Archive for juni, 2012

Concertrecensies: Pearl Jam en Red Hot Chili Peppers

Pearl Jam @ Ziggo Dome, Amsterdam, 26 juni 2012

Terwijl de gloednieuwe Ziggo Dome vol aan het stromen is mogen de culticonen van de punkband X uit Los Angeles een poging wagen om het publiek op te warmen. Zanger/bassist John Doe meldt trots dat zijn groep, die alweer 35 jaar actief is, de eerste band is die mag spelen in deze zaal met 17.000 plaatsen (Marco Borsato mocht eergisteren de daadwerkelijke opening verrichten, maar aangezien hij geen band is heeft Doe technisch gezien gelijk). Het merendeel van het publiek lijkt X te ondergaan als een noodzakelijk kwaad voordat de hoofdact het podium zal betreden (zoals vaak het lot is van een voorprogramma), desondanks hebben de veteranen er duidelijk zin in. De 58-jarige Doe beweegt zich als een jonge hond over zijn stukje podium, zangeres Exene Cervenka lijkt een beetje in haar eigen wereldje te verkeren maar heeft het daar ogenschijnlijk wel naar haar zin en de slow motion-bewegingen en het onophoudelijke grijnzen van gitarist Billy Zoom houden het midden tussen cool en creepy. Pas als Pearl Jam-frontman Eddie Vedder mee komt zingen op afsluiter ‘Devil Doll’ breekt ook in de zaal enig enthousiasme uit.

Als het gaat  om het samenstellen van de setlist, dan is Pearl Jam anders dan de meeste bands. Met een debuutalbum dat inmiddels een klassieker genoemd mag worden (‘Ten’ uit 1991) en een paar handen vol radiohits zou de groep uit Seattle makkelijk een “best of” set samen kunnen stellen waarvan zelfs de gematigde liefhebbers (waar ik mezelf toe reken) het merendeel, al dan niet fonetisch, mee kunnen zingen. Maar dat doen Eddie Vedder & co dus niet. De groep heeft de gewoonte om met hun concerten juist de trouwste fans te belonen, die elk album van voor naar achteren kennen en je alles kunnen vertellen over de meest obscure B-kantjes. Bovendien wil het nog wel eens gebeuren dat de band, op een setlist van zo’n 25 nummers, maar een titel of twee a drie speelt die ook op het lijstje van de vorige avond stond.

Vandaag kan de “casual” fan dan ook tevergeefs wachten op hits als ‘Alive’ en ‘Jeremy’. Wat het publiek in de fraaie Amsterdamse zaal wel te horen krijgt is een mix van bekende en minder bekende nummers van acht van de negen Pearl Jam-albums (alleen ‘Binaural’ uit 2000 wordt overgeslagen), plus covers van Pink Floyd, The Kinks, Wayne Cochran, The Who en Neil Young. En hits zijn er ook heus wel, zoals ‘Given To Fly’, ‘The Fixer’ en de fraaie ballad ‘Just Breathe’. Niet alleen de setlist is goed voor wat verrassinkjes. Voorafgaand aan ‘Elderly Woman Behind the Counter in a Small Town’ houdt Vedder, vanaf een papiertje, een kort praatje in het Nederlands. De Kinks-cover ‘Better Things’ wordt opgedragen aan de kinderen van de band, die vanavond aanwezig zijn. En tijdens Neil Young’s ‘Rockin’ in the Free World’ komen John Doe van X en Jerry Harrison van Talking Heads met tamboerijnen het podium op.

Pearl Jam zou elk optreden ongeveer dezelfde setlist kunnen spelen en episch eindigen met ‘Jeremy’ en ‘Alive’. Het neutrale publiek zou er van smullen en de hondstrouwe fans zouden het ongetwijfeld ook wel pikken. Het is echter prijzenswaardig dat de band kiest voor de moeilijkere weg en dat met volle overtuiging doet, met de spelvreugde, intensiteit en energie van een pas beginnend bandje. Ik herken vanavond het overgrote merendeel van de gespeelde nummers niet, maar dat geeft niet. Het is alsof de band zegt “Hey, we geven je vanavond geen ‘Alive’ of ‘Jeremy’, maar we zullen ons best doen om je er van te overtuigen dat onze andere nummers minstens zo interessant zijn”. Ik mag mezelf geen Pearl Jam-fan noemen, met uitzondering van ‘Ten’ spreken hun albums me daarvoor gewoon niet genoeg aan. Maar na te hebben gezien hoezeer de band z’n eigen fans in de watten legt begin ik dat zowaar een beetje jammer te vinden.

Red Hot Chili Peppers @ Goffertpark, Nijmegen, 28 juni 2012

De volgend jaar alweer dertig jaar bestaande Red Hot Chili Peppers uit Los Angeles geven dit jaar één concert in Nederland, in het Nijmeegse Goffertpark, op het festivalterrein dat reeds ingericht is voor Rockin’ Park dat twee dagen later plaats zal vinden. De fans moeten er wel wat voor over hebben om de groep aan het werk te kunnen zien: er dienen op de heenweg flinke files getrotseerd te worden en eenmaal binnen worden flinke aanslagen op de portemonnee gepleegd: een T-shirtje kost 30 euro, een pilsje 3,90, zelfs voor een kartonnetje waarin je je bekers mee kunt dragen mag 2,60 neergelegd worden. Pittige bedragen voor de mensen die ook al 65 euro betaald hebben voor hun kaartje.

Na de optredens van voorprogramma’s Tinariwen en Triggerfinger betreedt de hoofdact op deze plakkerig warme zomeravond iets voor negen uur het podium. Het eerste deel van de set bestaat uit (relatief) recent materiaal, de eerste zes nummers komen allemaal van de laatste vier albums. Daarna wordt de songkeuze wat avontuurlijker en komen ook de liefhebbers van het werk dat de groep eind jaren tachtig en begin jaren negentig uitbracht wat meer aan hun trekken. Tussen te verwachten hits als ‘Scar Tissue’, ‘Under the Bridge’, ‘Californication’ en ‘By the Way’ komen ook oudjes als ‘Me & My Friends’ en ‘Higher Ground’, en albumtracks als ‘I Could Have Lied’ en ‘Throw Away Your Television’ voorbij.

De band klinkt prima, speelt de nummers vlekkeloos en oogt energiek genoeg (vooral als je bedenkt dat later dit jaar driekwart van de groep Abraham gezien zal hebben). De van een afzichtelijke hangsnor voorziene zanger Anthony Kiedis, niet zelden de zwakste schakel op het podium, is goed bij stem en relatieve nieuwkomer Josh Klinghoffer heeft geen moeite om de grote leegte op te vullen die de mateloos populaire gitarist John Frusciante drie jaar geleden achter heeft gelaten. Bassist Flea en drummer Chad Smith heb ik sowieso nog nooit op minder dan prima werk kunnen betrappen, daar komt vanavond geen verandering in.

Toch weet het optreden niet volledig te overtuigen. De Red Hot Chili Peppers doen hun werk naar behoren, maar dat is het eigenlijk ook wel. Interactie met het publiek is er vrijwel niet. Flea wil zich zo nu en dan wel even tot de menigte richten, maar Kiedis is ronduit afstandelijk en Klinghoffer houdt zich op de achtergrond. De leden staan er niet als zoutzakken bij, maar het echte heilige vuur lijkt te ontbreken. Ze springen op gepaste momenten in het rond, maar het lijkt meer bij hun act te horen dan echt spontaan te zijn. Sommige nummers worden te langzaam gespeeld en klinken ietwat flets. Met name ‘I Could Have Lied’, op plaat toch een erg mooi liedje, slaat volledig dood.

Wat het optreden ook bepaald niet ten goede komt zijn de talloze korte jamsessies. Nu hebben de Peppers die altijd al wel gedaan tijdens hun optredens, maar nu slaan ze erg door, op bijna elk nummer volgt weer een paar minuten richtingloos instrumentaal gepiel. In de toegift is het helemaal raak, deze bestaat uit drie volwaardige nummers, de hits ‘Suck My Kiss’ en ‘Give It Away’ plus de Neil Young-cover ‘Everybody Knows This Is Nowhere’, met daarvoor en daarna een veel te lange jamsessie. Klinghoffer, Flea en Smith en percussionist Mauro Refosco krijgen volop de ruimte om hun kunsten te vertonen, dat is op zich leuk en aardig, maar als je na het optreden beseft dat in de speeltijd van al die jams ook minstens vier extra nummers gespeeld hadden kunnen worden, dan is dat toch een beetje jammer. Nu worden in zo’n twee uur slechts 18 volwaardige nummers gespeeld, wat vooral voor een groep die kan kiezen uit materiaal van tien studioalbums ietwat karig is.

Red Hot Chili Peppers-drummer Chad Smith schijnt een dag voor dit optreden te gast te zijn geweest bij Pearl Jam’s tweede optreden in de Ziggo Dome. Hopelijk deed hij daar genoeg ideetjes en inspiratie op om binnenkort eens met zijn makkers een bandvergadering te houden.

Leave a comment »

That’s Why God Made the Radio

In 2011 was het een halve eeuw geleden dat de meest succesvolle Amerikaanse band aller tijden, The Beach Boys, z’n eerste singletje uitbracht op een klein plaatselijk platenlabeltje (dat de vraag naar dit plaatje niet aankon en daardoor binnen enkele maanden kopje onder ging). Ter gelegenheid hiervan kregen en krijgen de fans enkele cadeaus (al moeten ze daar uiteraard wel royaal de portemonnee voor trekken) waarop ze al jaren of zelfs decennia lang niet meer hadden durven hopen. Dit begon op 1 november 2011, de dag waarop in het Beach Boys-universum Pasen, Pinksteren en Sint Juttemis allemaal samenvielen. Het verloren meesterwerk van de groep, het onvoltooide album ‘Smile’ uit 1967, maakte eindelijk de gang naar de platenzaken. Eerdere meer of minder concrete plannen in 1967, 1972, 1988 en 1997 om het magnum opus van bandleider Brian Wilson het levenslicht te laten zien hadden niets opgeleverd (afgezien van proeftapes die vervolgens al snel opdoken in het bootlegcircuit), dit keer kwam het er echter wel van. En hoe: de meest uitgebreide uitvoering van ‘The Smile Sessions’ was een uitputtende box met onder meer vijf cd’s en twee lp’s.

Er volgde meer nieuws dat deed vermoeden dat er spreekwoordelijk bijzonder koude dagen waren aangebroken in de hel: alle nog levende bandleden (Dennis Wilson verdronk in 1983, zijn broer Carl overleed in 1998 aan kanker) bleken na jaren vol onderlinge rechtszaken en weinige vriendelijke commentaren in de media over en weer toch overeen te zijn gekomen om gezamenlijk een wereldtournee te ondernemen en een nieuw album te gaan maken. Dat betekende de hereniging van originele leden Mike Love (die nooit was gestopt met touren als frontman van The Beach Boys, alhoewel de band achter hem inmiddels bestond uit ingehuurde sessiemuzikanten), Brian Wilson (het muzikale brein achter de groep, die sinds 1988 de voorkeur gaf aan zijn solocarrière), Al Jardine (de zanger en gitarist die in 1998 werd ontslagen door Love) en David Marks (de gitarist die in 1963 opstapte na een conflict met toenmalige bandmanager Murry Wilson, om na decennia vol drank- en drugsproblematiek pas eind jaren negentig weer fris en fruitig op te duiken), plus Bruce Johnston, die al sinds 1965 te boek staat als “the new guy”.

Vooraf had ik geen flauw idee wat te verwachten van een nieuw Beach Boys-album. De laatste plaat met nieuw werk, ‘Summer in Paradise’, verscheen in 1992 en was werkelijk bizar slecht, terwijl de groep ook in de late jaren zeventig en de jaren tachtig voornamelijk matige tot slechte platen af had geleverd (met het merkwaardige doch sterke ‘The Beach Boys Love You’ uit 1977 als enige uitzondering). Daar staat tegenover dat Brian Wilson de afgelopen jaren verrassend goede soloplaten uitbracht, met ‘That Lucky Old Sun’ uit 2008 als absoluut hoogtepunt, en dat ook Al Jardine’s recente solowerkje ‘A Postcard from California’ heel degelijk door de beugel kon. Verder vroeg ik me af in welke richting The Beach Boys het voor hun 29e studioalbum zouden gaan zoeken. Terug naar de naïeve, makkelijk verteerbare zomerliedjes uit het begin van hun carrière? Verder op de voet van Wilson’s frisse doch realistisch volwassen ‘That Lucky Old Sun’? Toch weer een paar pogingen om de erg foute comeback-hit ‘Kokomo’ uit 1988 te reproduceren (zoals op ‘Summer in Paradise’)? Of zou er nog een onwaarschijnlijke poging volgen om de magie van de artistieke meer hoogstaande en ambitieuze meesterwerken ‘Pet Sounds’ en ‘Smile’ opnieuw op te wekken? Het antwoord op deze vraag blijkt nu: van alles een beetje.

Het album begint indrukwekkend mooi met het stemmige, woordloze, anderhalve minuut durende ‘Think About the Days’, dat aandoet als het somberdere broertje van het hemelse ‘Our Prayer’, dat in 1966 werd opgenomen als intro voor het album ‘Smile’. De Beach Boys, op de pas 63-jarige Marks na allemaal omstreeks de zeventig, laten hierop (ongetwijfeld met wat digitale hulp, maar soit) de stemmen ouderwets mooi samenvloeien. Hierop volgen drie sterke, vlotte liedjes die na een paar luisterbeurten belachelijk hardnekkig in het hoofd blijven hangen. Allereerst het titelnummer van het album, dat jaren ’50-invloeden verpakt in een fris jasje en voorziet van een bijzonder sterk refrein (waarvan de hoofdmelodie wel verdacht veel lijkt op die van de themasong van de film ‘Midnight Cowboy’). Hierna komt het verrassend hitgevoelig klinkende ‘Isn’t It Time’, een vlot niemendalletje op een relatief kaal muzikaal behang waarin handgeklap en een ukelele de boventoon voeren. ‘Spring Vacation’ komt door de lichtelijk tenenkrommende songtekst in de buurt van de wansmaak, maar klinkt veel te relaxed en zomers om af te schrijven, Marks steelt de show met een dosis heerlijke gitaarriffs en Love slaagt er wonderbaarlijk genoeg in om als 71-jarige te pochen dat hij zijn dagen slijt met “Cruisin’ around, diggin’ the scene” zonder dat hij al te ongeloofwaardig klinkt.

Hierop volgt een klassiek staaltje Brian Wilson-gekte in de vorm van ‘The Private Life of Bill and Sue’, waarin een maf verhaaltje over een reality-TV-duo op een toegankelijk doch niet overdreven hoogstaande track vol quasi-exotische klanken gezet wordt. ‘Shelter’, dat tekstueel doet denken aan de oude hit ‘In My Room’, is op het eerste gehoor niet bijzonder opvallend, maar blijkt een bescheiden groeibriljantje. Hierna kent het album even een dipje als de twee zwakste nummers elkaar opvolgen. Het kitscherige ‘Daybreak over the Ocean’, wederom met een plastic exotisch laagje, is evenals de geflopte single ‘Bluebirds over the Mountains’ uit 1969 een bewerking van het aloude ‘My Bonnie Lies Over the Ocean’. Het nummer is afkomstig van een onuitgebracht soloalbum van Mike Love maar is voor de gelegenheid voorzien van overdubs door de andere Beach Boys. ‘Beaches in Mind’ klinkt als automatische piloot-werk, een Brian Wilson-compositie volgens het boekje maar volstrekt ongeïnspireerd en futloos. ‘Strange World’ zet gelukkig orde op zaken. De in de voorgaande nummers uitvoering bezongen zon lijkt ineens daadwerkelijk door te breken, verwachtingsvol wordt het gevoel gewekt dat er iets heel moois op komst is.

Tot op dit punt is ‘That’s Why God Made the Radio’ een album dat aan de meest voor de hand liggende verwachtingen voldoet. De groep probeert niet om het geluid van oude hits als ‘Fun, Fun, Fun’, ‘Surfin’ USA’ en ‘I Get Around’ te reproduceren, maar werkt desondanks met ongeveer dezelfde formule als in de oude hoogtijdagen: frisse, vlotte, zomerse liedjes met sterke en radiovriendelijke melodieën, met een bewust gekozen naïviteit waarin optimisme voor realisme gaat en waarbij ook het kitscherige niet altijd geschuwd wordt. Kwalitatief is het overwegend niet uitzonderlijk hoogstaand maar zeker aangenaam, een veel lekkerder, frisser en toegankelijker album dan je zou mogen verwachten van een band waarvan de leden al jaren pensioengerechtigd zijn. Dat is dus het oordeel over ‘That’s Why God Made the Radio’. Althans, tot en met ‘Strange World’. Na dit nummer neemt de groep aan de hand van Wilson ineens een opmerkelijk vlucht.

De laatste drie nummers, ‘From There to Back Again’, ‘Pacific Coast Highway’ en ‘Summer’s Gone’ vormen samen een bijna naadloos geheel, een adembenemende suite die rechtstreeks uit de allang drooggevallen gewaande bron lijkt te komen waaruit 46 jaar geleden het majestueuze album ‘Pet Sounds’ verscheen. Ineens is het helemaal terug. De magie, het sprookjesachtige, de bijna onmogelijk mooie melancholie van het album dat in recentere jaren zo vaak de strijd aanging met het beste werk van The Beatles, Bob Dylan en Jimi Hendrix in de overzichten van de beste popplaten aller tijden. Maar waar ‘Pet Sounds’ de observaties bevatte van een jongeman in verschillende fases voor, tijdens en na een prille liefdesrelatie neemt deze nieuwe suite het standpunt in van een oudere man die zijn leven overdenkt en realiseert dat de beste dagen achter hem liggen.

Het drieluik begint met het bitterzoete ‘From There to Back Again’ dat de complexiteit en diversiteit van een compositie van ‘Smile’ combineert met de schoonheid van de arrangementen op ‘Pet Sounds’. De creatieve hoogtijdagen van The Beach Boys klinken plotseling weer akelig dichtbij, alsof de geest van een allang overleden genie z’n opwachting maakt. Al Jardine mag de leadzang voor zijn rekening nemen en klinkt nog opvallend ongeschonden, zijn stem is in een halve eeuw nagenoeg niets veranderd. In de effectieve, aangrijpende songtekst heeft hij het, geheel volgens de bekende Beach Boys-traditie, over een “beautiful day” en een “Pacific Coast getaway”. In de iets minder bekende Beach Boys-traditie staat daar echter ook een flinke portie twijfel en melancholie tegenover: “Thinking about the things we used to do / Thinking about when life was still in front of you”. In het volgende nummer, het frustrerende korte ‘Pacific Coast Highway’ weet Wilson in slechts negen rake regels tekst een filmpje in je hoofd te projecteren. Daarin zie je hem ogenschijnlijk ontspannen in een snelle auto langs de Stille Oceaan scheuren. Terwijl de zon in de zee zakt beseft hij dat zijn leven in dezelfde fase zit als deze dag. De ietwat spookachtige afsluiter ‘Summer’s Gone’ is, zonder te neigen naar zelfplagiaat, onmiskenbaar het muzikale broertje van ‘Caroline, No’, dat in 1966 ‘Pet Sounds’ afsloot. De boodschap is dit keer echter nog wat hartverscheurender: het afscheid van jeugdliefde Caroline maakt nu plaats voor het afscheid van de zomer die synoniem staat voor de vijftig jaren vol onmetelijke pieken en dalen die The Beach Boys door hebben gemaakt. Brian Wilson bekende onlangs in een interview dat hij ‘Summer’s Gone’ vele jaren geleden al schreef en het altijd achter de hand heeft gehouden om het ooit in te zetten als het laatste nummer op het laatste album van zijn band, die voornamelijk bekend werd door odes aan de zomer. Mocht er inderdaad geen volgend album meer komen, dan had de zwanenzang niet beter of gepaster kunnen zijn.

Het afsluitende drieluik zet de tien voorgaande nummers op ‘That’s Why God Made the Radio’ ineens in een heel ander daglicht. Wat een leuk, toegankelijk, doch ietwat oppervlakkig album leek krijgt plotseling een nieuwe dimensie. Pas op het elfde album van de groep uit 1966, ‘Pet Sounds’, openbaarde de diep melancholische geest van het brein achter eerdere zonnige hitjes als ‘I Get Around’, ‘California Girls’ en ‘Little Deuce Coupe’ zich werkelijk. En op dit 29e album doet Brian Wilson eigenlijk op één plaat waar hij in de jaren zestig elf albums voor nodig had.

Ineens zien we Wilson weer in zijn snelle auto langs de oceaan rijden, zoals op ‘Pacific Coast Highway’. De eerste tien liedjes op dit album zijn de nummers die hij vrolijk meefluitend uit zijn autoradio hoort komen. Het zijn de liedjes die mensen van hem willen horen. Ze kunnen ze wederom krijgen, alsjeblieft, pak aan. Op de laatste drie stukken horen we pas wat ondertussen in zijn hoofd omgaat. Het hoofd van een muzikaal genie dat al decennia geleden afgeschreven was, maar pas als hij het einde in zicht ziet laat blijken dat hij slechts een hele lange winterslaap heeft gehouden.

Leave a comment »

When you’ve got so much to say…

8 September 1994, de Radio City Music Hall in New York. Green Day is net klaar met spelen als de enorme draaischijf waar de band op staat 180 graden draait en plaats maakt voor de volgende act. Het zijn de Beastie Boys, de groep die dertien jaar eerder in deze stad werd opgericht als hardcore-punkband en vijf jaar daarna wereldberoemd werd als rapgroep. Inmiddels zijn Adam Horovitz (alias Adrock), Michael Diamond (Mike D) en Adam Yauch (MCA) alweer enkele transformaties verder. De kale beats met metalsamples zijn al lang verdwenen, de stompzinnige, seksistische macho-houding gelukkig ook. Dat wil zeker niet zeggen dat de New Yorkers vanavond subtiel en gezapig voor de dag zullen komen. In tegendeel. De Beastie Boys, als wiseguys uit een B-film gestoken in te ruime pakken met enorme schoudervullingen en donkere zonnebrillen, spelen hun nieuwe single ‘Sabotage’, die een aanslag op de trommelvliezen is en een grote “fuck you” richting elke muziekleraar die ooit een beginnend muzikant wijs heeft gemaakt dat je je maar beter kunt houden aan de gangbare muziektheorieën.

Adrock staat er bij als een opgefokte kwajongen. Zijn schelle geschreeuw gaat door merg en been, terwijl hij het ene akkoord waar het nummer uit bestaat maar half indrukt op zijn gitaarhals, zodat de hoge zoemtoon ontstaat waarmee gitaristen doorgaans checken of hun gitaar nog gestemd staat. MCA staat schuin achter hem, koel en ingetogen als altijd. Hij rammelt op zijn hoog opgehangen bas alsof het een gitaar is en door de enorme bak distortie vallen er nauwelijks individuele noten in zijn spel te onderscheiden. Intussen gaan drummer Mike D en percussionist Eric Bobo als bezetenen hun drumvellen te lijf en doen toetsenist Mark Nishita en scratcher DJ Hurricane hun best om de geluidsbrei nog wat chaotischer te maken. Als het nummer afgelopen is smijt Adrock achteloos zijn gitaar af en laat hij het instrument, zonder het een blik waardig te gunnen, hard op de grond kletteren. Hij steekt beide middelvingers op, terwijl MTV overschakelt naar maar weer een reclameblok. Op papier zou het resultaat van dit nog geen drie minuten durende optreden van de Beastie Boys niet om aan te horen moeten zijn, maar in de praktijk is ‘Sabotage’ één van de meest aanstekelijke nummers van de jaren negentig. Ik zie het als 15-jarige allemaal aan op het kleine oude zwart-wit-TV-tje op mijn slaapkamer en vind het geweldig, misschien wel de meest indrukwekkende tv-uitzending die ik gezien heb sinds de EK-finale van zes jaar eerder.

Enkele maanden later is het 5 december. Sinterklaas heeft navraag gedaan bij mijn neef Martijn, die kortstondig mijn gitaarleraar geweest is en daardoor wel op de hoogte is van mijn veranderende muzikale interesses. Zodoende zit in één van mijn pakjes de CD ‘Ill Communication’ van de Beastie Boys. Mooi, die stond al enige tijd bovenaan op mijn verlanglijstje. Ik verwacht een album vol nummers in het straatje van ‘Sabotage’, maar kom wat dat betreft bedrogen uit. Ik krijg een hoogst eclectische mix te horen met onder meer jazzy hip hop, broeierige instrumentale funk, rauwe hardcore punk, Boeddhistisch monnikengezang en klagende violen. Maar ik ben geen moment teleurgesteld. Sterker nog, ik zal het album ruim een jaar lang letterlijk elke dag draaien. Er is geen tweede ‘Sabotage’ te vinden op ‘Ill Communication’, maar toch heeft het album als geheel iets gemeen met het nummer dat in eerste instantie mijn aandacht trok. Op papier hoort het allemaal niet te kloppen en zou het een onbeluisterbare bende moeten zijn. En niemand zal de groep briljante gaven op het gebied van songwriting, instrumentbeheersing of vocale capaciteiten toedichten. Maar de Beastie Boys doen gewoon wat opkomt in hun vindingrijke, enthousiaste en ogenschijnlijk nonchalant coole breinen en in de praktijk valt alles op z’n plaats. Het is een explosie van creativiteit die nauwelijks te weerstaan is en achteloos lacht om muzikanten die rekening houden met genres, doelgroepen en richtingen.

‘Ill Communication’ zorgt, meer dan welk album dat mij ooit ter oren gekomen is, voor een aardverschuiving in mijn muzikale ontwikkeling. De Beastie Boys trekken me resoluut het muzikale heden in en wekken mijn interesse in de alternatieve muziek van mijn eigen tijd. Binnen een week verdwijnen mijn CD’s met primitieve rock ‘n’ roll en zwijmelende 60’s-liedjes in een doos onder mijn bed en wordt de vrijgekomen plank langzaam maar zeker gevuld met CD’s van crossoverbands als Rage Against The Machine, Red Hot Chili Peppers en Dog Eat Dog, alternatieve rockbands als Nirvana, Pearl Jam en Therapy?, punkbands als NOFX, No Use For A Name en Lagwagon, hardcorebands als Ignite, Gorilla Biscuits en Youth Of Today, hiphopgroepen als Osdorp Posse en Cypress Hill…

4 Mei 2012 overleed MCA, Adam Yauch, op 47-jarige leeftijd aan kanker. Wellicht het beste baslijntje dat hij in zijn leven bedacht zat in het nummer ‘Gratitude’ op het album ‘Check Your Head’ uit 1992. Evenals deze woorden waarmee ik wil concluderen.

When you’ve got so much to say it’s called gratitude
And that’s right

Comments (1) »