Archive for juli, 2011

Doelstellingen

Mijn vader kon goed voetballen. Hij debuteerde als puber al in het eerste elftal van zijn plaatselijke voetbalvereniging, scoorde aan de lopende band, sloeg een paar aanbiedingen van semi-profclubs af en kwam uit voor enkele regioselecties. Hij is nu 61 en zijn lichaam werkt niet meer helemaal mee, maar als je hem een bal geeft doet hij er nog altijd achteloos dingen mee die ik alleen in m’n dromen kan.

Als je als jongen opgroeit met een voetballende vader dan wil je zelf ook voetballen, dat is logisch. Ik mocht van mijn ouders pas op voetbal zodra ik mijn zwemdiploma had. Dat werkte blijkbaar erg stimulerend, ik blonk uit bij de zwemlessen en werd als enige uit de groep geplukt om voortijdig op te gaan voor mijn A-diploma. Daarna mocht ik me eindelijk aan gaan melden bij de plaatselijke voetbalclub Reusel Sport. In het seizoen 1985-1986 speelde ik op zesjarige leeftijd mijn eerste wedstrijden in het geel-zwart van de vereniging, in de F3.

Het gebeurde niet zelden als ik het voetbalveld opliep, vooral als we tegen mijn vader’s oude club HMVV speelden, dat er langs de kant een toeschouwer stond die mij herkende. “Laat maar eens zien dat je er eentje van Broer bent!” werd dan vaak geroepen. Zo iemand wist ik altijd in mum van tijd het zwijgen op te leggen. Ik kon in dit opzicht niet laten zien dat ik er eentje van Broer was. Wellicht had ik beter door kunnen gaan met zwemmen, ik leek als voetballer namelijk verdacht veel op Pieter van den Hoogenband in de bekende Calvé-reclame. “Het gaat steeds beter, Pietertje!”

Het duurde bijna drie jaar voordat ik mijn allereerste goal maakte. Dat maakte zo’n diepe indruk dat ik me dit doelpunt bijna een kwart eeuw later nog glashelder voor de geest kan halen. Uit tegen Woensel, tweede helft, simpel intikkertje van dichtbij na een pass van rechts.

Ondanks mijn gebrek aan aanleg stopte ik niet met voetballen. Elk jongetje dat iets doet wat hij eigenlijk niet kan hoopt stiekem dat hij gewoon een laatbloeier is. En ook al had ik vrij snel door dat ik wel een verdomd spectaculaire inhaalslag moest maken om ooit alsnog een respectabele voetballer te worden, ik bleef het leuk vinden. Je hoeft immers ook geen Haile Gebrselassie te zijn om met plezier te kunnen hardlopen en geen Jimi Hendrix om je lekker op een gitaar uit te kunnen leven.

Mijn carrière vervolgde zich in de laagste jeugdelftallen van de club. E4, D4, C4, B2, A2. Eén keer speelde ik in de A1, het allerhoogste jeugdteam van de club. De reden: de A1 kwam een speler tekort, kwam er één lenen bij de A2, waarop mijn medespelers direct mij voordroegen. Waren zij tenminste van me af. Na de A-jeugd, na twaalf jaar aanmodderen in de absolute marge van het jeugdvoetbal, vond ik het mooi geweest. Ik moest de overstap maken naar de senioren en daar had ik niet zo’n trek in. Op zaterdagmiddag voetballen met mijn leeftijdsgenoten was leuk, op zondagochtend om tien uur spelen in een team waarvan de helft mijn vader had kunnen zijn zag ik niet zo zitten. Bovendien had muziek inmiddels voetbal verdrongen als mijn voornaamste interesse.

Ironisch genoeg rolde ik via de muziek negen jaar later terug het voetbal in. Drie leden van de band waar ik in speelde wilden gaan voetballen bij BES. Die club had op dat moment drie seniorenelftallen en kwam nog een paar spelers tekort voor het oprichten van een vierde team. Uiteindelijk liet ik me overhalen, ik ging weer voetballen. Hoe het seizoen dat daarop volgde verliep zal ik niet hoeven vermelden. Het talent was me uiteraard niet alsnog komen aanwaaien, daarentegen had ik er wel een dikke twintig kilo lichaamsgewicht bijgekregen en had ik al bijna een decennium niet meer op een voetbalveld gestaan.

Toch vond ik het geen vervelend seizoen. Ik kan niet spreken voor mijn trainer en teamgenoten bij BES, maar door de jaren heen heb ik prima om leren gaan met mijn gebrek aan voetbalkwaliteiten. Ken je eigen beperkingen en leg je lat op een realistische hoogte en je bespaart jezelf een hoop frustratie. Een goede voetballer zal pas tevreden van het veld stappen nadat hij met drie doelpunten hoogstpersoonlijk de wedstrijd beslist heeft. Ik stap tevreden van het veld als ik geen cruciale fouten gemaakt heb en niet gewisseld ben. En mocht ik er per ongeluk in slagen om eens een assist te geven of, de wonderen zijn de wereld niet uit, misschien zelfs eens een doelpunt mee te pikken dan is mijn dag helemaal goed. Een gebrek aan grote prestaties leert je de kleine dingen waarderen.

Na een jaar stopte ik toch weer met voetballen bij BES. Elke keer op en neer rijden naar Borkel en Schaft begon me tegen te staan, vooral omdat de trainer eigenlijk wilde dat ik ook wekelijks kwam trainen. Toch begon ik het voetballen al snel weer te missen. Ik was er weer aan herinnerd hoe leuk het ook alweer was en het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Uiteindelijk meldde ik me aan bij VV Hulsel, een klein, gemoedelijk clubje uit een gehucht waar ik vlakbij woon. Ze zaten verlegen om spelers en waren dus sowieso niet selectief bij het aannemen van nieuwe leden. Dat klonk als mijn club.

In augustus 2009 liep ik bij VV Hulsel de kleedkamer binnen voor mijn eerste training. Terwijl ik de veters van mijn voetbalschoenen strikte vroeg één van mijn wat oudere nieuwe medespelers naar mijn naam. “Van welke Van Gisbergen ben je er één?” wilde hij vervolgens weten. Broer van Gisbergen kende hij wel. Daar had hij vroeger zelfs nog tegen gespeeld. Hij glimlachte.

“Laat zometeen maar eens zien dat je zijn zoon bent, dan!”

Deze maand begin ik aan mijn derde seizoen bij VV Hulsel. Ik ben er nu als 32-jarige vrij zeker van dat ik me niet meer ga ontpoppen als laatbloeier. Desondanks heb ik er weer zin in en verheug ik me op een seizoen zonder al te veel cruciale fouten.

Advertenties

Comments (1) »

Achteraf

“Dit gaat later ooit een hartstikke mooi verhaal worden. Maar op dit moment zou ik een paar duizend dingen kunnen bedenken die ik liever aan het doen zou zijn.” Ken je dat gevoel?

Zodra je een instrument leert beheersen wil je in een band spelen. Zodra je in een band speelt droom je van spelen voor publiek. Na je eerste optredens in lokale bars en jeugdhonken wil je verder van huis, spelen voor mensen die niet verplicht zijn om te komen om de simpele reden dat ze je familieleden en vrienden zijn. En zodra je dat gedaan hebt is touren de volgende stap. Met je band in een bus stappen, naar plaatsen rijden waar je nog nooit geweest bent en je nummers spelen voor mensen die jouw taal niet spreken. Het wordt mischien niet glorieus (althans nog niet in het begin, maak je jezelf misschien wijs), maar het zal op z’n minst een mooi avontuur worden.

Toen de destijds nog volledig onbekende Beatles voor het eerst zo’n avontuur beleefden was dat in het Duitse Hamburg. John Lennon zei ooit dat hij was geboren in Liverpool, maar dat hij opgroeide in Hamburg. Dat is waar The Beatles een ervaren band werden door urenlang aan een stuk te spelen, avond na avond, in dubieuze clubs aan de beruchte Reeperbahn in de “red light district”. Hun publiek bestond doorgaans uit zeelui, prostituees en zuipschuiten.

Alhoewel ons tourneetje maar een paar dagen zal duren en dus lang niet zo’n beproeving zal worden ben ik er wel vrij zeker van dat de omstandigheden die wij vanavond in Hamburg aantreffen nog een graadje erger zijn. De omgeving: een braakliggend stukje grond op een deprimerend industrieterrein. De locatie: een geïmproviseerd houten schuurtje. Het publiek: hippies, krakers, punks en anarchisten, velen daarvan lijken onder de invloed van iets te zijn. Ironisch genoeg draait iemand heel hard ‘Here Comes the Sun’ van The Beatles als we de bus uitstappen.

Een Engels gezegd luidt “Beggars can’t be choosers”, bedelaars hebben niets te kiezen. Die moeten aannemen wat ze kunnen krijgen. En daarom zijn we nu hier. We zijn bezig met onze tweede mini-tournee en omdat we morgen en overmorgen in Polen spelen was het praktisch om vandaag een optreden te hebben ergens in Duitsland. Maar helaas, als je een niet al te bekende Nederlandse hardcoreband bent en op een donderdagavond in Duitsland wil spelen staan mensen niet in de rij om dat voor je te organiseren. Maar na wat e-mail-werk krijgen we uiteindelijk één aanbod. We kunnen in Hamburg spelen.

“O, het is trouwens op een woonwagenkamp.”

Als we aankomen bij het opgegeven adres realiseren we ons al snel dat “woonwagenkamp” nog een te glorieuze beschrijving is van wat we aantreffen. Het heeft meer weg van een krottenwijk. Mensen wonen in geïmproviseerde hutjes en afgeschreven caravans. Het is geen aanblik die je verwacht aan te treffen in een land in West-Europa. Midden op het park staat een houten schuurtje dat dienst doet als bar. We krijgen te horen dat dit is waar we vanavond zullen spelen.

We socializen een beetje met ons mogelijke publiek voor vanavond. Een man vertelt met een bloedserieuze blik dat hij een hondenpooier is en vraagt of ik seks wil hebben met één van zijn honden. Ik ben er niet van overtuigd dat hij een grapje maakt. Een paar van mijn medebandleden gaan met de organisator van het optreden naar zijn eigen onderkomen. Als ze terugkomen zeggen ze dat het hutje volgepakt was met allerlei soorten wapens. Ik ben er niet van overtuigd dat ze me voor de gek houden. Sterker nog, ik denk van niet.

Er spelen vanavond vier bands. Eerst twee Duitse bands, dan wij, met een Chileense band als afsluiter. Zodra het voor ons tijd is om op te gaan zijn de Duitse bands al vertrokken. Blijkbaar moesten ze, eh, ergens anders zijn voor iets. Tuurlijk, jongens! Ik begrijp het wel, ik wil hier eigenlijk ook zo snel mogelijk weg. Ons optreden is een ramp. We spelen voor zo’n twintig, dertig zombies die duidelijk weinig kunnen met onze muziek. En verschillende malen valt de electriciteit weg. Plichtmatig werken we onze set af, totdat we onze spullen weer in de bus kunnen zetten en weg kunnen.

We zijn eindelijk klaar en beginnen ons materiaal te verzamelen. Dan komen de leden van de Chileense band naar ons toe. Ze vragen of ze onze spullen mogen lenen. Ze zijn voor twee maanden op tournee door Europa en hebben op twee gitaren na helemaal niets bij. Ze vragen of ze onze versterkers en drumkit mogen lenen. Onze bassist, onze andere gitarist en ik vinden het best om onze spullen uit te lenen. Die jongens hebben de hele dag gewacht tot ze mogen spelen en we willen het niet voor hen verpesten. Ook niet geheel onbelangrijk: we zijn niet op een plek waar we ruzie willen krijgen. Sterker nog, even geleden hebben we nog duidelijk afgesproken: “Wat er ook mag gebeuren, zorg dat je geen ruzie krijgt”.

Voordat we het weten hebben we ruzie met zo’n beetje iedereen in het schuurtje. Onze drummer wil de Chilenen best zijn basiskit lenen, maar zijn bekkens zijn te duur en te breekbaar daarvoor. Niemand gaat daar op slaan behalve hij, einde discussie. Ik ken hem inmiddels een beetje en weet dat als het voor hem einde discussie is, dan is het ook echt einde discussie. Zonder bekkens kunnen de Chilenen uiteraard niet spelen. Ze reageren er goed en sportief op, ze begrijpen het. Als je iemand om een gunst vraagt kun je ook een “nee” krijgen. Met een gerust hart gaan we verder met het inpakken van de drumkit en onze versterkers. Dan gaat het mis.

Mensen uit het publiek komen naar ons toe. We zijn ineens die egocentrische Nederlandse klootzakken die hun Chileense punkrockbroeders hun optreden niet gunnen. We zijn smerige materialisten. We begrijpen het principe achter anarchy en de punkgedachte niet. Enzovoort. We zijn de vijand. Overbodig om te vermelden dat het een intimiderende situatie is, maar het wordt nog erger. Een man die vlakbij de bar staat draait volledig door. Hij schreeuwt naar ons en alhoewel hij geen Duitse woorden gebruikt die ik ooit op school geleerd heb ben ik er vrij zeker van dat hij niet op het punt staat om ons te komen bedanken voor een mooi, geïnspireerd optreden. Gelukkig wordt hij tegengehouden door een aantal van zijn vrienden.

Had ik trouwens al gezegd dat dit die man was met het hutje vol met wapens?

We verdelen de band in tweeën. Onze zanger, bassist en drummer gaan de discussie aan met de boze menigte om de mensen een beetje te bedaren, terwijl de andere gitarist, onze roadie en ik zo snel als we kunnen de spullen in de bus gooien. Letterlijk gooien. Iemand in onze diplomatieke sectie krijgt het heldere idee om onze “fans” toe te zeggen dat de Chilenen bij wijze van excuus het geld dat we voor het optreden hadden moeten krijgen mogen hebben. Blijkbaar vinden de meesten dat redelijk klinken en de spanning neemt wat af. Intussen zijn we klaar met het inpakken van de bus en klaar om te gaan. We stappen snel in en hopen dat de bus niet belaagd wordt als we wegrijden.

Gelukkig kunnen we probleemloos vertrekken. Als we bij de poort komen blijkt daar echter een groot hangslot aan te hangen. De vraag “Hey, wie wil teruggaan om vriendelijk om de sleutel te vragen?” komt op. Eh… We stappen uit en kijken of we het slot kapot kunnen krijgen. Gelukkig is dat niet nodig, het slot is open. Enkele seconden laten rijden we over het industrieterrein. Het ziet er nu lang niet zo deprimerend meer uit als vanmiddag.

We blijven rijden tot de zonsopkomst. Dan stoppen we op een parkeerplaats ergens midden in voormalig Oost-Duitsland. We zullen proberen wat te slapen in de bus. Omdat ik al weet dat rechtop zittend slapen in een bus met vijf anderen niet gaat lukken ga ik buiten op het gras liggen, met mijn walkman en mijn bandje met de albums ‘Ocean Avenue’ van Yellowcard en ‘Love is Worth It’ van Silent Drive.

Spelen in Hamburg. Dat klonk als een grote droom toen ik op mijn vijftiende mijn eerste gitaarakkoorden leerde. Ik had toen niet verwacht dat het ooit zou gebeuren. En zeker niet op deze manier. Maar het is een mooi avontuur en een goed verhaal. Achteraf, althans.

Comments (1) »

Goedkoper dan de Blokker

Zomaar wat reisherinneringen.

Dinsdag 26 juli 2005. Alexandrië, Egypte. Het is, zoals vrijwel altijd hier, stralend weer en het strand aan de Middellandse Zee ligt goed vol. Al snel begint het ons op te vallen dat alle strandgangers mannen en jongens zijn. Als je al eens een vrouw ziet is ze volledig gekleed en past ze op de spullen terwijl manlief en/of zoons zich vermaken in het water. Even later zitten we in de hotellobby. Tegenover ons zit een vrouw. Althans, dat neem ik aan. Er is geen vierkante centimeter van haar te zien, ze draagt een boerka en zelfs haar ogen zijn bedekt met een gaasje. Ze heeft twee kleine kinderen bij zich, een jongen en een meisje. Ik denk dat ze een jaar of drie, vier zijn. Er wordt opgewekte Arabisch muziek gedraait. De twee kinderen laten zich van de bank glijden en beginnen allebei vrolijk te dansen en te huppelen. De vrouw staat op. Ze pakt het meisje hardhandig bij een arm en zet haar terug op de bank. In het Arabisch snouwt ze haar iets toe. Uiteraard kan ik het niet verstaan, maar waarschijnlijk zegt ze zoiets als “Zitten! Doe normaal en gedraag je!”. Het jongetje danst en springt vrolijk verder.

Maandag 18 juni 2007. Acapulco, Mexico. Ik zou nu graag even onzichtbaar willen zijn. Ik hoopte hem ongemerkt te kunnen passeren, maar hij heeft me gezien en komt op me af. Tijdens deze stadswandeling was het aantal keren dat iemand “Pssst, amigo!” naar me riep nauwelijks te tellen en elke keer kreeg ik dan van een akelig mannetje te horen dat hij “anything you want” kon regelen. De man die het nu op mij voorzien heeft is de koning van de enge mannetjes in Acapulco. Lang, graatmager, shirtloos, helemaal vol tattoos, grote zonnebril, bek vol zilveren tanden, lange sik. Type biker. Hij gaat met een intimiderende pose in mijn looprichting staan en spreekt me aan, in het Engels met een Amerikaans accent. Ik speel dommetje en zeg in het Nederlands dat ik geen Engels spreek. Hij trapt er niet in. Hij wil dat ik met hem mee ga naar de seksclub waar hij voor werkt. Ik zeg dat ik geen interesse heb. “Why not?” wil hij weten. Ik probeer hem duidelijk te maken dat ik echt niet zit te wachten op wat hij te bieden heeft, maar dat accepteert hij domweg niet. Ik besluit gewoon weg te lopen en maar te hopen dat hij me dan met rust laat. Pas een meter of honderd verderop durf ik weer achterom te kijken.

Donderdag 2 april 2009. Amman, Jordanië. De sfeer in het café is opperbest. Het enige wat we hier een beetje missen is een pilsje, alcohol wordt hier niet geschonken. We vragen één van de vriendelijk obers of hij niet toch wat kan regelen. Hij gaat even overleggen met zijn collega’s en komt dan terug. Hij weet wel een adresje. Voor 50 dinar (zo’n 55 euro) kan hij tien halve literblikken bier regelen. Een beetje duur, maar we gaan ermee akkoord. Even later zien we één van zijn collega’s buiten een taxi nemen. Het duurt zo’n drie kwartier voordat hij weer terug komt. Blijkbaar moet je midden in deze miljoenenstad een minuut of twintig rijden om ergens bier te kunnen krijgen. Er wordt een discreet zwart plastic tasje op onze tafel gezet. Daarin zit nog zo’n discreet zwart tasje. En daarin zitten tien blikken bier. Het voelt bijna alsof we zojuist een veel sterker verdovend middel besteld hebben dan bier. We merken dat de obers toch een beetje zenuwachtig worden als we de blikken openmaken. Als we elk aan ons tweede blik willen beginnen komen ze ons toch vriendelijk verzoeken of we die ergens anders op willen gaan drinken. We stoppen de blikken terug in het discrete zwarte tasje en gaan naar één van onze hotelkamers. Stiekem bier drinken.

Woensdag 12 juli 2006. Camagüey, Cuba. De bar in de stad was niks. Als een net iets te mooie en net iets te jonge vrouw je direct op de man af vraagt in welk hotel je verblijft, dan begrijp je wel dat ze niet zomaar aan het flirten is. En van dat soort vrouwen liepen er iets te veel rond. We gaan maar in de bar van ons hotel zitten, al is die met z’n felle TL-lampen niet erg gezellig. Gelukkig verkopen ook ongezellige bars middeltjes waardoor ze vanzelf wat gezelliger worden. Onze Cubaanse reisleider komt bij ons zitten, samen met een vriend van hem die hier woont. Die vriend is een opvallend figuur. Zijn postuur, zijn manier van praten, zijn manier van lachen, zijn manier van dansen, zijn scheve petje, alles aan hem komt erg klungelig over. De rum, die hier spotgoedkoop is en er vlot doorheen gaat, maakt dat alles er niet beter op. Naarmate de avond verstrijkt wordt het steeds moeilijker om hem niet hardop uit te lachen en uiteindelijk lukt dat dan ook niet meer. De man lijkt het allemaal wel prima te vinden en lacht vrolijk met ons mee. De volgende ochtend zit onze reisleider met een monumentale kater in de bus. Het wordt al snel duidelijk dat we vandaag weinig van hem zullen gaan horen. Hij weet wel heel nonchalant nog wat te vertellen over zijn vrolijke vriend. Dat blijkt hier een hele grote jongen te zijn in de georganiseerde misdaad. De reisleider brengt het nieuws alsof het gaat om een handige zakenpartner. Het wil immers wel eens voorkomen dat van één van zijn gasten een portemonee of camera gejat wordt. Eén telefoontje naar zijn vriend is dan genoeg om die in een kwartiertje terug te laten bezorgen.

Dinsdag 12 juni 2007. San Juan Chamula, Mexico. Het gaat er in deze kerk wat anders aan toe dan wij gewend zijn. Banken staan er niet en de vloer ligt bezaaid met dennennaalden, bloemen en theelichtjes. Mensen bidden niet met woorden, maar door lekker hard te boeren. De lucht die je dan uitstoot nemen al je gedachtes mee naar boven, geloven ze hier. Veel mensen hebben dan ook een fles Coca-Cola bij, dat bidt wat makkelijker. Hoofdontvanger van deze bijzondere gebeden is niet Jezus Christus, maar Johannes de Doper, die hier belangrijker geacht wordt. Overbodig om te melden dat de katholieke kerk walgt van deze geheel eigen interpretatie van het katholicisme met invloeden uit inheemse godsdiensten. Katholieke priesters zetten hier dan ook alleen een voet over de drempel als er kinderen gedoopt moeten worden, de rest van de tijd zoeken ze het hier zelf maar uit. Het is erg zonde dat het in deze bijzondere ruimte ten strengste verboden is om foto’s te maken. Met fotocamera’s hebben de Chamula’s sowieso heel weinig op. De plaatselijke bevolking mag onder geen beding gefotografeerd worden, als je dat doet steel je immers een deel van hun ziel. Overtreding van deze regel kan je op een pak slaag, een kapotte camera of een nachtje cel komen te staan, of een combinatie daarvan.

Het is een interessante wereld. Wat je op de ene plaats opgedrongen wordt is op de andere verboden. Wat voor de ene cultuur een gebruik is, is voor de andere een zonde. Wat in het ene land vanzelfsprekend is, is in het andere ondenkbaar. Maar als je als bleke Hollander langs een souvenirkraampje loopt merk je echter dat sommige dingen overal hetzelfde zijn.

“Hey, friend! Come look! Kijken, kijken, niet kopen! Allemachtig prachtig! Goedkoper dan de Blokker!”

Leave a comment »

Warm Sounds

Als het om muziek gaat heb ik een paar afwijkingen die een beetje neigen naar het obsessieve. Als ik een nummer hoor dat ik echt mooi vind, dan moet ik per sé weten hoe het heet en van wie het is. Vervolgens moet ik het uiteraard hebben. Op een officiële CD of beter nog, op vinyl. Muziek downloaden of een CD kopiëren is niet goed genoeg. En zodra een band of artiest echt indruk op me gemaakt heeft neem ik geen genoegen meer met alleen de reguliere albums. Dan wil ik ook de B-kantjes, live-opnames, demo’s en slechte repetitieopnames horen. Dan wil ik niet alleen de officiële bandbio lezen, maar wil ik bij wijze van spreken ook weten wat het favoriete eten en de favoriete kleur van elk bandlid is. En elk muziekfeitje dat eenmaal mijn hoofd in gaat blijft daar doorgaans ook heel stug hangen. Wat mijn eigen telefoonnummer is, wat voor T-shirt ik eergisteren droeg of wat de naam was van mijn wiskundeleraar in mijn examenjaar zou ik je niet kunnen zeggen al hing mijn leven er van af, maar de negen gitaristen van de Red Hot Chili Peppers, de 28 studio-albums van The Beach Boys of de tracklisting van ‘Nevermind’ opdreunen is niet zo’n probleem. Als nuttige informatie net zo makkelijk bleef hangen als onbenullige muziekfeitjes dan zou mijn schoolloopbaan er heel anders uit hebben gezien (en sowieso korter zijn geweest).

Zomer 1990. Ik ben ik elf jaar oud en met mijn ouders en broers een weekje op vakantie in de Duitse Eiffel. Het is een hele mooie week die één van mijn meest dierbare jeugdherinneringen zal worden. Elke dag mooi weer, overdag over groene heuvels rijden naar leuke stadjes en oude kastelen, elke namiddag en avond voetballen met een hele groep kinderen uit Nederland, België en Engeland. Als we in de auto zitten staat steevast Radio Tour de France op. Eén van de presentatoren daarvan is Felix Meurders, die zich om de één of andere reden heeft voorgenomen om een behoorlijk obscuur singletje uit 1967 uit de vergetelheid te sleuren. Hij draait het dan ook met enige regelmaat. Ik val meteen als een blok voor het nummer. Het heeft misschien wel de mooiste melodieën die ik ooit heb gehoord, het is catchy en zonnig op de oppervlakte, maar heeft tegelijk een vreemde, donkere en ietwat sinistere ondertoon. Ik slaag er niet in om op te vangen wat de naam van de uitvoerende of de titel van het liedje is, ik kom alleen te weten dat in één van beiden het woord “birds” zit. Meurders’ pogingen blijven redelijk vruchteloos, waardoor het na die vakantie nog verschillende jaren zal duren voor ik het nummer weer te horen krijg. Maar ik blijft me altijd exact herinneren hoe het klonk. Het wordt voor mij bijna een mythisch iets: het onbekend liedje dat kwam, dat in mum van tijd mijn favoriete nummer werd en vervolgens weer verdween in het niets.

Een jaar of twaalf later. In al die tijd heb ik het nummer nog een keer of twee voorbij horen komen op de radio. Ik ben er eindelijk in geslaagd om de naam van de uitvoerende en de titel te achterhalen. ‘Birds and Bees’ van Warm Sounds, dat was ‘m. Het is voor mij niets minder dan een missie geworden om een geluidsdrager te vinden waar dit nummer op staat. Dat valt nog niet mee. Warm Sounds blijkt nooit een album uit te hebben gebracht, laat staan dat er CD’s zijn. Een exemplaar vinden van het originele singletje op een rommelmarkt is ook vrijwel uitgesloten, ‘Birds and Bees’ heeft de Nederlandse top 40 immers nooit van dichtbij gezien. En met sites als eBay en Markplaats ben ik sowieso nog niet bekend. Na wat gespeur op internet weet ik een de site te vinden van een Engelse platenhandelaar die een exemplaar van de single te koop heeft voor een pond of twintig. Een bedrag wat ik er graag voor wil betalen. Ongeveer een week later valt het pakje met de single op de deurmat. Ik maak het snel open, leg het plaatje op de platenspeler, zet de naald op het vinyl en even later hoor ik pas voor waarschijnlijk de derde keer sinds die vakantie in 1990 het intro: “Pap-pap-pap, pap-pap-pap-pap…”. Tot mijn opluchting blijk ik het nummer niet te hebben geromantiseerd door de jaren. Het is nog net zo magisch en net zo mooi als ik het me herinnerde.

Tot op de dag van vandaag vind ik ‘Birds and Bees’ één van de mooiste nummers aller tijden. Specifieker: op ‘God Only Knows’ van The Beach Boys na het allermooiste. Na het eerste deel van dit stuk te hebben gelezen zal het je niet verbazen dat ik dus ook wel wat meer wilde weten over Warm Sounds. Ik heb nooit veel kunnen vinden. Googlen op de bandnaam levert genoeg resultaten op, maar alle concrete informatie lijkt te komen uit één en dezelfde beknopte bio. Wat ik uiteindelijk te weten kom is dat Warm Sounds een samenwerkingsverband was tussen twee singer/songwriters, Barry Husband (ook bekend als Barry Younghusband) en Denver Gerrard (ook bekend als Denny Gerrard). ‘Birds and Bees’ werd uitgebracht in de befaamde “Summer of Love” van 1967 op Deram Records, een quasi-progressief sublabel van Decca. De single ging naar nummer één op de hitlijst van het toonaangevende piratenstation Radio London, maar bleef op de officiële lijst hangen op 27, wat een record betekende: geen enkele lijstaanvoerder van Radio London had het ooit slechter gedaan op het reguliere hitoverzicht. Warm Sounds bracht in 1967 en 1968 nog twee singles uit, die beiden totaal flopten. Wat begrijpelijk is, de tweede single ‘Sticks and Stones’ is niet zo best (al is B-kant ‘Angeline’ wel heel aardig) en de psychedelische, experimentele derde single ‘Nite is a Comin” was zelfs voor het tijdperk nog wat te vreemd. Na deze derde single viel Warm Sounds uiteen. Ik heb ergens gelezen dat er nog een album op zou zijn genomen dat nooit uit is gebracht, maar hoe betrouwbaar die informatie is weet ik niet. Hoe dan ook, de officiële erfenis van Warm Sounds bestaat uit slechts zes liedjes, uitgebracht op drie singles die sinds de late jaren zestig nooit meer heruitgebracht zijn.

Na in Warm Sounds te hebben gespeeld was Husband kortstondig lid van Donovan’s begeleidingsband Open Road, terwijl Gerrard het onsuccesvolle en behoorlijk matige soloalbum ‘Sinister Morning’ maakte. En dat is waar het spoor lijkt te eindigen. Tot dusver heb ik nooit ook maar het kleinste beetje informatie weten te vinden over wat Husband en Gerrard sinds de late jaren zestig uitgespookt hebben. Het lijkt er dus op dat ze destijds uit de muziekbusiness gestapt zijn. Het maakt me benieuwd naar wat ze nu doen. Ze moeten rond de zeventig zijn, zouden ze nog leven? Zouden ze nog muziek maken? Zouden ze nog ooit in een conversatie laten vallen dat ze vroeger een paar singletjes gemaakt hebben? Zouden ze verbitterd zijn over hun korte en in commercieel opzicht weinig succesvolle carrières? Zouden ze kleinkinderen hebben die niet eens weten dat hun opa ooit muziek maakte? Ik ben normaal helemaal niet zo’n type fan dat contact gaat zoeken met zijn idolen, maar uiteindelijk werd mijn nieuwsgierigheid naar die twee mannen die verantwoordelijk waren voor een liedje dat al een jaar of twintig een bescheiden obsessie voor me was toch zo groot dat ik eens een poging besloot te wagen. Bewapend met een computer, Google en Hotmail ging ik er voor.

De eerste persoon die ik wist te achterhalen was “Candy” John Carr, de studiodrummer die op ‘Birds and Bees’ speelde. Hij bleek nog altijd te drummen en een eigen website te hebben. Ik stuurde een mailtje naar Carr, kreeg een uiterst vriendelijk antwoord, maar helaas ook de melding dat hij na het Warm Sounds-tijdperk nooit meer wat van Husband of Gerrard had vernomen. O ja, en of ik hem even wat wilde laten weten als ik ze zou vinden. De volgende persoon die ik vond was Tony Hill, die gitaar speelde op Gerrard’s solo-album. Ook hij bleek nog altijd actief te zijn en een eigen website te hebben en ook hij bleek al bijna veertig jaar geen contact meer te hebben met Husband of Gerrard. En wederom: “Laat maar wat weten als je ze mocht vinden”. Ik kreeg het idee om contact op te nemen met Isoteric Records, het label dat recentelijk Gerrard’s soloalbum had heruitgebracht op CD. Ik nam aan dat ze Gerrard wel royalties zouden betalen. Helaas, Isoteric bleek geen idee te hebben waar Gerrard uithing, ze wisten niet eens of hij nog leefde, ze hadden de albumrechten gekocht van Decca en dat was dat. Ik deed nog één poging, ik stuurde een mailtje naar Decca, maar dat leverde slechts de reactie op dat de namen Warm Sounds, Denver Gerrard and Barry Husband geen belletje deden rinkelen.

Alle sporen eindigen dus eind jaren zestig, begin jaren zeventig. En eigenlijk is het ook wel prima zo. Het is leuk om alles te weten wat er te weten valt over je helden. Maar er zit ook een mooi, romantisch kantje aan obscuriteit. Over nummers als ‘Bohemian Rhapsody’, ‘Stairway to Heaven’ en ‘Smells Like Teen Spirit’ kun je genoeg informatie verzamelen om een boek te vullen. Minpunt is dat die nummers lijden onder het feit dat ze publiek bezit zijn. Je hebt ze nèt wat te vaak voorbij horen komen op de radio, nèt wat te ernstig verkracht horen worden door coverbandjes, nèt wat te hoog in de Top 2000 zien staan. Dat soort dingen maken een liedje toch bewust of onbewust wat ordinair en versleten. Dan heeft het wel wat om bij een liedje het gevoel te hebben dat je het bijna helemaal voor jezelf hebt. Dat het half begraven ligt in de grond, achtergelaten is door mysterieuze vreemdelingen en daarna vrijwel vergeten is. Als een schatkist.

Ik ben erg blij dat Felix Meurders een dikke twintig jaar geleden besloot te gaan proberen om ‘Birds and Bees’ uit de vergetelheid te sleuren. En stiekem ook een klein beetje blij dat het hem niet gelukt is.

Comments (2) »

De soundtrack van een afscheid

1987. Ik ben acht jaar oud en mijn interesse in muziek is al ruimschoots bovengemiddeld voor iemand van mijn leeftijd. Ik krijg maar een paar gulden zakgeld per week, waardoor ik nog niet echt in de gelegenheid ben om platen te kopen om te draaien op het antieke platenspelertje dat ik gekregen heb van een kennis van mijn ouders. Mijn moeder’s bescheiden platenverzameling is nauwelijks de moeite van het plunderen waard. En downloaden is nog een onbekend woord.

Toch heb ik een manier om mijn honger naar muziek te stillen. De jongste broer van mijn vader, mijn ome Jos, is 26 jaar oud en een grote muziekliefhebber. Hij werkt full time en woont nog bij zijn vader, hij heeft dus geld te besteden. Veel van dat geld geeft hij uit aan platen. Hij heeft dozen en kasten vol LP’s en singles, het zijn er genoeg om een radiostation mee draaiende te houden. Noem een hit uit de laatste twintig jaar en er is een goede kans dat hij ‘m op vinyl heeft.

Ome Jos merkt dat ik zijn liefde voor muziek deel en wil wel wat mixtapes voor me samenstellen. Hij maakt ze op maat voor me, precies zoals ik ze wil hebben. De bandjes bestaan ongeveer voor de helft uit de recente hits die ik ken van radio en TV en voor de andere helft uit gouwe ouwen uit de jaren vijftig en zestig. Ome Jos weet dat ik een grote fan ben van Elvis Presley en denkt me dus wel een plezier te kunnen doen met diens tijdgenoten. Hij heeft gelijk, tot op de dag van vandaag heb ik een zwak voor muziek uit die tijd.

Op de eerste cassette die ome Jos voor mij samenstelt zit een sticker, waar hij “Voor Joost” op heeft geschreven. Gelukkig blijkt hij een productieve samensteller van mixtapes. Zelfs als er een feestje is en het huis vol zit met bezoek kan ik hem toch zo ver krijgen om met mij bij de stereo te gaan zitten om het zoveelste deel in de “Voor Joost” serie vast te leggen. We spitten zijn collectie door en tijdens het draaien van mijn verzoeknummers doen we alsof we samen een radioprogramma aan het maken zijn.

Op een dag ben ik met mijn ouders op bezoek bij mijn opa en ome Jos. Ik ben in tranen omdat ik zojuist mijn knie open heb gevallen. Ome Jos ziet het even aan, loopt dan naar zijn doos met dierbare singletjes en pakt er een EP’tje van The Shadows uit. “Hier, die mag je wel hebben”. Een week eerder heb ik hem laten weten dat van alle singletjes die hij heeft ik die de allermooiste vind. Plotseling is er niets meer aan de hand met mijn knie.

Ome Jos wordt door dit alles de samensteller van een belangrijk deel van de soundtrack van mijn jeugd. Achteraf spijt het me enorm dat ik de bandjes die hij voor me maakte niet meer heb. Maar ik kan me nog vrij helder herinneren wat er zoal opstond. Oldies van The Everly Brothers (‘Temptation’), Billy Fury (‘Halfway To Paradise’), Jay & The Americans (‘Cara Mia’), The Four Seasons (‘December 1963’) en John Leyton (‘Johnny, Remember Me’). Destijds recente hits van Duran Duran (‘The Reflex’), Nick Lowe (‘Half A Boy And Half A Man’), Het Goede Doel (‘Nooduitgang’, ‘Vriendschap’, ‘België’), Mel & Kim (‘Respectable’, ‘Showing Out’), Red Box (‘For America’) en Kim Wilde (‘Cambodia’). Nog altijd denk ik terug aan de bandjes van ome Jos als ik één van deze nummers terughoor. Overigens heb ik deze nummers, niet geheel toevallig, tegenwoordig bijna allemaal op mijn iPod staan.

In juli 2010 krijg ik een telefoontje van mijn vader, die aan het klussen is in het nieuwe appartement van ome Jos. Mijn oom heeft nog een paar dozen met platen staan waar hij niets meer mee doet, hij heeft al jaren geen platenspeler meer. Ik mag ze hebben, als ik ze niet wil gaan ze naar de vuilnisbelt. Uiteraard wil ik ze wel hebben, dat spreekt voor zich.

Die avond zit ik vol nostalgie mijn bijna vierhonderd nieuwe aanwinsten door te spitten. Alhoewel ik deze platen al zeker een jaar of twintig niet meer gezien heb herken ik nog opvallend veel hoezen en tracklistings. Dit zijn de platen waar de bandjes die ik allang kwijt ben mee samengesteld zijn. Veel van de platen en hoezen zijn niet meer in hele goede staat en bovendien zijn het overwegend compilaties, echt waardevolle klassiekers zitten er nauwelijks tussen. Een handelaar of verzamelaar zou er nauwelijks wat voor geven. Maar voor mij is deze verzameling een regelrechte schat. Het idee dat deze platen op het punt stonden om op een vuilstortplaats te belanden vind ik ronduit stuitend.

Krap een half jaar later, op 21 december 2010, krijg ik weer een telefoontje. Nu van mij moeder. Ome Jos is zojuist gevonden in zijn badkamer. Na een leven vol onverdiende dieptepunten heeft hij besloten dat het genoeg is geweest. Niemand kan met zekerheid zeggen wat er na dit leven komt of niet komt, maar hij is tot de conclusie genomen dat het nooit slechter kan zijn dan zijn leven op aarde.

Een dag later is de familie volop bezig met het voorbereiden van de begrafenis. Ik heb ook een klusje gekregen. Er zijn drie nummers uitgekozen die tijdens de kerkdienst gedraaid zullen worden. ‘Mijn Dorpje’, ‘Geef Mij Nu Je Angst’, en het allerlaatste liedje dat ooit zijn oren zijn bereiken, ‘Seasons In The Sun’. Het is aan mij om die drie op te sporen, te downloaden en op een cd’tje te zetten.

Nadat stappen één en twee zijn voltooid moet ik alleen nog even het schijfje branden. Het wil verdomme niet lukken. Mijn gare computer werkt niet mee en doet niets als ik op “burn CD” druk, zelfs niet nadat ik het apparaat enkele keren herstart heb. Ik heb afgelopen nacht maar twee uur geslapen, heb morgen een medisch ingreepje waar ik uiteraard niet erg naar uitkijk en mijn stemming is sowieso niet best. Het enige dat ik wil is op mijn bank gaan liggen en voetbal gaan kijken. Ik slinger een medische encyclopedie aan nare ziektes richting mijn computer.

Dan dringt het tot me door. Ome Jos hielp mij aan een aanzienlijk deel van de soundtrack van mijn jeugd. Nu moet ik de soundtrack van zijn afscheid verzorgen. Een vervelend kloteklusje wordt in één klap een mooie, symbolische taak. Ik ben vereerd dat ik het mag doen. Een minimale tegenprestatie voor de vele uren die Ome Jos geduldig en onbaatzuchtig voor mij achter z’n stereo doorbracht.

Ik herstart mijn computer nog maar een keertje. Ik heb alle tijd en alle geduld van de wereld.

Comments (2) »