De bus

In 2004, toen ik al 25 jaar oud was, haalde ik na acht praktijkexamens eindelijk mijn rijbewijs. Destijds had ik alles bij elkaar opgeteld al een dikke zes jaar lang vijf dagen per week naar Eindhoven moeten reizen voor school, stage of werk. Over een retourtje Reusel – Eindhoven met de bus doe je zo’n 100 minuten. Ruw geschat heb ik in die zes jaar een kleine 2500 uur in de bus doorgebracht. Elke keer weer dezelfde route in lijn 149 of 150 over de N284 langs Bladel, Hapert, Duizel en Eersel en dan via Steensel en Veldhoven naar Eindhoven. Het zal overbodig zijn om te vermelden dat ik dolblij was om niet meer afhankelijk te zijn van de bus toen ik eenmaal mijn roze papiertje op zak had. Het zou zelfs best kunnen dat ik destijds gezworen heb om nooit meer een voet in een bus te zetten.

De afgelopen zes jaar heb ik zes rondreizen gemaakt. Gedurende die zes reizen heb ik overnacht in 42 plaatsen verspreid over heel Egypte, Cuba, zuidelijk Mexico, Guatemala, Jordanië en Marokko. Dat betekende wederom heel erg veel in de bus zitten. Alhoewel de busritten een noodzakelijk kwaad zijn tijdens de reizen heb ik ze toch nooit echt vervelend gevonden. Je ziet vaak de meest bijzondere uitzichten aan je voorbij trekken. Je vangt een glimp op van de gewone dorpjes en stadswijken die niet belangrijk genoeg zijn voor het reisprogramma. Soms rij je ineens een wereld binnen die je nooit eerder gezien hebt. Je hebt in het vaak vrij drukke programma tijd om wat te lezen, je iPod op te zetten, je reisdagboek bij te werken, even in te dutten. En eigenlijk is het ook altijd wel gezellig. Je zit met zo’n 15 tot 25 mensen bij elkaar, iedereen is in een vakantiestemming en wil het beste maken van de noodzakelijke reistijd. Soms is de busrit een hoogtepuntje op zichzelf.

Verhalen over hoe indrukwekkend de Piramides van Giza, de Schatkamer van Petra of de Mayastad Tikal zijn kun je overal op het internet al vinden. Daarom nu eens wat reisverhalen vanuit de bus.

Vrijdag 7 juli 2006: van José Martí International Airport naar Havana Vieja. Toen ik vanochtend, alweer twintig uur geleden, in mijn eigen bed wakker werd had ik in mijn hele leven pas twee keer gevlogen, had ik nog nooit een oceaan overgestoken en was ik sowieso pas één keer buiten Europa geweest. Nu zit ik terwijl de schemering valt in een bus, waarin ik niemand van de andere passagiers ken (stomtoevallig op één vrouw na, die ik jaren geleden een paar weken als collega gehad heb) en rijden we door de hoofdstad van een tropisch warme communistische dictatuur in Midden-Amerika. We komen net van het vliegveld, waar het geen pretje was. We hebben drie uur in de rij gestaan voor de douane, er was een opstootje in de rij langs de onze en de mensen achterin begonnen na een tijdje ophitsend te klappen in de hoop dat de douaniers er sneller door zouden gaan werken. Tevergeefs. Terwijl we door Havana rijden blijkt de stad er precies zo uit te zien als je zou verwachten. De beloftes in reisgidsen en de geldende stereotypes zijn niet overdreven. De Amerikaanse oldtimers die elk moment uit elkaar lijken te kunnen vallen rijden hier echt in grote getale rond, samen met vierkante Oost-Europese autootjes. Onderweg lezen we dat de Amerikaanse president George W. Bush een ‘asesino’ en een ‘terrorista’ is, niet in graffiti op een smoezelig muurtje maar op een professioneel vervaardigd billboard. De bekende logo’s in neonlicht van westerse multinationals als McDonald’s en Coca-Cola waar we in onze stadsbeelden zo aan gewend zijn schitteren hier door aanwezigheid. Wel zien we plotseling een ander wereldberoemd beeldmerk opdoemen. De bekende gestileerde tekening van Ché Guevara is in tientallen meters hoog staal bevestigd aan de gevel van een gebouw waarin, zo komen we later te weten, het ministerie van binnenlandse zaken gevestigd is. We zijn op weg naar ons hotel dat een toeristische attractie op zich is, omdat de legendarische schrijver Ernest Hemingway er een tijdje woonde en er begon met het schrijven van zijn klassieker ‘For Whom the Bell Tolls’. Het hotel heet Ambos Mundos, beide werelden. Toepasselijk, het voelt alsof ik me nu in een andere wereld bevindt dan vanochtend.

Zondag 18 mei 2008: van Chetumal naar Flores. De grensovergang van Belize naar Guatemala was weer een heel gedoe. We moesten allemaal uitstappen, het controleren van de paspoorten duurde een hele tijd en bovendien moesten we vijftien Amerikaanse dollars per persoon betalen om Belize uit te mogen. Officieel is dit een vierlandentrip door Mexico, Belize, Guatemala en Honduras, maar Belize heeft niet echt een plek in ons reisprogramma. We hebben er niet overnacht en geen echte bezienswaardigheden bezocht, eigenlijk hebben we er alleen een ochtend en een halve middag doorheen gereden met onderweg een paar pitstops. Maar die busrit was wel een avontuur op zich. Het begon met nòg meer gedoe bij de grens dan zojuist. Dat duurde zeker een half uur, waarin we onder meer met handbagage èn koffers uit de bus moesten stappen om daarmee door een gebouwtje van de douane heen te lopen. Wat het nut daarvan was ontging me, omdat de bagage op geen enkele wijze gecontroleerd werd. Tijdens de rit door de prachtige natuur van Belize, een landje aan de Carribische Zee dat voorheen British Honduras heette en zo’n 300.000 inwoners telt, vallen verschillende dingen op. Ten eerste dat men er erg religieus en ook vrij conservatief is. Op talloze muren en auto’s staan jubelende teksten over Jesus Cristo geschilderd en ook anti-abortus-leuzen kom je vaak tegen. Daarnaast is het opvallend hoe geïmproviseerd alles er hier uitziet. Op het balkon van een politiebureau hangt het wasgoed van een hele familie te drogen. Een huis met twee antieke flipperkasten in de woonkamer wordt aangeprezen als “game arcade”. Scholen, vaak gewoon in een open veld gevestigd, zijn doorgaans gebouwtjes die bestaan uit niets meer dan twee of drie lokaaltjes met een losstaand houten toilethokje. We hebben onderweg een korte stop gemaakt in een plaatsje met de naam Orange Walk Town. Een onbeduidend dorpje met een uitstorven pleintje in het centrum, waar weinig meer te zien was dan een stervormig fonteintje en een bankje met een paar oude mannetjes. Ik heb zojuist in mijn reisgids Orange Walk Town opgezocht, ik verwachtte niet echt dat zo’n onbenullig dorpje er in zou staan. Het blijkt met 13.000 inwoners de op één na grootste stad van het land te zijn.

Dinsdag 19 juli 2005: van Hurghada naar Luxor. Alhoewel het inmiddels aardedonker is, is het buiten nog altijd benauwd warm. Ruim boven de dertig graden, met een licht briesje dat voelt alsof er een föhn op je gezicht gericht staat. In de bus is het door de airconditioning aangenaam. We zijn afgelopen avond geland in de Egyptische badplaats Hurghada. Het was voor mij de eerste keer vliegen en het is nu mijn eerste keer buiten Europa. De eerste indrukken van Egypte moesten echter nog even op zich laten wachten. Niet alleen omdat het donker was, ook omdat er simpelweg niets te zien was. Het gebied tussen Hurghada en Luxor is niemandsland in de zuiverste zin van het woord. Om de zoveel tijd komt je een wegrestaurantje tegen, verder zie je helemaal geen gebouwen en zelfs nauwelijks begroeiing. Zand en rotsen is alles wat je ziet. Ik kan me nauwelijks voorstellen hoe het leven van de mensen die in zo’n wegrestaurantje werken er uit moet zien. Mede omdat hier zo weinig mensen zijn reden we achter een politiewagen die ons tot Luxor escorteerde. De agenten in de wagen zijn bewapend met machinegeweren. Onbeschermd zou een bus vol toeristen met camera’s en vakantiegeld hier een te aantrekkelijk en bovendien te makkelijk doelwit zijn. Nu rijden we door de stad Luxor. Het is na middernacht, maar de stad leeft nog volop. Er lopen nog heel veel mensen over straat, op veel plaatsen zien je tafels op de stoep staan waaraan bordspelletjes gespeeld worden, je ziet zelfs nog een hoop kinderen buiten spelen. Aan de activiteiten te zien lijkt het of het eigenlijk middag is maar iemand plotseling het licht uit heeft gedaan. Door de verzengende hitte ’s nachts heeft men het dagelijks leven maar verplaatst naar de nacht.

Woensdag 13 juni 2007: van San Cristóbal de las Casas naar Tehuantepec. We zijn vandaag vertrokken uit de regio rond San Cristóbal de las Casas, de Mexicaanse stad die in de jaren negentig nog bezet werd door bewapende rebellen van het Zapatistische bevrijdingsleger. Dat de Zapatisten geliefd zijn onder de bevolking is wel duidelijk. Bij tankstations worden poppetjes en T-shirts verkocht van Subcomandante Marcos, de leider van de beweging, en op verschillende gebouwen staat de boodschap dat we ons in het Zapatistengebied bevinden te lezen. Deze rebellen houden zich al een hele tijd aardig gedeisd, in het gebied waar we nu naartoe gaan is het echter een stuk minder rustig. Onze plaats van bestemming, Tehuantepec, wordt momenteel bezet door burgers die protesteren tegen de regering. Alle toegangswegen naar de stad zijn afgezet. We reden er, met een lichtelijk gestresst telefonerende reisleidster, toch maar naartoe en hoopten dat we toch op één of andere manier bij ons hotel konden komen. Onderweg werden we staande gehouden door een groepje militairen. Een jonge soldaat, amper twintig waarschijnlijk, kwam de bus binnen met een blik alsof hij ons stuk voor stuk zag als potentiële terroristen. Alle handbagage werd doorzocht op wapens en drugs. Toen we aankwamen bij Tehuantepec bleek inderdaad de weg te zijn gebarricadeerd. We hadden echter geluk, we kwamen al vrijwel direct een motoragent tegen, die ons over een sluiproute zou leiden. Deze route liep over een zandweggetje door de woonwijken. Even werd het spannend toen we een steile helling van los zand moesten beklimmen. De vrachtwagenchauffeur voor ons durfde het eigenlijk niet aan en stond een tijdje aarzelend voor de helling. Uiteindelijk beklom hij heel moeizaam de helling. Daarna waren wij aan de beurt. Onze Mexicaanse buschauffeur zag er volkomen onbewogen uit. Hij gaf een keer goed gas en scheurde zonder met zijn ogen te knipperen de helling op.

Zaterdag 31 mei 2008: van Eindhoven naar Reusel. Ik zit in lijn 150, voor mij al sinds een jaar of twaalf zo’n beetje hèt symbool van dagelijkse sleur. Nu zit ik hier echter met een cultuurshock van jewelste. Vanochtend ben ik nog wakker geworden in Chichen Itza, Mexico. Officieel was het niet vanochtend, het is immers alweer zo’n 25 uur geleden, maar omdat ik sindsdien geen minuut meer heb geslapen zijn de afgelopen 25 uur in mijn beleving één lange dag geweest. Die dag begon met een ontbijt in het hotel, gevolgd door een excursie naar de Maya-ruïnes van Chichen Itza, waarvan de wereldberoemde piramide behoort tot de zeven “nieuwe” wereldwonderen. Daarop hebben we de sprookjesachtige cenote van Ik Kil nog bezocht. Toen volgenden een busrit naar de badplaats Cancun, een vlucht naar Amsterdam en een treinreis naar Eindhoven. En nu zit ik dus in de bus naar Reusel. De afgelopen 18 dagen heb ik met mijn vaste groepje reisgenoten ruim 3500 kilometer afgelegd door het zuidoosten van Mexico, Belize, Guatemala en Honduras. Nu leg ik in m’n eentje de mij overbekende laatste dertig kilometer af tussen Eindhoven en Reusel en zit ik tussen mensen die zijn gaan winkelen, werken of wat dan ook. Alsof het vandaag een gewone dag is, als alle anderen. Vanochtend zag ik in Midden-Amerika nog één van de wereldwonderen. Nu zie ik door de ramen van de bus de flatgebouwen aan de Karel de Grotelaan die ik inmiddels blind uit kan tekenen.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: