“Dé dag” die “een dag” werd

‘May 16′ is één van de beste nummers van één van mijn favoriete bands, Lagwagon. Zanger Joey Cape schreef het over de bruiloft van een goede vriend. Diens bruid mocht hem niet zo, dus werd hij niet uitgenodigd. Hij zat een paar huizen verderop gewoon thuis, terwijl hij in de verte het feestgeruis hoorde. De centrale zin in het liedje is een weemoedig gezongen “It’s just another Saturday”.

Gisteren voelde ik me ook wel een beetje zo. Alleen was het niet zaterdag 16 mei, maar vrijdag 15 mei. En het ging ook niet om de bruiloft van een vriend waar ik niet voor uitgenodigd was, maar om onze eigen bruiloft die niet doorging. Door één of ander virus waar je misschien al wel eens van gehoord hebt. Maar de hele dag door hoorde ik in mijn achterhoofd de geluiden van de bruiloft waar ik niet bij was. Waar niemand bij was.

Om drie uur zou de ceremonie zijn begonnen. Een half uurtje laten zouden we het jawoord hebben gegeven. Rond half negen zou ik met een korte reünie van mijn band Once I Cry het feest hebben geopend. Ergens rond middernacht zouden we het wel OK hebben gevonden om onze muzikale principes te laten varen en de DJ groen licht te geven voor zoiets als ‘Why Tell Me Why’ van Anita Meyer.

Het was een maand of twee geleden al duidelijk dat onze bruiloft geen doorgang zou gaan vinden op 15 mei. We hebben dus genoeg tijd gehad om ons daar een beetje bij neer te leggen. Toch was ik al die tijd een beetje bang dat 15 mei een te gewone dag zou gaan worden. “It’s just another Friday”. Dat wilde ik sowieso niet.

En dat werd het ook niet. Om het nog een beetje vreemder te maken, had ik op 15 mei 2020 ’s ochtends om half negen nog even een sollicitatiegesprek. In coronastijl, nog wel. Met een studiomanager die voor mijn neus zat, en een HR-manager die via Skype meedeed op een laptopschermpje.

Kort na thuiskomst zag ik vanuit de woonkamer in een ooghoek ineens een spandoek verschijnen. Onze ceremoniemeesters met een laken waar “Helaas vandaag niet trouwen, maar in augustus een feestje bouwen” op stond. We kregen ook een taart en een filmpje van ruim twintig minuten, waarop familie en vrienden voor ons een ABC doornemen.

Daarna gingen we met onze ouders naar de Genneper Parken. Waar we eigenlijk onze trouwfoto’s hadden willen laten maken. Onze dochters hadden hun bruidsmeisjesjurkjes aan en een bloemenkransje op hun krullenbolletjes. Bij iedereen die we tegenkwamen zagen we een brede glimlach. We lieten mijn moeder foto’s van ons maken in een veld vol klaprozen.

Het filmpje dat onze ceremoniemeesters maakten kreeg de titel “DE dag die EEN dag werd”. Ik vond dat heel treffend gevonden.

Maar “just another Friday” werd het gelukkig ook niet.

DSC_0036

Comments (2) »

Simon

Simon70

Ik knuffel vaak met mijn kinderen en zeg tegen ze dat ik van ze hou. Ik kan me niet echt herinneren dat mijn ouders dat ook deden. Maar ze lieten mij en mijn broers in de praktijk op alle mogelijke manieren merken dat ze van ons hielden. En dat is veel belangrijker.

Mijn vader heeft me als kind meer dan eens gevraagd of ik niet beter een andere hobby kon gaan zoeken dan voetballen, omdat ik er eigenlijk geen hout van kon. Maar intussen had niemand van mijn teamgenoten een vader die vaker langs de lijn stond.

Als ik zakgeld tekort kwam voor een CD of een voetbaltijdschrift, dan kon ik die extra guldens stiekem altijd wel van hem krijgen. Als ik het maar niet liet weten aan mijn moeder.

Talloze keren heeft hij urenlang mijn folders rondgebracht, omdat ik dat zelf weer eens te lang uitgesteld had en daardoor in de knoei kwam met het huiswerk dat ik nog moest maken.

Mijn vader heeft niet veel met muziek en begrijpt sowieso erg weinig van de herrie die ik al zo’n twintig jaar maak met verschillende bandjes. Maar hij is wel al die twintig jaar met regelmaat blijven vragen hoe het gaat met mijn “orkestjes”. Hij is niet vaak komen kijken naar mijn optredens, hooguit een keer of drie, denk ik. Eén van die keren was toevallig bij één van de leukste optredens die ik ooit gedaan heb. Op het terrein van mijn favoriete festival Groezrock, als afsluiter van het campingfestival, met mijn band For A Few Dollars More, voor een volledig onverwacht groot publiek van zo’n duizend man. En mijn vader stond naast het podium toe te kijken. Ik heb me zelden zo trots gevoeld.

Ik ken niemand die behulpzamer is. Moet er een muur behangen worden, een boomstronk uitgegraven worden, een schuur uitgemest worden of een lading tegels verplaatst worden, dan is hij vaak als enige nog aan het werk, terwijl de rest van de hulptroepen al lang en breed zit te lunchen. “Ja, ik kom zo!” roept hij dan, totdat we hem dwingen om ook even pauze te nemen.

Ik schrijf nu wel steeds “mijn vader”, maar ik noem hem eigenlijk al heel lang niet meer vader, papa of pap. Als puber ben ik hem Simon gaan noemen. Dat was eigenlijk een plagerijtje. Al zijn hele leven wordt hij door vrienden en familie Broer genoemd, veel mensen weten niet eens dat hij eigenlijk Simon heet. En volgens mij vindt hij die naam ook helemaal niet leuk. Maar ik noem hem nu al ongeveer 25 jaar zo en hij is ongeveer 24 jaar geleden gestopt met protesteren tegen die naam.

Vandaag wordt hij zeventig. Hij had wat mij betreft een heel mooi, groot feest verdiend. Maar één of ander stom virus dacht daar anders over, dus moet hij het kleiner vieren. Het is niet anders.

Simon, nog vele jaren. Ik ben blij dat je mijn vader bent.

Comments (1) »

Tien festivals

Het was gisteren mooi lenteweer. Ik lag aan het eind van de middag in de zon op het gras bij een speeltuintje waar de kinderen in aan het spelen waren. Ik kreeg spontaan zin in de zomerfestivals. Ik keek naar Linda.
“Hee, hoe laat begint eigenlijk de eerste band?”

Maar 2020 gaat een jaar worden zonder. En dat vind ik toch best een bizar idee. Sinds ik in 1995 als zestienjarige voor de eerste keer naar Rock Werchter ging, heb ik elk jaar meerdere festivals bezocht. Ik ging eens tellen en kwam op bijna honderd edities van meer dan 25 verschillende festivals.

Dit leek me een goed moment om herinneringen op te halen van mijn favoriete festivals. Dit is mijn top tien.

thumbnail_20200417_1855161. Groezrock
Van alle festivals heb ik het punkrockevenement Groezrock in het Vlaamse gehucht Gestel, gemeente Meerhout, verreweg het vaakst bezocht: twintig keer.
Ik was er voor de eerste keer bij in 1999. Het vond toen nog plaats op alleen een zaterdagmiddag en -avond in een tent ergens midden in het dorpje. Je kon je auto gewoon even verderop langs de doorgaande weg kwijt. De catering werd verzorgd door buurtbewoners die met hun eigen frituurpannen snacks bakten. De consumptiebonnen waren stukjes uitgeknipt vloerzeil.
Geleidelijk groeide het uit tot een evenement dat op z’n hoogtepunt vijf podia had, twee dagen duurde en 35.000 bezoekers uit vele landen trok. Liefhebbers van punkrock, hardcore, emo en aanverwante genres werden jaar na jaar prettig verrast. Enerzijds werd er uitgepakt met grote namen als The Offspring, NOFX, Rancid, Pennywise, Bad Religion, Dropkick Murphys en Sum 41, anderzijds waren er zeldzame reünieoptredens van oude cultbands als Burn, Dag Nasty, DYS, Youth Of Today en Bold.
Al snel werd Groezrock overslaan voor mij geen optie meer. Mijn voorjaar was pas écht begonnen na mijn jaarlijkse bezoekje aan Meerhout-Gestel. Soms met vrienden, soms alleen. De bijna een half uur lange wandeling van het parkeerterrein naar de festivalweide, over een landweggetje tussen de plaatselijke boerderijen, werd een jaarlijks ritueel. Elk jaar had ik minstens een stuk of tien bands die ik heel graag wilde zien om naar uit te kijken en elk jaar reed ik naar huis met een stapel platen en CD’s die ik gekocht had op de festivalmarkt. En ook na twintig edities verdwaalde ik nog steeds elke keer op de weg terug naar huis en leerde ik wéér diep in de nacht een hele rits nieuwe Vlaamse gehuchtjes kennen.
Een paar keer ging ik gratis naar Groezrock, met een VIP/Pers-bandje om mijn pols, omdat ik voor Up Magazine een recensie mocht schrijven. En één keer heb ik er min of meer zelf op mogen treden. Niet op het festival zelf, maar in 2001 mocht ik met mijn band For A Few Dollars More voor ongeveer duizend man het opwarmfestivalletje afsluiten dat op de vooravond van Groezrock georganiseerd werd voor de vroege campinggasten.
De afgelopen jaren was Groezrock al in verval. In 2018 was er geen openluchteditie, ter vervanging werd een veel kleinere indoorversie georganiseerd die ik over heb geslagen. Groezrock 2019 voelde nadrukkelijk als vergane glorie. En al ruim voor het uitbreken van de coronacrisis werd aangekondigd dat 2020 Groezrock-loos zou blijven.

thumbnail_20200417_1849212. Rock Werchter
Mijn eerste grote concert was Rock Werchter in 1995, in het gelijknamige Vlaamse dorp. Ik was zestien, had afgezien van wat optredens van lokale (cover)bandjes nog nooit een concert bezocht en mocht mee met een oudere neef en zijn vrienden. Op het programma stonden onder meer REM, The Cure, The Offspring en Jeff Buckley. Ik heb vooraf een half jaar ontzettend uitgekeken naar dat festival en al die tijd mijn kaartje gekoesterd alsof het een winnend lot van een loterij was. En achteraf heb ik een half schoolschriftje volgeschreven met mijn verslag. Kortom: het was voor mij best een dingetje.
Gelukkig mocht ik ook weer mee in 1996, met grote namen als Neil Young, Red Hot Chili Peppers, Rage Against The Machine en Radiohead, en 1997, toen onder meer David Bowie, Smashing Pumpkins en weer Radiohead speelden.
Daarna was ik er voor de eerste keer pas weer in 2009 en dat was nogal een flop. Ik ging één dag, met een vriendin. We stonden echter zo lang vast in het verkeer, dat we pas rond half tien ’s avonds aankwamen op het festivalterrein… Voor het eerst in twaalf jaar terug op Rock Werchter en ik kreeg het niet eens bij daglicht te zien… Na anderhalve band, Placebo en Oasis, konden we weer naar huis.
Dus toen Linda en ik in 2014 een dag gingen, hoofdzakelijk voor Pearl Jam, zijn we ’s ochtends voor de zekerheid belachelijk vroeg vertrokken. In 2017 zijn we voor de volle vier dagen gegaan, vooral voor Prophets Of Rage, Radiohead, Blink-182, System Of A Down en Foo Fighters, en op de camping gaan slapen. Dat was voor mij al even geleden, ik pik tegenwoordig meestal één festivaldag uit, of ik rij gewoon een paar keer op en neer naar huis. En in 2018 gingen we weer een dagje, met voor ons als hoogtepunten Pearl Jam en Fleet Foxes.

thumbnail_20200417_1843053. Pinkpop
Ik ging pas in 2006 voor de eerste keer naar Pinkpop, ik had toen al 36 edities gemist. Maar lang daarvoor was het al een festival waar ik weken naar uit kon kijken. Midden jaren negentig werd elk jaar de pinkstermaandag van dit evenement in het Limburgse Landgraaf de hele dag door uitgezonden op TV en radio. Ik sloot me dan op in m’n kamer om maar niets te missen en als een band die ik gaaf vond uit werd gezonden op de radio, dan nam ik dat op een cassettebandje op. De edities die ik zo beleefde, zijn me eigenlijk bijna net zo dierbaar als Pinkpops die ik later écht in levende lijve meemaakte. Dat zijn er inmiddels zeven.
Ik was erbij in 2006, 2009, 2013, 2014, 2015 2016 en 2018, ondanks dat de line-up mij meestal niet eens echt aansprak. Midden jaren negentig grossierde Pinkpop nog in de hardere alternatieve bands, maar dat was circa 2006 toch al een heel stuk minder geworden. Tegen die tijd was ik al blij met twee, misschien drie voor mij écht aansprekende bands per dag. Maar toch bleef dit het festival waar ik vroeger zo graag naartoe wilde en dat daardoor voor mij toch iets magisch bleef houden.
De meest bijzondere editie voor mij was die van 2016. Linda en ik gingen met een bevriend stel, de volle drie dagen. Linda was vijf maanden zwanger en ook haar beste vriendin was in verwachting, dus kozen we ervoor om niet om te camping te gaan slapen, maar in een Airbnb-huisje. We kwamen uit in het slaperige Duitse dorpje Würselen, vlak over de grens. Zo combineerden we de comfortabele, kalme nachten en ochtenden van een weekendje weg met de middagen en avonden van Pinkpop. En het festival was ook absoluut de moeite waard. Er wordt wel eens gezegd dat ongeboren baby’s erg gevoelig zijn voor bastonen. Dat bleek ook wel. Tijdens de optredens was het regelmatig een feestje in Linda’s buik. En laat het nou net zo zijn dat op Pinkpop 2016 heel toevallig mijn drie favoriete bassisten speelden: Paul McCartney, Flea met de Red Hot Chili Peppers en Henny Vrienten met Doe Maar.
Mijn tot dusver laatste Pinkpop was in 2018. Linda en ik gingen vooral voor haar favoriete band, Pearl Jam. Maar mijn stiekeme hoogtepunt was toch een beetje het optreden van mijn jeugdliefde The Offspring. Ik heb weinig met de muziek die ze na het midden jaren negentig uit hebben gebracht en vond hun optreden dit keer erg gezapig. Maar ik moest wel even een klein brokje wegslikken toen ik de man naast mij, een leeftijdsgenoot, en zijn twee jonge kinderen collectief heel hard mee zag schreeuwen met de nummers die ik meer dan twintig jaar geleden zelf al zo gaaf vond.

thumbnail_20200417_1833564. Brakrock
Ik ging in 2017 zonder echt te weten wat ik moest verwachten voor de eerste keer naar Brakrock in het Vlaamse dorp Duffel (woonplaats van, jawel, Paul Jambers). Het was op slag één van mijn favoriete festivals. Het deed me erg denken aan de eerste edities die ik van Groezrock bezocht; enerzijds door de kleinschaligheid en de charmante ietwat amateuristische opzet (en ik kon mijn auto gewoon weer vlakbij aan de doorgaande weg parkeren), anderzijds omdat Brakrock 2017 met Good Riddance, 88 Fingers Louie, No Fun At All, Undeclinable Ambuscade maar liefst vier bands op het programma had staan die er ook bij waren op Groezrock 1999…
Maar Brakrock is niet slechts een kopietje van het oude Groezrock. Het wordt gehouden in een sprookjesachtige omgeving, op het bosrijke terrein van de ruïne van het twaalfde eeuwse Kasteel ter Elst, direct aan de rivier de Nete. De namen van de drie podia, Wood Stage, River Stage en Ruin Stage, zijn dus niet zomaar uit de duim gezogen.
Uiteraard was ik ook in 2018 en 2019 weer van de partij op Brakrock, waar ik bands zag als DRI, The Queers, The Vandals, TSOL, Useless ID, Propagandhi, DOA, The Toy Dolls en Descendents.

thumbnail_20200417_1828465. Dynamo Open Air
Dynamo Open Air begon in 1986 als een openluchtfeestje van het hardrockcafé van jongerencentrum Dynamo in Eindhoven. Op de parkeerplaats langs de deur, midden in het centrum van de stad, speelden wat bandjes om Dynamo’s vijfjarige jubileum te vieren. Negen jaar later trok het festival 118.000 betalende bezoekers en zorgde het voor de tot dan toe langste files die Nederland ooit gezien had.
Mijn eerste Dynamo Open Air kwam een jaar later, in 1996, kort na mijn eindexamen. Ik ging met een groepje klasgenoten naar het metalfestival op vliegveld Welschap in Eindhoven en eigenlijk was het een flop. Ik moest drie keer op en neer fietsen vanuit Reusel, omdat nog niet al mijn klasgenoten mochten blijven overnachten van hun ouders. Bovendien hadden ze meer interesse in rondhangen bij vrienden op de camping, dan naar het festivalterrein gaan. En op dag twee regende het zoveel, dat we het vroeg in de middag voor gezien hielden voor de rest van de dag.
Maar toch vond ik het voor herhaling vatbaar. Het was pas mijn tweede grote festival, het was toch best spannend allemaal. En ik hou niet eens van metal, maar er speelden ook genoeg hardcore- en punkbands om de dag mee door te komen. Dus was ik er in 1997, 1998 en 1999 weer bij, nu gelukkig wel gewoon als campinggast.
In die jaren moest het festival een paar keer verhuizen. Het terrein op vliegveld Welschap moest plaats maken voor de nieuwbouwwijk Meerhoven, dus vond Dynamo Open Air in 1998 plaats op en rondom de kunstijsbaan en in 1999 op een stinkende voormalige vuilnisbelt in Mierlo. Daarna zijn er bij gebrek aan een geschikt terrein alleen nog een paar kleinere edities gehouden, waarna Dynamo Open Air in 2005 een stille dood stierf.
Vooral naar die editie in 1998 op Welschap ben ik altijd een beetje heimwee blijven houden. De sfeer van dát festival, vooral op de camping, ben ik sinsdien eigenlijk nooit meer tegengekomen en ik heb er nog vaak een beetje heimwee naar gehad.
Ondanks die ene keer dat ik ’s nachts op de camping in het donker in een diepe kuil stapte vol met water, dat na even ruiken toch geen water bleek te zijn. En ondanks dat geniale plan om alleen onze buitentent op te zetten en niet de binnentent, omdat we dan wél met vier man in een driepersoons tent konden, wat toch een best matig plan bleek te zijn toen de regenplassen onze tent begonnen te bereiken.
Op de edities van Dynamo Open Air die ik bijgewoond heb, speelden grote metalbands als Slayer, Type O Negative, Korn, Marilyn Manson, Rammstein, Pantera, Manowar en Metallica, en naar veel van die bands ben ik ook wel even gaan kijken. Maar liever stond ik bij de kleinere podia te kijken naar punk- en hardcorebands als CIV, Ignite, Travoltas, SNFU, Good Riddance, Misfits, Undeclinable Ambuscade, Better Than A Thousand en Run Devil Run.

thumbnail_20200417_1837156. The Sound Of Revolution
Eigenlijk wilde ik me hier beperken tot de zomerse openluchtfestivals, maar The Sound Of Revolution mocht toch niet ontbreken. Organisatorisch viel er soms wat op aan te merken (lange wachtrijen, veel afzeggende bands, een buiteneditie die toch weer naar binnen ging, enzovoort) en de locatie het Klokgebouw in Eindhoven (een oude Philips-fabriek uit 1928) was niet de meest sfeervolle.
Maar zo’n beetje elke grote hardcoreband die nog bestaat, of nog te porren was voor een reünie, heeft op minstens één van de vijf edities van The Sound Of Revolution gestaan. Het zegt wel wat dat in 2017 zesduizend kaarten verkocht werden in maar liefst 43 verschillende landen. En terwijl mensen dus letterlijk van over de hele wereld naar het Klokgebouw reisden, hoefde ik steeds maar tien minuutjes te fietsen. Ik ben dan ook bij alle edities geweest. Bands als Judge, Ignite, Cro-Mags, Sick Of It All, Battery, Dog Eat Dog, Slapshot, Propagandhi, Dag Nasty, Suicidal Tendencies, Underdog, Shelter, Youth Of Today en Gorilla Biscuits op 2,5 kilometer van mijn voordeur, het was eigenlijk bijna te mooi om waar te zijn.
The Sound Of Revolution kende van 2016 tot 2019 vijf edities (twee in het laatste jaar), maar hield daarna op te bestaan. Onder de naam Revolution Calling zal het echter een doorstart maken.

thumbnail_20200417_1840367. Lowlands
Ik denk dat vrijwel iedereen die ooit op Lowlands geweest is, wel zal beamen dat het een uitzonderlijk goed georganiseerd festival is. Het aantal podia loopt in de dubbele cijfers, het aanbod is enorm breed (met naast muziek ook cabaret, theater, lezingen en filmvoorstellingen) en je kunt er eten vinden uit zo’n beetje elke denkbare cultuur. En het festivalterrein plus camping in de polder bij Biddinghuizen in Flevoland, mét een permanent riolering- en drinkwaternet onder de grond, is wellicht schoner dan welk andere festivalterrein dan ook.
Lowlands heeft voor mij wel twee nadelen. Ik wil voordat ik mijn kaartje koop wel zeker weten dat er bands spelen die ik écht graag wil zien en ik heb ook graag de optie om maar één dag te gaan. Dat kan bij Lowlands niet: er worden uitsluitend kaarten verkocht voor de volle drie dagen en die zijn niet zelden allemaal al de deur uit vóórdat het programma bekend is.
Vooral daardoor ben ik, helaas, pas één keer op Lowlands geweest, in 1998. Maar dat was wel een bijzonder fijne editie, met veel persoonlijke favorieten van me: Beastie Boys, Green Day, Undeclinable Ambuscade, Bad Religion, Lagwagon, No Use For A Name…
Het was alleen wel pijnlijk dat Beastie Boys en Green Day, twee van mijn grootste favorieten die ik beiden nog nooit live had gezien, elkaar grotendeels overlapten. Maar nóg pijnlijker was het, dat ik er jaren later pas achter kwam dat één van mijn grote muzikale helden, Elliott Smith, op Lowlands 1998 speelde in de piepkleine Higher Ground-tent. Ik wist van niks. Het was één van de slechts twee Nederlandse optreden die de podiumschuwe Smith ooit gaf. En daar zal het ook bij blijven, want hij overleed in 2003.

thumbnail_20200417_1824328. Jera On Air
Op de één of andere manier was Jera On Air in Ysselsteyn (gemeente Venray, niet te verwarren met het grotere IJsselstein vlakbij Utrecht) nooit echt op mijn radar verschenen, totdat ik in 2018 een kaartje kocht omdat één van mijn favoriete bands, NOFX, geboekt was als headliner.
Jera On Air bestaat al sinds 1992, het was lange tijd een vrij obscuur locaal festivalletje, maar inmiddels was het uitgegroeid tot een bijna exacte kopie van Groezrock. Met als grootste verschil dat ik hiervoor niet door talloze Vlaamse dorpjes en gehuchtjes hoef te rijden, maar dat ik een paar kilometer van huis maar één keer linksaf hoef te slaan en daarna letterlijk alleen nog maar dertig kilometer rechtdoor hoef te rijden. Dus uiteraard kwam ik in 2019 weer terug.

thumbnail_20200417_1822359. Pukkelpop
Op 28 augustus 1999 kreeg ik van vrienden de vraag of ik nog diezelfde dag mee wilde gaan naar Pukkelpop in het Belgische Hasselt. Met onder meer The Offspring, Sick Of It All, Dog Eat Dog en The Vandals op het programma leek dat me een bijzonder goed idee. En ook in 2000 gingen we, nu speelden onder meer Cypress Hill, Therapy?, Rollins Band, Vision, Osdorp Posse en No Use For A Name.
Pukkelpop bleek bovendien een mooi alternatief te zijn voor Lowlands. Altijd in hetzelfde weekend, vanuit Reusel een stuk dichterbij, je kon er wél dagkaarten kopen en in tegenstelling tot op Lowlands stond je bij de meeste podia in de open lucht. Bij regen zijn festivaltenten uiteraard wel prettig, maar over het algemeen sta ik veel liever onder de open hemel dan onder een tentzeil.
Na 2000 ben ik een tijdje niet meer naar Pukkelpop gegaan, maar in 2005 reed ik toch weer eens naar Hasselt, nu helemaal in m’n eentje. Tegenwoordig ga ik best vaak alleen naar concerten en festivals en heb ik daar ook geen enkel probleem mee, maar destijds had ik dat nog niet vaak gedaan. Maar ik wilde sowieso No Use For A Name en Social Distortion niet missen.
Maar specialer nog werd het optreden van The Polyphonic Spree, waar ik alleen één liedje van kende van de radio. De band met meer dan twintig leden stond op het podium uit z’n dak te gaan alsof het een uitzinnige sekte was. Absoluut één van de beste optredens die ik ooit bij heb gewoond.

thumbnail_20200417_18445110. Lokerse Feesten
De Lokerse Feesten zijn anders dan de meeste festivals. Het evenement vindt niet plaats op een weide, maar op een parkeerplaats in de stad Lokeren. Het duurt maar liefst tien dagen, maar elke festivaldag staat op zich: de ene dag staan er alleen metalbands, de volgende dag alleen dance-acts en weer een dag later zijn Marco Borsato en Clouseau de headliners.
Zo heb ik zelf ook al een paar heel verschillende edities van de Lokerse Feesten meegemaakt. In 2012 was ik er voor The Beach Boys (de enige keer dat ik mijn favoriete band zag mét z’n geestelijke vader, Brian Wilson), zeven jaar later voor een punkprogramma met onder meer The Offspring, NOFX en De Heideroosjes.
En in 2014 gingen Linda en ik voor één van haar muzikale helden, Neil Young. Dat vond ik eerlijk gezegd één van de vervelendste festivaloptredens die ik bijgewoond heb. De man heeft prachtige liedjes geschreven, maar verspilde die avond zijn tijd nét wat te vaak met overloze gitaarsolo’s van een kwartier.
Desondanks zou ik het niet erg vinden om vanavond op een festivalweide weer een kwartier naar zo’n oeverloze solo te luisteren…

Leave a comment »

Het geboortedorp van The Beatles

Zondag 8 maart 2020. Het laatste normale weekend voor de coronacrisis.

Je waant je in een dorpje. Dat was het tot 1913 ook. Inmiddels is Woolton officieel opgeslokt door de grote stad Liverpool en staat het te boek als een buitenwijk. Maar daar merk je niets van. De tijd lijkt al eventjes aardig stil te hebben gestaan. Alles oogt oud. De smalle straatjes zijn rustig, de enige echt hoge gebouwen hier zijn de drie kerken.

Een heel eind verderop, in het centrum van Liverpool, krioelt het dagelijks van de mensen die een selfie maken bij het Beatles Statue. In Mathew Street doen de themashops, -kroegen en -restaurants die in het teken staan van The Beatles goede zaken. Bussen die speciale Beatles-tours aanbieden rijden de hele dag door af en aan. Het is een enorm contrast met het centrum van Woolton, dat er op deze zondag vroeg in maart bijna uitgestorven bij ligt.

Liverpool is tegenwoordig vrijwel onlosmakelijk verbonden met z’n vier beroemdste zonen, John Lennon, Paul McCartney, George Harrison en Ringo Starr, die als The Beatles circa 600 miljoen platen en CD’s verkochten en daarmee de meest succesvolle band aller tijden werden. Maar eigenlijk is niet Liverpool, maar het kalme Woolton de geboorteplaats van “The Fab Four”.

John Lennon groeide hier op. Hier begon hij zijn eerste bandje, The Quarrymen. Paul McCartney woonde niet in Woolton, maar wel vlakbij. Op 6 juli 1957 kwam hij naar het tuinfeestje van St. Peter’s Church, één van de drie plaatselijke kerken, waar hij The Quarrymen zag spelen. Later op die dag sprak hij Lennon aan. Niet lang daarna gingen ze samen muziek maken, met alle gevolgen van dien. Ook McCartney’s makker George Harrison kwam bij The Quarrymen, de naam werd uiteindelijk gewijzigd in The Beatles en de rest is geschiedenis.

Gisteren bezochten we 251 Menlove Avenue en daarna 20 Forthlin Road, de huizen waar respectievelijk John Lennon en Paul McCartney in opgroeiden. Beide panden zijn aan de hand van oude foto’s en met hulp van jeugdvrienden weer ingericht zoals ze er een jaar of zestig geleden uitzagen. Bezoekers worden er slechts mondjesmaat toegelaten, een paar kleine groepjes per dag, uitsluitend met gids. Zelfs Bob Dylan voelde zich niet te goed om een keer anoniem aan te sluiten bij een kluitje toeristen, om hier een keer rond te kunnen kijken. Het was bijzonder om te staan in de kleine kamertjes waarin twee van de bekendste muzikanten uit de popgeschiedenis hun meest dierbare jeugdherinneringen hebben liggen en hun belangrijkste ontwikkelingen doormaakten. Waar ze woonden toen ze allebei als tiener hun moeder verloren, wat Lennon jaren later verwerkte in ‘Julia’ en McCartney in ‘Let It Be’. Waar ze hun eerste liedjes schreven. Waar ze gitaar leerden spelen. Waar ze repeteerden. Waar de basis ligt voor die 600 miljoen platen en CD’s die in de afgelopen zestig jaar een eigenaar vonden over de hele planeet. (Daarvan zijn er al meer dan honderd in mijn verzameling beland.)

Na het bezoek aan het voormalige huis van Sir Paul McCartney bedankten we de chauffeur van het busje voor de rit terug naar het centrum van Liverpool. We wilden nog even terug naar Woolton. We gingen te voet. Een wandeling van een half uur, die Lennon en McCartney ruim zestig jaar geleden ook vaak gemaakt hebben, als ze bij elkaar op bezoek gingen. Om rock ‘n’ roll-covers in te studeren, of te werken aan hun eerste eigen nummers, zoals ‘I Saw Her Standing There’, ‘She Loves You’ en ‘Love Me Do’.

In Woolton bezochten we het graf van Eleanor Rigby op het oude kerkhof van St. Peter’s Church, echt zo’n begraafplaats die prima als decor zou kunnen dienen voor een klassieke horrorfilm. Paul McCartney beweert nog altijd bij hoog en bij laag dat hij hij de naam van de hoofdpersoon van zijn liedje ‘Eleanor Rigby’ uit 1966 verzonnen heeft. De voornaam kwam van Eleanor Bron, een actrice die met The Beatles speelde in de film ‘Help!’. De achternaam kwam van Rigby & Evens Ltd., een drankenhandel. Pas in de jaren tachtig merkte iemand op, dat op dat spookachtige kerkhof van St. Peter’s Church al sinds 1939 een Eleanor Rigby begraven ligt. Opmerkelijk genoeg op enkele tientallen meters van de lokale Church Hall, de plek waar McCartney en Lennon elkaar in 1957 voor de eerste keer spraken.

We liepen daarna zo’n anderhalve kilometer verder naar de karakteristieke rode poorten van Strawberry Field, het lang geleden al afgebroken kindertehuis waar John Lennon als kind vlakbij woonde. In 1967 schreef hij daar één van zijn allerbeste liedjes over. We liepen nog eens een kilometer of drie verder, naar Penny Lane, de straat die de inspiratiebron was voor mijn favoriete Beatles-nummer van Paul McCartney.

Het is nu onze laatste middag in Liverpool, voordat we vanavond weer naar huis vliegen. We willen toch graag nóg een keertje Woolton bezoeken. De Church Hall konden we gisteren niet vinden. We hebben nu iets meer research gedaan op internet en denken het nu wel op te kunnen sporen. En inderdaad. We vinden het ogenschijnlijk onbeduidende gebouwtje, verstopt achter het parkeerplaatsje van een ander gebouw. Een kilometer of twaalf verderop worden ongetwijfeld nog volop selfies gemaakt bij The Beatles Statue en is het vast ook gezellig druk in Mathew Street. Maar wij staan hier helemaal alleen. Op de plek waar ooit de wellicht belangrijkste ontmoeting uit de popgeschiedenis plaatsvond. Waar een 15-jarige Paul McCartney genoeg indruk wist te maken op een 16-jarige John Lennon om lid te mogen worden van zijn band.

Even later, een paar honderd meter verderop, vinden we een pub, The Coffee House, die volgens een bord aan de gevel al bestaat sinds 1641. Vanaf de buitenkant lijkt het er niet op dat er binnen veel te beleven valt, maar dat is een misvatting. We lopen een behoorlijk grote ruimte in, precies zoals je je een echte Engelse pub op een zondagmiddag voorstelt. Er ligt een dik tapijt met bloemetjesmotief op de grond, de tent zit bomvol, er wordt voetbal gekeken (Chelsea tegen Everton) en werkelijk iedereen heeft een pint voor z’n neus staan (een glas van ruim een halve liter bier). We vinden een plekje en gaan zitten. Ik lust wel een pint, Linda wil liever een warme chocolademelk. Maar als ik die wil bestellen, kijkt de barman me aan alsof hij water ziet branden. De klant naast me stoot me aan. “No hot drinks, mate. Just beer and coke.” Vrij opmerkelijk voor een tent die The Coffee House heet.

Ik ben er vrij zeker van dat we de enige toeristen zijn. Dit zijn hoofdzakelijk inwoners van Woolton, mensen die hier wellicht elke week komen. Misschien al tientallen jaren. Ik zie ook mannen en vrouwen die ongetwijfeld al in de zeventig zijn. Ik kijk ze één voor één na en vraag me af of iemand van hen er in 1957 bij was, bij dat ene tuinfeestje van St. Peter’s Church. Of misschien zat iemand hier ooit in de klas bij John Lennon. Ze zullen hem wellicht wel een keertje tegen zijn gekomen op straat, toen hij nog een gewone schooljongen was.

Het is te zweverig om te beweren dat het voelde alsof ik dicht bij The Beatles ben geweest, op die plekken waar zij in hun jonge jaren cruciale momenten beleefden. Maar het was wel op z’n minst als rondlopen door een verdomd mooie documentaire over de belangrijkste band uit de popgeschiedenis.

20200308_154817

Links de St. Peter’s Church, met de begraafplaats waarop Eleanor Rigby begraven ligt. Uiterst rechts met het rode dak de Church Hall, waarin Lennon en McCartney elkaar voor de eerste keer spraken.

Leave a comment »

Rare tijden

“Papa, gaan we vandaag ergens naartoe?”
“Nee, dat kan niet. Er zijn veel mensen ziek, dus kunnen we nergens naartoe.”
“Dat is zielig voor ons…”
“Maar iedereen moet nu thuis blijven.”
“O… Dat is zielig voor iedereen.”

Het is ook niet niks. Linda en ik zouden op 15 mei gaan trouwen, na een jaar aan voorbereidingen waren de ceremonie en het feest al bijna in kannen en kruiken. En een kleine week later zouden we met onze dochters op huwelijksreis gaan naar Maleisië; voor het eerst sinds 2015 weer eens een écht verre reis, buiten Europa. Er waren zoveel gave concerten en festivals op komst, dat we voor moeilijke keuzes stonden, omdat het één en ander elkaar overlapte. Luxeproblemen! Dan was er nog het EK voetbal, het eerste eindtoernooi sinds 2014 waarop Oranje wél weer eens van de partij zou zijn. En een half jaar geleden besloten we om toch maar eens jaarabonnementen voor de Efteling te kopen. Intussen hadden we ook nog onze seizoenkaarten van PSV.

Maar ineens is de agenda helemaal leeg en zijn die abonnementen waardeloos. Bovendien is het kinderdagverblijf gesloten en mijn ouders en schoonouders durven, heel begrijpelijk, eventjes niet meer op onze kinderen te passen. Linda werkt zo goed als het gaat thuis. Mijn leven bestaat voorlopig uit papadagen.

Maar dat is eigenlijk niet eens zo’n ramp. Onze twee peuters hebben zich de afgelopen weken nog geen minuut verveeld. Ze tekenen, knutselen, kijken ademloos TV, spelen met hun poppenhuizen, fietsen door de achtertuin, springen op de trampoline, dansen, zingen, doen rollenspelletjes, slepen al hun knuffels door het hele huis, houden verkleedpartijtjes, puzzelen, bladeren door boekjes, kleien, voetballen, proberen al te schrijven, gaan de tegels te lijf met stoepkrijt, verschonen hun babypoppen en plakken de deur in de woonkamer vol met hun kunstwerkjes.

“Papa, gaan we vandaag weer nergens naartoe?”
“Nee, schat. Er zijn nog steeds veel mensen ziek.”
“O… Mag ik dansen?”

Even later zijn ze weer bij de dansvoorstelling die ze enkele weken geleden bezocht hebben, van hun grote idool, hun negenjarige nichtje Silke. Sam is Silke, Anne is de presentator van het geheel, die haar interviewt.
“Hallo Silke, hoe heet je?”
“Silke.”
“Ga je nu dansen?”
“Ja.”
“O.”

Ik mag sowieso niet klagen. We zitten allemaal in dit schuitje. Of sterker, we hebben geluk als we in elk geval nog in dit schuitje zitten. Ik werk niet in de zorg, ik hoef niet dagelijks onmenselijke situaties mee te maken en talloze overuren te maken. Ik ben geen ZZP-er of ondernemer met het uitzicht van nóg een aantal weken zonder inkomen. Ik heb geen hartzeer omdat mijn partner in het buitenland of in een verpleegtehuis zit, waar ik de komende weken niet naartoe kan. En tot dusver ben ik, even heel hard afkloppen, nog gezond, evenals iedereen in mijn directe omgeving.

Ik heb de laatste weken eigenlijk niet eens zo veel meer gedacht aan al die leuke dingen die we deze lente en zomer gaan missen. Ik heb me er wel bij neergelegd. Maar toen ik gisteren door een bijna uitgestorven Albert Heijn liep, miste ik het ineens wel enorm om daar gewoon met de kinderen naartoe te kunnen wandelen. In een winkel zonder plexiglas schermen bij de kassa’s, zonder vakkenvullers met veiligheidshesjes, zonder strepen op de grond die anderhalve meter aanduiden en zonder medewerkers die de hele dag door winkelwagentjes ontsmetten. Waar je niet meteen in de stress schiet als iemand naast je een keer moet niezen.

Zodra je het gaat missen om met twee peuters door een drukke supermarkt te lopen, besef je pas écht dat het rare tijden zijn.

lunchmeeting

Lunchmeeting, april 2020.

Comments (1) »

Constante speler

Mijn ouders hebben het vroeger meer dan eens voorzichtig gevraagd.
“Kun je niet beter een andere hobby gaan zoeken?”

Voor iemand zonder een greintje talent heb ik het toch nog best lang volgehouden. Pas op 27 mei 2018 speelde ik mijn laatste voetbalwedstrijd. Met Hulsel 4, uit tegen Bladella 8. We verloren met 8-0. Ik stond linksback en liet me na zeventig minuten wisselen, omdat ik het fysiek niet meer op kon brengen om achter mijn tegenstander aan te blijven hobbelen. Ik was al 39, minstens een kilo of twintig te zwaar en kon nu wel de conclusie trekken dat ik tóch geen laatbloeier bleek te zijn. Dus was het inmiddels wel mooi geweest.

Ik begon in 1985 als jochie van zes bij de F-jes van Reusel Sport. Helaas bleek al snel dat ik er echt geen hout van kon. Ik speelde twaalf jaar in de jeugd van mijn plaatselijke club, waar ik steevast ingedeeld werd in het laagste elftal van mijn leeftijdscategorie. Ik heb dat gedaan tot mijn achttiende, daarna ben ik toch maar gestopt. Het bloed kroop echter waar het niet gaan kon en negen jaar later trok ik m’n voetbalschoenen weer aan. En wederom hield ik het twaalf jaar lang vol, bij achtereenvolgens BES, Reusel Sport en Hulsel.

Het is voor mij nooit genoeg geweest om alleen passief bezig te zijn met mijn liefhebberijen. Ik heb altijd de drang gehad om er ook actief mee aan de slag te gaan. Niet alleen toekijken, maar zelf beleven hoe het is. Daarom ben ik ook ooit gaan schrijven, gitaar en bas gaan spelen, eigen liedjes gaan maken, strips gaan tekenen, historische plaatsen gaan bezoeken, enzovoort. En gaan voetballen.

Ik besef heus wel dat door de jaren heen veel ploeggenoten zich zullen hebben geërgerd aan mijn onkunde. Ik heb daar eigenlijk nooit mee gezeten. Dan hadden ze er maar voor moeten zorgen dat ze zelf wat hoger speelden, dan hadden ze sowieso geen last van mij gehad. En mensen die met moeite de vijf kilometer halen mogen ook hardlopen, dus ik vond dat ik ook best mocht voetballen.

Sommige spelers halen hun voldoening uit goals maken, uitblinken, winnen, tegenstanders voor lul zetten. Daar moest ik het dus niet van hebben.

Ik genoot van de kleinere dingen. Op een vroege zondagochtend in een nog uitgestorven stad in de auto stappen. Over nevelige landweggetjes naar uitwedstrijden rijden. Flauwe mannenhumor tijdens het omkleden. Kleedkamers die in dertig jaar niets veranderd waren. Kantines vol met onbeduidende trofeeën en kleurige oude vaantjes. Tussen de weilanden voetballen voor zes toeschouwers. En soms waren er wedstrijden waarin ik het toch best redelijk deed. Als mijn directe tegenstander ook een klungel bleek te zijn. Als ik incidenteel toch een keer een prutsgoaltje binnen kon prikken. En tegen beter weten in bleef ik hopen dat m’n voeten plotseling ineens toch al die geniale acties uit konden voeren die ik uiteraard wel in m’n hoofd had.

Dat gebeurde natuurlijk nooit. Een ploeggenoot bij Hulsel gaf me eens met een knipoog een schouderklopje en zei:
“Joost, ik moet wel zeggen dat je erg, uh… constant speelt.”
Ik moest denken aan een oude mop over een dokter die over z’n overleden patiënt zei dat ‘ie nu in ieder geval stabiel was.

Ik denk dat het voor iedereen, afgezien van mijn tegenstanders, een goede zaak is dat mijn voetbalschoenen inmiddels al bijna twee jaar ongebruikt in het washok staan. Maar ik ben al die jaren met plezier een constante speler geweest…

F3

Reusel Sport F3 1986-1987. Ik sta op de foto als keeper (we keepten om beurten). Helemaal links staan mijn broer Ben en mijn vader (die leider/trainer was), helemaal links zit mijn broer Roel, die eigenlijk nog te jong was, maar soms “illegaal” mee mocht doen.

Leave a comment »

15 Films

Ik ga nu geen stukje schrijven over dat ene onderwerp. Daar word je waarschijnlijk toch al veel meer mee geconfronteer dan je lief is. Omdat veel mensen nu thuis opgesloten zitten, leek het me juist wel goed om iets te schrijven over een mooi toevluchtsoord: films.

Ik heb op deze site al veel geschreven over muziek. Dat onderwerp gaat me erg aan het hart. Ik kan intens houden van bepaalde liedjes en albums, daarentegen voelen nummers die ik écht vervelend vind bijna als een persoonlijke belediging. Op het gebied van films ben ik veel gematigder. Ik ben geen heel erg kritische kijker. Films hoeven voor mij niet noodzakelijk diepzinnig te zijn en ik heb geen uitsproken voorkeur voor bepaalde acteurs of regisseurs. Wat voor mij vooral telt, is dat het verhaal me moet prikkelen en dat de sfeer me aan moet spreken.

Maar ik ben, zoals wellicht de meeste mensen, wel een echte liefhebber. Er zijn films die ik tien, twintig, dertig keer gezien heb en vanavond best nog een keer op zou willen zetten. En dit zijn mijn favorieten, aftellend van nummer vijftien naar één…

(Mocht je er zin in en tijd voor hebben, plaats dan even een reactie over je eigen favorite film(s)…)

15. The Breakfast Club (1985)
Vijf leerlingen van een middelbare school hebben straf en moeten daarom een zaterdag doorbrengen in de bibliotheek van hun school, waar ze een opstel moeten schrijven. Ze lijken aanvankelijk amper raakvlakken te hebben en komen elk uit een ander kliekje: John (Judd Nelson) is de crimineel, Claire (Molly Ringwald) het prinsesje, Andrew (Emilio Estevez) de atleet, Brian (Anthony Michael Hall) de nerd en Allison (Ally Sheedy) het buitenbeentje. Tijdens de gesprekken die ze met elkaar voeren om de dag door te komen, merken ze dat ze elkaar toch wat beter begrijpen dan ze vooraf gedacht hadden.
John Hughes (die ook het script van onder meer ‘Home Alone’ schreef) was verantwoordelijk voor het verhaal en de regie van deze film. Hij leverde een knappe prestatie door een verhaal dat zich vrijwel geheel afspeelt in een schoolbibliotheek, zonder echte concrete gebeurtenissen, 97 minuten lang boeiend te houden. Bovendien denk ik dat vrijwel iedereen zijn of haar jongere zelf wel zal herkennen in één van de vijf hoofdpersonen, of op z’n minst in een combinatie van twee van hen (ik zat ergens in het midden tussen Brian en Allison, denk ik). ‘The Breakfast Club’ was één van dé iconische films van de jaren tachtig. Daarnaast werd de titelsong ‘Don’t You (Forget About Me)’ van Simple Minds een klassieker. De hoofdrolspelers werden, samen met generatiegenoten als Rob Lowe en Demi Moore, bekend als de “Brat Pack”, een groep jonge acteurs die de Amerikaanse jeugdfilms uit de jaren tachtig domineerden.

14. Groundhog Day (1993)
Phil Connors (Bill Murray) is de nukkige weerman van een lokale TV-zender. Op een koude februaridag wordt hij zeer tegen zijn zin met cameraman Larry (Chris Elliott) en producente Rita (Andie MacDowell) naar het dorpje Punxsutawney gestuurd, om daar verslag te doen van de jaarlijkse Groundhog Day-vieringen. De volgende dag komt hij tot de ontdekking dat het wederom Groundhog Day is en dat de vorige dag zich weer herhaalt. Dat blijft eindeloos zo doorgaan. Phil wordt er behoorlijk moedeloos van dat hij voortdurend hetzelfde beleeft, maar leert wel dat hij grotendeels zelf in de hand heeft of de dag voor hem positief afloopt of niet. En intussen begint hij ook steeds beter door te krijgen hoe hij Rita, op wie hij stiekem een oogje heeft, kan veroveren.
Dit is een prikkelende film voor iedereen die wel eens gedacht heeft: “Hoe zou mijn leven verder zijn verlopen als ik die ene dag nét wat anders aangepakt had?” Met een gezonde dosis humor en een heerlijk zure Bill Murray blijft ‘Groundhog Day’ moeiteloos boeiend gedurende wat feitelijk steeds een nét iets andere versie is van dezelfde korte film. De hoofdrolspeler maakt daarin natuurlijk wel ontwikkelingen door. In het begin reageert hij steeds heftiger zijn frustraties over de situatie af op zijn omgeving, later leert hij steeds beter er het beste van te maken. ‘Groundhog Day’ is inmiddels een algemeen bekend begrip geworden, een synoniem voor “same shit, different day”.

13. The Game (1997)
Nicholas Van Orton (Michael Douglas) is een steenrijke bankier die alles heeft wat zijn hart begeert, maar erg gelukkig is hij er niet van geworden; hij leeft op de automatische piloot. Voor zijn 48e verjaardag krijgt hij van zijn broer Conrad (Sean Penn) een cadeaubon voor een mysterieus spel, “The Game”. Nadat hij toch wel nieuwsgierig gemaakt is, meldt Nicholas zich er voor aan. Voordat hij het weet is het spel in volle hevigheid begonnen en neemt het zijn hele leven over. Al zijn zekerheden vallen om hem heen weg en uiteindelijk wordt hij gedropt in Mexico, waar blijkt dat zijn bankrekening leeggeplunderd is. Het wordt steeds onduidelijker of er daadwerkelijk een erg ver doorgevoerd spel gespeeld wordt, of dat Nicholas simpelweg in verkeerde handen gevallen is.
‘The Game’ is een erg spannende psychologische thriller, die ondanks de meerdere dubbele bodems en verrassende wendingen nooit rommelig of moeilijk te volgen wordt. Sowieso een aanrader voor iedereen die klaar is met voorspelbare films met een ontknoping die je van een kilometer afstand al aan ziet komen.

12. Sleepy Hollow (1999)
In 1799 wordt Sleepy Hollow, een afgelegen gehuchtje in de buurt van New York dat bevolkt wordt door Nederlandse kolonisten, opgeschrikt door enkele heftige moorden: meerdere inwoners worden onthoofd gevonden. Ichabod Crane (Johnny Depp) wordt naar het plaatsje gestuurd om op onderzoek uit te gaan. In Sleepy Hollow verneemt hij dat de lokale bevolking gelooft dat de moorden gepleegd zijn door de geest van een soldaat uit de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog, die op zoek is naar zijn eigen hoofd. Tijdens zijn verblijf wordt Ichabod verliefd op dorpsbewoonster Katrina Van Tassel (Christina Ricci) en ziet hij met eigen ogen dat het verhaal over de ruiter zonder hoofd, waar hij aanvankelijk zeer sceptisch over was, toch waar blijkt te zijn. En hij ontdekt dat de ondode moordenaar wellicht werkt in opdracht van een dorpeling.
Hoewel het verhaal achter ‘Sleepy Hollow’ (losjes gebaseerd op Washington Irving’s verhaal ‘The Legend Of Sleepy Hollow’ uit 1820) een tikkeltje warrig is (maar ook spannend), kan ik alleen al door de prachtig gothische, sfeervolle beelden van regisseur Tim Burton geen genoeg krijgen van deze film. Als de camera’s 105 minuten lang alleen maar plaatjes hadden geschoten van dat spookachtige achttiende-eeuwse dorpje, dan had ik daar waarschijnlijk ook best naar willen kijken. Ook een pluspunt is de hoofdrol van Johnny Depp, die ik sowieso maar zelden heb zien spelen in een film die ik niet goed vond.

11. Monty Python’s Life Of Brian (1979)
10. Monty Python And The Holy Grail (1975)
Het verhaal van Jezus Christus is algemeen bekend, ‘The Life Of Brian’ belicht dat van zijn veel minder bekende buurjongen Brian Cohen (Graham Chapman). Net als Jezus groeit ook Brian uit tot een messias met vele volgelingen, al gebeurt dat in zijn geval per ongeluk. Zonder dat hij het wil en tot zijn groeiende frustratie wordt hij voortdurend op de huid gezeten door een slaafse groep aanhangers, die alles wat hij zegt of doet zien als een wonder.
In ‘The Holy Grail’ gaat koning Arthur, zonder paard maar wel met twee halve kokosnoten om hoefgetrappel na te bootsen, in de tiende eeuw op zoek naar ridders die zich bij hem willen voegen. De bende krijgt van God de opdracht om op zoek te gaan naar de Heilige Graal. Tijdens hun tocht krijgen ze ondermeer te maken met de Ridders die “Ni” zeggen, een bloeddorstig konijntje en een tovenaar genaamd Tim.
Ik vind zeker niet alles wat de Britse komediegroep Monty Python (Graham Chapman, John Cleese, Terry Gilliam, Eric Idle, Terry Jones en Michael Palin) maakte leuk, maar ‘Life Of Brian’ en ‘The Holy Grail’ zijn wat mij betreft met afstand de grappigste films ooit gemaakt. Er zitten eigenlijk maar amper uitspraken in die níet grappig zijn.

9. Nebraska (2013)
Woody Grant (Bruce Dern), een chagrijnige alcoholist van in de zeventig, is niet meer helemaal bij de tijd en gelooft er heilig in dat hij een enorm geldgebrag gewonnen heeft. Zijn zoon David (Will Forte) probeert hem duidelijk te maken dat het winnende lot dat hij per post gekregen heeft slechts spam is, maar dat dringt niet door. Hij stelt dan maar voor om samen een road trip te maken door Nebraska om de prijs op te gaan halen. Onderweg verblijven vader en zoon enige tijd in Woody’s geboorteplaats Hawthorne, waar ze beiden geconfronteerd worden met zijn verleden.
Het bijzondere aan ‘Nebraska’ is dat bijna alles wat erin gebeurt een beetje tragisch is, maar dat het gortdroge komische randje altijd in de buurt is. Het sombere landschap, de mentale aftakeling van Woody, de bittere geheimpjes uit het verleden die boven komen drijven, de ronduit nare mensen die ze tegenkomen in Hawthorne, het is in principe allemaal best deprimerend, maar het wordt steeds gebracht met een bitterzoet smaakje. Linda en ik zagen deze film tijdens een weekendje weg in Brugge. We vonden een heerlijk ouderwets klein bioscoopje, waarin de tijd minstens zo’n veertig jaar stil leek te hebben gestaan. De film die we te zien kregen was ook nog eens geschoten in zwart-wit en, op een goede manier, ouderwets traag. Die combinatie werkte goed.

8. Inglourious Basterds (2009)
Gedurende de Tweede Wereldoorlog zijn de nazi’s heer en meester in Frankrijk. Ze zijn echter doodsbang voor de “Inglorious Basterds” een ongrijpbare groep Joods-Amerikaanse soldaten, die onder aanvoering van luitenant Aldo Raine (Brad Pitt) Duitse soldaten verminken en afslachten. Als in 1944 Hitler en enkele andere nazi-kopstukken aanwezig zullen zijn bij een filmpremière in Parijs, willen de Basterds daar een aanslag op gaan plegen die wellicht de oorlog tot een einde kan brengen. Ze krijgen daarbij hulp van de jonge bioscoopeigenaresse Shoshanna Dreyfus (Mélanie Laurent), die met name met de Duitse kolonel Hans Landa (Christoph Waltz) nog een appeltje te schillen heeft, aangezien die haar hele familie uitgemoord heeft. De intelligente, welbespraakte en bijna griezelig charmante Landa heeft het plannetje van Dreyfus en de Basterds wel door, maar is bereid om er in ruil voor de nodige privileges en vrijstellingen na de oorlog wel aan mee te werken.
Favoriete acteurs heb ik niet echt, maar er zijn wel enkele specifieke rollen van acteurs die voor mij met kop en schouders boven de rest uit steken, zoals Robin Williams als Sean Maguire in ‘Good Will Hunting’, Heath Ledger als The Joker in ‘The Dark Knight’ en Christoph Waltz als Hans Landa in Inglourious Basterds. De manier waarop Waltz in deze door Quentin Tarantino geregisseerde film superschurk Landa neerzet, haalt (op een goede manier) het bloed onder je nagels verdaan. En tussendoor voert hij eventjes vloeiende dialogen in het Duits, Engels, Frans en Italiaans. Ook de rol van voormalig tieneridool Brad Pitt als de lekker lompe en nonchalante Aldo Raine is heerlijk. En zoals vaak bij films van Tarantino worden uiterst bloederige, sadistische scènes vermengd met gortdroge humor.

7. Pirates Of The Caribbean: The Curse Of The Black Pearl (2003)
6. Pirates Of The Caribbean: Dead Man’s Chest (2006)
In ‘The Curse Of The Black Pearl’ wordt de beruchte piraat Jack Sparrow (Johnny Depp) in de achttiende eeuw in het havenstadje Port Royal in Jamaica gevangen genomen na een gevecht met plaatselijke smid Will Turner (Orlando Bloom). Dan wordt gouveneursdochter Elisabeth Swann (Keira Knighley) ontvoerd door piraat Barbossa (Geoffrey Rush). Jack heeft nog een appeltje te schillen met deze Barbossa, omdat die zijn schip The Black Pearl stal en hem alleen achter liet op een onbewoond eiland. Daarom bevrijdt Will, die een oogje heeft op Elisabeth, Jack en gaan ze samen achter Barbossa aan. Ze komen tot een angstaanjagende ontdekking: Barbossa en zijn bemanning zijn ondode monsters, die er overdag uitzien als gewone mensen, maar die ’s nachts in een soort zombies veranderen.
In het tweede deel van de reeks, ‘Dead Man’s Chest’, wil de Britse Oost-Indische Compagnie alle piraten in het Caribische gebied dood hebben. Will en Elisabeth worden opgepakt door Lord Cutler Beckett (Tom Hollander), omdat ze Jack hebben helpen ontsnappen. De officier wil echter wel een deal maken: ze krijgen gratie als Will hem een magisch kompas kan bezorgen dat Jack heeft. Intussen heeft ook kapitein Davy Jones (Bill Nighy) van het spookschip The Flying Dutchman het voorzien op Jack, die door een oude schuld nog een eeuw voor hem moet werken.
Als je simpelweg vermaakt wil worden door een film, dan kun je het niet veel beter treffen dan met deze twee (de ‘Pirates Of The Caribbean’-reeks telt inmiddels vijf delen, maar ik ben toch vooral een fan van één en twee). Het verhaal is eigenlijk niet eens zo belangrijk en je logische verstand moet je uitzetten, maar dan kun je je wel schrap zetten voor een achtbaan vol actie, slapstick-achtige humor en schitterende beelden. Johnny Depp zet Captain Jack Sparrow ook heerlijk cartoonesk neer.

5. Taking Woodstock (2009)
In het op een waargebeurd verhaal gebaseerde ‘Taking Woodstock’ zit interieurdesigner Elliot Tiber (Demetri Martin) in de zomer van 1969 gevangen in het onbenullige Amerikaanse dorpje Bethel, waar hij zijn ouders moet helpen bij het redden van hun slecht gerunde familiepension, El Monaco. Hij verneemt dat de organisatie van Woodstock dringend op zoek is naar een lap grond waarop dit festival gehouden kan worden. Hij beseft dat dit de redding voor het pension kan worden en brengt organisator Michael Lang (Jonathan Groff) in contact met een plaatselijke boer, Max Yasgur (Eugene Levy), die wel bereid is om zijn weilanden ter beschikking te stellen. Enige tijd later is El Monaco het epicentrum van het belangrijkste culturele evenement van de twintigste eeuw. Terwijl Bethel overspoeld wordt door een half miljoen hippies, krijgt Tiber achter de schermen van Woodstock te maken met een overdonderde festivalorganisatie, boze conservatieve dorpsbewoners, en zijn ouders, die weinig begrijpen van wat er om hen heen gebeurt, maar die inmiddels wel dollartekens zijn gaan zien.
Als muziekliefhebber en fervent festivalganger heb ik al heel lang een fascinatie voor de moeder aller festivals, Woodstock. ‘Taking Woodstock’ is een komisch drama gebaseerd op de memoires van Tiber, dat zich afspeelt rondom de opzet van het mega-evenement. Het podium waarop onder meer Jimi Hendrix, Santana, The Who, Creedence Clearwater Revival en Crosby, Stills, Nash & Young legendarische optredens gaven, is slechts vluchtig op de achtergrond te zien. De film focust zich vooral op de opwinding vooraf aan en rondom het festival. Daarbij zijn glansrollen weggelegd voor Tiber’s bikkelharde Russische moeder Sonia (Imelda Staunton) en zijn uitgebluste vader Jake (Henry Goodman), die grotendeels het komische element verzorgen. Liev Scheiber speelt ook een verrassend goede rol als beveiligster Betty von Vilma, wellicht de minst vrouwelijke travestiet die je ooit gezien hebt.

4. The Blair Witch Project (1999)
In oktober 1994 trekken filmstudenten Heather Donahue, Mike Williams en Josh Leonard (in de film worden hun echte namen gebruikt) de bossen bij Burkittsville in de staat Maryland in, om een documentaire te maken over The Blair Witch, een bovennatuurlijk fenomeen dat hier volgens de verhalen al eeuwen voor dood en verderf zorgt. Ze pakken het aanvankelijk luchtig aan, interviewen enkele omwonenden en verlaten dan de bewoonde wereld. Ze merken al snel dat ze dat beter niet hadden kunnen doen. Er volgt een helse week. Overdag worden ze steeds wanhopiger terwijl ze tevergeefs de bewoonde wereld terug proberen te vinden, ’s nachts worden ze geteisterd door angstaanjagende geluiden. En op een ochtend blijkt Josh ineens spoorloos te zijn verdwenen.
‘The Blair Witch Project’ werd in 1999 geïntroduceerd als een documentaire, samengesteld uit gevonden amateurbeelden. Aanvankelijk werd zelfs de indruk gewekt dat de (toen nog onbekende) hoofdrolspelers écht al sinds 1994 vermist waren. Deze acteurs kregen tijdens de opnames geen scripts en wisten niet wat hen te wachten stonden, hun reacties op wat ze meemaken zijn dus vaak niet of slechts deels geacteerd. Met deze aanpak was ‘The Blair Witch Project’ in 1999 aardig revolutionair in het horrorgenre. Geen bloed, geen geweld, geen zichtbare griezels. Maar wel realistische beelden van een kampeertrip, die verstoord wordt door vreemde geluiden en gebeurtenissen aan de andere kant van het tentzeil… Ik heb van meerdere mensen gehoord dat ze deze film voor het eerst zagen bij vrienden en doodsbang waren toen ze daarna op de fiets of te voet in het donker naar huis moesten…

3. Good Will Hunting (1997)
Will Hunting (Matt Damon) uit Boston is een uitzonderlijk wiskundig genie, maar heeft niet de ambitie om iets te doen met zijn gave. Hij zit liever met zijn vrienden in de kroeg en heeft een baantje als conciërge op de prestigieuze universiteit MIT. Als hij voor de zoveelste keer in aanraking komt met de politie, dreigt hij de gevangenis is te gaan. MIT-professor Gerald Lambeau (Stellan Skarsgård) weet echter een deal te sluiten met de rechter: als Will bereid is om onder supervisie van Lambeau te gaan werken en intussen in therapie gaat, dan mag hij op vrije voeten blijven. Terwijl Will de knapste koppen van MIT versteld laat staan met zijn intellect, drijft hij de ene na de andere psycholoog tot wanhoop met zijn dwarse gedrag. Ten einde raad koppelt de professor hem aan psycholoog Sean Maguire (Robin Williams), die hij al kent sinds zijn jeugd, maar die in veel opzichten zijn tegenpool is. Ondanks verwoede pogingen van Will blijkt Sean niet zo makkelijk op de kast te krijgen en uiteindelijk ontstaat er zelfs een vriendschap tussen de twee, die een vergelijkbare achtergrond blijken te hebben. Intussen moet Will zien te verwerken dat zijn vriendin Skylar (Minnie Driver) naar Californië is vertrokken voor haar studie.
Dit zo opgeschrijvend besef ik wel dat het verhaal achter ‘Good Will Hunting’ (geschreven door Matt Damon en Ben Affleck, die destijds beiden nog onbekend waren) wellicht wat klef klinkt. Maar eigenlijk vind ik bij deze film het plot een beetje een bijzaak, er zijn zoveel andere dingen die ik echt schitterend vind. De sfeer is mooi en herfstachtig. Robin Williams, hier in één van zijn meest serieuze rollen, zet één van de sterkste personages neer die ik ooit in een film gezien heb. De prachtige slotscène (ik wil niet teveel verklappen, maar het is iets met een auto die de horizon tegemoed rijdt) sprak dusdanig tot mijn verbeelding, dat het voor mij een serieuze inspiratiebron werd tijdens de rijlessen die ik destijds nam. En bovendien was ik bijzonder onder de indruk van de door singer-songwriter Elliott Smith gedomineerde soundtrack. Vooral van zijn liedje ‘Miss Misery’ was ik dusdanig onder de indruk, dat ik sindsdien een hele grote fan ben.

2. Back To The Future Part II (1989)
1. Back To The Future (1985)
In 1985 is Marty McFly (Michael J. Fox) een zeventienjarige jongen uit het plaatsje Hill Valley, die bevriend is met de excentrieke uitvinder Dr. Emmet “Doc” Brown (Christopher Lloyd). Doc heeft een auto omgebouwd tot tijdmachine en wil die op een avond gaan testen. Door onvoorziene omstandigheden belandt Marty met de auto in het jaar 1955. Daar moet hij op zoek gaan naar de dertig jaar jongere versie van Doc, in de hoop dat die hem kan helpen om terug te keren naar zijn eigen tijd. Maar terwijl Marty ronddwaalt in het Hill Valley van het midden van de jaren vijftig, ontmoet hij per ongeluk zijn toekomstige ouders en voorkomt hij het moment waarop de vonk tussen hen over zou zijn gesprongen, waardoor hij zijn eigen bestaan in in gevaar brengt. En intussen heeft bullebak Biff Tannen (Thomas F. Wilson) het op hem voorzien.
In het tweede deel komen Marty en Doc terecht in 2005, vanaf 1985 gezien nog de verre toekomst. Zonder dat ze het weten “leent” de inmiddels bejaarde Biff de rijdende tijdmachine, om in 1955 zijn jongere zelf een boek te geven met sportuitslagen, zodat hij steenrijk kan worden door daar op te gokken. Als Doc en Marty terugkeren naar 1985, blijkt alles te zijn veranderd. Hill Valley is een verloederd gokparadijs geworden met de nu steenrijke Biff aan het roer. Bovendien is hij getrouwd met Marty’s moeder, nadat jaren geleden zijn vader vermoord is. Doc en Marty moeten weer naar 1955 om orde op zaken te stellen.
Toen ik ‘Back To The Future’ zag, was het voor mij liefde op het eerste gezicht. Ik was al kind en tiener een grote fan van rock ‘n’ roll uit de jaren vijftig (Elvis Presley, Chuck Berry, Carl Perkins) en van de TV-serie ‘Happy Days’, die zich in dat decennium afspeelt. Daarnaast kan ik me geen film bedenken met een hoger entertainmentgehalte. Dit geesteskindje van schrijver/regisseur Robert Zemeckis en schrijver Bob Gale uit 1985 is een zelden vaart minderende maar toch luchtige achtbaanrit vol actie, spanning, avontuur en een hoop humor. Met zowel platte grappen (waarin de slechterik van het verhaal weer eens in een berg mest terechtkomt, bijvoorbeeld), maar ook subtiele knipogen die een beetje algemene kennis en oplettendheid vereisen. Daardoor betalen meerdere kijkbeurten zich vanzelf uit. Ik denk dat ik deel één inmiddels wel een keer of veertig gezien moet hebben en deel twee hooguit een keer of tien minder vaak. Er is ook nog een derde deel, dat zich grotendeels afspeelt in 1885 en mij iets minder aanspreekt.

15films

Leave a comment »

Liverpool: “Beatles-bedevaart”

Dag 1: vrijdag 6 maart 2020

Ik ben inmiddels al bijna vijf maanden 41, maar pas vandaag kan ik het grootste cadeau dat ik voor m’n verjaardag gekregen heb uit gaan pakken. Linda en ik gaan een weekend naar Liverpool. Dat is niet direct een voor de hand liggende toeristische bestemming (ik heb gezocht in de bibliotheek, de ANWB-winkel en boekhandel Van Piere, nergens was ook maar een enkel reisgidsje over deze Engelse havenstad te vinden), maar we gaan dan ook niet voor de reguliere bezienswaardigheden. We zijn van plan om ons voornamelijk te gaan richten op plekken die belangrijk waren in het verhaal van The Beatles. En die heb je in Liverpool genoeg, John Lennon, Paul McCartney, George Harrison en Ringo Starr werden immers allemaal in deze stad geboren.

Liverpool John Lennon Airport
Dat de zesde stad van Engeland z’n beroemdste zonen in ere houdt, wordt al meteen duidelijk zodra je er naartoe vliegt. Het plaatselijke vliegveld heet sinds 2001 Liverpool John Lennon Airport. Het was de eerste Britse luchthaven die vernoemd werd naar een persoon. Op de eerste verdieping staat een bronzen standbeeld van twee meter hoog van de in 1980 overleden Beatle, dat uitkijkt op de incheckhal. Op de wanden staan fragmenten uit songteksten van zijn liedjes.
20200308_173457Wij arriveren er om 10.45 uur Engelse tijd (een uur vroeger dan het in Nederland is), na een soepel vluchtje met EasyJet van slechts zo’n zeventig minuten vanaf Schiphol. Pal voor de deur van het niet al te grote vliegveld (er komen jaarlijks zo’n vijf miljoen passagiers voorbij, ongeveer een miljoen minder dan op Eindhoven Airport) kunnen we in een lijnbus stappen, die ons voor £2,05 per persoon naar het centrum van Liverpool brengt.20200306_121449

The Beatles Story
Na een ritje van ongeveer een half uur zijn we bij ons hotel, Campanile, dat pal aan Queen’s Dock staat, op korte loopafstand van het centrum van de stad. We zijn nog te vroeg om in te checken, wel mogen we bagage achterlaten in een kamertje bij de balie. We hebben geen koffers bij ons, alleen twee rugtassen. De spullen die we onderweg nodig hebben of die te waardevol zijn om achter te laten gaan naar mijn rugzak, de rest proppen we in Linda’s rugzak, die we hier achterlaten.
Voor onze eerste bestemming hoeven we maar een paar honderd meter te lopen. We komen langs Wapping Dock en Duke’s Dock en zijn dan bij The Beatles Story, dat zich bevindt in de kelders van één van de enorme magazijnen die in het midden van de negentiende eeuw rondom de historische Royal Albert Dock gebouwd werden. Deze magazijnen zijn een attractie op zich, ze vormen samen de grootste verzameling gebouwen in Groot-Brittannië met een “Grade One”-keurmerk, op basis van historisch en architectonisch belang. Het complex zit tegenwoordig vol met musea, galerijen, restaurants en hotels. Maar wij komen dus voor het in 1990 geopende Beatles-museum in de ondergrondse ruimtes van het Britannia Pavilion.20200306_133628Kort na binnenkomst zien we achter plexiglas de allereerste gitaar van George Harrison. Op dit instrument leerde hij spelen. En op deze gitaar speelde hij tijdens een busrit het nummer ‘Raunchy’ van Bill Justis, waarna John Lennon besloot dat Harrison lid mocht worden van zijn Quarrymen, het bandje waar Paul McCartney inmiddels ook lid van was en dat dus geldt als de directe voorloper van The Beatles. Hier ligt overigens een directe link met onze woonplaats Eindhoven: deze gitaar werd in het midden van de jaren vijftig gemaakt door de firma Egmond in de Frankrijkstraat in Eindhoven. George’s vader Harold betaalde er in 1956 £3,10 voor, de waarde van dit instrument wordt tegenwoordig geschat op $800.000.20200306_134150In The Beatles Story kun je letterlijk door de geschiedenis van The Beatles lopen. Op chronologische volgorde zijn belangrijke plekken uit de geschiedenis van de band nagebouwd. Zo loop je door reconstructies van onder meer The Casbah Coffee Club, The Cavern, de Abbey Road Studios, platenzaak NEMS van Beatles-manager Brian Epstein en de White Room waarin John Lennon ‘Imagine’ schreef. Hier en daar zie je historische voorwerpen, zoals een rond brilletje van Lennon en de laatste piano waar hij ooit op speelde. En het enige geperste exemplaar van de single ‘Hello Little Girl’ uit 1962, dat manager Epstein gebruikte als demo.20200306_134911Na het einde van de route die je loopt door The Beatles Story, kom je boven de grond uit bij de Fab4 Shop, een grote winkel met uitsluitend Beatles-merchandise. Je kunt er kiezen uit tientallen verschillende T-shirts, alle albums van de groep zijn te krijgen op CD en vinyl, maar ook als je een onderzetter, een potlood, een pak koekjes, een lolly of een rompertje zoekt met het Beatles-logo erop, dan ben je hier aan het juiste adres. Ik beperk me tot het boekje ‘The Beatles’ Liverpool’, een reisgidsje waarin zo’n beetje elke plek in Liverpool waar ooit een Beatle z’n schoenzolen op neer heeft gezet in beschreven wordt. Dat gaat van toeristische trekpleisters als The Cavern en The Beatles Statue tot een huis waarin Lennon’s eerste vrouw Cynthia ooit woonde en een pizzeria waarboven zich de studio bevond waarin The Beatles in 1961 hun eerste professionele foto’s lieten maken.20200306_132635

The Beatles Statue
We lopen door, langs de rivier de Mersey. Deze ontstaat uit de samenvloeiing van de rivieren de Etherow, de Goyt en de Tame nabij Stockport en mondt 113 kilometer verderop in Liverpool uit in de Liverpool Bay, een baai in de Ierse Zee. We kunnen dan ook al een duidelijke zeelucht ruiken.
20200306_143614We passeren een standbeeld dat er een beetje uitziet als Elvis Presley, maar dat Billy Fury voorstelt. Deze in 1983 overleden zanger uit Liverpool haalde in Nederland nooit de hitlijsten, maar scoorde in eigen land tussen 1959 en 1965 elf top tienhits. En vandaag, ruim 37 jaar na zijn dood, liggen er nog altijd bosjes bloemen aan zijn voeten.
We komen bij The Beatles Statue, dat bekend staat als de populairste “selfie spot” van Liverpool. De vier Beatles, wat groter dan levensgroot, lopen hier sinds 2015 casual over straat, richting de Mersey. Uiteraard staat ernaast een straatmuzikant Beatles-liedjes te spelen. Je moet eventjes wachten voordat je hier aan de beurt bent om op de foto te gaan met de beeldengroep.20200306_145825
In 2018 was overigens een prachtige, 24 minuten lange editie van het segment Carpool Karaoke te zien in The Late Late Show with James Corden, waarin presentator Corden met Paul McCartney door Liverpool rijdt en onder meer Penny Lane, McCartney’s vroegere huis en een lokale pub bezoekt. In een scene die de show niet haalde, maar die wel te zien is op YouTube, verrast McCartney enkele toeristen door onaangekondigd op te duiken terwijl ze op de foto gaan met The Beatles Statue. Absoluut de moeite van het opzoeken waard.

The Cavern
We gaan even lunchen en om het lekker Brits te maken, krijg ik een flinke kwak witte bonen in tomatensaus bij m’n omelet.
We komen bij Mathew Street, een drukke uitgaansstraat in het centrum, die zichzelf de eretitel “Birthplace of The Beatles” heeft gegeven. Helemaal aan het begin van de straat gaan we naar binnen bij The Gallery, een winkel waarvan de gehele begane grond gevuld is met Beatles-souvenirs, op de eerste verdieping zijn ook shirts en andere merchandise te vinden van andere bands en artiesten.
Even verderop zijn we bij The Cavern Club, het legendarische ondergrondse zaaltje waarin The Beatles tussen 9 februari 1961 en 3 augustus 1963 (ze hadden toen reeds de hits ‘Love Me Do’, ‘Please Please Me’ en ‘From Me To You’ op hun naam staan) maar liefst 292 keer optraden. Dat waren hoofdzakelijk concerten op werkdagen rond lunchtijd en aanvankelijk kreeg de vierkoppige band daar slechts vijf pond per keer voor betaald. Tegen de tijd dat ze er afscheid namen, was de gage al opgelopen naar driehonderd pond per keer. Ook andere wereldsterren als The Rolling Stones, Elton John, Queen en The Who speelden ooit in dit krappe keldertje, dat door McCartney werd omschreven als “a claustrophobic hell, but a great one”.
20200306_165218Er is echter wel een flinke “maar”. De club werd in 1973 gesloten, het magazijn dat er bovenop stond werd gesloopt en de Cavern werd volgestort met zand, waarna er een parkeerplaats overheen kwam te liggen. Het duurde niet heel lang voordat men tot het besef kwam dat dit wellicht toch niet zo’n heel slimme keuze was en in 1981 werden de eerste plannen om The Cavern te heropenen openbaar gemaakt. Deze bleek inmiddels te zwaar beschadigd te zijn om simpelweg leeg te worden gegraven. De huidige Cavern is dus een reconstructie. Maar ook de “nieuwe” Cavern heeft al een aardig lijstje aan grote namen op het podium gehad, zoals Adele, Oasis, The Arctic Monkeys en, jawel, Paul McCartney (in 1999 en 2018).20200306_155507Ik ben één keer eerder in The Cavern geweest. In 2005 speelde ik met mijn eigen band Downslide even verderop, in Fleet Street, in een club die inmiddels al jaren niet meer bestaat. Tussen de soundcheck en ons optreden door had ik heel eventjes de tijd om naar buiten te gaan. Ik had geen idee waar in Liverpool ik was (dit was sowieso jaren voordat ik mijn eerste smartphone had), dus vroeg ik aan een voorbijganger of er ergens in de buurt iets te vinden was wat met The Beatles te maken had. Wat later stond ik in The Cavern. Ik kon een minuutje of vijf om me heen kijken, toen moest ik snel weer terug naar Fleet Street.
Nu hebben Linda en ik gelukkig wat ruimer de tijd. We gaan naar de ingang, betalen elk £2,50 entree en dalen dan af naar de catacomben die aanvankelijk dienden als wijnopslagplaats en tijdens de Tweede Wereldoorlog dienst deed als schuilkelder.
In één van de de benauwde, schemerige, gewelfvormige ruimtes staat het piepkleine podium waarop nu een man met een akoestische gitaar covers speelt van oude hits. Uiteraard komen de Beatles regelmatig voorbij. Ook op deze willekeurige vrijdagmiddag is er aardig wat publiek. We bestellen allebei een biertje en kijken wat rond. De wanden van de Cavern hangen vol met gesigneerde foto’s, drumvellen, gitaren en andere voorwerpen van talloze muzikale legendes. Alle zitplaatsen zijn bezet, maar we hebben de mazzel dat we al snel aan een nét vrijgekomen tafeltje voor twee op enkele meters van het podium kunnen gaan zitten.20200306_155348

Liverpool ONE
We lopen Mathew Street weer uit en komen bij Liverpool ONE, een groot, modern winkelcentrum dat in 2008 geopend werd. Ik wil hier graag naartoe, omdat hier een vestiging zit van HMV, een Britse keten van platenzaken die al bestaat sinds 1921. In september 2018 bezochten we de Londense HMV, die qua aanbod behoorlijk overweldigend bleek te zijn. De vestiging in Liverpool is gelukkig gelijkwaardig. Niet alleen is de hoeveelheid platen en CD’s enorm, je kunt hier ook nog wel eens iets vinden wat in Nederland alleen als dure import te krijgen is. Bovendien vinden ze het hier geen probleem om “broadcast bootlegs” te verkopen: livealbums die zonder toestemming van de artiest uit zijn gebracht, maar die door mazen in de wet toch nét niet illegaal zijn. Al snel heb ik een aardige stapel CD’s gevonden. We nemen in dit winkelcentrum ook nog even een kijkje in een grote fanshop van de lokale voetbaltrots, Liverpool FC.20200308_135633
Ik breng wat verderop nog even een bezoekje aan Probe Records, een legendarische platenzaak die opgericht werd in 1971 en zelfs een eigen Wikipedia-pagina heeft. Bekende muzikanten als Pete Burns (Dead Or Alive), Julian Cope en Paul Rutherford (Frankie Goes To Hollywood) werkten hier ooit. Het blijkt inmiddels vergane glorie te zijn. Na enkele verhuizingen zit Probe nu in een piepklein winkeltje met slechts enkele bakken met wat ogenschijnlijke willekeurige platen en CD’s.
We lopen weer terug naar Mathew Street en gaan eten bij Festival Food & Drink, een restaurant pal tegenover The Cavern dat in het teken staat van classic rock en muziekfestivals. Er staat een vegetarische burger op het menu, die wel goed en lekker pittig blijkt te zijn.
Als we naar buiten lopen, zien we pal voor onze neuzen een jonge man hevig ruzie maken met een oudere, duidelijke stomdronken kerel. Een klap of een duw later, ik heb het niet helemaal goed kunnen zien, ligt de oudere man op de grond met een flinke hoofdwond. De jongeman loopt vrolijk weg, gevolgd door een groepje enthousiast kirrende en giebelende vrouwen, waarvan één naar hem roept dat hij zojuist haar avond goed heeft gemaakt.
We kopen bij een buurtsuper wat snacks en drankjes en voorverpakte sandwiches voor morgenvroeg en om zeven uur gaan we inchecken bij ons hotel. Met moegeslenterde voeten storten we neer op het bed.20200306_200010

Dag 2: zaterdag 7 maart 2020

251 Menlove Avenue
We ontbijten in de hotelkamer met de voorverpakte sandwiches die we gisteren gekocht hebben. Om kwart voor tien zijn we de deur uit. We hebben nu nog wat tijd te doden voordat we om elf uur kunnen beginnen aan de “Beatles Childhood Homes” tour van The National Trust. We gaan vandaag de huizen bezoeken waar John Lennon en Paul McCartney in opgroeiden en dat kan uitsluitend door deze rondrit te boeken, die maar enkele keren per dag plaatsvindt en maar plek heeft voor vijftien mensen per keer. Tot onze frustratie was de tour al een tijdje helemaal volgeboekt, maar toen Linda eergisteren toch nog een keertje keek, bleken er ineens twee plekjes vrij te zijn gekomen op deze zaterdag om elf uur. We komen tot het vertrek de tijd door, door nogmaals de Fab4 Shop te bezoeken en wat te gaan drinken bij het aangrenzende Fab4 Café.
Wat later vertrekken we in een minibus vanuit de lobby van het Jury’s Inn Hotel. We worden afgezet bij 251 Menlove Avenue. In dit half vrijstaande huis, dat tegenwoordig eigendom is van The National Trust (een charitatieve instelling die zorg draagt voor monumentenzorg), kwam John Lennon in 1946 te wonen. Hij was toen vijf jaar oud en zijn familie had besloten dat hij beter af was bij zijn welgestelde en kinderloze tante Mimi en oom George, dan bij zijn gescheiden en wat losbandigere moeder Julia. Hij bleef er wonen tot 1963, toen hij inmiddels 22 en reeds een wereldberoemde Beatle was. Later woonden er andere mensen, totdat Lennon’s weduwe Yoko Ono het pand kocht in 2002 en het direct doneerde aan The National Trust. Daarna werd het aan de hand van foto’s en met hulp van jeugdvrienden van Lennon weer helemaal opnieuw ingericht zoals het er uitzag toen de in 1980 doodgeschoten Beatle er als tiener woonde.
20200307_122846We krijgen een hele fraaie rondleiding van gids Colin Hall, die al zeventien jaar zijn brood verdient met rondleidingen geven door dit huis, maar die zijn verhaal nog altijd erg enthousiast weet te brengen. Op de begane grond vertelt hij met de nodige anekdotes over Lennon’s jeugd en daarna krijgen we wat tijd om vrij door het huis te lopen. Helaas mogen we binnen geen foto’s maken.
Ik vind het vooral bijzonder om in het krappe slaapkamertje te staan waarin Lennon als kleuter al sliep en pas uit vertrok toen hij reeds een Beatle was. Hier bracht één van de twee voornaamste Beatles het overgrote merendeel van de nachten van zijn jeugd door. Het brein van de man die hier duizenden keren droomde, was mede-verantwoordelijk voor de belangrijkste popgroep aller tijden, die meer dan 600 miljoen platen verkocht.
Bij het verlaten van het huis krijgen we nog even een wrang detail mee. Aan de overkant van de straat, een beetje naar rechts, staat een bushalte. Op 15 juli 1958 liep John’s moeder Julia Lennon hier naartoe, na een bezoekje aan het zus Mimi en zoon John. Tijdens het oversteken werd ze aangereden. Ze overleefde het ongeluk niet en werd slechts 44 jaar oud. John, die haar meer zag als een oudere zus dan als een moeder, schreef later verschillende nummers over haar, waaronder ‘Julia’ (te vinden op het ‘White Album’ van The Beatles) en ‘Mother’ (van zijn eerste soloalbum).20200307_122837

20 Forthlin Road
We rijden door naar het rijtjeshuis 20 Forthlin Road, tegenwoordig eveneens eigendom van The National Trust en ook hier is de klok weer tot in detail een jaar of zestig teruggedraaid. Hier kwam Paul McCartney in 1955 te wonen met zijn ouders Jim en Mary en broer Mike, toen hij 12 of 13 was. Hij woonde er nog altijd toen hij reeds een bekende Beatle was en de straat regelmatig vol stond met fans.
20200307_132347Ik ben altijd een nog veel grotere fan geweest van McCartney dan van Lennon, dus voor mij is dit bezoekje nog specialer dan het vorige. Het is alsof ik de vele boeken en documentaires over McCartney die ik verslonden heb binnen mag wandelen.
Dit is waar Paul’s moeder Mary McCartney woonde tot ze in 1956 op 47-jarige leeftijd overleed aan borstkanker, haar zoon vereeuwigde haar later in zijn nummer ‘Let It Be’ (met “mother Mary” doelde hij niet op de Maagd Maria, maar op zijn eigen moeder, die in een droom tot hem kwam). Dit is waar hij op zeventienjarige leeftijd in het achtertuintje gefotografeerd werd door zijn broer Mike, die afbeelding werd in 2005 de hoesfoto van het album ‘Chaos And Creation In The Backyard’. Dit is waar Lennon en McCartney enkele van hun eerste hits schreven, waaronder ‘I Saw Her Standing There’ en ‘She Loves You’. Hier studeerden ze de tientallen covers in, die ze speelden in Hamburg en in The Cavern. Paul schreef er als tiener de basis voor wat later de liedjes ‘When I’m Sixty Four’ en ‘I’ll Follow The Sun’ werden. Dit is waar ze de amateuristische demo’s opnamen van ‘Hallelujah, I Love Her So’, ‘You’ll Be Mine’ en ‘Cayenne’, die te horen zijn op de verzamelaar ‘Anthology 1’. En de oudste van de twee zoons des huizes vertelde ooit, dat het middenstuk van ‘A Day In The Life’ gaat over alle keren dat hij zich hier versliep en daarna snel de deur uit moest rennen, over Forthlin Road, om de bus nog te halen.
20200307_140814Overigens ontstond op 20 Forthlin Road nóg een succesvolle band: The Scaffold. Met deze komische muzikale groep scoorde Paul’s jongere broer Mike de wereldhits ‘Lily The Pink’, ‘Thank U Very Much’ en ‘Liverpool Lou’.
De gids op 20 Forthlin Road is de vrouw van de gids op 251 Menlove Avenue. Bij het naar buiten gaan, zie ik dat ze een boek verkoopt, ‘Pre:Fab!’ dat haar man samen met Colin Hanton schreef. Hanton was de drummer van The Quarrymen, de band van John Lennon die na een paar naamswijzigingen evolueerde tot The Beatles. Hanton is dus met een beetje goede wil de allereerste drummer van The Beatles te noemen. Even later zie ik dat het boek gesigneerd is door beide schrijvers. Toch een mooi souvenirtje.20200307_164540

St. Peter’s Church, Woolton
Als je wil zien waar The Beatles opgroeiden, dan kun je dus de tour “Beatles Childhood Homes” nemen, maar dan zie je alleen de twee voorgenoemde huizen. Er zijn tours die ook langs andere bezienswaardigheden komen, maar daarmee mag je dan weer niet naar binnen in de huizen. Wij willen echter graag ook St. Peter’s Church, Strawberry Field en Penny Lane zien. Dus stappen we niet in de mini-bus terug naar het centrum van de stad, maar gaan we op eigen houtje verder.
We willen eerst naar St. Peter’s Church in de buitenwijk Woolton. De chauffeur van het minibusje zegt dat je de afstand van 20 Forthlin Road naar St. Peter’s Church, niet heel ver van John Lennon’s huis, beter te voet dan met een lijnbus af kunt leggen. Je kunt dan het beste dwars over de golfbaan van Allerton Manor lopen, zegt hij. Die wandeling willen we best maken, want we hoorden zojuist nog van onze gids dat John Lennon ook regelmatig deze golfbaan overstak als hij bij Paul McCartney op bezoek ging…
Het blijkt toch best een stevige wandeling van ruim een half uur, waarvan een aanzienlijk deel over de enorme golfbaan gaat. Aan het einde daarvan komen we een hek tegen en we moeten best even zoeken voordat we een gat vinden waar we doorheen kunnen klimmen.
Wat later lopen we Woolton in, wat officieel nog steeds Liverpool is, maar oogt als een dorpje waarin de tijd al enige tijd behoorlijk stil staat. St. Peter’s is op zich niet zo’n bijzonder kerkje, ware het niet dat het meerdere connecties heeft met The Beatles. Op 6 juli 1957 speelde een zestienjarige John Lennon ’s middags met zijn Quarrymen op een openluchtfeestje van de kerk. Tot het publiek behoorde een vijftienjarige Paul McCartney. Later op de dag speelden The Quarrymen nogmaals, nu in een zaaltje van dezelfde kerk. Hier werden Lennon en McCartney aan elkaar voorgesteld. Laatstgenoemde maakte van de gelegenheid gebruik om zijn kwaliteiten als gitarist te demonstreren en om Lennon meteen even te voorzien van de juiste songteksten van enkele covers die hij zojuist verkeerd had gezongen. Snel daarna was ook McCartney een Quarryman.
20200308_154655Daarnaast is er nog het ietwat spookachtige verhaal van Eleanor Rigby. Paul McCartney heeft altijd, tot op de dag van vandaag, beweerd dat hij de naam van de hoofdpersoon van dit prachtige Beatles-nummer uit 1966 uit z’n mouw schudde. Eleanor kwam van de bevriende actrice Eleanor Bron, Rigby van de wijnhandel Rigby & Evans. Pas jaren later merkte iemand op dat op het kerkhof van St. Peter’s Church, op slechts enkele tientallen meters van de plek waar Lennon en McCartney elkaar voor het eerst de hand hadden geschud in 1957, sinds 1939 een Eleanor Rigby begraven ligt.
We vinden op de begraafplaats van St. Peter’s al snel de steen van mevrouw Rigby, maar de tuin en de hal waarin The Quarrymen speelden kunnen we niet vinden. (Maar daarover morgen meer.)20200307_150908

Strawberry Field
Onze volgende bestemming is Strawberry Field, de inspiratiebron van de hoofdzakelijk door John Lennon geschreven Beatles-klassieker ‘Strawberry Fields Forever’ uit 1967. Ook hier gaan we te voet naartoe. Lennon woonde vlakbij dit kindertehuis en klom als kind regelmatig over de muur, om in de tuin te spelen met de kinderen die daar woonden. Helaas is het nu nauwelijks nog een bezoekje waard. Het Victoriaanse kindertehuis is allang gesloopt en vervangen door een modern gebouw. En het beroemde knalrode hek is vervangen door een replica. Het originele hek werd gestolen in 2000, werd wel weer teruggevonden, maar is uit angst voor herhaling niet teruggehangen.20200307_153638

Penny Lane
‘Strawberry Fields Forever’ is één van de beste nummers van The Beatles, maar mijn absolute favoriet van de band is ‘Penny Lane’, hoofdzakelijk geschreven door McCartney. Beide liedjes stonden in 1967 op dezelfde single, die een zogenaamde A-kant had. En beiden zijn geïnspireerd door de jeugd die Lennon en McCartney doorbrachten in dit deel van Liverpool. McCartney liet zich voor zijn kant van de single inspireren door Penny Lane, de straat waarin hij als schooljongen en later als student altijd over moest stappen als hij met de bus reisde.
We wilden eigenlijk de bus nemen van Strawberry Field naar Penny Lane, maar door wegwerkzaamheden neemt die uitgerekend vandaag een andere route. Dat wordt dus weer een flinke wandeling.
Maar uiteindelijk komen we dan bij de in het liedje bezongen “shelter in the middle of a roundabout”. Het busstationnetje in het midden van de rotonde doet al lang niet meer dienst als dusdanig, het is ooit verbouwd tot een bistro, maar die staat al meer dan tien jaar leeg. Daar tegenover staat Saint Barnabas’ Church, waar Paul McCartney ooit een koorknaapje was.
20200307_162057We lunchen in een pub die The Penny Lane heet en gaan daarna lopen door de straat. Ik had me Penny Lane altijd voorgesteld als een bruisende laan in het hartje van Liverpool, maar het is dus een heel normale, zelfs ietwat doodse straat in een buitenwijk. Natuurlijk zie je hier en daar wel een winkel die een verwijzing naar The Beatles op de gevel heeft staan, maar er wordt hier eigenlijk maar amper ingespeeld op het toerisme. Een groot contrast met Mathew Street, waar je om de zoveel meter foto’s en beelden van The Beatles ziet en hun muziek hoort, de ene keer in de bekende uitvoeringen uit boxjes, de andere keer live uitgevoerd door een man met gitaar die live staat te spelen.
We lopen door tot aan de “landmark”, het muurtje waar de straatnaam Penny Lane geschilderd staat op een witte achtergrond. Dit is dé “selfie spot” van deze straat en de muur staat vol met namen die fans er op hebben geschreven. In 2018 kwam Paul McCartney zelf een keertje langs om zijn handtekening te zetten, snel daarna is toch maar besloten om hier een stuk plexiglas overheen te plaatsen.20200307_172516

Saint Luke’s Church
We nemen nu toch maar eens een bus en keren terug naar het centrum van de stad. We willen de kolossale kathedraal gaan bekijken, we kunnen vanuit onze hotelkamer al een stukje van de toren zijn, en stappen daar vlakbij uit. Voordat we er zijn, zien we iets anders wat ons interessant lijkt: een ruïne van een kerk die geen dak meer heeft. We gaan even kijken en kunnen voor een pond per persoon “naar binnen”.
Saint Luke is een kerk uit 1832. Het gebouw werd in 1941, tijdens de Tweede Wereldoorlog, gebombardeerd door de Duitsers, daarop volgde een flinke brand. Daarna is de kerk altijd blijven staan als een leeg omhulsel. De muren en toren staan nog overeind, maar daar tussen ligt nu een parkje.20200307_180430

Liverpool Cathedral
De kathedraal van Liverpool is werkelijk enorm. Met een lengte van 189 meter en een hoogte van 101 meter is dit het grootste religieuze gebouw in Groot-Brittannië en één van de vijf grootste kathedralen ter wereld, met bovendien één van de hoogste stompe torens. Het bouwwerk is relatief nog erg nieuw (de bouw begon in 1904 en eindigde in 1978) en oogt veel soberder dan oudere kathedralen. Of eigenlijk gewoon hartstikke lomp.20200307_183933
Ik vind het eigenlijk bijna beangstigend om door de kathedraal te lopen. Je voelt je hier echt nietig. Ik moet een beetje denken aan de schilderijen van de surrealistische Duitse kunstenaar Hans-Werner Sahm, die overweldigende landschappen schildert en de mens daarin nóg kleiner neerzet dan ‘ie al is. En dan heb je hier ook nog eens die monsterlijk grote en hoge stapel stenen van die toren boven je hoofd.20200307_182033
Wellicht denk je nu dat we hier even afwijken van het pad van onze Beatles-bedevaart, maar dat is niet helemaal waar. Een elfjarige Paul McCartney deed hier in 1953 auditie als koorknaapje, maar werd afgewezen, omdat zijn stem niet goed genoeg werd bevonden. Hij nam daarvoor op stijlvolle wijze revanche: veel later werden twee van zijn uitstapjes naar de klassieke muziek uitgevoerd in dit gebouw: ‘Liverpool Oratorio’ in 1991 en ‘Ecce Cor Meum’ in 2008.

The Grape
Na een goede pizza te hebben gegeten bij Italiaans restaurant Il Forno lopen we nog een keer naar Mathew Street. Het is zaterdagavond en het is er nu enorm druk. Ik hou eigenlijk helemaal niet van (te) drukke kroegen, maar we besluiten ons toch maar even naar binnen te wurmen bij The Grape. Dit was de stamkroeg van The Beatles in hun Cavern-tijd (daar werd immers alleen koffie en cola geschonken) en van vele andere artiesten die daar optraden. We bestellen twee biertjes en weten een tafeltje te vinden tegenover een tafel waar met pijlen “THE BEATLES SAT HERE” boven staat. Om half negen gaan we weer naar ons hotel.20200307_210431
Dag 3: zondag 8 maart 2020

Anfield
Om acht uur checken we uit. In Liverpool ONE ontbijten we bij Pret A Manger. Daarna nemen we even verderop de bus. Voor £4,90 per persoon kopen we bij de chauffeur Solo-dagkaarten, waarmee je met alle maatschappijen een hele dag onbeperkt door de stad kunt reizen.
We gaan nu naar het noorden van de stad, naar Anfield, het stadion van voetbalclub Liverpool. Gisteren speelde deze club een thuiswedstrijd tegen Bournemouth. Daar hadden we eigenlijk naartoe willen gaan, maar mede omdat Liverpool momenteel houder is van de Champions League en hard op weg is naar de eerste landstitel sinds 1990, is het vrijwel niet meer mogelijk om nog voor een redelijke prijs aan kaartjes te komen. Daarom hebben we ervoor gekozen om vandaag, een dag later, een tour door het stadion te maken. Als kleine compensatie.
Voor de voetballeken: Liverpool is, ondanks het feit dat ze dus al dertig jaar geen kampioen van Engeland meer zijn geworden, toch zeker één van de voornaamste clubs van Europa. “The Reds” werden in het verleden 18 keer landskampioen en wonnen zes keer de Europa Cup I/Champions League. En voor ons ook wel interessant: het team heeft tegenwoordig met Virgil van Dijk en Georginio Wijnaldum twee Nederlandse basisspelers.
Opvallend detail: de meeste voetbalclubs worden eerst opgericht en krijgen later een stadion, bij Liverpool ging dat andersom. Van 1884 tot 1892 speelde Everton, tegenwoordig de tweede club van de stad, op Anfield. Na een meningsverschil tussen die club en de eigenaar van het stadion, John Houlding, besloten “The Blues” te verhuizen en bleef Houlding zitten met een leeg stadion. Hij besloot daarom zelf maar een nieuwe club op te richten en dat werd dus Liverpool.
20200308_105408We lopen eerst een rondje rond het stadion. We komen onder meer bij het monument voor de 96 Liverpool-supporters die op 15 april 1989 om het leven kwamen, toen in het stadion van Sheffield Wednesday voorafgaand aan de halve finale om de FA Cup tussen Liverpool en Nottingham Forest paniek uitbrak en vele mensen dood werden gedrukt. We komen ook bij de Shankly Gates, de beroemde poort waarboven de titel staat van het lijflied van de club, ‘You’ll Never Walk Alone’. En ook hier bezoeken we even de enorme fanstore met Liverpool-souvenirs.
20200308_104801Het is behoorlijk druk bij de rondleiding. Gelukkig hoeven we niet met deze hele groep steeds slaafs achter één gids te sjokken, er staan op verschillende punten in het stadion gidsen die je de weg wijzen naar het volgende punt. Daardoor kun je de tour helemaal op je eigen tempo doen en weglopen van een te grote kluit mensen als je dat wil.
Het begin van de tour is mooi opgezet. Je wordt met roltrappen naar de zesde verdieping gebracht. Daar krijg je op een scherm een filmpje te zien van de huidige Liverpool-trainer Jürgen Klopp, die gefilmd wordt terwijl hij staat op de plek waarop nu dit scherm hangt, en de gasten welkom heet. Daarop volgt een filmpje, waarin in vijf minuten alle hoogtepunten uit de clubgeschiedenis voorbij komen. Vervolgens gaat het scherm omhoog en kunnen we de hoofdtribune betreden. Vanaf grote hoogte hebben we nu een prachtig zicht op het veld en het 54.000 zitplaatsen tellende stadion.
20200308_114703Weer binnen onder de tribunes krijgen we de persruimtes en de kleedkamers te zien. We mogen door de spelerstunnel lopen en daar het bordje aanraken waar “This is Anfield” op staat, het is al decennia lang een gewoonte dat spelers dit doen voordat ze het veld betreden. We lopen langs de reservebank en het veld en mogen dan ook nog even op de Kop gaan zitten, de tribune waarop de trouwste supporters zich bevinden. Tot slot bezoeken we het museum, waarin talloze shirts, voetbalschoenen, ballen, documenten, foto’s, prijzen en souvenirs te zien zijn. Met tot slot de zes Europa Cups die Liverpool heeft gewonnen.20200308_123716

Het begin van de terugweg
We nemen de bus terug naar het centrum en brengen een laatste bezoekje aan Mathews Street. We gaan nog een keer naar The Gallery en een souvenirshop. Daarna lopen we nog een keer naar HMV, waar ik toch nog even een CD-box koop die ik eergisteren in m’n handen had, maar toch terug had gelegd. We eten een broodje bij de Subway.
We lopen door naar Fleet Street. Hier trad ik dus op met mijn band Downslide in 2005. Ik ga even op zoek naar de zaal waar we toen in speelden. Deze bestaat dus al jaren niet meer, maar ik vind wel een pand waarin deze volgens mij zat. Het is tegenwoordig een hotel.
We lopen door naar Bold Street, waar ik even naar binnen ga bij platenzaak Get Vinyl, maar die blijkt niet echt de moeite waard. Een paar deuren verderop zit Oxfam, een kringloopwinkel. Daar vind ik wel nog een paar aardige tweedehands CD’s voor twee pond per stuk.
We nemen weer de bus en verlaten nu het centrum. Het is nog veel te vroeg om al naar het vliegveld te gaan, dus willen we nog even onze tocht van gisteren voorzien van een paar aanvullingen. Dankzij Google Streetview hebben we alsnog kunnen vinden waar bij Saint Peter’s Church de hal zou moeten zitten waar John Lennon en Paul McCartney aan elkaar voorgesteld werden. En we weten nu dat pal achter de “shelter in the middle of a roundabout” op Penny Lane de kapperszaak zit die ook bezongen wordt in het gelijknamige liedje.
20200308_151555We stappen dus even uit bij die kapperszaak die nu, op een een zondag, gesloten is. We maken wel wat foto’s en nemen dan weer de bus. We stappen weer uit bij St. Peter’s Church in Woolton en vinden nu inderdaad de kerkhal, verscholen achter een binnenplaatsje achter een ander gebouw dat tegenover de kerk staat. Aan de gevel hangt een plakette waarop de ontmoeting tussen de twee bekendste Beatles beschreven staat. We staan hier helemaal alleen, er is verder geen enkele toerist te bekennen.
20200308_154315We zijn nog steeds wat te vroeg om al naar het vliegveld te gaan, dus willen we nog wel wat tijd doden in een pub. We vinden er eentje, The Coffee House, die volgens een bord aan de gevel al bestaat sinds 1641. Vanaf de buitenkant lijkt het er niet op dat er binnen veel te beleven valt, maar dat is een misvatting. We lopen een behoorlijk grote pub in, precies zoals je je een echte Engelse pub op een zondagmiddag voorstelt. Er ligt een dik tapijt met bloemetjesmotief op de grond, de tent zit bomvol, er wordt voetbal gekeken (Chelsea – Everton) en werkelijk iedereen heeft een pint voor z’n neus staan (een glas van ruim een halve liter bier). We vinden een plekje en gaan zitten. Ik lust wel een pint, Linda wil liever een warme chocolademelk. Maar als ik die wil bestellen, kijkt de barman me aan alsof hij water ziet branden. De klant naast me stoot me aan. “No hot drinks, mate. Just beer and coke.” Vrij opmerkelijk voor een tent die The Coffee House heet. Ik vind het erg gezellig hier. Ik ben helemaal geen uitgaanstype, maar hier zou ik prima aan kunnen wennen, op zondagmiddag in de lokale pub voetbal kijken met een halve liter bier voor m’n neus.
Na de wedstrijd nemen we dan toch de bus naar Liverpool John Lennon Airport. Rond half zeven stijgen we op richting Schiphol. Het was echt een indrukwekkend weekend. Alsof we een paar dagen rondliepen door een Beatles-documentaire. Maar na drie volle dagen onze kinderen te hebben moeten missen is het ook heel fijn om weer naar huis te gaan…

Leave a comment »

Boterhammie en Crackertje

Ik werd, zoals veruit de meeste mensen, geboren als eenling. Bijna 38 jaar later werd ik vader van een tweeling. Sindsdien ben ik best een beetje jaloers. Met terugwerkende kracht had ik ook heel graag de helft van een tweeling willen zijn.

De band die onze dochters met elkaar hebben, is dagelijks hartverwarmend. Natuurlijk is er af en toe wel eens ruzie, maar overwegend zijn ze het enorm met elkaar eens. Als de één iets bedenkt, dan vindt de ander het eigenlijk automatisch een fantastisch idee. Als Sam besluit dat het huis van de oma van Roodkapje zich onder de eettafel bevindt, dan gaat Anne daar meteen in mee. Wil Anne regenlaarsjes dragen terwijl de straat kurkdroog is, dan is dat voor Sam meteen een keiharde eis. Geef je Sam een vel met honderd Brandweerman Sam-stickertjes en plakt ze die binnen een uur allemaal op twee A4-tjes, dan doet Anne gegarandeerd hetzelfde met haar stickers.

Mijn moeder gebruikt Sammy Boterhammie wel eens als koosnaampje voor Sam. Anne bedacht gisteren zelf dat zij dan Anne Crackertje moet heten. Het rijmt niet, maar het is wel een logisch duo. Ze mogen bij het ontbijt immers kiezen tussen een boterham en een cracker.

“Geniet er maar van, ze zijn groot voordat je het weet.”
Dat is een cliché dat je als ouder heel vaak te horen krijgt. Ik nam die wijsheid altijd ter kennisgeving aan. Tijdens de vele slapeloze nachten toen onze meiden nog baby’s waren, leek het helemaal niet snel te gaan. Toen ik nog elk hapje hoogstpersoonlijk bij ze naar binnen moest lepelen, kon ik niet wachten tot ze eindelijk eens zelfstandig konden gaan eten.

Afgelopen december hadden Linda en ik het eerste kennismakingsgesprek bij de basisschool waar Sam en Anne vanaf augustus naartoe zullen gaan. De afspraak stond al een tijdje, toch vond ik het een beetje schrikken toen het moment daar was. Ik kon het me eigenlijk nog maar amper beseffen. Onze kinderen, vijf dagen per week naar de basisschool? Ineens voelde het alsof ze me vorige maand voor de eerste keer “papa” noemden en een paar weken geleden hun eerste stapjes hadden gezet. Bizar dat we ineens hier al beland waren.

We kregen ook meteen een vraag mee. Moeten ze bij elkaar in de klas komen of niet?

Voor mij was het eigenlijk niet eens een issue. We sturen ze al de wijde wereld in, naar een school met honderen andere kinderen, waar ze beginnen aan een reis van eerst leren en daarna werken, die normaal gesproken zal duren tot ergens in de jaren tachtig van deze eeuw. Dat voelt al best akelig. En dan moeten we ze ook nog eens van elkaar gaan scheiden? Onze meiden, die tot dusver nog nooit langer dan een uur niet samen zijn geweest?

De deskundigen schijnen van mening te verschillen over wat opvoedkundig beter is voor tweelingen. Ze moeten immers ook hun eigen identiteit kunnen ontwikkelen. Niet alleen wij, maar ook twee keer ik. Het mag ook geen kwestie worden van wij samen tegen de rest. En ook geen kwestie van een dominanter kind dat altijd haar zusje op sleeptouw moet nemen.

Het zal allemaal wel. Als het aan mijn weke vaderhart ligt, dan gaan Boterhammie en Crackertje voorlopig nog even hand in hand samen de wijde wereld in…

onkieendonkie

Leave a comment »

Romantisch

In onze jeugd zijn we toevallig allebei op vakantie geweest op camping Domaine de Chalain, bij het gelijknamige Franse meer. En jaren later gingen we allebei met de bus naar Rimini. Maar daar hebben we elkaar nog niet ontmoet.

We bezochten allebei de tempels van Luxor en de piramides van Giza in Egypte. De trappiramide van Chichen Itza en het Mayastadje Tulum in Mexico. Het koloniale Antigua in Guatemala. De souks van Marrakesh en de kashba in Ouarzazate in Marokko. Het amfitheater in Amman en de Schatkamer van Petra in Jordanië. Het zou wel romantisch zijn geweest als we elkaar op één van die plaatsen hadden leren kennen, maar helaas. Daar moesten we nog even op wachten.

We waren meerdere keren bij dezelfde editie van Pinkpop. Tientallen keren zaten we bij wedstrijden van PSV allebei in het stadion. Maar ook dat kwamen we achteraf pas van elkaar te weten.

We grepen niet toevallig naar dezelfde sinaasappel bij de Albert Heijn. We botsten niet op straat tegen elkaar op. Ik hoefde niet mijn stoute schoenen aan te trekken toen ik haar ineens zag in een sfeervol café.

Het was wat minder romantisch. We vonden elkaar op een datingsite. Het lijkt een beetje op online winkelen. Je hebt een scherm vol met foto’s voor je en zodra je iets interessants ziet, dan klik je er op. Zo plat is het eigenlijk wel. Ik zag in november 2011 een foto die me direct aansprak. Een mooie bos donkere krullen, een kalme glimlach, vriendelijke bruine ogen. Ik klikte en zag een profiel waar ik rechtop van ging zitten. Haar interesses kwamen bijna één op één overeen met die van mij. Alternatieve muziek, festivals, voetbal, PSV, reizen. Het opstellen van een eerste berichtje voelde soms als het schrijven van een sollicitatiebrief, nu ging het als vanzelf. Evenals het mailcontact dat volgde, het eerste gesprek op het terras van De Vooruitgang… Eigenlijk zoals sindsdien bijna alles.

Het is me al meer dan eens gevraagd of ik het niet jammer vind, dat we elkaar niet op een meer romantische manier hebben leren kennen.

Nee, eigenlijk niet. Dankzij die klik op die foto zijn we inmiddels samen in vijf werelddelen geweest, hebben we samen landstitels van PSV gevierd en hebben we samen een aardig rijtje festivals bezocht. We zijn zelfs een keertje met z’n tweetjes naar Chalain gegaan, for old times’ sake. En ook dankzij die klik zit ik, terwijl ik dit schrijf, Nijntje te kijken met twee prachtige kinderen.

Ze zeggen wel eens dat de reis belangrijker is dan het doel. De reis is ook veel belangrijker dan hoe je vertrokken bent.

DSC05784

Comments (1) »