Archive for augustus, 2011

Het afscheid van Tommy, Jake, Aad en de rest

“Vroeger” had ik in meerdere steden een vaste route langs de betere cd- en platenzaken. Een route die ik eens in de zoveel tijd aflegde en waar ik dan een hele middag over kon doen.

Elke winkel had z’n eigen sfeer, karakter, specialiteiten en plus- en minpunten. Naar het ene adres ging ik vooral voor de punk- en hardcore-cd’s, naar het andere voor het obscure werk uit de jaren zestig, naar weer een andere voor de koopjes, omdat je er alle recente releases kon vinden, of omdat er een grote vinylafdeling was.

De laatste jaren zijn mijn vaste routes echter heel drastisch ingekort of zelfs helemaal verdwenen. Vaker dan me lief is kwam het voor dat ik naar één van mijn favoriete winkels liep en rechtsomkeer kon maken omdat het pand ineens leeg bleek te staan, of dat er zelfs al een kleding- of schoenenzaak in zat.

Ik had routes in Eindhoven, Tilburg, Amsterdam, Utrecht, Den Bosch, Breda en Antwerpen, meestal ging ik naar één van die eerste drie steden.

In Eindhoven begon ik in de Kleine Berg bij de CD-Theek, een heerlijk rommelig zaakje waar je nog lekker ouderwets op speurtocht kon gaan naar goedkope nieuwe en tweedehands cd’s en platen. Schuin daar tegenover kwam op den duur Bullit te zitten (nadat deze zaak eerder te vinden was in een veel gezelliger hol aan het Stratumseind), een vrij grote cd- en platenzaak die een tikkeltje aan de dure kant was maar waar je wel bijna alles kon vinden, waar bovendien personeel werkte met erg veel muziekkennis. Weer een stukje verderop aan de Kleine Berg zat Memory, een krap muziekzaakje met een erg beperkt assortiment maar wel behoorlijk goedkope cd’s en ook wat memorabilia. De niet erg vriendelijke eigenaar moest je op de koop toe nemen. Soms liep ik ook nog even naar Mark Foggo’s Skanky ‘Lil aan de Sint Catharinastraat, een piepklein, goed verstopt winkeltje dat geheel in het teken stond van punk, hardcore, oi, ska en aanverwanten. Daarna ging ik nog even naar het centrum. Eerst naar Jake’s, een iets te dure winkel met een iets te smal assortiment, waar ik zelden wat kocht maar toch altijd even naar binnen ging. En daarna ook even naar Van Leest, niet echt een winkel voor de fijnproever, maar toch de moeite waard vanwege de bakken met drie cd’s of dvd’s voor 25 euro.

Jake’s en Skanky ‘Lil bestaan al jaren niet meer. De Van Leest stond ineens leeg toen ik er vorige week naartoe wilde gaan. Bullit is verkast naar een veel kleiner winkeltje verder uit het centrum. Memory zit tegenwoordig ook op een minder gunstige locatie. Alleen de CD-Theek zit nog op z’n oude plek.

In Amsterdam begon ik in de Haringpakkerssteeg, vlakbij het Centraal Station, bij de Boudisque, dat in een vreemd taartpuntvormig gebouw zat. Het pand bestond uit meerdere ruimtes, waarvan er één geheel aan hardcore, punk en metal gewijd was. Daarna door richting De Dam, naar de Fame Megastore aan het begin van de Kalverstraat. Een gigantische winkel met een enorm, doch wel een beetje duur, assortiment aan cd’s en dvd’s in alle denkbare genres en daarnaast ook veel tafels vol koopjes. Vervolgens door de Kalverstraat naar de Independent Outlet aan de Vijzelstraat, een skatewinkel annex cd- en platenzaak waar vrijwel elke punk- en hardcoreklassieker te vinden was op cd en/of vinyl (en waar je door de verkoper getrakteerd kon worden op een minachtende opmerking over je muzieksmaak). Dan nog een stukje verder lopen naar de Utrechtsestraat naar Concerto, wellicht dat meest complete onafhankelijke platenzaak van Nederland. Even verderop in dezelfde straat zat Get Records, waar je terecht kon voor obscuurdere cd’s die je nergens anders kon vinden.

De Boudisque en Get Records zijn verdwenen. Vandaag werd bekend gemaakt dat de Fame Megastore sluit in februari 2012. De muziekafdeling van Independent Outlet zit nu verstopt in de kelder. Concerto zit er nog wel.

In Tilburg begon ik altijd in de Telefoonstraat bij Aad’s Platenzaak. Een klein, krap cd-zaakje met een heel erg aanwezige eigenaar wiens luide stem non-stop de muziek overstemde. Zijn assortiment was erg beperkt dus moest je er niet gericht naar iets gaan zoeken, maar de cd’s die hij wèl had vond je nergens goedkoper. Daarna ging ik via de Korte Tuinstraat door naar de Nieuwlandstraat, naar Tommy, een redelijk complete cd-zaak waar je ook terecht kon voor de obscuurdere en oudere titels, goedkope tweedehands cd’s en vinyl. Echt een zaak waar de liefhebber minstens een uurtje voor nodig had. Een eindje verderop aan de andere kant van de straat zat Sounds, lekker compleet op het gebied van de recentere releases, met altijd een hoop interessante aanbiedingen, veel vinyl en bovendien zeer vriendelijk personeel. Ten slotte ging ik ook hier altijd even naar de Van Leest.

Aad’s Platenzaak zit nu buiten het centrum en is nog drie middagen per week open. Tommy’s bestaat niet meer. Sounds zit er nog wel. De Van Leest is een Free Record Shop geworden, wat wil zeggen: meer games en gadgets, minder cd’s.

Elke keer als er weer één van mijn favoriete platenzaken blijkt ze zijn verdwenen doet dat een beetje pijn. Niet alleen omdat de koopopties weer wat beperkter worden. Met elke goede platenzaak die verdwijnt, verdwijnt ook de sfeer en het karakter ervan.

Voor een verzamelaar is het zoeken minstens zo leuk als het vinden. Dan is de omgeving waarin je platen zoekt toch niet geheel onbelangrijk. Die omgeving, die context, mis je bij het online kopen. Voor een muziekliefhebber is een goede platenzaak een paradijs, waar het gewoon leuk is om te zijn, ook als je niet specifiek iets zoekt. Zonder dramatisch te willen doen: als je twee keer een half uur in de auto en twee uur in de trein gaat zitten voor een paar platenzaken in Amsterdam die in principe niets hebben wat Bol.com niet eveneens kan leveren, dan kun je toch wel spreken van iets dat meer is voor je dan slechts een winkel.

Helaas ben ik zelf ook onderdeel van het probleem van de platenzaken. Ik kom er namelijk lang niet zo vaak meer als voorheen. Deels is dat goed omdat ik een stuk selectiever ben geworden met het kopen van muziek, misschien ben ik zelfs wel een beetje verzadigd, waardoor ik nu een wat gezonder uitgavenpatroon heb. Wel vind ik het jammer dat ik gewoon niet zo vaak meer zin heb om op cd- en platenjacht te gaan. Voor één of twee platenzaken pak je immers niet zo snel meer de auto of de trein als voor vier. Sowieso is de kans nu groter dat ik niet kan vinden wat ik zoek. Steeds vaker kies ik nu voor de gemakkelijke, klinische weg en ga ik naar Bol.com. Daar kun je dezelfde cd’s kopen, maar het hele zoekproces, dat ik zie als een hobby op zich, ontbreekt.

Ik vind het nog steeds heerlijk om zo nu en dan één of twee uur door te brengen in een goede platenzaak. Alhoewel ik dat dus niet zo heel vaak meer doe hoop ik wel dat ik nog lang op z’n minst de optie zal blijven houden. Ik zou het in elk geval heel erg jammer vinden als ik binnenkort ook op de Nieuwlandstraat 33 in Tilburg, de Utrechtsestraat 52-60 in Amsterdam of de Kleine Berg 52 in Eindhoven een nieuwe kledingboutique aantref.

Advertenties

Comments (2) »

Van Surfin’ Safari tot Brian Wilson Reimagines Gershwin

Sinds een jaar of zeven ben ik een grote fan van The Beach Boys. Vooral vanwege de discografie van de band. Dat klinkt natuurlijk logisch, maar het zijn niet alleen hun goede platen die dit voor mij zo’n interessante band maken. Het totaalplaatje met alle hoge pieken en diepe dalen, inclusief de prachtige, de vreemde, de afwijkende, de ondergewaardeerde maar ook de mislukte en de gewoon ronduit hondsberoerde platen, fascineert mij enorm.

Het vroege werk, de muziek waar het grote publiek The Beach Boys voornamelijk van kent, is overwegend opgewekt en catchy. Nummers als ‘I Get Around’, ‘Surfin’ USA’ en ‘Fun, Fun, Fun’ zijn primitief vergeleken bij wat later zou komen, maar bijna vijftig jaar later werken ze desondanks nog net zo goed als op de dag dat ze uitkwamen. Luister naar de eerste tien Beach Boys-albums (uitgebracht in slechts een dikke drie jaar tijd) in chronologische volgorde en je kunt de groep bijna letterlijk met de maand horen groeien. Elk nieuw album, zelfs als het slechts vier maanden na het vorige uitkwam, is een flinke stap voorwaarts.

De muziek die de groep rond 1966-1967 maakte is naar mijn mening nooit meer door iemand overtroffen. Diep, rijk, vernieuwend, sprookjesachtig, ambitieus, avontuurlijk, gecompliceerd maar toch toegankelijk en vooral ontzettend mooi. Luister naar de a capella-mix van een willekeurig nummer op ‘Pet Sounds’ en het klinkt op zichzelf al geweldig. Luister dan naar de instrumentale “backing track” en ook die klinkt geweldig. Voeg ze samen en je krijgt iets heel uitzonderlijks. De vocalen, de composities, de arrangementen, de instrumentatie, het is allemaal prachtig.

Alhoewel het moeilijk tegen te spreken is dat The Beach Boys rond 1966-1967 op hun creatieve en artistieke hoogtepunt waren vind ik de periode 1967-1973 misschien zelfs nog interessanter. Gedurende die jaren liep het succes hard achteruit, met als gevolg dat er op elke nieuwe plaats iets nieuws geprobeerd werd. Elk nieuw album was totaal anders dan het vorige, maar op z’n eigen manier toch weer heel erg goed. Zuur is dat deze albums nauwelijks verkochten en dus voorbij gingen aan vrijwel iedereen behalve de hardnekkige fans.

De latere platen zijn op een paar uitzonderingen na niet best, maar desondanks voor mij ook erg boeiend. Enerzijds omdat ik het fascinerend vind dat de mensen die verantwoordelijk waren voor ‘Pet Sounds’ en ‘Good Vibrations’ zo’n 15-20 jaar later nauwelijks meer in staat bleken te zijn om zelfs maar een acceptabel stukje muziek neer te zetten. Anderszijds omdat zelfs op de allerslechtste albums toch altijd weer een paar lichtpuntjes te vinden zijn. Dat ene prachtige refreintje of dat ene zanglijntje dat dan toch weer bewijst dat ze het toch nog niet helemaal verleerd zijn. En als je zo’n lichtpuntje weet te vinden is dat alsof je iets waardevols vindt op een vuilstortplaats.

1962-1964 – “The sun & fun years”

Het eerste album van The Beach Boys klinkt weinig veelbelovend. Het rudimentaire Surfin’ Safari (oktober 1962) laat nog maar weinig horen van de potentie die de groep later zal blijken te hebben. De vocalen klinken nog wat onzeker, de liedjes primitief en weinig geïnspireerd, de arrangementen kaal en sober en de teksten vrij kinderlijk. Alleen de singles ‘Surfin”, ‘Surfin’ Safari’ en ‘409’ zijn wel aardig, de rest is opvulmateriaal dat vandaag de dag bovendien behoorlijk gedateerd klinkt. Met Surfin’ USA (maart 1963) probeert de groep wat meer credibiliteit te krijgen bij de echte surfers. Vijf van de twaalf nummers zijn gitaarinstrumentaaltjes in de stijl van Dick Dale (twee van die nummers zijn zelfs covers van Dale), competent uitgevoerd maar niet interessant. Boeiender zijn de energieke titeltrack en de prachtige ballade ‘Lonely Sea’ (één van de meest ondergewaardeerde vroege Beach Boys-nummers), die heel ver uitstijgen boven alles op het vorige album. Nadat de groep zich op de eerste twee albums nauwelijks aan ballades heeft durven wagen zijn er op Surfer Girl (september 1963), het derde en laatste Beach Boys-album dat in het teken staat van surfen, vier te vinden (waaronder de klassiekers ‘Surfer Girl’ en ‘In My Room’). Voor het eerst zijn ook strijkers en harpen te horen. Ook op de vlottere nummers (‘Catch a Wave’, ‘Little Deuce Coupe’, ‘Our Car Club’, ‘Hawaii’) is, mede dankzij het toenemende gebruik van sessiemuzikanten, veel vooruitgang te horen. Little Deuce Coupe (oktober 1963) is een thema-album over auto’s. Het is het vierde Beach Boys-album in dertien maanden en dat blijkt: vier nummers van de vorige drie albums worden schaamteloos herhaald, veel van de “nieuwe” nummers zijn opgewarmde kliekjes. Shut Down Volume 2 (maart 1964) (‘Volume 1’ is geen Beach Boys-album maar een compilatie met diverse artiesten) is misschien wel het meest wisselvallige album dat de groep ooit maakte. ‘Fun, Fun, Fun’, ‘Don’t Worry, Baby’, ‘The Warmth of the Sun’ en ‘Keep An Eye on Summer’ behoren tot de beste Beach Boys-nummers uit de vroege jaren. Daar tegenover staat een te groot aantal ongeïnspireerde of ronduit stompzinnige opvullertjes. Zeker vijf nummers hadden beter achterwege kunnen blijven. Uit de “sun & fun” jaren is All Summer Long (juli 1964) met gemak het beste album, met klassiekers als ‘I Get Around’ en ‘Little Honda’ en bijzonder fraaie albumtracks als ‘Don’t Back Down’, ‘Wendy’ en ‘Girls on the Beach’. Christmas Album (oktober 1964) begint met vijf door de band zelf geschreven en ingespeelde kerstliedjes, waarvan de singles ‘Little Saint Nick’ en ‘The Man with All the Toys’ leuk zijn. De overige zeven nummers zijn overbekende klassiekers (o.a. ‘Frosty the Snowman’, ‘White Christmas’, ‘Auld Lang Syne’, ‘Santa Claus is Coming to Town’), uitgevoerd met een veertigkoppig orkest. Van deze nummers is het erg stemmige ‘We Three Kings of Orient Are’ het hoogtepunt.

1965 – De overgangsperiode

The Beach Boys Today! (maart 1965) is de “missing link” tussen de beginjaren van de groep en het ‘Pet Sounds’-tijdperk. Op kant A wordt het geluid van de vroegere platen naar een hoger niveau getilt met nog beter in elkaar zittende en rijkelijker gearrangeerde nummers als ‘Dance, Dance, Dance’ en ‘When I Grow Up (To Be a Man)’. Kant B bestaat vrijwel geheel uit melancholische ballades en is een voorproefje op ‘Pet Sounds’. Nummers als ‘She Knows Me Too Well’, ‘Please Let Me Wonder’, ‘Kiss Me, Baby’ en ‘In the Back of My Mind’ zouden op ‘Pet Sounds’ niet hebben misstaan. Afgezien van het korte interview op het einde van het album is dit bovendien de eerste LP zonder vullertjes. Summer Days (And Summer Nights!!) (juni 1965) valt om twee redenen op: voor het eerst sinds tijden is een nieuw Beach Boys-album niet beter dan het vorige (met name de A-kant is relatief zwak) en de ballades ontbreken nu vrijwel geheel (wellicht werden ze al opgespaard voor ‘Pet Sounds’). Op dit erg opgewekte album zijn met ‘California Girls’, ‘Help Me, Rhonda’ en ‘Then I Kissed Her’ wel enkele van de grootste hits van de groep te vinden en met ‘Girl Don’t Tell Me’ en ‘Summer Means New Love’ ook een paar hele fraaie minder bekende werkjes. Party! (november 1965) is een wat goedkoop zoethoudertje. Het erg rommelige album is geheel akoestisch opgenomen, zogenaamd op een feestje (in werkelijkheid zijn de feestgeluiden achteraf toegevoegd), met op een hele slechte medley van ‘I Get Around’ en ‘Little Deuce Coupe’ na alleen covers. Interessant is dat er onder meer drie Beatles-covers gespeeld worden. De Regents-cover ‘Barbara Ann’ wordt erg verrassend één van de grootste hits van The Beach Boys.

1966-1967 – ‘Pet Sounds’ en ‘SMiLE’

Pet Sounds (mei 1966) wordt universeel erkend als één van de beste popalbums ooit gemaakt. De verzameling overwegend melancholische en rijkelijk georkestreerde zieleroersels laat zich aanhoren als een stemmige droomvlucht. ‘God Only Knows’, ‘Wouldn’t It Be Nice’ en ‘Sloop John B.’ worden wereldhits, maar eigenlijk is op ‘Pet Sounds’ geen enkel nummer te vinden dat niet van heel hoog niveau is. SMiLE (niet uitgebracht) moet ‘Pet Sounds’ op alle fronten overtreffen en nog ambitieuzer, progressiever en avontuurlijker worden. De wereldhit ‘Good Vibrations’, die uit heel diverse muzikale flarden bestaat die samen toch wonderwel blijken te werken, is de blauwdruk voor het album. Talloze muzikale flarden (of “feels”, zoals Brian Wilson ze noemt) moeten nummers gaan vormen die op hun beurt weer drie themasecties vormen. Eén sectie moet een psychedelische reis door koloniaal Amerika worden, één gaat de levenscyclus van de mens volgen en één is gewijd aan de elementen aarde, water, lucht en vuur. Geplaagd door mentale problemen en druk van buitenaf slaagt Brian er niet in om de enorme puzzel van “feels” te voltooien, waarop ‘SMiLE’ onvoltooid in de archieven verdwijnt.

1967-1973 – “The wilderness years”

Terwijl Brian Wilson, tot dan toe als songschrijver, producer, arrangeur en prominent zanger verantwoordelijk voor het leeuwendeel van al het Beach Boys-materiaal, een verslagen man is geworden die steeds minder productief is moeten de andere Beach Boys weer aan de slag om nieuw werk te leveren en een nieuwe richting te vinden. Het eerste nieuwe album dat volgt is het bizarre Smiley Smile (september 1967). Het bestaat voor een deel uit ‘SMiLE’-composities, maar dan opnieuw opgenomen in een radicaal andere jas. De uiterest nauwkeurig opgenomen orkestrale versies zijn vervangen door kale demo-achtige uitvoeringen (de instrumentatie bestaat vaak uit weinig meer dan orgel, bas en percussie) waarop de band knetterstoned klinkt. Het is even wennen aan de spontane giechelige lachbuien en gekke stemmetjes, maar op den duur werkt de ontspannen sfeer aanstekelijk. Daarbij komt dat de ‘SMiLE’ composities ook in hun inferieure nieuwe incarnaties recht overeind blijven. De singles ‘Good Vibrations’ en ‘Heroes and Villains’, die wel (ongeveer) verschijnen zoals ze op ‘SMiLE’ te horen zouden zijn geweest, zijn vreemde eenden in de bijt. Wild Honey (december 1967) is een wat spartaans en primitief klinkend album. De beroemde Beach Boys-harmonieën ontbreken grotendeels, daarvoor in de plaats krijg je zalig ontspannen niks-aan-de-hand-liedjes (‘Aren’t You Glad’, ‘Country Air’, ‘I’d Love Just Once to See You’) en relatief stevig werk met een opvallende soul-inslag (‘Wild Honey’, ‘Darlin”, de Stevie Wonder-cover ‘I Was Made to Love Her’). Friends (juni 1968) borduurt voort op de meest relaxte liedjes van het voorgaande album. Net als de vroegste Beach Boys-albums brengt het effectief het zomergevoel over, al is nu het perspectief verplaatst van een zinderende zomerdag op het strand naar een luie lome zomeravond in de achtertuin. Ondanks het bescheiden, pretentieloze songmateriaal een meer dan heerlijk album, één van de meest prettige albums uit de Beach Boys-discografie. Ten tijde van 20/20 (februari 1969) is Brian zo ver weggezakt dat hij niet eens meer te zien is op de bandfoto op de hoes. Het album is een bonte lappendeken van songmateriaal dat uit alle hoeken en gaten bij elkaar is verzameld. Het bestaat uit de een half jaar eerder uitgebrachte single ‘Do It Again’ (een Britse nummer één), vier covers (waaronder de hit ‘I Can Hear Music’ en een compositie van de latere seriemoordenaar Charles Manson), de eerste twee volwaardige composities van drummer Dennis Wilson en een nummer van bassist/toetsenist Bruce Johnston. De absolute hoogtepunten zijn echter de vier niet eerder uitgebrachte briljante Brian Wilson-composities die uit het archief gevist zijn, waarvan ‘Time to Get Alone’ en de ‘SMiLE’-nummers ‘Our Prayer’ en ‘Cabinessence’ behoren tot het allerbeste wat The Beach Boys ooit uit zouden brengen. Sunflower (februari 1970), ironisch genoeg het op één na slechtst verkopende Beach Boys-album ooit, wordt door heel veel fans en critici gezien als het beste album van de groep na ‘Pet Sounds’ (en door mij als hun allerbeste album). Dennis Wilson levert vier uitstekende composities (waaronder het schitterende ‘Forever’), Bruce Johnston laat zich van zijn beste en meest zoetsappige kant horen (onder meer op de Nederlandse top tien-hit ‘Tears in the Morning’) en gitarist Al Jardine draagt een wat kinderlijk doch charmant nummer bij. Uitblinker is toch weer Brian Wilson, die een korte creatieve comeback maakt en met het briljante ‘This Whole World’ en het spookachtige ‘All I Wanna Do’ nog even twee van zijn meest ondergewaardeerde (en zelfs twee van zijn allerbeste) composities levert. Op Surf’s Up (augustus 1971) is Brian’s productiviteit weer flink afgenomen. Bovendien is Dennis dit keer nauwelijks van de partij (hij heeft na een ruzie met broer Carl zijn composities teruggetrokken) en heeft de groep het minder geslaagde idee gekregen om zich aan te passen aan de trend van het moment, met enkele milieubewuste en maatschappijkritische teksten. Ondanks alles pakt dit album toch verrassend goed uit. Carl Wilson ontwikkelt zich plotseling tot verdienstelijk songschrijver met twee uitstekende en sfeervolle nummers. Bruce Johnston levert ook weer een suikerzoete bijdrage en Al Jardine doet zijn best met respectievelijk een matig, een charmant en een stemmig nummer. Toch is de hoofdrol wederom voor de nog niet geheel verdwenen Brian Wilson, die diepe indruk maakt met het donkere, introspectieve ”Til I Die’ en de briljante, majestueuze ‘SMiLE’-compositie ‘Surf’s Up’. Het uit slechts acht nummers bestaande Carl and the Passions “So Tough” (mei 1972) is het werk van vier afzonderlijk werkende koppeltjes die elk twee nummers voor hun rekening nemen. Brian Wilson en manager Jack Rieley maken weinig indruk, de twee gloednieuwe zwarte Zuid-Afrikaanse bandleden Blondie Chaplin en Ricky Fataar zelfs nog minder (hun nummers klinken bovendien helemaal niet als The Beach Boys). Dennis Wilson en goede vriend Daryl Dragon leveren één heel matig en één overweldigend mooi nummer (‘Cuddle Up’). De verrassende winnaars zijn Al Jardine en Mike Love, met het grappige, jubelende ‘He Come Down’ en het prachtig sfeervolle, samen met Carl Wilson geschreven ‘All This is That’. Nooit kwamen The Beach Boys dichter bij het maken van een echte rockplaat dan op het in het Nederlandse Baambrugge opgenomen Holland (januari 1973). Hoogtepunten op het album zijn de rockers ‘Sail On, Sailor’ en ‘The Trader’, en de ‘California Saga’ van Mike en Al, een fraaie driedelige ode aan hun thuisstaat. Op de bij ‘Holland’ horende bonus-EP Mt. Vernon and Fairway (januari 1973) is een door Brian Wilson geschreven sprookje te horen, als hoorspel met wat muziekflarden.

1976-1996 – De nadagen

Daarna duurt het drie en een half jaar voordat er weer een nieuw album komt. Op het voor de helft uit jaren vijftig-covers bestaande 15 Big Ones (juli 1976) is een opvallend schorre Brian weer prominenter van de partij dan hij in tien jaar geweest is. Desondanks maken de ruwe uitvoeringen, de ronkende primitieve synthesizers en het niet altijd even smaakvolle songmateriaal dit bepaald geen goed album. Spaarzame hoogtepunten zijn het naar het oude geluid teruggrijpende ‘It’s OK’, het charmante ‘Had to Phone Ya’, Brian’s jubelende, gospel-achtige ‘That Same Song’ en de hartverscheurend rauwe Righteous Brothers-cover ‘Just Once in My Life’. Love You (april 1977) is min of meer een soloalbum van Brian Wilson. Hij schrijft niet alleen bijna alle nummers in zijn eentje maar speelt ook het merendeel van de instrumenten zelf in. Met z’n dikke opeengestapelde synthesizerlagen en erg kinderlijk naieve songteksten (niet zelden tegen het genante aan) is ‘Love You’ een “love it or hate it” album dat al sinds het uitkomen zorgt voor grote verdeeldheid onder Beach Boys-fans. Nummers als ‘The Night Was So Young’ en ‘Let Us Go on This Way’ zijn hoe dan ook erg fraai en ronduit maffe liedjes als ‘Johnny Carson’, ‘Ding Dang’ en ‘Solar System’ zijn op z’n minst geinig. Ten tijde van MIU Album (oktober 1978) is Brian zijn interesse alweer grotendeels verloren en zijn Dennis en Carl Wilson door een ruzie met Mike Love en Al Jardine vrijwel afwezig. Het is dan ook hoofdzakelijk aan die laatste twee mindere goden en een ietwat ongeïnspireerde Brian om dit album vol te schrijven. ‘MIU Album’ is voor het merendeel vlakjes voortkabbelend muzikaal behang met zo nu en dan een bescheiden uitschietertje naar boven (het swingende ‘She’s Got Rhythm’, de vrolijke doo wop-cover ‘Come Go with Me’) of naar een genante diepte (het tekstueel zorgwekkende ‘Hey, Little Tomboy’, het wel erg cheesy ‘Belles of Paris’). Op LA (Light Album) (maart 1979) zetten alle Beach Boys (inclusief de teruggekeerde Bruce Johnston, die zeven jaar eerder afscheid heeft genomen van de band) er maar weer even de schouders onder. Dat levert een paar heel behoorlijke hoogtepunten op met het fraaie ‘Good Timin”, Al Jardine’s “finest hour” ‘Lady Lynda’ (deels gebaseerd op een melodie van Bach) en Dennis Wilson’s bezielde ‘Baby Blue’. De bijna een kwartier (!) durende disco-versie van ‘Here Comes the Night’ is goed voor wat het is, maar veel te lang en veel te misplaatst. Het overige materiaal op dit album is gewoon matig. Keepin’ the Summer Alive (maart 1980) heeft aangename momenten, zoals de redelijk catchy nummers ‘Some of Your Love’ en ‘Goin’ On’, de erg relaxte liedjes ‘Livin’ with a Heartache’ en ‘Santa Ana Winds’ en de ietwat vreemde zelfode ‘Endless Harmony’. Desondanks is goed te horen dat van The Beach Boys niet veel creatieve hoogstandjes meer verwacht hoeven worden. The Beach Boys (mei 1985) is zelfs ronduit slecht. Opener ‘Getcha Back’ is catchy, ‘California Calling’ een aardig muzikaal broertje van ‘Surfin’ USA’ en ‘Where I Belong’ is fraai, het overige materiaal is gewoon beroerd. De door synthesizers, drumcomputers en gefilterde zang gedomineerde jaren tachtigproductie maakt het er bepaald niet beter op. Still Cruisin’ (augustus 1989) is een eigenaardige verzameling met recente hitsingles (‘Wipe Out’, ‘Kokomo’), stokoude hits (‘I Get Around’, ‘Wouldn’t It Be Nice’ en ‘California Girls’) en nieuw werk. Dat nieuwe materiaal varieert in kwaliteit van behoorlijk matig tot toch weer verrassend aangenaam (‘Somewhere Near Japan’, ‘Island Girl’), al is het ietwat pijnlijk om te horen hoe keihard deze recente hoogtepuntjes weg worden geblazen door de golden oldies. Summer in Paradise (augustus 1992), feitelijk een soloalbum van Mike Love met gastbijdrages van Al Jardine, Carl Wilson en Bruce Johnston, is het absolute dieptepunt in de Beach Boys-discografie. De nummers variëren in kwaliteit, zonder uitzondering, van vrij matig tot gewoon heel erg slecht en de lelijke digitale productie maakt het allemaal nog een stuk erger. ‘Summer of Love’ (waarop Mike Love probeert te rappen) en de nieuwe versie van het oudje ‘Surfin” (met electronische beats en scheurende gitaren) zijn misschien wel het allerslechtste wat The Beach Boys ooit uitbrachten. Ook Stars and Stripes Vol. 1 (augustus 1996) is een dieptepunt. Op het tot dusver laatste nieuwe Beach Boys-album (en sowieso het laatste met de in 1998 overleden Carl Wilson) worden oude Beach Boys-hits in een countryjasje gestoken en gezongen door bekende en onbekende countryzangers en -zangeressen, waaronder Willie Nelson (die wel een prachtige versie van ‘The Warmth of the Sun’ neerzet), Timothy B. Schmit en Toby Keith. The Beach Boys zelf fungeren alleen als achtergrondkoortje en productieteam.

Live-albums

Naast de studioalbums brengen The Beach Boys vier officiële livealbums uit. Op Concert (oktober 1964) speelt het originele vijftal, nog zonder extra muzikanten, ruwe versies van eigen hits en opvallend veel covers (acht stuks) van recente hits van anderen voor een redelijk hysterisch publiek. Wegens technische problemen en een niet helemaal smetteloos optreden worden enkele nummers even over gedaan in de studio en voorzien van publieksgeluiden. Op Live in London (mei 1970) zijn The Beach Boys veel verder als liveband. Met een blazerssectie worden prima versies gespeeld van hoofdzakelijk recent werk, waaronder ook uitstekende minder bekende albumtracks als ‘Wake the World’ en ‘Aren’t You Glad’. Op de dubbel-LP In Concert (november 1973), een compilatie met liveopnames uit 1972 en 1973, is de groep een goed geoliede livemachine geworden met een aantal gelouterde extra muzikanten. Opvallend is dat de tracklist grotendeels bestaat uit hits en albumtracks uit de jaren 1966-1972 en dat er maar een handjevol vroege hits te horen is. Nog opmerkelijk is de aanwezigheid van ‘We Got Love’, een nummer waarvan de studioversie tot op heden onuitgebracht is gebleven. Good Timin’: Live at Knebworth 1980 (oktober 2002), verkrijgbaar op CD, DVD of als set met beiden, bevat het merendeel van het optreden van de band op het festival Knebworth in 1980. Alle vijf de originele bandleden zijn van de partij, iets wat na het midden van de jaren zestig niet vaak meer voor is gekomen. De band speelt een degelijke set met bijna alle grote hits.

Compilaties

De hoeveelheid Beach Boys-compilaties is niet meer te overzien. Deze zijn in te delen in drie groepen. De compilaties met zeldzaam en/of niet eerder uitgebracht materiaal, de “greatest hits” verzamelaars en de schimmige budgetreleases die absoluut vermeden moeten worden. In de laatste categorie gaat het meestal om CD’s met opnames van de Hite Morgan-sessies. Dit zijn de allereerste demo’s van de groep. Er zijn vele tientallen releases, vaak met misleidende titels als ‘Greatest Hits 1961-1963’ en ‘Best of the Beach Boys’, waarop deze primitieve opnames aangevuld zijn met instrumentale surfliedjes die helemaal niet van The Beach Boys zijn. De tweede categorie is ook aardig vertroebeld omdat Capitol Records sinds de vroege jaren zeventig de gewoonte heeft ontwikkeld om steeds na enkele jaren en nieuw “definitief” hitoverzicht uit te bregen. Wil je een compilatie op één CD met alle grote hits, dan is Sounds of Summer (juni 2003) met afstand de beste, meest complete keuze. Deze release maakt alle voorgaande hitverzamelaars overbodig. Heb je hierna nog niet genoeg, dan moet je The Warmth of the Sun (mei 2007) hebben, dat geldt als de “volume two” van ‘Sounds of Summer’. Ook een prima, maar iets duurdere, optie is de drie CD-box The Platinum Collection (december 2005). Het type compilatie waar ik me hier vooral op wil richten zijn de verzamelaars met zeldzaam en exclusief materiaal. Op Stack-O-Tracks (augustus 1968) staan de instrumentale versies (“backing tracks”) van vijftien Beach Boys-nummers. Interessant omdat ze aardig wat subtiele muzikale verrassingen onthullen die voorheen begraven lagen onder de koortjes, maar natuurlijk ook bruikbaar voor karaoke-doeleinden, als dat je ding is. The Beach Boys’ Biggest Beach Hits (1969) is de allereerste releases waarop de eerdergenoemde Hite Morgan-sessies te horen zijn. Rarities (augustus 1983) is een bonte, interessante mix met niet eerder uitgebrachte nummers en alternatieve versies. Dit album is echter wel vrij zeldzaam en (behalve in Japan) alleen op vinyl uitgebracht. Lost and Found 1961-1962 (februari 1991) is een compilatie met Hite Morgan-sessies, nu met een veel betere geluidskwaliteit dan op de budgetreleases en met verschillende extra demo’s en alternatieve takes. Good Vibrations: Thirty Years of the Beach Boys (november 1993) is een box met vijf CD’s, essentieel voor elke gevorderde fan en tevens een absolute aanrader voor elke beginner die wat meer te besteden heeft. In deze box zijn alle grote hits, veel belangrijke albumtracks, een hoop niet eerder uitgebrachte nummers (waaronder aardig wat materiaal van ‘SMiLE’) en een berg alternatieve versies te vinden. Een team van Beach Boys-experts zorgde voor een erg compleet en representatief carrière-overzicht van de groep. The Pet Sounds Sessions (november 1997) is een box met vier CD’s die geheel in het teken staan van het album ‘Pet Sounds’. Je krijgt van elk nummer minstens vijf versies: de originele mono-mix, een sprankelende nieuwe stereo-mix, een a capella-mix, de instrumentale backing track en een “the making of” compilatie. Daarnaast zijn er tientallen alternatieve versies te horen. Een absolute schat voor iedereen die dit briljante album nader wil bestuderen. Endless Harmony (augustus 1998) is een verzameling niet eerder uitgebrachte nummers, alternatieve versies en live-opnames. Ultimate Christmas (september 1998) bevat het kerstalbum ‘Christmas Album’ (1964), opnames uit de late jaren zeventig voor een onuitgebracht tweede kerstalbum en een paar alternatieve versies. De dubbel-CD Hawthorne, CA (mei 2001) is qua samenstelling een vervolg op ‘Endless Harmony’. Op Songs from Here & Back (mei 2006) staan zeven niet eerder uitgebracht live-opnames uit 1974 en 1989, plus van Brian Wilson, Mike Love en Al Jardine elk een nieuwe solo-track.

Brian Wilson solo

Als je na al deze albums te hebben gehoord nog niet genoeg gehad hebt zijn er ook nog aardig wat soloalbums van de originele leden te vinden. Brian Wilson is verreweg de meest productieve soloartiest van het stel. Zijn solodebuut is Brian Wilson (augustus 1988), dat ontsierd wordt door een elektronische productie die wat plastic overkomt. Op een overwegend wat vlak album weet Brian toch nog indruk te maken met ‘Love and Mercy’ (uitgegroeid tot het “themanummer” van Brian als soloartiest), het a capella-werkje ‘One for the Boys’ en de ruim acht minuten durende “suite” ‘Rio Grande’. Op de documentairesoundtrack I Just Wasn’t Made for These Times (augustus 1995) worden enkele (overwegend minder bekende) Beach Boys-nummers en twee werkjes van Brian’s eerste album smaakvol uitgevoerd met een kleine nachtclubachtige band. Orange Crate Art (oktober 1995) is een samenwerkingsverband met Van Dyke Parks (die in 1966/1967 de teksten schreef voor ‘SMiLE’). De nummers zijn geschreven en geproduceerd door Parks, Brian zingt ze in. Op dit charmante, nostalgische album dat voornamelijk beïnvloed is voor vooroorlogse muziek is het titelnummer het hoogtepunt. Imagination (juni 1998), Brian’s tweede reguliere soloalbum, heeft wederom te lijden onder een te klinische productie. Desondanks zijn ‘Your Imagination’ en ‘Lay Down Burden’ hoogtepunten in Brian’s solocarrière. Naast nieuw materiaal zijn hier ook verschillende heropnames te horen van uitgebrachte en onuitgebrachte Beach Boys-nummers. De dubbel-CD Live At The Roxy Theatre (juni 2000) is een live-album dat met een opvallend groot aantal obscuurdere albumtracks (hoofdzakelijk van The Beach Boys) en ook enkele nooit eerder uitgebrachte nummers vooral interessant is voor de fans. Pet Sounds Live (juni 2002) is, zoals de titel al aangeeft, het volledige album ‘Pet Sounds’ integraal live uitgevoerd, door Brian en zijn begeleidingsband. Gettin’ In Over My Head (juni 2004) is, ondanks gastbijdrages van legendes als Elton John, Eric Clapton en Paul McCartney, een onthutsend zwak en zielloos album. Brian Wilson Presents SMiLE (september 2004) is het in 1967 onvoltooid achtergelaten Beach Boys-album ‘SMiLE’ (zie boven), alsnog in z’n volledigheid opgenomen door Brian en zijn band. Het resultaat is indrukwekkend, al mis je toch de originele Beach Boys-stemmen. Op het aangename kerstalbum What I Really Want for Christmas (oktober 2005) worden overbekende kerstklassiekers gecombineerd met heropnames van de Beach Boys-kersthits ‘The Man with All the Toys’ en ‘Little Saint Nick’ en twee nieuwe composities, waarvan vooral de titeltrack fraai is. That Lucky Old Sun (september 2008) is met gemak het beste Beach Boys-gerelateerde album sinds 1971. Brian neemt hierop de rol aan van de oudere man die op een mooie zomerdag door Los Angeles wandelt, de omgeving in zich opneemt en intussen erg openhartig de pieken en dalen van zijn leven overdenkt. Dit schitterende album klinkt als een vloeiende geheel, de afzonderlijke nummers zijn aan elkaar geplakt met gesproken tussenstukjes (met teksten van Van Dyke Parks) en flarden van de stokoude evergreen ‘That Lucky Old Sun’. Op Reimagines Gershwin (augustus 2010) neemt Brian dertien composities onder handen van de legendarische songschrijver George Gershwin, één van zijn persoonlijke helden. Naast klassiekers als ‘Rhapsody in Blue’, ‘Summertime’ en ‘They Can’t Take That Away from Me’ zijn twee nooit eerder opgenomen nummers te horen. Deze werden door Gershwin onvoltooid nagelaten en door Brian, met toestemming van de erfgenamen, voltooid.

De anderen solo

Van de solo-albums van de andere Beach Boys is alleen Pacific Ocean Blue (september 1977) van Dennis Wilson volmondig aan te raden. Dit bezielde album staat vol gevoelige ballades en rauwe rockers, waarvan vooral ‘River Song’ en ‘Farewell My Friend’ zich moeiteloos kunnen meten met het allerbeste werk van The Beach Boys uit de jaren zeventig. In juni 2008 is ‘Pacific Ocean Blue’ heruitgebracht als dubbel-CD (en op vinyl als driedubbelaar) met maar liefst 21 bonustracks. Hiertoe behoren ook de nummers die Dennis opnam voor zijn nooit uitgebrachte tweede album ‘Bambu’. Carl Wilson heeft twee solo-albums op zijn naam staan, Carl Wilson (maart 1981) en Young Blood (februari 1983), beiden gevuld met bloedeloze, ongeinspireerde softrock die zelfs niet gered kan worden door zijn prachtige stem. Mike Love’s Looking Back with Love (oktober 1981) staat vol met gladde, plastic wegwerpliedjes zonder een spatje creativiteit. Al Jardine’s live-album Live in Las Vegas (september 2001), waarop nog maar eens alle overbekende Beach Boys-hits voorbijkomen, is voor de grootste diehards een leuk hebbedingetje. Tot Jardine’s band op dit album behoren zijn zoons Adam en Matt, Brian Wilson’s dochters Carnie en Wendy en verschillende veteranen uit de tourband van The Beach Boys. Jardine’s aangename eerste studio-album A Postcard from California (juni 2010) verschijnt aanvankelijk alleen als download maar zal later dit jaar ook op CD uitkomen. Hierop zijn gastbijdrages te horen van onder meer Neil Young, Steve Miller, de band America, acteur Alec Baldwin, Flea van de Red Hot Chili Peppers, acteur Alec Baldwin en alle andere nog levende Beach Boys.

De toekomst

Dit jaar bestaan The Beach Boys vijftig jaar. Dennis en Carl Wilson zijn inmiddels overleden. Mike Love is zeventig, Brian Wilson, Al Jardine en Bruce Johnston hopen die leeftijd in 2012 te bereiken. Toch zijn ze nog niet klaar. Brian brengt in oktober zijn nieuwe solo-album ‘Songs in the Key of Disney’ uit, een CD met covers van klassiekers uit Disney-films. De nog levende bandleden hebben eindelijk toestemming gegeven voor het uitkomen van een CD-box met de ‘SMiLE’-sessies, te verschijnen in november van dit jaar. En intussen worden de geruchten over een nieuw Beach Boys-album steeds hardnekkiger. Ik kijk er alvast naar uit.

Leave a comment »

Mike from the NOFX band

“Hi, this is Joost from Up Magazine in the Netherlands.”

“Hi, this is Mike from the NOFX band in California.”

Een lekker begin. Ik ben zelden zo nerveus geweest voor een telefoongesprek en het eerste wat mijn gesprekspartner doet is mij met een gek stemmetje napraten. Mensen opbellen is doorgaans sowieso niet iets waar ik me enorm comfortabel bij voel, maar nu heb ik verschillende redenen om extra nerveus te zijn.

De stem die ik nu door de telefoon hoor klink al sinds circa 1995 met vrij grote regelmaat door de speakers van mijn stereotoren. Fat Mike, zanger, bassist en songschrijver van NOFX, bassist van Me First and the Gimme Gimmes en eigenaar van het platenlabel Fat Wreck Chords, reken ik tot mijn persoonlijke helden. Daar komt bij dat hij de reputatie heeft dat hij tijdens interviews nog wel eens een etterbak wil zijn. En het blad waar ik voor schrijf, Up Magazine, is uitverkoren om één van de slechts vier interviews af te nemen die Fat Mike dit jaar zal geven aan de Europese pers. Ik voel dus wel enige druk op mijn schouders.

Ik moet bekennen dat ik gedurende dit interview zo nerveus was dat ik geen flauw idee had of het wel of niet een goed gesprek was. Na het terughoren van het bandje was ik echter best tevreden.

Dit interview werd in mei 2006 geplaatst in Up Magazine nummer 27.

In 1994 waren Green Day en The Offspring de aanvoerders van een punkrockhype. Miljoenen mensen staken voorzichtig hun teen in het punkrockwater door de albums ‘Dookie’ en ‘Smash’ in huis te halen. En de mensen die vervolgens besloten wat verder het diepe in te gaan kwamen al snel uit bij ‘Punk In Drublic’ van NOFX. Het album bevatte echter geen hitsingles, omdat de groep had besloten geen promo’s meer naar radiostations te sturen en geen videoclips meer te maken, om zo bewust Green Day en The Offspring niet achterna te gaan.

Vorig jaar kwam NOFX-frontman Fat Mike, tevens oprichter en eigenaar van het succesvolle punkrocklabel Fat Wreck Chords, alsnog met enige regelmaat opdraven in landelijke radio- en tv-programma’s. Niet om een nieuw album te promoten, maar om George W. Bush uit het Witte Huis te krijgen. Mike’s Rock Against Bush-campagne bleef niet onopgemerkt. Grote bands als Foo Fighters, No Doubt, Green Day en The Offspring sloten zich bij hem aan. Mike kreeg zelfs presidentskandidaat John Kerry te spreken en hij mocht zijn zegje doen in diverse talkshows.

En dat terwijl het algemeen bekend is dat Fat Mike een hekel heeft aan interviews en het daarom ook zelden doet. Gelukkig wilde hij, alhoewel hoorbaar niet van harte, voor Up Magazine een uitzondering maken.

“Ik vond het niet echt leuk om op te komen draven in al die talkshows. Ik ben te gast geweest in de Dennis Miller Show, bij Howard Stern en een paar andere talkshows, en steeds was ik helemaal op van de zenuwen. Het was een hoop gedoe en ik vond het vrij vervelend, maar ik vond dat het ’t waard is geweest. Het is wel het belangrijkste geweest wat ik ooit gedaan heb.”

Het mag duidelijk zijn dat je vindt dat George W. Bush slecht is voor de VS en de hele wereld, maar denk je dat zijn presidentsschap goed is geweest voor punkrock, net zoals de gemeenschappelijke afkeer van Reagan in de jaren tachtig stimulerend werkte voor de punkscene?

“Voor de punkrock scene is zijn presidentsschap, als je het zo bekijkt, wel goed geweest denk ik. Desondanks vind ik niet dat er genoeg bands waren die zich bij de anti-Bush beweging aansloten. Maar dat vind ik sowieso het voornaamste probleem in punkrock vandaag de dag: de bands durven geen grote bek meer te hebben. Te veel bands durfden zich niet bij ons te voegen omdat ze bang waren hun anders denkende fans af te stoten, of omdat ze niet van meelopen beschuldigd wilden worden.”

Als een band op Fat Wreck pro-Bush zou zijn, zou dat voor jou een reden zijn hun platen niet meer uit te brengen?

“Zeker weten! Er zijn zelfs enkele bands geweest die ik aanvankelijk uit wilde brengen maar uiteindelijk heb afgewezen vanwege hun politieke houding.”

En het Propagandhi-nummer ‘Rock For Sustainable Capitalism’, waarop je zelf flink onderuit gehaald wordt, heb je erover gedacht om dat niet uit te brengen?

“Nee, dat niet. Maar ik vind wel dat ik in dat nummer ten onrechte in een slecht daglicht gezet word. Propagandhi noemt mij in één adem met Kevin Lyman, die de Warped Tour organiseert, en Rancid, terwijl die vooral met geld bezig zijn en ik een activist ben. Dat Propagandhi het met mijn opvattingen oneens is dat is hun goed recht, maar het is oneerlijk om mij te vergelijken met mensen die duidelijk niets geven om de situatie in de wereld. Ik was behoorlijk beledigd door dat nummer.”

Wil je desondanks in de toekomst nog wel Propagandhi-platen uit blijven brengen?

“Ik denk het wel. Ik krijg mijn wraak wel op het nieuwe NOFX-album, daar staat een reactie-nummer op dat gericht is aan Propagandhi, ‘The Marxist Brothers’. En daarbij, zeg nou zelf: wie is er meer in geslaagd om wat klaar te spelen op het politieke vlak, Propagandhi of ik? Het spijt me dat ik geen militante veganist ben, maar ik heb veel meer mensen weten te bereiken en aan het denken kunnen zetten dan zij.”

Vind je het voor punkrock essentieel om jezelf niet te serieus te nemen?

“Ik vind dat voor punkrock niets essentieel is… Maar om Propagandhi nog maar eens aan te halen: die waren op hun eerste albums nog best humoristisch, maar nu helemaal niet meer. Ze zijn veel te serieus geworden. Ze hebben nu zelfs hun Australische tournee afgezegd omdat ze nooit meer willen spelen in de landen die de oorlog in Irak gesteund hebben. Maar wie straf je daarmee nou? Alle mensen die haar hun optredens komen zijn tegen de oorlog! Ik denk ook niet dat het aan de band ligt, het ligt vooral aan Chris. Een paar maanden geleden gingen we gezamelijk wat drinken, en hij wilde niet eens met me praten, hij vindt me blijkbaar ineens een slecht mens. Hij is een heel depressief iemand, hij kan het leven gewoon niet zo goed aan. Ik zal hun platen wel uit blijven brengen omdat ik vind dat ze een belangrijke boodschap naar buiten brengen, en ik haal mijn wraak dus wel uit dat nummer dat op ons nieuwe album staat. Ik weet dat het geen gezonde situatie is, maar het is nou eenmaal niet anders.”

Heb je veel vervelende reacties gehad naar aanleiding van de Rock Against Bush-campagne?

“Dat viel op zich wel mee omdat waarschijnlijk zo’n negentig procent van alle mensen die naar ons luisteren democraten zijn. Waar wel veel mensen problemen mee hadden was het feit dat ik uberhaupt mijn mening durfde te verkondigen omdat ik in hun ogen maar een zuipschuit ben. En daar ben ik wel een beetje pissig om geworden. Ik heb gewoon mijn school afgemaakt, ik lees ook boeken, waarom zou ik dan geen mening mogen hebben, alleen maar omdat ik te veel drink en drugs gebruik? Dat betekent nog niet dat ik een idioot ben! Ik vind dat iedereen voor z’n mening uit moet komen, niet alleen journalisten en politici.”

NOFX tourt nu al meer dan twintig jaar, maar ik heb de indruk dat jullie publiek in al die jaren nauwelijks ouder is geworden. NOFX lijkt voor veel mensen een beetje een band waar ze “overheen groeien”. Wat vind je daarvan?

“Dat zie je verkeerd. We hebben pasgeleden in Chicago gespeeld, daar deden we twee shows: één voor minderjarigen en één voor publiek vanaf 21 jaar, en beide shows waren met 1500 man volledig uitverkocht. En een tijd geleden speelden we in Florida, daar was na de show het bier volledig uitverkocht, en dat was in die zaal nog nooit eerder gebeurd. Je kunt daar alleen bier kopen als je 21 of ouder bent, dat wil dus wel zeggen dat we helemaal niet zo’n jong publiek trekken. We hebben de tand des tijds beter doorstaan dan de meeste bands. Als we gaan touren is het nog steeds overal uitverkocht. Als je kijkt naar een band als de Ramones, die speelden na verloop van tijd in steeds kleinere clubs en moesten tegen het einde weer in een busje gaan touren. Ons publiek mag dan een stuk jonger zijn dan wij zelf, maar gemiddeld is het zeker midden twintig.”

Wat is voor jou het hoogtepunt geweest in de NOFX-geschiedenis?

“Ik kan zo snel niets bedenken. De grote, prestigieuze zaken die in de ogen van anderen de hoogtepunten in onze carriere zouden zijn geweest, hebben we juist altijd afgewezen omdat we er geen trek in hadden. We hebben bewust besloten dat we niet de volgende Green Day of The Offspring wilden worden. Op het moment dat die bands zo groot werden, zijn we gestopt met video’s maken en nummers naar radiostations sturen. We hebben onszelf uit de competitie genomen, we wilden een undergroundband blijven.”

Is er één specifiek moment waarop je realiseerde dat je Green Day en The Offspring niet achterna wilde?

“Dat was toen ik in Londen in een discotheek was en The Offspring ineens gedraaid werd. Ik vond het helemaal niets, die muziek in die omgeving. De combinatie klopte gewoon niet. Ik dacht ook dat Green Day en The Offspring eventjes helemaal hot zouden zijn en daarna af zouden gaan sterven. Dat is ook min of meer gebeurd, alhoewel ze wel weer terug zijn gekomen. Wij hebben daarentegen altijd op hetzelfde niveau gezeten. Wij hebben geen dalen in onze carriere gehad, en dat was eigenlijk ook ons doel. Veel bands die in 1995 bij een major label tekenden zijn snel daarna ten onder gegaan.”

Wat vind je het voornaamste verschil in punkrock als je het heden vergelijkt met 1994?

“Ik denk dat er geen verschil is. Er zijn alleen meer slechte punkpopbands tegenwoordig, maar die behoren toch niet echt tot de scene. Als je naar de kleine punkclubs gaat zie je geen verschil. Daar zie je nog altijd hetzelfde soort bands als tien jaar geleden, dat slechte muziek maakt en bezopen op het podium staat.”

Op meerdere NOFX-albums staan akoestische solonummers van jou, heb je er ooit aan gedacht een heel album te maken met dat soort nummers?

“Ik heb er inderdaad wel eens aan gedacht, maar ik denk dat het niet zo’n goed album zou zijn omdat ik niet zo’n geweldige zanger ben. Mijn akoestische album zou inferieur zijn aan dat van heel veel andere mensen, dus begin ik er maar niet aan.”

Het is me opgevallen dat als NOFX op een groot rockfestival speelt, je er een gewoonte van maakt alle andere optredende bands af te zeiken. Heb je daar ooit vervelende reacties op gehad van mensen uit die bands?

“Ja, Shirley Manson van Garbage was er niet zo van gecharmeerd. Ze heeft me een tijdlang achterna gezeten na het optreden, maar ze heeft me niet te pakken kunnen krijgen. Vijf jaar later kwam ik haar in een vliegtuig onderweg naar Australie toevallig weer tegen, toen ben ik mijn excuses aan gaan bieden en heeft ze me geschopt. Maar we konden er allebei wel om lachen. Ik maak er niet echt een gewoonte van om andere bands af te zeiken op festivals, al is het een paar keer voorgekomen. Op het Bizarre Festival in Duitsland heb ik het wel eens vrij bont gemaakt, maar toen had ik vooraf twee flessen wijn op.”

Waarom schrijf je alle nummers voor NOFX in je eentje?

“El Hefe en Eric Melvin proberen wel eens nummers te schrijven, maar ze kunnen er eigenlijk niets van. Eric Melvin schrijft zo nu en dan wel eens riffs die hij meeneemt naar de repetities, maar die wijzen we altijd af omdat ze niet zo best zijn. El Hefe schrijft alleen maar rustige popnummers en hiphop en daar heeft hij een andere band voor.”

Vind je in NOFX spelen nog net zo leuk als tien jaar geleden?

“Nog leuker, denk ik.”

Heb je er ooit over nagedacht wat je wil gaan doen als NOFX verleden tijd is?

“M’n leven zou dan niet zoveel veranderen, omdat ik maar twee of drie maanden per jaar tour met NOFX. Als ik zou stoppen met punkrock maken hou ik nog meer dan genoeg interesses over, het is niet zo dat ik dan ineens naar andere tijdsbestedingen zou moeten gaan zoeken. Ik heb een dochter, ik speel poker en golf, ik drink, gebruik drugs en doe aan seks. Punkrock maken is eigenlijk maar een klein onderdeel van mijn leven. NOFX heeft sinds 1995 in geen enkel jaar meer dan zes maanden getourd. Daardoor blijven we gemotiveerd en blijft het leuk. En in Me First & The Gimme Gimmes zal ik altijd blijven spelen. Met die band gaan we door tot we hoogbejaard zijn, dat is ons pensioenplan.”

Leave a comment »

De bus

In 2004, toen ik al 25 jaar oud was, haalde ik na acht praktijkexamens eindelijk mijn rijbewijs. Destijds had ik alles bij elkaar opgeteld al een dikke zes jaar lang vijf dagen per week naar Eindhoven moeten reizen voor school, stage of werk. Over een retourtje Reusel – Eindhoven met de bus doe je zo’n 100 minuten. Ruw geschat heb ik in die zes jaar een kleine 2500 uur in de bus doorgebracht. Elke keer weer dezelfde route in lijn 149 of 150 over de N284 langs Bladel, Hapert, Duizel en Eersel en dan via Steensel en Veldhoven naar Eindhoven. Het zal overbodig zijn om te vermelden dat ik dolblij was om niet meer afhankelijk te zijn van de bus toen ik eenmaal mijn roze papiertje op zak had. Het zou zelfs best kunnen dat ik destijds gezworen heb om nooit meer een voet in een bus te zetten.

De afgelopen zes jaar heb ik zes rondreizen gemaakt. Gedurende die zes reizen heb ik overnacht in 42 plaatsen verspreid over heel Egypte, Cuba, zuidelijk Mexico, Guatemala, Jordanië en Marokko. Dat betekende wederom heel erg veel in de bus zitten. Alhoewel de busritten een noodzakelijk kwaad zijn tijdens de reizen heb ik ze toch nooit echt vervelend gevonden. Je ziet vaak de meest bijzondere uitzichten aan je voorbij trekken. Je vangt een glimp op van de gewone dorpjes en stadswijken die niet belangrijk genoeg zijn voor het reisprogramma. Soms rij je ineens een wereld binnen die je nooit eerder gezien hebt. Je hebt in het vaak vrij drukke programma tijd om wat te lezen, je iPod op te zetten, je reisdagboek bij te werken, even in te dutten. En eigenlijk is het ook altijd wel gezellig. Je zit met zo’n 15 tot 25 mensen bij elkaar, iedereen is in een vakantiestemming en wil het beste maken van de noodzakelijke reistijd. Soms is de busrit een hoogtepuntje op zichzelf.

Verhalen over hoe indrukwekkend de Piramides van Giza, de Schatkamer van Petra of de Mayastad Tikal zijn kun je overal op het internet al vinden. Daarom nu eens wat reisverhalen vanuit de bus.

Vrijdag 7 juli 2006: van José Martí International Airport naar Havana Vieja. Toen ik vanochtend, alweer twintig uur geleden, in mijn eigen bed wakker werd had ik in mijn hele leven pas twee keer gevlogen, had ik nog nooit een oceaan overgestoken en was ik sowieso pas één keer buiten Europa geweest. Nu zit ik terwijl de schemering valt in een bus, waarin ik niemand van de andere passagiers ken (stomtoevallig op één vrouw na, die ik jaren geleden een paar weken als collega gehad heb) en rijden we door de hoofdstad van een tropisch warme communistische dictatuur in Midden-Amerika. We komen net van het vliegveld, waar het geen pretje was. We hebben drie uur in de rij gestaan voor de douane, er was een opstootje in de rij langs de onze en de mensen achterin begonnen na een tijdje ophitsend te klappen in de hoop dat de douaniers er sneller door zouden gaan werken. Tevergeefs. Terwijl we door Havana rijden blijkt de stad er precies zo uit te zien als je zou verwachten. De beloftes in reisgidsen en de geldende stereotypes zijn niet overdreven. De Amerikaanse oldtimers die elk moment uit elkaar lijken te kunnen vallen rijden hier echt in grote getale rond, samen met vierkante Oost-Europese autootjes. Onderweg lezen we dat de Amerikaanse president George W. Bush een ‘asesino’ en een ‘terrorista’ is, niet in graffiti op een smoezelig muurtje maar op een professioneel vervaardigd billboard. De bekende logo’s in neonlicht van westerse multinationals als McDonald’s en Coca-Cola waar we in onze stadsbeelden zo aan gewend zijn schitteren hier door aanwezigheid. Wel zien we plotseling een ander wereldberoemd beeldmerk opdoemen. De bekende gestileerde tekening van Ché Guevara is in tientallen meters hoog staal bevestigd aan de gevel van een gebouw waarin, zo komen we later te weten, het ministerie van binnenlandse zaken gevestigd is. We zijn op weg naar ons hotel dat een toeristische attractie op zich is, omdat de legendarische schrijver Ernest Hemingway er een tijdje woonde en er begon met het schrijven van zijn klassieker ‘For Whom the Bell Tolls’. Het hotel heet Ambos Mundos, beide werelden. Toepasselijk, het voelt alsof ik me nu in een andere wereld bevindt dan vanochtend.

Zondag 18 mei 2008: van Chetumal naar Flores. De grensovergang van Belize naar Guatemala was weer een heel gedoe. We moesten allemaal uitstappen, het controleren van de paspoorten duurde een hele tijd en bovendien moesten we vijftien Amerikaanse dollars per persoon betalen om Belize uit te mogen. Officieel is dit een vierlandentrip door Mexico, Belize, Guatemala en Honduras, maar Belize heeft niet echt een plek in ons reisprogramma. We hebben er niet overnacht en geen echte bezienswaardigheden bezocht, eigenlijk hebben we er alleen een ochtend en een halve middag doorheen gereden met onderweg een paar pitstops. Maar die busrit was wel een avontuur op zich. Het begon met nòg meer gedoe bij de grens dan zojuist. Dat duurde zeker een half uur, waarin we onder meer met handbagage èn koffers uit de bus moesten stappen om daarmee door een gebouwtje van de douane heen te lopen. Wat het nut daarvan was ontging me, omdat de bagage op geen enkele wijze gecontroleerd werd. Tijdens de rit door de prachtige natuur van Belize, een landje aan de Carribische Zee dat voorheen British Honduras heette en zo’n 300.000 inwoners telt, vallen verschillende dingen op. Ten eerste dat men er erg religieus en ook vrij conservatief is. Op talloze muren en auto’s staan jubelende teksten over Jesus Cristo geschilderd en ook anti-abortus-leuzen kom je vaak tegen. Daarnaast is het opvallend hoe geïmproviseerd alles er hier uitziet. Op het balkon van een politiebureau hangt het wasgoed van een hele familie te drogen. Een huis met twee antieke flipperkasten in de woonkamer wordt aangeprezen als “game arcade”. Scholen, vaak gewoon in een open veld gevestigd, zijn doorgaans gebouwtjes die bestaan uit niets meer dan twee of drie lokaaltjes met een losstaand houten toilethokje. We hebben onderweg een korte stop gemaakt in een plaatsje met de naam Orange Walk Town. Een onbeduidend dorpje met een uitstorven pleintje in het centrum, waar weinig meer te zien was dan een stervormig fonteintje en een bankje met een paar oude mannetjes. Ik heb zojuist in mijn reisgids Orange Walk Town opgezocht, ik verwachtte niet echt dat zo’n onbenullig dorpje er in zou staan. Het blijkt met 13.000 inwoners de op één na grootste stad van het land te zijn.

Dinsdag 19 juli 2005: van Hurghada naar Luxor. Alhoewel het inmiddels aardedonker is, is het buiten nog altijd benauwd warm. Ruim boven de dertig graden, met een licht briesje dat voelt alsof er een föhn op je gezicht gericht staat. In de bus is het door de airconditioning aangenaam. We zijn afgelopen avond geland in de Egyptische badplaats Hurghada. Het was voor mij de eerste keer vliegen en het is nu mijn eerste keer buiten Europa. De eerste indrukken van Egypte moesten echter nog even op zich laten wachten. Niet alleen omdat het donker was, ook omdat er simpelweg niets te zien was. Het gebied tussen Hurghada en Luxor is niemandsland in de zuiverste zin van het woord. Om de zoveel tijd komt je een wegrestaurantje tegen, verder zie je helemaal geen gebouwen en zelfs nauwelijks begroeiing. Zand en rotsen is alles wat je ziet. Ik kan me nauwelijks voorstellen hoe het leven van de mensen die in zo’n wegrestaurantje werken er uit moet zien. Mede omdat hier zo weinig mensen zijn reden we achter een politiewagen die ons tot Luxor escorteerde. De agenten in de wagen zijn bewapend met machinegeweren. Onbeschermd zou een bus vol toeristen met camera’s en vakantiegeld hier een te aantrekkelijk en bovendien te makkelijk doelwit zijn. Nu rijden we door de stad Luxor. Het is na middernacht, maar de stad leeft nog volop. Er lopen nog heel veel mensen over straat, op veel plaatsen zien je tafels op de stoep staan waaraan bordspelletjes gespeeld worden, je ziet zelfs nog een hoop kinderen buiten spelen. Aan de activiteiten te zien lijkt het of het eigenlijk middag is maar iemand plotseling het licht uit heeft gedaan. Door de verzengende hitte ’s nachts heeft men het dagelijks leven maar verplaatst naar de nacht.

Woensdag 13 juni 2007: van San Cristóbal de las Casas naar Tehuantepec. We zijn vandaag vertrokken uit de regio rond San Cristóbal de las Casas, de Mexicaanse stad die in de jaren negentig nog bezet werd door bewapende rebellen van het Zapatistische bevrijdingsleger. Dat de Zapatisten geliefd zijn onder de bevolking is wel duidelijk. Bij tankstations worden poppetjes en T-shirts verkocht van Subcomandante Marcos, de leider van de beweging, en op verschillende gebouwen staat de boodschap dat we ons in het Zapatistengebied bevinden te lezen. Deze rebellen houden zich al een hele tijd aardig gedeisd, in het gebied waar we nu naartoe gaan is het echter een stuk minder rustig. Onze plaats van bestemming, Tehuantepec, wordt momenteel bezet door burgers die protesteren tegen de regering. Alle toegangswegen naar de stad zijn afgezet. We reden er, met een lichtelijk gestresst telefonerende reisleidster, toch maar naartoe en hoopten dat we toch op één of andere manier bij ons hotel konden komen. Onderweg werden we staande gehouden door een groepje militairen. Een jonge soldaat, amper twintig waarschijnlijk, kwam de bus binnen met een blik alsof hij ons stuk voor stuk zag als potentiële terroristen. Alle handbagage werd doorzocht op wapens en drugs. Toen we aankwamen bij Tehuantepec bleek inderdaad de weg te zijn gebarricadeerd. We hadden echter geluk, we kwamen al vrijwel direct een motoragent tegen, die ons over een sluiproute zou leiden. Deze route liep over een zandweggetje door de woonwijken. Even werd het spannend toen we een steile helling van los zand moesten beklimmen. De vrachtwagenchauffeur voor ons durfde het eigenlijk niet aan en stond een tijdje aarzelend voor de helling. Uiteindelijk beklom hij heel moeizaam de helling. Daarna waren wij aan de beurt. Onze Mexicaanse buschauffeur zag er volkomen onbewogen uit. Hij gaf een keer goed gas en scheurde zonder met zijn ogen te knipperen de helling op.

Zaterdag 31 mei 2008: van Eindhoven naar Reusel. Ik zit in lijn 150, voor mij al sinds een jaar of twaalf zo’n beetje hèt symbool van dagelijkse sleur. Nu zit ik hier echter met een cultuurshock van jewelste. Vanochtend ben ik nog wakker geworden in Chichen Itza, Mexico. Officieel was het niet vanochtend, het is immers alweer zo’n 25 uur geleden, maar omdat ik sindsdien geen minuut meer heb geslapen zijn de afgelopen 25 uur in mijn beleving één lange dag geweest. Die dag begon met een ontbijt in het hotel, gevolgd door een excursie naar de Maya-ruïnes van Chichen Itza, waarvan de wereldberoemde piramide behoort tot de zeven “nieuwe” wereldwonderen. Daarop hebben we de sprookjesachtige cenote van Ik Kil nog bezocht. Toen volgenden een busrit naar de badplaats Cancun, een vlucht naar Amsterdam en een treinreis naar Eindhoven. En nu zit ik dus in de bus naar Reusel. De afgelopen 18 dagen heb ik met mijn vaste groepje reisgenoten ruim 3500 kilometer afgelegd door het zuidoosten van Mexico, Belize, Guatemala en Honduras. Nu leg ik in m’n eentje de mij overbekende laatste dertig kilometer af tussen Eindhoven en Reusel en zit ik tussen mensen die zijn gaan winkelen, werken of wat dan ook. Alsof het vandaag een gewone dag is, als alle anderen. Vanochtend zag ik in Midden-Amerika nog één van de wereldwonderen. Nu zie ik door de ramen van de bus de flatgebouwen aan de Karel de Grotelaan die ik inmiddels blind uit kan tekenen.

Leave a comment »

Greatest misses, deel 5: de jaren nul

Het concept: uit elk decennium (van de jaren zestig tot en met de jaren nul) selecteer ik de naar mijn mening tien mooiste popliedjes (maximaal één per uitvoerende) die in geen enkel land in de top 40 hebben gestaan.

Voor het samenstellen van delen drie (jaren tachtig) en vier (jaren negentig) heb ik nog even wat meer tijd nodig, daarom nu alvast deel vijf: de jaren nul.

1. Zoli Band – Painful (2000)

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=lQQfsboTKxc

CD: ‘Zoli Band’ of ‘Red & Blue’ (November 56)

In 1994 wordt de van oorsprong Hongaarse Zoli Teglas zanger van de Californische hardcore-punkband Ignite. Met zijn warme, melodieuze stem valt hij direct op in het doorgaans weinig subtiele genre. Eind jaren negentig besluit Teglas zijn horizon wat te verbreden. Met de hulp van enkele leden en roadies van zijn band neemt hij demo’s op van pop-, folk- en rocknummers die hij geschreven heeft. In 2000 komt van dit project in eigen beheer een titelloos album uit. Daarop is het nummer ‘Painful’ te vinden, dat een bewerking is van ‘All in All (This One Last Wild Waltz)’ van Dexy’s Midnight Runners uit 1982. Teglas en de zijnen hebben van het zwierige walsje een stemmige folkballade gemaakt met een aangepaste tekst. Terwijl Teglas in punkrockkringen succesvol blijft als zanger van Ignite en later ook van Pennywise (en tijdelijk van de Misfits) blijft zijn Zoli Band op de achtergrond. Optredens worden doorgaans afgewerkt voor een bescheiden groepje muzikaal wat meer ruimdenkende Ignite-fans. In 2010 komt de dubbel-CD ‘Red & Blue’ uit, de eerste CD bevat het album uit 2000, op de tweede staat nieuw werk dat veel meer rock-georiënteerd is.

2. The Polyphonic Spree – Section 12 (Hold Me Now) (2004)

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=FcITdR8EeIY

CD: ‘Together We’re Heavy’ (Good)

In 1999 houdt de Amerikaanse rockband Tripping Daisy op te bestaan als gitarist Wes Berggren overlijdt aan een overdosis. De drie overgebleven leden beginnen daarop onder leiding van frontman Tim DeLaughter een nieuwe band, The Polyphonic Spree. Om het geluid van de orkestrale groepen van de jaren zestig en zeventig na te bootsen worden er maar liefst tien extra muzikanten bijgehaald. Uiteindelijk zal de groep zelfs circa 25 bandleden tellen, waarmee DeLaughter naast een reguliere band permanent een koortje, een stijkerssectie en een blazerssectie tot zijn beschikking heeft. Het imposante gezelschap gaat gekleed in kleurrijke gewaden en door het uitzinnige karakter van de optredens lijkt de groep op het podium op een euforische hippiesekte. De nummers op het eerste album ‘The Beginning Stages of…’ heten simpelweg ‘Section 1’ tot en met ‘Section 10’ (alhoewel ze elk een subtitel dragen). Op het tweede album ‘Together We’re Heavy’ wordt gewoon doorgeteld, waardoor het tweede nummer daarvan ‘Section 12 (Hold Me Now)’ heet. Inmiddels heeft de groep drie albums uit en staat de teller op 32 “sections”. Wat het aantal huidige en voormalige bandleden betreft gaat de teller nog wat verder, dat zijn er inmiddels ongeveer zestig.

3. Johan – Tumble And Fall (2001)

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=Q-VhNIuq0f8

CD: ‘Pergola’ (Excelsior)

In 1990 valt de band Little Mary Big kort na het bereiken van de tweede plaats in de talentenjacht De Grote Prijs van Nederland uit elkaar door ruzie tussen zanger/gitarist Jacco de Greeuw en zangeres Marike Groot. Groot wordt daarna lid van een vroege incarnatie van The Gathering, De Greeuw richt de band Visions of Johanna op. In 1996 komt onder de ingekorte naam Johan een titelloos album uit, dat erg positief ontvangen wordt en leidt tot onder meer een optreden op Pinkpop. Mede door depressies van De Greeuw en verschillende ledenwisselingen, twee problemen die Johan lang zullen blijven achtervolgen, duurt het echter een tijdje voordat het tweede album uitkomt. Pas in 2001 is het album ‘Pergola’, vernoemd naar de straat in Hoorn waar De Greeuw dan woont, een feit. Ook op album drie, ‘THX JHN’, moet vervolgens vijf jaar gewacht worden. In 2009 wordt het zilveren jubileum gevierde met de verzamelaar ‘12.5 Years, 3 Albums, 36 Songs’, die de drie albums en een DVD met alle videoclips bevat. Album vier, simpelweg ‘4’ genaamd, verschijnt relatief snel, na drie jaar al. Enkele maanden later, op 26 augustus 2009, maakt Johan bekend te zullen stoppen. Na een tournee door heel Nederland wordt op 22 december 2009 het laatste optreden gegeven in de Paradiso in Amsterdam. Gedurende het bestaan van de groep heeft Johan, tot frustratie van De Greeuw, nooit veel commercieel succes. ‘Pergola’ wordt in Nederland weliswaar een gouden plaat (al heeft het album daar acht jaar voor nodig), maar van de dertien singles die uitgebracht worden komt er niet één verder dan de zestiende plaats van de tipparade. De critici lopen daarentegen massaal weg met Johan. Als het muziekblad Oor in 2008 een door tientallen deskundigen samengestelde lijst publiceert met de honderd beste Nederlandse albums ooit gemaakt bezet Johan daarop plaatsen 4 (met ‘Pergola’), 45 (‘Johan’) en 64 (‘THX JHN’).

4. Fleet Foxes – He Doesn’t Know Why (2008)

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=gjgkRoPLYRk

CD: ‘Fleet Foxes’ (Sub Pop/Bella Union)

De folkband Fleet Foxes wordt in 2006 opgericht in Seattle. Nog datzelfde jaar komt een ongetitelde demo uit op CD-recordable. Ahoewel Fleet Foxes nog geen enkele officiële release uit heeft worden de nummers op de MySpace-pagina van de band in 2007 in twee maanden tijd een kwart miljoen keer beluisterd. Platenlabel Sub Pop (groot geworden als het label waarop onder meer Nirvana en Soundgarden begonnen) is onder de indruk en biedt de band een contract aan. In 2008 komt de EP ‘Sun Giant’ uit, aanvankelijk alleen omdat de band dan tijdens tournees iets heeft om te kunnen verkopen. Twee maanden later verschijnt het titelloze eerste album (waarop ‘He Doesn’t Know Why’ te vinden is), dat erg positief onthaald wordt en vaak wordt omschreven als een mix tussen Crosby, Stills, Nash & Young en de latere Beach Boys. Onder meer The Times, Pitchfork Media, Billboard.com, Under the Rader, No Ripcord en Mojo roepen het uiteindelijk uit tot album van het jaar. In Engeland worden er bovendien genoeg exemplaren van verkocht voor een platina status. In 2011 volgt het album ‘Helplessness Blues’.

5. Elliott – Song in the Air (2003)

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=EqGPloiP8D8

CD: ‘Song in the Air’ (Revelation)

De indie rockgroep Elliott komt in 1995 in Louisville voort uit de hardcoreband Falling Forward. Van de hardcoreroots van Elliott is echter al snel weinig meer te horen terwijl de groep steeds verder de post-rock-richting ingaat en meer gebruik maakt van piano, strijkers, koortjes en effecten. Kort na het uitkomen van het derde album ‘Song in the Air’ in 2003 besluit de groep, die onder aanvoering van zanger/gitarist Chris Higdon staat, er de brui aan te geven. Er volgt wel nog een tournee door Amerika en Europa en in 2005 komt postuum nog de restjescompilatie (met documentaire op DVD) ‘Photorecording’ uit. Highdon is momenteel frontman van een nieuwe band, Frontier(s), terwijl drummer Kevin Ratterman naam maakt als producer.

6. Sufjan Stevens – Come On! Feel The Illinoise! (2005)

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=7TboOfiTjhU

CD: ‘Illinois’ (Cycle)

Sufjan Stevens wordt geboren op 1 juli 1975 in Detroit. Hij begint zijn muzikale carrière in de folkrockband Marzuki (vernoemd naar Stevens’ broer, die professioneel marathonloper is) en de gospelpopgroep Danielson. In 2000 komt zijn eerste soloalbum uit, ‘A Sun Came’. Stevens heeft zich dan al ontwikkeld tot een multi-instrumentalist, die op zijn eigen werk talloze partijen zelf inspeelt. Instrumenten die hij bespeeld zijn onder meer gitaar, bas, banjo, sitar, piano, xylofoon, vibrafoon, hoorn, oboe, drums en blokfluit. Nadat hij in 2001 het electronische album ‘Enjoy Your Rabbit’ uitgebracht heeft komt in 2003 ‘Michigan’ uit, het eerste deel van Stevens’ uiterst ambitieuze ’50 States Project’. Hij wil over elke van de vijftig Amerikaanse staten een thema-album maken. Dat hij hier niet veel haast mee heeft blijkt als zijn volgende album, ‘Seven Swans’, niet tot het project behoort. Met het album dat daar op volgt, ‘Illinois’, pikt hij de draad wel weer op. Het uiterst gevarieerde album duurt maar liefst 74 minuten en wordt bovendien gevolgd door ‘The Avalanche: Outtakes and Extras from the Illinois Album’, een compilatie met 76 minuten aan restmateriaal. In 2009 biecht Stevens op dat het ’50 States Project’ slechts een gimmick was. Tot dusver heeft hij tien solo-albums op zijn naam staat, een derde thema-album over een Amerikaanse staat zit er echter nog niet bij.

7. Camera Obscura – Super Trouper (2006)

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=Pnhc82_RqFE

CD: V/A ‘The Saturday Sessions: The Dermot O’Leary Show’ (EMI)

De melancholische popgroep Camera Obscura wordt in 1996 opgericht in het Schotse Glasgow. Mede dankzij de steun van de legendarische DJ John Peel en stadsgenoten Belle & Sebastian groeit de band al snel uit tot één van de lievelingen van de Britse alternatieve muziek. Dat leidt echter nauwelijks tot commercieel succes. Van de dertien singles en vier albums die tot dusver uitgebracht werden haalde alleen het album ‘My Maudlin Career’ uit 2009 de Britse top 100. Hun bloedmooie versie van ‘Super Trouper’ (die je waarschijnlijk voor het eerst laat horen dat deze megahit van ABBA diep van binnen eigenlijk een hartverscheurend droevig liedje is) neemt Camera Obscura in 2006 live op in het radioprogramma The Dermot O’Leary Show. Na de uitzending komen er zoveel verzoeken binnen van luisteraars die een CD willen hebben waar dit nummer opstaat, dat het voor Dermot O’Leary de directe aanleiding is om dan maar een dubbel-CD uit te brengen met live-sessies uit zijn radioprogramma. Waarop Camera Obscura’s ‘Super Trouper’ uiteraard te horen is.

8. Acid House Kings – This Heart is a Stone (2005)

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=6vIwjaOyZWk

CD: ‘Sing Along with Acid House Kings’ (Labrador)

Acid House Kings wordt in 1991 opgericht in het Zweedse Stockholm door Joakin Ödlund en de broers Niklas en Johan Angergård en tien jaar later uitgebreid met zangeres Julia Lannerheim. Erg productief wordt de groep nooit, als in 2005 het vierde album ‘Sing Along with Acid House Kings’ uitkomt is het de eerste keer dat de Zweden minder dan vijf jaar nodig hebben gehad om met een nieuwe plaat te komen. In overeenstemming met het (opzettelijk) lekker tuttige imago van de band zit bij de CD gratis een karaoke-DVD van het volledige album.

9. Keren Ann – Not Going Anywhere (2003)

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=1504cSBhWG0&feature=related

CD: ‘Not Going Anywhere’ (Capitol)

De op 10 maart 1974 geboren singer/songwriter Keren Ann Zeidel mag met recht een wereldburger genoemd worden. Haar vader is een Russische Jood, haar moeder is half Nederlands en half Indonesisch en zelf komt ze ter wereld in Israël. De eerste elf jaar van haar leven brengt ze door in Nederland, daarna woont ze om en om in Parijs en New York. Na twee Franstalige albums uit te hebben gebracht gaat ze in 2003 op de internationalere toer met haar eerste Engelstalige plaat ‘Not Going Anywhere’. Alhoewel dit haar derde album in drie jaar is blijkt ze nog genoeg inspiratie te hebben, want hetzelfde jaar komt het debuutalbum uit van Lady & Bird, een samenwerkingsproject tussen Keren Ann en de IJslandse singer/songwriter Barði Jóhannsson.

10. Bayside – Montauk (acoustic) (2005)

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=3XfuzyYNvyM

CD: ‘Acoustic’ (Victory)

De punkpop/emoband Bayside wordt in 2000 opgericht in New York. De naam bedenken ze als ze met de metro op weg zijn naar een concert van A New Found Glory met het doel om hun demo-CD aan de optredende band te geven. Ze hebben nog altijd geen bandnaam en als ze het station Bayside passeren besluiten ze dat als bandnaam op het CD’tje te schrijven. Op 31 oktober 2005, twee maanden na het uitkomen van hun tweede album ‘Bayside’, verongelukt de tourbus van de groep bij Cheyenne, Wyoming. Zanger/gitarist Anthony Raneri en gitarist Jack O’Shea komen er vanaf met lichte verwondingen. Hun ritmesectie is minder gelukkig. Bassist Nick Ghanbarian breekt een ruggenwervel en drummer John “Beatz” Holohan komt om het leven. Raneri en O’Shea breken de ‘Never Sleep Again’ tour af en gaan naar huis. Een paar weken later besluiten ze hun akoestische gitaren in te pakken en als eerbetoon de tour met z’n tweeën te voltooien. Op de dag na het emotionele laatste optreden van de tour gaan Raneri en O’Shea de studio in om hun akoestische set op te nemen, het resultaat is het album ‘Acoustic’, waar tevens de laatste studio-opnames van Holohan op staan. Sindsdien heeft Bayside met een weer herstelde Ghanbarian en nieuwe drummer Chris Guglielmo nog drie albums gemaakt.

Leave a comment »

Absoluut geen zin in songs, melodieën en experiment?

“Met evolutie heeft het niet veel te maken, creatief zijn ze hooguit met het dragen van hun portefeuille (aan een ketting) in de linker- of de rechterbroekzak (of zijn er alweer nieuwe hardcore-modegrillen?), en voorspelbaar zullen ze van de eerste tot de laatste riff zijn.”

“Absoluut geen zin in songs, melodieën en experiment? Blij met een zoveelste groep die nodeloos agressief de duimschroeven van de geluidsterreur blijft aandraaien? Stort u zich dan om het af te leren nog één keer op hardcore, dat hardleerse neefje van de punk.”

Wat voor waarde hebben uitlatingen uit een twaalf jaar oud programmaboekje, dat bovendien met een knipoog geschreven is? Sowieso te weinig om je er nu nog druk over te maken, eigenlijk. Toen ik laatst het programmaboekje van Pukkelpop 1999 (ja, ik bewaar dat soort dingen) in een doos terugvond en even doorbladerde ergerde ik me toch weer aan de beschrijvingen van het merendeel van de (punk- en) hardcorebands die op het festival speelden, waarvan bovenstaande quotes enkele voorbeelden zijn. Omdat hier, ondanks het korreltje zout dat je er wellicht bij hoort te nemen (het boekje is immers door de redactie van Humo volgeschreven), wel heel duidelijk de totale minachting naar voren komt die veel zelfverklaarde serieuze muziekliefhebbers al sinds mensheugenis hebben voor het genre hardcore.

Wat ik voornamelijk opmaak uit de quotes aan het begin van dit artikel is dat de schrijver ervan niet in staat is om hardcore binnen de juiste context te beluisteren. Als je hardcore wil beoordelen volgens de kwaliteitsnormen die doorgaans gehanteerd worden voor de wat traditionelere rock en pop, dan kun je inderdaad concluderen dat de meeste hardcorebands er verdomd weinig van kunnen. Weinig originaliteit, geen blijk van bovenmatige instrumentbeheersing, nauwelijks memorabele riffs of melodieën, geen greintje subtiliteit, ga zo maar door. De gemiddelde hardcoreband mikt daar echter ook helemaal niet op en heeft een heel ander doel met z’n muziek. En je kunt iemand niet afschrijven wegens het niet bereiken van een doel waar hij zich überhaupt nooit op gericht heeft. Bovendien, als je rockbands en popgroepen gaat beoordelen volgens de kwaliteitsnormen voor hardcore, dan blijft er ook weinig van over. Maar daarover later meer.

Momenteel doe ik als singer/songwriter pogingen om “echte” muziek te maken in de wat traditionelere vorm. Voorheen heb ik jarenlang gitaar gespeeld in hardcorebandjes. Ik heb dus enige ervaring met het schrijven van beide soorten muziek. Dat een gemiddeld hardcorenummer wat minder gecompliceerd in elkaar zit is een feit. Doorgaans zijn powerakkoorden de enige akkoorden die gebruikt worden. De baspartijen zijn vaak weinig meer dan de gitaarpartijen op één snaar. En naar laagjes, diepte of interessante songstructuren zul je op een hardcorealbum hoogstwaarschijnlijk tevergeefs zoeken. Toch denk ik niet dat het makkelijker is om een echt goed hardcorenummer te schrijven dan een echt goed popnummer. Als je geen liefhebber bent van het genre zul je aan een hardcorenummer waarschijnlijk weinig meer horen dan wat geschreeuw, gitaarakkoorden die iedereen na drie gitaarlessen kan spelen en drums met de subtiliteit van een mokerhamer. Toch is het maken van een echt goed hardcorenummer ook een kunst.

Als je in staat bent om met je wijsvinger een snaar op een gitaar in te drukken en met je pink de twee à drie snaren daar onder, dan moet je de meeste hardcoreriffs wel na kunnen spelen. Om vervolgens met die paar simpele akkoorden een nummer te schrijven dat net zo onbeschoft hard alles omver blaast als ‘Reflections’ van Trial, ‘…Shall Be Judged’ van Burn of ‘We Gotta Know’ van de Cro-Mags, dat is ongeveer net zo’n makkelijke opgave als achter een piano gaan zitten en even een nieuwe ‘Let It Be’ schrijven. Een vergelijkbaar akkoordenschemaatje bedenken is nog wel te doen, maar dan ben je er natuurlijk nog lang niet.

In veel hardcorebands wordt geschreeuwd en een vaak gehoord commentaar is “Schreeuwen, dat kan toch iedereen?”. Dat klopt. Maar net als met zingen is het zo dat er een verschil is tussen iets kunnen en er heel goed in zijn. Goed kunnen schreeuwen is ook een talent dat niet iedereen gegeven is. Ik geef het je te doen om net zoveel energie, agressie en overtuigingskracht te leggen in je stem als Ian MacKaye bij Minor Threat. Zoveel allesvernietigende woede als Mike Judge bij Judge. Zoveel attitude als John Joseph bij de Cro-Mags. Zoveel waanzin als HR van de Bad Brains. Zoveel adrenaline als Henry Rollins bij Black Flag.

De conclusie is dat pop/rock en hardcore twee totaal verschillende uitingsvormen zijn. Als je pop/rock maakt sta je met een heel ander doel en een heel andere benadering te musiceren dan wanneer je hardcore maakt. Ik had het eerder over het beoordelen van hardcore aan de hand van de kwaliteitsnormen voor traditionelere pop en rock. Dat kan natuurlijk ook andersom. En dan moet je de conclusie trekken dat er heel veel te muziek is met weinig passie, energie, directheid, rauwheid, innerlijke noodzaak en overtuigingskracht.

Moraal van het verhaal: smaken verschillen en als iets in je oren niet lekker klinkt dan is het gewoon niet je ding. Maar wat je niet begrijpt is niet automatisch slecht.

Luistertips:

Minor Threat – In My Eyes: http://www.youtube.com/watch?v=Ji8psud6Pc8

Inside Out – No Spiritual Surrender: http://www.youtube.com/watch?v=nNEVAy8bNiU

Bad Brains – Sailin’ On: http://www.youtube.com/watch?v=NJZMSj6OYyQ

Cro-Mags – We Gotta Know: http://www.youtube.com/watch?v=eoPoAN-Mc7k

Gorilla Biscuits – New Direction: http://www.youtube.com/watch?v=w8T5nOeozTU

Black Flag – Nervous Breakdown: http://www.youtube.com/watch?v=YDMOFm4z0G4

Chain Of Strength – Just How Much: http://www.youtube.com/watch?v=3lrf-_f4TqQ

Trial – Reflections: http://www.youtube.com/watch?v=KzCseWbCtVk

Burn – …Shall Be Judged: http://www.youtube.com/watch?v=zfB-kuxj-Ko

Unity – Positive Mental Attitude: http://www.youtube.com/watch?v=bUJnhSdyD28

Leave a comment »

Onze meest dodelijke tegenstander

Eerder gepubliceerd op www.voetbalzone.nl, 22 april 2011

Geachte meneer Van Marwijk,

Weet u het nog? De historische kwartfinale van het EK 2004? Voor de zekerheid zal ik even uw geheugen opfrissen.

Het is zaterdagavond, 26 juni 2004, even voor elf uur ’s avonds. Na een doelpuntloze 120 minuten voetbal staan de nationale elftallen van Nederland en Zweden in het Estádio Algarve in het Portugese Faro klaar om voor 27.286 toeschouwers en talloze miljoenen tv-kijkers te beslissen wie de halve finale van het Europees Kampioenschap zal mogen spelen. De reguliere serie van vijf strafschoppen per team zit er op. Na missers van Zlatan Ibrahimovic (over) en Phillip Cocu (op de paal) is de stand 4-4. De mannen die niet tot de oorspronkelijk keurkorpsen van vijf behoorden zijn aan zet. Olof Mellberg begint namens Zweden. De bebaarde verdediger met het strakke, rechthoekige gezicht ziet er dreigend uit, bijna angstaanjagend. Hij schiet echter buitengewoon slap in, waarop Edwin van der Sar betrekkelijk eenvoudig kan redden. Met een zelfverzekerde blik staat de doelman op. Hij kijkt naar Arjen Robben en met een gestrekte rechterarm wijst hij naar hem. Alsof hij wil zeggen: “Dit is het moment. Het is nu aan jou. Doe het.” Arjen Robben uit het Groningse Bedum, dan pas twintig jaar oud, legt de bal neer. Hij neemt een aanloop en schiet hard in. De huidige PSV-doelman Andreas Isaksson, dan nog in zijn vaderland onder contract bij Djurgårdens, kiest de goede hoek, maar is te laat. Robben loopt triomfantelijk weg. Hij trekt zijn witte shirt met rugnummer 19 uit en wordt besprongen door zijn ploeggenoten. Ze zijn allemaal dol van vreugde. Ze staan in de halve finale.

Behalve vreugde is er grote opluchting. Nooit eerder immers won Nederland op een EK of WK een penaltyreeks. Op vier van de vijf voorgaande eindtoernooien waar Oranje aan deelnam (de EK’s van 1992, 1996 en 2000 en het WK van 1998) mocht het na een verloren reeks strafschoppen huiswaarts keren. Er is nu afgerekend met een nationaal voetbaltrauma en een einde gekomen aan een langdurige, wrede vloek. Eindelijk zien we de andere kant van de medaille.

Meneer Van Marwijk, in onze vreugde en opluchting vergaten we (ik hoop dat u het niet erg vindt dat ik “we” zeg als ik het heb over Oranje) op die avond iets. We hadden nog altijd te maken met een minstens zo wrede tweede vloek. Sterker nog, we zitten er tot op de dag van vandaag aan vast. We werden er op 11 juli 2010 voor het laatst door getroffen. Ik hoef vast uw geheugen niet op te frissen als het over die dag gaat.

Weet u hoeveel verlengingen het Nederlands Elftal heeft gespeeld op EK- en WK-eindrondes? Tien stuks in totaal. De eerste was in 1938, de meeste recente op de zojuist genoemde datum afgelopen zomer. Weet u in hoeveel van deze verlengingen we de wedstrijd alsnog wonnen? Schrik niet: in geen enkele. Vijf keer verloren we alsnog, vijf keer bleef het gelijk en liep het uit op strafschoppen. En dat liep dus maar één keer goed af. Weet u wat misschien nòg verontrustender is? We hebben nog nooit gescoord in de extra tijd. Wel kregen we tien goals tegen. Tien verlengingen in 72 jaar tijd, tussenstand 0-10.

Meneer Van Marwijk, we verdienen beter. We zijn een uitstekend toernooiland. Sinds 1974 (ik laat even de vooroorlogse toernooien buiten beschouwing) hebben we zeven WK’s en acht EK’s gespeeld. Vijftien eindtoernooien. Slechts één keer werden we daarin al in de poulefase uitgeschakeld. Dat is een feitje waar de Engelsen, Spanjaarden, Fransen, Italianen en zelfs de Duitsers jaloers op zijn. Vijf keer bleven we steken in de halve finale en vier keer haalden we de finale. We zaten dus negen van de laatste vijftien keer dat we meededen bij de laatste vier. We wonnen echter slechts één eindtoernooi, het EK van 1988. Dat wil zeggen dat we veertien keer uitgeschakeld werden. Zoals ik al zei, één keer in de poulefase, en dus dertien keer in de knock-outrondes. Slechts vijf keer gebeurde dit in de reguliere speeltijd. We kunnen dus wel stellen dat de geldende methodes voor een beslissen van een na negentig minuten onbesliste wedstrijd ons niet zo goed liggen.

Ik besef dat uw spelers na een ongetwijfeld weer overvol seizoen vermoeid aan het komende EK zullen beginnen, toch zou ik bijna willen zeggen: schrijf de hele handel maar in voor een paar halve marathons, zodat ze na negentig minuten nog steeds iedereen het snot voor de ogen lopen. Vraag of we oefeninterlands voortaan met verlenging mogen spelen, ook als het na negentig minuten helemaal niet gelijk staat. Duim er samen met mij voor dat Internazionale, Tottenham Hotspur, Arsenal en Bayern München en de andere clubs van onze internationals in het komende seizoen maar heel vaak tegen een verlenging op mogen lopen in de diverse Europese en nationale bekercompetities. Of laat de KNVB-kopstukken lobbyen bij de FIFA en vraag ze de verlengingen af te schaffen en play-offs in te voeren…

Natuurlijk overdrijf ik met deze suggesties. U zult ongetwijfeld betere maatregelen kunnen verzinnen, er is immers een reden waarom u het als voetballer en als coach tot Oranje geschopt hebt, terwijl ik afgelopen zondagochtend om tien uur op een veld tussen de boerenakkers stond te schutteren voor drie toeschouwers. U lijkt me een bondscoach die met alles rekening houdt en weinig tot niets aan het toeval overlaat. Ik weet dat u elke potentiële tegenstander uitvoerig bestudeert. Daarom wil ik u vragen eens extra te brainstormen over het bestrijden van onze meest dodelijke tegenstander: de verlenging.

De kans bestaat dat in de volgende zomer in Polen of Oekraïne een fluitsignaal klinkt dat de elfde verlenging voor Oranje op een eindtoernooi inluidt. Ik hoop dan op het gezicht van Robin van Persie een sluwe glimlach te zien. Een triomfantelijke grijns bij Arjen Robben. Een gebalde vuist bij Wesley Sneijder. Alsof ze willen zeggen: “Mooi, nu hebben we ze precies waar we ze hebben willen”.

PS: En laat de jongens na iedere training elk een dozijn strafschoppen nemen. Voor de zekerheid.

Leave a comment »