Enge man

IMG_0256

Ik werk bij een bedrijfje dat gevestigd is op een relatief klein bedrijventerrein in een dorp. Dat terrein grenst direct aan een rustig gebied met veel groen en een mooi visvijvertje. Tijdens mijn pauzes ga ik daar, als de weersomstandigheden het toelaten, wandelen met een collega. We hebben altijd genoeg te bespreken. Het gaat heel vaak over onze kinderen (zij heeft een zoon van twee, ik twee dochters van één), maar ook over reizen en alledaagse koetjes en kalfjes. Die collega is op vrijdag vrij, dus wandel ik dan in mijn eentje. Toch even een frisse neus halen en de werkdag breken. Met mijn iPod in plaats van een gesprekspartner.

Gisteren liep ik weer in mijn eentje richting de visvijver. Ik kwam bij een kruising. Vanuit een andere richting kwam een kleine, tengere, jonge vrouw. Ze was ook alleen. Ze was iets eerder bij de kruising dan ik en ging ook richting de visvijver. Ik liep ineens dus een paar meter achter haar. Er stonden bomen aan beide kanten van het pad. Er was verder nergens iemand te zien. Ik was in gedachte verzonken, The Beach Boys klonken in mijn oren. Plotseling draaide de vrouw zich om. Een stuk sneller dan ze richting visvijver had gelopen, liep ze nu de andere kant op.

Het zou best kunnen dat ze zich ineens bedacht dat ze iets vergeten was. Of dat ze bij nader inzien toch een ander rondje wilde gaan lopen.

Maar ik moest meteen denken aan het grote nieuws van een dag eerder. Een Utrechtse studente was na een vermissing van twee weken dood gevonden. Ze was op een dag zomaar een stukje gaan fietsen, had halverwege nog een selfie naar haar vriend gestuurd en daarna waren zijn appjes naar haar niet meer aangekomen. Ze was ineens weg. Verschillende dagen later was er plotseling een verdachte. Een man die in 2010 twee minderjarige meisjes gruwelijk had verkracht en daar achteraf geen spijt over had betuigd. Sterker nog, hij was trots op wat hij had gedaan. Zijn droom was uitgekomen. Dat daarmee levens van anderen waren verwoest, dat gaf blijkbaar niet. En nu had hij dus een leven niet alleen verwoest, maar zelfs beëindigd. Voor zijn eigen plezier.

Veel Nederlanders waren twee weken in de greep van de vermissing van Anne Faber. Dit was de grootste nachtmerrie van iedereen die een vrouw, dochter, moeder, zus of vriendin heeft die ook wel eens fietst of loopt op een plek waar niet heel veel ooggetuigen zijn. En die nachtmerrie was ineens realiteit en werd breed uitgemeten in de kranten en op de nieuwssites. Het hield ook mij best een beetje bezig. Ik heb een vriendin die regelmatig ’s avonds naar huis moet fietsen. Ik heb twee dochters die dat later ook wel eens zullen moeten.

Ik kan best van mezelf zeggen dat ik geen vlieg kwaad doe. De laatste keer dat ik iemand geslagen heb, was volgens mij op de basisschool. Ik heb al vijftien jaar geen vlees meer gegeten, omdat ik echt elk levend wezen een fijn en lang leven gun. Maar ik ben wel een man, met een vaak ongeschoren gezicht, een van nature ietwat norse blik en een stevig postuur. En ik liep gisteren enkele stappen achter een jonge vrouw, waarschijnlijk maar half zo zwaar als ik, met niemand anders in de buurt. En ik zag haar ineens omdraaien en snel weglopen.

Even later was ik weer bij de visvijver. Ik vind het een prachtige plek. Ik vreesde dat die zojuist voor iemand anders beangstigend geworden was. Door het nieuws van een dag eerder en door een man die achter haar liep.

Advertenties

Leave a comment »

Drempel

Paul

Vandaag precies twee jaar geleden. Linda en ik stappen uit een taxi in de Ecuadoriaanse stad Cuenca. Het is al donker. We hebben er een hele lange busrit vanuit Baños opzitten, hebben daarna met veel moeite deze taxi kunnen krijgen en sleuren nu voor de deur van een hostel onze backpacks uit de kofferbak. We lopen naar binnen en informeren naar de beschikbare kamers. Enkele minuten later storten we neer op bed. Ik pak mijn telefoon en log in op wifi. Ik krijg een appje binnen. Van mijn moeder. “Het is hem gelukt. Onze Paul is dood.”

Mijn vader komt uit een gezin met acht kinderen, bij mijn moeder thuis hadden ze er zes. In beide gezinnen was het jongste kind een jongen. Dat waren mijn ooms Jos en Paul.

Jos vond ik een lieve, aardige oom. Hij bracht vaak uren achter zijn stereotoren door, om met of voor mij cassettebandjes samen te stellen met mijn favoriete liedjes. En heel soms streek hij over z’n hart en mocht ik één van zijn dierbare platen hebben. Paul kwam op mij wat afstandelijker over. We hadden niet echt een band. Wellicht was hij gewoon wat geslotener en had hij een wat hogere drempel.

Mijn ooms hadden wel een levensloop met flink wat overeenkomsten. Allebei geboren aan het begin van de jaren zestig. Allebei de jongste uit een arbeidersgezin in een plattelandsdorpje. Allebei al jong een grote bril op het hoofd en niet zo populair op school. Allebei een vrouw gevonden met een pittig karakter. Allebei getrouwd, allebei kinderen gekregen. Allebei gescheiden, allebei met als gevolg dat ze hun kinderen niet meer te zien kregen. Allebei hadden ze daarna wat persoonlijke problemen. En allebei hebben ze uiteindelijk een einde aan hun leven gemaakt. Allebei in de badkamer. Ome Jos in 2010, hij werd 49 jaar oud. Paul in 2015, hij werd 53.

Ik heb Jos en Paul allebei wel eens over zelfdoding horen praten. Dat klonk dan weer heel anders. Jos vooral hulpeloos. Hij wilde wel dood, maar zelfmoord plegen durfde hij niet. Zomaar op een ochtend niet meer wakker worden, daar hoopte hij eigenlijk op. Paul klonk vooral kwaad. Hij had destijds al minstens één poging gedaan. “Maar was je achteraf niet blij dat die poging niet gelukt was?” vroeg iemand. “Nee!” zei hij resoluut. “Ik was piswoest!”. Hij klonk nog steeds piswoest. Er zouden daarna meer pogingen volgen.

23 Augustus 2015 in Cuenca, Ecuador. Linda en ik zitten als enige gasten in een klein restaurantje te dineren. Ik ben nog best een beetje beduusd van het nieuws. Ik denk aan de laatste keer dat ik Paul sprak. Op een verjaardag. Toen hadden we het over PSV, wat altijd een gezamenlijke interesse was waar we het wel over konden hebben. Er schieten me ineens twee herinneringen te binnen. Dat hij mijn broer en mij vroeger eens meenam naar de open dag van PSV, omdat mijn ouders geen tijd hadden. Dat hij mijn toenmalige favoriete PSV-er Gerald Vanenburg bij het vissen tegen het lijf was gelopen en een handtekening voor me mee had genomen. Bij een gezamenlijke interesse was de drempel blijkbaar laag genoeg. En was hij gewoon een hele leuke oom. Net zoals mijn oom Jos, maar dan op zijn eigen manier.

Ik kijk nog eens op mijn telefoon. Ik zie die zin weer die meestal goed nieuws betekent, maar nu niet. “Het is hem gelukt”.

Comments (2) »

Hints

Ik word soms achtervolgd door liedjes. En dan heb ik het niet over liedjes die veel te vaak gedraaid worden op de radio (hallo Ed Sheeran), of over liedjes die alsmaar in mijn hoofd blijven hangen ondanks dat ik ze vreselijk vind (nogmaals hallo Ed Sheeran). Ik heb het over liedjes die je niet dagelijks hoort, maar die ineens mijn aandacht trekken en daarna steeds maar op blijven duiken. Soms zo vaak dat de hoeveelheid toeval een beetje belachelijk wordt.

Een voorbeeld. Enkele jaren geleden. Ik zat op mijn werk en hoorde ‘Enjoy the Silence’ van Depeche Mode op de radio. Destijds stond elke zaterdag op de markt in Tilburg een kraam met tweedehands platen en ik nam me voor om daar eens te gaan zoeken naar de single van dat liedje. Dus op zaterdagmiddag begon ik door de bakken met afgeleefde singletjes te spitten. In de kraam stond een radio aan. Na een paar minuten kwam ‘ie weer op de radio: ‘Enjoy the Silence’. Ik vond het singletje uiteindelijk niet. Voordat ik naar huis ging, liep ik nog even naar de inmiddels helaas niet meer bestaande platenzaak Tommy. Ik kocht daar de nieuwe ‘Vans Warped Tour Compilation’, een jaarlijks verschijnende verzamel-cd met nieuw werk van een hele hoop punkrockbands. Ik keek op de achterkant en zag een niet eerder uitgebracht nummer van mijn favoriete punkband No Use For A Name: een cover van ‘Enjoy the Silence’.

Recentelijk had ik weer zoiets. Ik hoorde een liedje op de radio. Ik herinnerde het me heel vaag, van lang geleden, uit mijn jeugd. Het was zo’n liedje dat je maar eens in de zoveel jaar op de radio hoort. Ik vond het mooi, het had vooral een heel erg goed refreintje. Dit was er eentje die ik moest onthouden. Dus zette ik de titel en de naam van de uitvoerende in een Word-bestandje en sloeg dat op. Maar uiteindelijk vergat ik het toch weer. Een paar maanden daarna schoot het me ineens weer te binnen, die notitie. Waar stond dat bestandje? Ik wist het niet meer. Hoe heette dat liedje, hoe heette die zanger? Geen idee. Dus begon ik te malen. Ik kwam er maar niet op. Een paar dagen later wist ik het zomaar ineens weer, terwijl ik op mijn werk zat. Het was Duncan Browne, met ‘Wild Places’. Nog geen vijf minuten later hoorde ik op Radio 2 de DJ iets aankondigen. “Zo meteen na het nieuws, Duncan Brown met ‘Wild Places’…”. Mijn mond viel eventjes open van verbazing. “Hee, da’s een mooi nummer”, hoorde ik een collega zeggen.

Een aantal dagen later hoorde ik een ander liedje voorbij komen terwijl mijn iPod op shuffle stond. Ook erg mooi. Het was een nummer van een verzamel-CD met obscure folkliedjes uit de jaren zestig die ik eens geupload had. Ik keek op het schermpje naar de naam van de uitvoerende. Daar was ‘ie ineens weer. Duncan Browne.

Ik ging maar eens wat research doen naar hem. Deze Engelse zanger, liedjesschrijver en multi-instrumentalist was geboren op 25 maart 1947. Hij bracht in 1968 zijn debuutalbum ‘Give Me Take You’ uit op Immediate Records, het platenlabel van Rolling Stones-manager Andrew Loog Oldham. Niet lang daarna ging Immediate ter ziele en mede daardoor verdween ‘Give Me Take You’ al heel snel in de obscuriteit. De plaat werd zo zeldzaam, dat verzamelaars later honderden euro’s zouden gaan betalen voor een goed exemplaar. Met Browne’s loopbaan kwam het nooit helemaal goed. Hij kwam in zijn thuisland uiteindelijk maar tot één bescheiden hitje: ‘Journey’ ging in 1972 naar nummer 23. De single ‘Wild Places’ was alleen in Nederland een hit, maar wel tweemaal: in 1979 ging het naar nummer 7, in 1991 naar plek 28. Op 28 mei 1993 overleed Browne op 46-jarige leeftijd aan kanker, na slechts vier albums gemaakt te hebben.

Er bleek ook nog eens een link te zijn tussen Browne en twee liedjes die in mijn top tien aller tijden staan, ‘I Won’t Let You Down’ van Ph.D. en ‘(How Can We) Hang on To a Dream’ van Tim Hardin. Browne nam zijn album ‘The Wild Places’ op met een begeleidingsband waarin onder meer toetsenist Tony Hymas en drummer Simon Phillips zaten. Zij zouden drie jaar later met zanger Jim Diamond het trio Ph.D. vormen. De bekendste versie van ‘Hang on To a Dream’ is wellicht niet het origineel van Tim Hardin zelf, maar de veel langere progrockversie van de Britse band The Nice. En die was dus gearrangeerd door Duncan Browne.

Ik ben niet iemand die gelooft in boodschappen uit het hiernamaals. Maar toch, dit begon inmiddels te lijken op een reeks nauwelijks te missen hints.

En dus bestelde ik een heruitgave van het album ‘Give Me Take You’. Die viel gisteren op de deurmat. De nummers hierop klinken in de verste verte niet als de softe, gelikte elektrische rock van ‘Wild Places’. Browne klnkt op zijn debuutalbum eerder als een minstreel. De liedjes zijn akoestisch, sfeervol en hoogst melancholisch, ze combineren pop, folk en barok en bevatten prachtige, spookachtige koortjes. De meer ingetogen liedjes doen sprookjesachtig en middeleeuws aan, terwijl de meer poppy liedjes me doen denken aan één van mijn favoriete albums, ‘Odessey and Oracle’ van The Zombies. Niet echt een gevalletje van “take me to the wild places” dus, zoals Browne zong op zijn enige Nederlandse hit. Maar ik vond het bij de eerste luisterbeurt al een prachtige plaat. Eentje waar ik ongetwijfeld nog vaak plezier van zal hebben.

Op deze manier wil ik best nog wel een paar keer achtervolgd worden.

dunc

Leave a comment »

Oude tijden

Er is voor mij aardig wat veranderd in iets meer dan vijf jaar tijd. Ik leerde mijn vriendin kennen, ging met haar samenwonen, verruilde mijn geboortedorp voor de grote stad, wisselde tussendoor nog even drie keer van baan en werd vorig jaar vader van twee dochters. Met name in de afgelopen acht maanden zagen mijn dagen er heel wat anders uit dan voorheen. Zorg dragen voor twee baby’s die heel vaak gevoed en verschoond moeten worden, die meer willen dan ze kunnen en die nog niet aangeven wat er precies mis is met ze, dat is nogal een aanslag op je vrije tijd. En daar was ik altijd erg op gesteld. Die omschakeling was dus best even slikken. Uiteraard heb ik het er graag voor over, uiteraard hoort het erbij, uiteraard is het allemaal voor een goed doel, uiteraard krijg je er heel veel voor terug, enzovoort. Maar toch.

En net nu alles zo anders is, herleven ineens oude tijden. Een paar weken geleden was ik bij het eerste reünie-optreden van Undeclinable Ambuscade. De laatste keer dat ik deze band had zien spelen was meer dan tien jaar geleden. Eind jaren negentig en in de eerste jaren van deze eeuw was het mijn favoriete Nederlandse punkrockband. Talloze keren zag ik ze optreden, de ene keer in een jeugdhonk met dertig man, de andere keer in een volle Lowlands-tent. In 2005 stopte hun zanger ermee, de groep ging op een lager pitje nog een paar jaartjes door en gaf er toen de brui aan. Nu waren ze terug, mét de originele zanger. En intussen hadden ook de Travoltas het weer op hun heupen gekregen. Mijn ándere favoriete Nederlandse punkrockband, nog zo eentje die ik rond de eeuwwisseling zo’n beetje elke maand wel ergens zag spelen. Hun eerste nieuwe album in dertien jaar tijd viel afgelopen vrijdag op mijn deurmat.

Maar dat was nog niets bij wat er de dag daarna gebeurde: ik kreeg de eerste vinyl-EP van mijn huidige eigen band in handen. Ik had tussen 2002 en 2006 al vier CD’s en drie vinyl-EP’s uitgebracht met mijn toenmalige bands, maar daarna was de productie gestokt. Maar nu was ‘ie eindelijk een feit, mijn eerste officieel uitgebrachte plaat in elf jaar. Als klap op de vuurpijl hadden we, en ook dat was voor mij al erg lang geleden, twee optredens binnen drie dagen. Bovendien was het tweede optreden in het voorprogramma van het Californische Ignite. Twintig jaar geleden één van de allereerste hardcore-punkbands waar ik voor viel. De band waar ik jarenlang stad en land voor afreisde. Hun CD’s zaten bijna vastgeroest in mijn discman toen ik elke dag twee keer een uur in de bus van en naar het Grafisch Lyceum zat. Twintig jaar later mocht ik eindelijk zelf een podium delen met die band. Mijn achttienjarige zelf zou het amper hebben kunnen geloven.

Bijna acht uur, maandagavond. In sta in de Baroeg in Rotterdam. We zijn net klaar met spelen. Nu nog twee andere bands, dan pas komt Ignite. Mijn vriendin is intussen ook niet thuis, dus zijn de kinderen logeren bij mijn ouders. Ik begin ineens wat voor en tegens tegen elkaar te zetten. Wil ik Ignite straks nog zien? Ja! Natuurlijk! En de bands die daarvoor nog komen? Ja! Maar ik zou ook nu naar huis kunnen gaan. Ik heb overdag gewoon gewerkt, het is dus een lange dag geweest. Ik moet nog 120 kilometer rijden. Ignite speelt pas om een uur of tien. Ik zie ze aanstaande zondag ook, op Groezrock. Mijn auto staat, met mijn versterker en gitaren er al in, geparkeerd in een straat waarin ik zwervers zag lopen. Thuis wacht een stil huis, voor één avond en nacht zonder baby’s die elk moment af kunnen gaan. En daar staat ook een wekker die morgen wél weer vroeg af zal gaan.

Ik twijfel even. En dan ga ik naar huis. Ik vond het fantastisch dat 2002 weer even op bezoek is gekomen. Dat ‘ie nog maar heel vaak terug mag komen. Maar ik ben geen 21 meer. En dat geeft niet. Het is prima zo.

ofrt

Leave a comment »

Boekrecensies ‘I Am Brian Wilson’ en ‘Good Vibrations: My Life as a Beach Boy’

14612444_10207203814405792_7855223819684455230_o

Brian Wilson en Mike Love zijn neven. Ze groeiden samen op in het Californische Hawthorne, een voorstad van Los Angeles, en met Brian’s broers Dennis en Carl en schoolvriend Al Jardine begonnen ze 56 jaar geleden één van de meest succesvolle bands die Amerika ooit kende, The Beach Boys. De twee schreven samen wereldhits als ‘Good Vibrations’, ‘California Girls’ en ‘I Get Around’. Als songschrijvers vulden ze elkaar aan: Wilson was het muzikale genie en schudde de briljante melodieën uit zijn mouw, Love was de commerciële denker die wat beter aanvoelde wat de grote massa wilde horen.

Door deze tegenstelling kwamen ze echter ook lijnrecht tegenover elkaar te staan. Terwijl de introverte Wilson circa 1966 wel een beetje klaar was met de zonnige zomerliedjes en met de grensverleggende, ambitieuze albums ‘Pet Sounds’ en ‘SMiLE’ zijn artistieke hart volgde, wilde de zakelijke Love vasthouden aan de bekende succesformule en vrolijke popliedjes blijven zingen totdat hij er bij neerviel (dat laatste kun je vrij letterlijk nemen, de inmiddels 75-jarige Love staat nog altijd zo’n 150 keer per jaar op de planken om alle grote Beach Boys-hits te zingen).

Enkele maanden geleden brachten de twee meest gezichtsbepalende Beach Boys vrijwel gelijktijdig een autobiografie uit, wat een interessante gelegenheid oplevert om deels hetzelfde verhaal vanuit twee heel verschillende invalshoeken te lezen.

Ghostwriter Ben Greenman is er in geslaagd om Wilson’s typische manier van praten en gevoel van humor erg treffend te vangen in ‘I Am Brian Wilson’. De zinnen zijn precies zo geformuleerd als je zou verwachten dat de Beach Boy dat zou doen. Het kost geen enkele moeite om tijdens het lezen zijn stem in je achterhoofd te horen en de vertellingen zijn doorspekt met zijn kenmerkende, gortdroge “Brianisms”. Het resultaat is een echte monoloog op papier die lekker weg leest. Wat voor sommigen wel een probleem kan zijn, is dat ‘I Am Brian Wilson’ vaak speels van de hak op de tak springt (zoals Wilson in interviews ook regelmatig doet) en niet altijd veel uitleg biedt. Als het verhaal van The Beach Boys en de bijbehorende namen je nog niet zo bekend zijn, dan is het daardoor wellicht soms wat moeilijk te volgen.

Aan het einde van het boek vertelt Wilson jou, de lezer, dat hij zo meteen uit de auto gaat stappen om te gaan repeteren voor zijn optreden van vanavond. En dat is een afsluiting die treffend gekozen is. Het lezen van ‘I Am Brian Wilson’ voelt inderdaad als een ontspannen rit op de achterbank van een auto, samen met het brein achter The Beach Boys, die je ongedwongen even alles verteld heeft wat je wilde weten over zijn leven. Ondanks de diepe dalen die Wilson meemaakte (de depressies, de verslavingen, het overlijden van zijn broers, de stemmen in zijn hoofd, de jaren waarin de ontspoorde psychotherapeut Eugene Landy zijn leven totaal beheerste) blijft het verhaal verrassend luchtig van toon en overheerst het gevoel van een happy end.

Voor Mike Love’s autobiografie is een andere benadering gekozen. Door de wat afstandelijke schrijfstijl en de stortvloed aan gedetailleerde feiten en cijfers voelt ’Good Vibrations: My Life As a Beach Boy’ nooit als een authentieke autobiografie. Desondanks is het meer dan zomaar het zoveelste boek over The Beach Boys. Enerzijds omdat het al zo vaak vertelde verhaal van “America’s Band” hier aangevuld wordt met een flinke dosis nieuwe details, anekdotes en feitjes die ik nog nergens anders gelezen heb. Anderzijds omdat nu Love’s eigen, in andere boeken behoorlijk onderbelichte kant van het verhaal verteld wordt.

Mike Love heeft de dubieuze eer één van de meest impopulaire muzikanten uit de popgeschiedenis te zijn en te worden gehaat door veel van de fanatiekere fans van zijn eigen band. In zijn eigen autobiografie krijgt hij uiteraard alle ruimte om een aantal van zijn vaak bekritiseerde keuzes te motiveren. En die ruimte benut hij volop. Hij blijkt heel goed op de hoogte te zijn van de verhalen en de meningen die over hem in het rond gaan en pakt die in ‘Good Vibrations’ één voor één aan. En het moet gezegd worden, zijn kant van het verhaal klinkt toch niet zelden verrassend redelijk. In de Beach Boys-geschiedenis wordt Love vaak afgeschilderd als de pocherige, onsympathieke dwarsligger van het stel. En eigenlijk doet hij hier ook niet echt moeite om dat beeld te laten verdwijnen. Maar de oudste Beach Boy zet zich tevens neer als een trotse, hardwerkende muzikale ondernemer, die zichzelf en de band staande moest houden tussen die losgeslagen, soms ondraaglijke Wilsons. En toegegeven, ook dat beeld zal ongetwijfeld grotendeels kloppen.

Er zijn al veel boeken verschenen over The Beach Boys en Brian Wilson. Voor lezers die maar één willen lezen, blijft ‘Catch a Wave: The Rise, Fall and Redemption of Brian Wilson’ van Peter Ames Carlin wat mij betreft de grootste aanrader. Maar heb je daarna behoefte aan bonus features, dat is ‘I Am Brian Wilson’ je director’s commentary en zijn ‘Good Vibrations: My Life as a Beach Boy’ je alternate camera angles.

Leave a comment »

Brullen

Het wellicht meest geruststellende geluid dat ik ooit hoorde was Anne’s eerste huiltje. Haar drie minuten oudere zusje Sam lag al veilig in de handen van een verpleegster, maar zij moest ook nog even geboren worden. Ze kwam naar buiten met de navelstreng strak om haar nek. Het zag er akelig uit. Ik keek naar de gezichten van de dames die met haar aan de slag gingen, zoals ik bij stevige turbulentie in een vliegtuig ook altijd kijk naar de stewardessen. Als zij op hun gemak zijn, dan zal het wel in orde zijn, zij weten immers wat normaal is en wat niet. Ik zag, dacht ik, geen paniek bij de assistent-gynaecoloog en de verpleegster. Wel flinke haast. Enkele tellen later was de navelstreng doorgeknipt. Tot mijn grote opluchting zette Anne het snel daarna op een brullen.

Bijna drie maanden later. Sam ligt nietsvermoedend op het matje op de behandeltafel en kijkt met grote ogen naar boven. Zoals een toerist vol verwondering een eerste blik kan werpen op één van de Wereldwonderen, zo kan zij staren naar een wit plafond. De jeugdarts vraagt of ik even haar handjes vast wil houden. Ik geef haar mijn wijsvingers, die ze zoals altijd meteen stevig vastgrijpt. Ik weet dat dit voor haar eigen bestwil is, maar ik voel me een beetje alsof ik medeplichtig ben aan een wrede misdaad die binnen enkele tellen gepleegd gaat worden. De mevrouw tegenover me gaat een klein, onschuldig meisje pijn doen. Mijn bloedeigen dochter. En ik werk eraan mee. Dan zie ik de naald haar kleine, mollige beentje in gaan. Het duurt een ademhaling voordat het besef er bij haar is, maar dan gaat het luchtalarm af. Sam zet het op een hartverscheurend brullen en haar hoofdje wordt vuurrood. Ik voel mijn stem overslaan als ik “Rustig maar, het is al voorbij” in haar oortje fluister.

Er zijn de afgelopen drie maanden meer dan genoeg momenten geweest waarop hun gehuil andere gevoelens bij me opriep. Waarop ik meer medelijden had met Linda en mezelf dan met hen. Als het weer eens tot een uur of vijf onrustig bleef, terwijl om zeven uur mijn wekker zou gaan. Als het na tien keer op en neer lopen naar de babykamer eindelijk een kwartiertje stil was, waarop het gehuil gewoon weer begon. Als Sam’s ogen na drie uur zeuren dicht begonnen te vallen, waarna ineens die van Anne open gingen. Als ondanks uren wiegen, fluisteren, zingen, voeden, rondlopen en knuffelen toch weer diep in de nacht een schreeuwwedstrijd uitbrak. Alsof we een wekker hadden die zeker een keer of tien per nacht afging en waarbij het steeds een raadsel was hoe je ‘m weer uit kon krijgen.

De jeugdarts is klaar met Sam. Ik mag haar in haar dekentje wikkelen en zo meteen aan gaan kleden. Veilig weg van die stomme naald. Vol medelijden probeer ik haar te troosten terwijl ze nog wat na aan het zeuren is. Ik begrijp even niet zo goed meer hoe ik me heb kunnen irriteren aan dit huiltje.

Maar als ik er een nachtje over slaap, dan denk ik daar misschien weer heel anders over.

Leave a comment »

Bedankt voor de tip

Circa 2003 speelde ik in twee hardcorebands en was er nog een derde waarbij ik zo nu en dan inviel. Er waren soms weken waarin ik vijf of zes avonden op het podium of in een repetitiehok herrie stond te maken. Als ik tijd had, bezocht ik ook optredens van andere hardcore- en punkbands. En als ik thuis was, dan luisterde ik eigenlijk ook maar zelden naar andere muziek. Het is dus niet zo heel vreemd dat ik inmiddels al enkele jaren rondloop met een permanente fluittoon in mijn linkeroor.

Ik ben deze muziek nooit beu geworden, ik luister er nog steeds naar, wel kreeg ik rond die tijd steeds meer behoefte aan iets anders. Aan mooiere, kalmere muziek. Deze honger werd in eerste instantie voornamelijk gestild door een oude jeugdliefde, The Beatles. Ik kan me niet eens herinneren wanneer ik die band voor de eerste keer opmerkte, of wanneer hun muziek echt tot me doordrong. In mijn beleving zijn The Beatles er altijd al geweest. Het was dus een logische stap om hun platen weer op te zoeken en daarmee begon een hevige Beatles-fase van enkele maanden. Ik draaide hun albums grijs en was zelfs nog meer gefascineerd door de drie ‘Anthology’ dubbel-CD’s, die vol staan met demo’s en alternatieve versies en een mooi kijkje in de keuken bieden.

In april 2004 nam ik met mijn band Striving Higher een album op in een studio in Utrecht. Onze drummer Jeroen was een hele grote fan van The Beach Boys, een muur van zijn studentenkamer was helemaal bedekt met hoezen van Beach Boys-LP’s. Tussen de opnames door kregen we een discussie over onze favoriete bands. Hij verzekerde me dat The Beach Boys echt beter waren dan The Beatles. Ik verklaarde hem voor gek. Beach Boys-liedjes als ‘I Get Around’, ‘Fun, Fun, Fun’ en ‘Surfin’ USA’ vond ik heus wel leuk, maar beter dan psychedelische Beatles-meesterwerkjes als ‘Strawberry Fields Forever’, ‘A Day in the Life’ en ‘I Am the Walrus’? Echt niet. Kom op, zeg. Het melancholische magnum opus van The Beach Boys, ‘Pet Sounds’, had ik ook al wel eens gehoord, maar daarbij was het kwartje nog niet echt gevallen. Dat album is dan ook wat minder toegankelijk dan ’Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band’, het meesterwerk dat The Beatles er in hun creatieve strijd met de Californische collega’s tegenover stelden.

Jeroen adviseerde me om even wat verder te kijken. Verder dan alleen de bekende hits en wat moeilijker verteerbare ‘Pet Sounds’. Volgens hem hadden The Beach Boys vooral daarná hele interessante muziek gemaakt. Hun misschien wel leukste albums kwamen uit toen geen hond ze nog kocht. Nog een beetje sceptisch gaf ik daarop ‘Sunflower’ een kans. Dit album uit 1970 was hopeloos geflopt: het had slechts vier weken in de Amerikaanse album top 200 gestaan, met een 151e plek als hoogste positie. Hitsingles had het ook niet opgeleverd. Ik was vanaf de eerste luisterbeurt echter diep onder de indruk. De plaat stond propvol met prachtige melodieën, schitterende koortjes, rijke instrumentatie, volle arrangementen, positieve energie en zonnige frisheid. En elk nummer klonk weer heel anders dan het vorige. Het waren allemaal op zichzelf staande werkstukjes, alsof ze elk door een andere band gemaakt waren. En toch vond ik ze alle twaalf fantastisch. Ik was meteen nieuwsgierig genoeg om binnen korte tijd nog een aantal Beach Boys-albums aan te schaffen. Platenmaatschappij Capitol had enkele jaren eerder een reeks CD’s uitgebracht met op elk schijfje twee volledige Beach Boys-albums, dus dat schoot lekker op.

‘Sunflower’ staat vol met muzikale pareltjes en barst van de variatie, hetzelfde bleek op te gaan voor de discografie van The Beach Boys als geheel. Zo staat de bijna overambitieuze psychedelische lappendeken ‘Smile’ muzikaal mijlenver af van de  nuchtere seventies-rock van ‘Holland’. De zoete, zomerse pop van ‘All Summer Long’ heeft niet heel veel te maken met de door marijuanawalmen omgeven lo-fi van ‘Smiley Smile’. De luie, lome zomeravondklanken op ‘Friends’ zijn heel andere koek dan de ronkende primitieve synthesizers op het kinderlijke ‘Love You’. De ongepolijste blanke soul op ‘Wild Honey’ is weer heel anders dan de intens melancholische, barokke tonen van ‘Pet Sounds’.

Wat ze echter gemeen hebben, is dat elke plaat barst van de ideeën. Van muzikale rijkdom. Van prachtige melodieën, fantasievolle arrangementen en verraderlijk complexe koortjes. Daardoor hebben ze stuk voor stuk een gelaagdheid waardoor ze mij nooit gaan vervelen en ik er nog altijd zo nu en dan nieuwe elementen in ontdek. Ook bleef de samensmelting van de stemmen van Brian Wilson, Dennis Wilson, Carl Wilson, Mike Love en Al Jardine uniek. Ik heb honderden Beach Boys-covers gehoord, veel van die uitvoeringen zijn ingezongen door uitstekende en misschien zelfs betere zangers, maar nooit hebben ze dezelfde magie, nooit is het op eenzelfde manier een geheel dat veel meer is dan de som van de delen. En dan is er nog het vreugdevolle element dat zelfs in de meest melancholische nummers maar zelden helemaal ontbreekt. Carl Wilson vroeg broer Brian ooit waarom hij dacht dat hun muziek zo succesvol was. Zijn antwoord: “It celebrates the joy of life”. Het viert de vreugde van het leven.

Mijn liefde voor The Beach Boys werd een beetje obsessief. Ik kocht alle albums, zowel op CD als op vinyl. Op platenbeurzen en in platenzaken ging ik steevast eerst naar de B (en nu niet meer voor The Beatles), dan naar de W voor het solowerk van Brian Wilson, daarna kwam eventueel de rest nog. Elk boek en elke DVD die ik over mijn nieuwe favoriete band kon vinden moest ik hebben. Singletjes werden in de jaren zestig en zeventig vaak in elk land met een ander hoesje uitgebracht, dus met het verzamelen daarvan kon ik ook wel eventjes vooruit. Om maar te schetsen hoe erg mijn verzamelwoede uit de hand is gelopen: ik ben eens dolblij een Antwerpse platenzaak uitgelopen omdat ik ergens in een stoffig hoekje een tweedehands exemplaar had gevonden van ‘The Many Moods of Murry Wilson’. Een ronduit slechte LP met zielloze achtergrondmuziek, maar omdat het de enige plaat is die de vader van Beach Boys-leden Brian, Dennis en Carl Wilson uitbracht, vond ik het een onmisbaar collector’s item.

Inmiddels heb ik, solowerk van de vaste bandleden meegerekend, 154 CD’s, 64 LP’s en 114 singles van en 31 DVD’s en 22 boeken over The Beach Boys. Op mijn linkerarm staat sinds enkele jaren het bijtje van de hoes van de Beach Boys-LP ‘Wild Honey’ getatoeëerd. Op mijn rechterarm staat de zon van de hoes van Brian Wilson’s album ‘Smile’, gecombineerd met een notenbalkje met de eerste maten van ‘God Only Knows’, met afstand mijn favoriete liedje ooit gemaakt. Ik kreeg mijn vriendin zelfs zover om dit notenbalkje en het eerste couplet van het nummer op het geboortekaartje van onze tweeling te zetten.

Een week of twee nadat ik ‘Sunflower’ in 2004 voor de eerste keer hoorde, stuurde ik een mailtje naar Jeroen. Ik gaf me gewonnen. The Beach Boys waren echt beter dan The Beatles.

Natuurlijk is dit stukje op de eerste plaats een liefdesverklaring aan mijn favoriete band. Maar als ik het verhaal nog een moraal mag geven (zeker in de tegenwoordig altijd zo roerige Sinterklaastijd), dan is het dat het in discussies goed is om ruimdenkend te blijven, om je even serieus te verdiepen in het standpunt van de ander en om niet te koppig te zijn om af en toe je mening wat bij te stellen.

En als ik het nog een tweede moraal mag geven: je moet echt eens naar ‘Sunflower’ luisteren.

=====

Na het lezen van mijn ‘Liedjesboek’ liet Jeroen me weten dat ik vergeten was om te vermelden dat ik dankzij hem The Beach Boys ontdekt heb. Ik hoop dat dit het een beetje goedmaakt. Mijn liedjesboek is overigens te bestellen door hier te klikken.

Leave a comment »