer’, dat in 1966 werd opgenomen als intro voor het album ‘Smile’. De Beach Boys, op de pas 63-jarige Marks na allemaal omstreeks de zeventig, laten hierop (ongetwijfeld met wat digitale hulp, maar soit) de stemmen ouderwets mooi samenvloeien. Hierop volgen drie sterke, vlotte liedjes die na een paar luisterbeurten belachelijk hardnekkig in het hoofd blijven hangen. Allereerst het titelnummer van het album, dat jaren ’50-invloeden verpakt in een fris jasje en voorziet van een bijzonder sterk refrein (waarvan de hoofdmelodie wel verdacht veel lijkt op die van de themasong van de film ‘Midnight Cowboy’). Hierna komt het verrassend hitgevoelig klinkende ‘Isn’t It Time’, een vlot niemendalletje op een relatief kaal muzikaal behang waarin handgeklap en een ukelele de boventoon voeren. ‘Spring Vacation’ komt door de lichtelijk tenenkrommende songtekst in de buurt van de wansmaak, maar klinkt veel te relaxed en zomers om af te schrijven, Marks steelt de show met een dosis heerlijke gitaarriffs en Love slaagt er wonderbaarlijk genoeg in om als 71-jarige te pochen dat hij zijn dagen slijt met “Cruisin’ around, diggin’ the scene” zonder dat hij al te ongeloofwaardig klinkt.

Hierop volgt een klassiek staaltje Brian Wilson-gekte in de vorm van ‘The Private Life of Bill and Sue’, waarin een maf verhaaltje over een reality-TV-duo op een toegankelijk doch niet overdreven hoogstaande track vol quasi-exotische klanken gezet wordt. ‘Shelter’, dat tekstueel doet denken aan de oude hit ‘In My Room’, is op het eerste gehoor niet bijzonder opvallend, maar blijkt een bescheiden groeibriljantje. Hierna kent het album even een dipje als de twee zwakste nummers elkaar opvolgen. Het kitscherige ‘Daybreak over the Ocean’, wederom met een plastic exotisch laagje, is evenals de geflopte single ‘Bluebirds over the Mountains’ uit 1969 een bewerking van het aloude ‘My Bonnie Lies Over the Ocean’. Het nummer is afkomstig van een onuitgebracht soloalbum van Mike Love maar is voor de gelegenheid voorzien van overdubs door de andere Beach Boys. ‘Beaches in Mind’ klinkt als automatische piloot-werk, een Brian Wilson-compositie volgens het boekje maar volstrekt ongeïnspireerd en futloos. ‘Strange World’ zet gelukkig orde op zaken. De in de voorgaande nummers uitvoering bezongen zon lijkt ineens daadwerkelijk door te breken, verwachtingsvol wordt het gevoel gewekt dat er iets heel moois op komst is.

Tot op dit punt is ‘That’s Why God Made the Radio’ een album dat aan de meest voor de hand liggende verwachtingen voldoet. De groep probeert niet om het geluid van oude hits als ‘Fun, Fun, Fun’, ‘Surfin’ USA’ en ‘I Get Around’ te reproduceren, maar werkt desondanks met ongeveer dezelfde formule als in de oude hoogtijdagen: frisse, vlotte, zomerse liedjes met sterke en radiovriendelijke melodieën, met een bewust gekozen naïviteit waarin optimisme voor realisme gaat en waarbij ook het kitscherige niet altijd geschuwd wordt. Kwalitatief is het overwegend niet uitzonderlijk hoogstaand maar zeker aangenaam, een veel lekkerder, frisser en toegankelijker album dan je zou mogen verwachten van een band waarvan de leden al jaren pensioengerechtigd zijn. Dat is dus het oordeel over ‘That’s Why God Made the Radio’. Althans, tot en met ‘Strange World’. Na dit nummer neemt de groep aan de hand van Wilson ineens een opmerkelijk vlucht.

De laatste drie nummers, ‘From There to Back Again’, ‘Pacific Coast Highway’ en ‘Summer’s Gone’ vormen samen een bijna naadloos geheel, een adembenemende suite die rechtstreeks uit de allang drooggevallen gewaande bron lijkt te komen waaruit 46 jaar geleden het majestueuze album ‘Pet Sounds’ verscheen. Ineens is het helemaal terug. De magie, het sprookjesachtige, de bijna onmogelijk mooie melancholie van het album dat in recentere jaren zo vaak de strijd aanging met het beste werk van The Beatles, Bob Dylan en Jimi Hendrix in de overzichten van de beste popplaten aller tijden. Maar waar ‘Pet Sounds’ de observaties bevatte van een jongeman in verschillende fases voor, tijdens en na een prille liefdesrelatie neemt deze nieuwe suite het standpunt in van een oudere man die zijn leven overdenkt en realiseert dat de beste dagen achter hem liggen.

Het drieluik begint met het bitterzoete ‘From There to Back Again’ dat de complexiteit en diversiteit van een compositie van ‘Smile’ combineert met de schoonheid van de arrangementen op ‘Pet Sounds’. De creatieve hoogtijdagen van The Beach Boys klinken plotseling weer akelig dichtbij, alsof de geest van een allang overleden genie z’n opwachting maakt. Al Jardine mag de leadzang voor zijn rekening nemen en klinkt nog opvallend ongeschonden, zijn stem is in een halve eeuw nagenoeg niets veranderd. In de effectieve, aangrijpende songtekst heeft hij het, geheel volgens de bekende Beach Boys-traditie, over een “beautiful day” en een “Pacific Coast getaway”. In de iets minder bekende Beach Boys-traditie staat daar echter ook een flinke portie twijfel en melancholie tegenover: “Thinking about the things we used to do / Thinking about when life was still in front of you”. In het volgende nummer, het frustrerende korte ‘Pacific Coast Highway’ weet Wilson in slechts negen rake regels tekst een filmpje in je hoofd te projecteren. Daarin zie je hem ogenschijnlijk ontspannen in een snelle auto langs de Stille Oceaan scheuren. Terwijl de zon in de zee zakt beseft hij dat zijn leven in dezelfde fase zit als deze dag. De ietwat spookachtige afsluiter ‘Summer’s Gone’ is, zonder te neigen naar zelfplagiaat, onmiskenbaar het muzikale broertje van ‘Caroline, No’, dat in 1966 ‘Pet Sounds’ afsloot. De boodschap is dit keer echter nog wat hartverscheurender: het afscheid van jeugdliefde Caroline maakt nu plaats voor het afscheid van de zomer die synoniem staat voor de vijftig jaren vol onmetelijke pieken en dalen die The Beach Boys door hebben gemaakt. Brian Wilson bekende onlangs in een interview dat hij ‘Summer’s Gone’ vele jaren geleden al schreef en het altijd achter de hand heeft gehouden om het ooit in te zetten als het laatste nummer op het laatste album van zijn band, die voornamelijk bekend werd door odes aan de zomer. Mocht er inderdaad geen volgend album meer komen, dan had de zwanenzang niet beter of gepaster kunnen zijn.

Het afsluitende drieluik zet de tien voorgaande nummers op ‘That’s Why God Made the Radio’ ineens in een heel ander daglicht. Wat een leuk, toegankelijk, doch ietwat oppervlakkig album leek krijgt plotseling een nieuwe dimensie. Pas op het elfde album van de groep uit 1966, ‘Pet Sounds’, openbaarde de diep melancholische geest van het brein achter eerdere zonnige hitjes als ‘I Get Around’, ‘California Girls’ en ‘Little Deuce Coupe’ zich werkelijk. En op dit 29e album doet Brian Wilson eigenlijk op één plaat waar hij in de jaren zestig elf albums voor nodig had.

Ineens zien we Wilson weer in zijn snelle auto langs de oceaan rijden, zoals op ‘Pacific Coast Highway’. De eerste tien liedjes op dit album zijn de nummers die hij vrolijk meefluitend uit zijn autoradio hoort komen. Het zijn de liedjes die mensen van hem willen horen. Ze kunnen ze wederom krijgen, alsjeblieft, pak aan. Op de laatste drie stukken horen we pas wat ondertussen in zijn hoofd omgaat. Het hoofd van een muzikaal genie dat al decennia geleden afgeschreven was, maar pas als hij het einde in zicht ziet laat blijken dat hij slechts een hele lange winterslaap heeft gehouden.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: