Oude tijden

Er is voor mij aardig wat veranderd in iets meer dan vijf jaar tijd. Ik leerde mijn vriendin kennen, ging met haar samenwonen, verruilde mijn geboortedorp voor de grote stad, wisselde tussendoor nog even drie keer van baan en werd vorig jaar vader van twee dochters. Met name in de afgelopen acht maanden zagen mijn dagen er heel wat anders uit dan voorheen. Zorg dragen voor twee baby’s die heel vaak gevoed en verschoond moeten worden, die meer willen dan ze kunnen en die nog niet aangeven wat er precies mis is met ze, dat is nogal een aanslag op je vrije tijd. En daar was ik altijd erg op gesteld. Die omschakeling was dus best even slikken. Uiteraard heb ik het er graag voor over, uiteraard hoort het erbij, uiteraard is het allemaal voor een goed doel, uiteraard krijg je er heel veel voor terug, enzovoort. Maar toch.

En net nu alles zo anders is, herleven ineens oude tijden. Een paar weken geleden was ik bij het eerste reünie-optreden van Undeclinable Ambuscade. De laatste keer dat ik deze band had zien spelen was meer dan tien jaar geleden. Eind jaren negentig en in de eerste jaren van deze eeuw was het mijn favoriete Nederlandse punkrockband. Talloze keren zag ik ze optreden, de ene keer in een jeugdhonk met dertig man, de andere keer in een volle Lowlands-tent. In 2005 stopte hun zanger ermee, de groep ging op een lager pitje nog een paar jaartjes door en gaf er toen de brui aan. Nu waren ze terug, mét de originele zanger. En intussen hadden ook de Travoltas het weer op hun heupen gekregen. Mijn ándere favoriete Nederlandse punkrockband, nog zo eentje die ik rond de eeuwwisseling zo’n beetje elke maand wel ergens zag spelen. Hun eerste nieuwe album in dertien jaar tijd viel afgelopen vrijdag op mijn deurmat.

Maar dat was nog niets bij wat er de dag daarna gebeurde: ik kreeg de eerste vinyl-EP van mijn huidige eigen band in handen. Ik had tussen 2002 en 2006 al vier CD’s en drie vinyl-EP’s uitgebracht met mijn toenmalige bands, maar daarna was de productie gestokt. Maar nu was ‘ie eindelijk een feit, mijn eerste officieel uitgebrachte plaat in elf jaar. Als klap op de vuurpijl hadden we, en ook dat was voor mij al erg lang geleden, twee optredens binnen drie dagen. Bovendien was het tweede optreden in het voorprogramma van het Californische Ignite. Twintig jaar geleden één van de allereerste hardcore-punkbands waar ik voor viel. De band waar ik jarenlang stad en land voor afreisde. Hun CD’s zaten bijna vastgeroest in mijn discman toen ik elke dag twee keer een uur in de bus van en naar het Grafisch Lyceum zat. Twintig jaar later mocht ik eindelijk zelf een podium delen met die band. Mijn achttienjarige zelf zou het amper hebben kunnen geloven.

Bijna acht uur, maandagavond. In sta in de Baroeg in Rotterdam. We zijn net klaar met spelen. Nu nog twee andere bands, dan pas komt Ignite. Mijn vriendin is intussen ook niet thuis, dus zijn de kinderen logeren bij mijn ouders. Ik begin ineens wat voor en tegens tegen elkaar te zetten. Wil ik Ignite straks nog zien? Ja! Natuurlijk! En de bands die daarvoor nog komen? Ja! Maar ik zou ook nu naar huis kunnen gaan. Ik heb overdag gewoon gewerkt, het is dus een lange dag geweest. Ik moet nog 120 kilometer rijden. Ignite speelt pas om een uur of tien. Ik zie ze aanstaande zondag ook, op Groezrock. Mijn auto staat, met mijn versterker en gitaren er al in, geparkeerd in een straat waarin ik zwervers zag lopen. Thuis wacht een stil huis, voor één avond en nacht zonder baby’s die elk moment af kunnen gaan. En daar staat ook een wekker die morgen wél weer vroeg af zal gaan.

Ik twijfel even. En dan ga ik naar huis. Ik vond het fantastisch dat 2002 weer even op bezoek is gekomen. Dat ‘ie nog maar heel vaak terug mag komen. Maar ik ben geen 21 meer. En dat geeft niet. Het is prima zo.

ofrt

Leave a comment »

Boekrecensies ‘I Am Brian Wilson’ en ‘Good Vibrations: My Life as a Beach Boy’

14612444_10207203814405792_7855223819684455230_o

Brian Wilson en Mike Love zijn neven. Ze groeiden samen op in het Californische Hawthorne, een voorstad van Los Angeles, en met Brian’s broers Dennis en Carl en schoolvriend Al Jardine begonnen ze 56 jaar geleden één van de meest succesvolle bands die Amerika ooit kende, The Beach Boys. De twee schreven samen wereldhits als ‘Good Vibrations’, ‘California Girls’ en ‘I Get Around’. Als songschrijvers vulden ze elkaar aan: Wilson was het muzikale genie en schudde de briljante melodieën uit zijn mouw, Love was de commerciële denker die wat beter aanvoelde wat de grote massa wilde horen.

Door deze tegenstelling kwamen ze echter ook lijnrecht tegenover elkaar te staan. Terwijl de introverte Wilson circa 1966 wel een beetje klaar was met de zonnige zomerliedjes en met de grensverleggende, ambitieuze albums ‘Pet Sounds’ en ‘SMiLE’ zijn artistieke hart volgde, wilde de zakelijke Love vasthouden aan de bekende succesformule en vrolijke popliedjes blijven zingen totdat hij er bij neerviel (dat laatste kun je vrij letterlijk nemen, de inmiddels 75-jarige Love staat nog altijd zo’n 150 keer per jaar op de planken om alle grote Beach Boys-hits te zingen).

Enkele maanden geleden brachten de twee meest gezichtsbepalende Beach Boys vrijwel gelijktijdig een autobiografie uit, wat een interessante gelegenheid oplevert om deels hetzelfde verhaal vanuit twee heel verschillende invalshoeken te lezen.

Ghostwriter Ben Greenman is er in geslaagd om Wilson’s typische manier van praten en gevoel van humor erg treffend te vangen in ‘I Am Brian Wilson’. De zinnen zijn precies zo geformuleerd als je zou verwachten dat de Beach Boy dat zou doen. Het kost geen enkele moeite om tijdens het lezen zijn stem in je achterhoofd te horen en de vertellingen zijn doorspekt met zijn kenmerkende, gortdroge “Brianisms”. Het resultaat is een echte monoloog op papier die lekker weg leest. Wat voor sommigen wel een probleem kan zijn, is dat ‘I Am Brian Wilson’ vaak speels van de hak op de tak springt (zoals Wilson in interviews ook regelmatig doet) en niet altijd veel uitleg biedt. Als het verhaal van The Beach Boys en de bijbehorende namen je nog niet zo bekend zijn, dan is het daardoor wellicht soms wat moeilijk te volgen.

Aan het einde van het boek vertelt Wilson jou, de lezer, dat hij zo meteen uit de auto gaat stappen om te gaan repeteren voor zijn optreden van vanavond. En dat is een afsluiting die treffend gekozen is. Het lezen van ‘I Am Brian Wilson’ voelt inderdaad als een ontspannen rit op de achterbank van een auto, samen met het brein achter The Beach Boys, die je ongedwongen even alles verteld heeft wat je wilde weten over zijn leven. Ondanks de diepe dalen die Wilson meemaakte (de depressies, de verslavingen, het overlijden van zijn broers, de stemmen in zijn hoofd, de jaren waarin de ontspoorde psychotherapeut Eugene Landy zijn leven totaal beheerste) blijft het verhaal verrassend luchtig van toon en overheerst het gevoel van een happy end.

Voor Mike Love’s autobiografie is een andere benadering gekozen. Door de wat afstandelijke schrijfstijl en de stortvloed aan gedetailleerde feiten en cijfers voelt ’Good Vibrations: My Life As a Beach Boy’ nooit als een authentieke autobiografie. Desondanks is het meer dan zomaar het zoveelste boek over The Beach Boys. Enerzijds omdat het al zo vaak vertelde verhaal van “America’s Band” hier aangevuld wordt met een flinke dosis nieuwe details, anekdotes en feitjes die ik nog nergens anders gelezen heb. Anderzijds omdat nu Love’s eigen, in andere boeken behoorlijk onderbelichte kant van het verhaal verteld wordt.

Mike Love heeft de dubieuze eer één van de meest impopulaire muzikanten uit de popgeschiedenis te zijn en te worden gehaat door veel van de fanatiekere fans van zijn eigen band. In zijn eigen autobiografie krijgt hij uiteraard alle ruimte om een aantal van zijn vaak bekritiseerde keuzes te motiveren. En die ruimte benut hij volop. Hij blijkt heel goed op de hoogte te zijn van de verhalen en de meningen die over hem in het rond gaan en pakt die in ‘Good Vibrations’ één voor één aan. En het moet gezegd worden, zijn kant van het verhaal klinkt toch niet zelden verrassend redelijk. In de Beach Boys-geschiedenis wordt Love vaak afgeschilderd als de pocherige, onsympathieke dwarsligger van het stel. En eigenlijk doet hij hier ook niet echt moeite om dat beeld te laten verdwijnen. Maar de oudste Beach Boy zet zich tevens neer als een trotse, hardwerkende muzikale ondernemer, die zichzelf en de band staande moest houden tussen die losgeslagen, soms ondraaglijke Wilsons. En toegegeven, ook dat beeld zal ongetwijfeld grotendeels kloppen.

Er zijn al veel boeken verschenen over The Beach Boys en Brian Wilson. Voor lezers die maar één willen lezen, blijft ‘Catch a Wave: The Rise, Fall and Redemption of Brian Wilson’ van Peter Ames Carlin wat mij betreft de grootste aanrader. Maar heb je daarna behoefte aan bonus features, dat is ‘I Am Brian Wilson’ je director’s commentary en zijn ‘Good Vibrations: My Life as a Beach Boy’ je alternate camera angles.

Leave a comment »

Brullen

Het wellicht meest geruststellende geluid dat ik ooit hoorde was Anne’s eerste huiltje. Haar drie minuten oudere zusje Sam lag al veilig in de handen van een verpleegster, maar zij moest ook nog even geboren worden. Ze kwam naar buiten met de navelstreng strak om haar nek. Het zag er akelig uit. Ik keek naar de gezichten van de dames die met haar aan de slag gingen, zoals ik bij stevige turbulentie in een vliegtuig ook altijd kijk naar de stewardessen. Als zij op hun gemak zijn, dan zal het wel in orde zijn, zij weten immers wat normaal is en wat niet. Ik zag, dacht ik, geen paniek bij de assistent-gynaecoloog en de verpleegster. Wel flinke haast. Enkele tellen later was de navelstreng doorgeknipt. Tot mijn grote opluchting zette Anne het snel daarna op een brullen.

Bijna drie maanden later. Sam ligt nietsvermoedend op het matje op de behandeltafel en kijkt met grote ogen naar boven. Zoals een toerist vol verwondering een eerste blik kan werpen op één van de Wereldwonderen, zo kan zij staren naar een wit plafond. De jeugdarts vraagt of ik even haar handjes vast wil houden. Ik geef haar mijn wijsvingers, die ze zoals altijd meteen stevig vastgrijpt. Ik weet dat dit voor haar eigen bestwil is, maar ik voel me een beetje alsof ik medeplichtig ben aan een wrede misdaad die binnen enkele tellen gepleegd gaat worden. De mevrouw tegenover me gaat een klein, onschuldig meisje pijn doen. Mijn bloedeigen dochter. En ik werk eraan mee. Dan zie ik de naald haar kleine, mollige beentje in gaan. Het duurt een ademhaling voordat het besef er bij haar is, maar dan gaat het luchtalarm af. Sam zet het op een hartverscheurend brullen en haar hoofdje wordt vuurrood. Ik voel mijn stem overslaan als ik “Rustig maar, het is al voorbij” in haar oortje fluister.

Er zijn de afgelopen drie maanden meer dan genoeg momenten geweest waarop hun gehuil andere gevoelens bij me opriep. Waarop ik meer medelijden had met Linda en mezelf dan met hen. Als het weer eens tot een uur of vijf onrustig bleef, terwijl om zeven uur mijn wekker zou gaan. Als het na tien keer op en neer lopen naar de babykamer eindelijk een kwartiertje stil was, waarop het gehuil gewoon weer begon. Als Sam’s ogen na drie uur zeuren dicht begonnen te vallen, waarna ineens die van Anne open gingen. Als ondanks uren wiegen, fluisteren, zingen, voeden, rondlopen en knuffelen toch weer diep in de nacht een schreeuwwedstrijd uitbrak. Alsof we een wekker hadden die zeker een keer of tien per nacht afging en waarbij het steeds een raadsel was hoe je ‘m weer uit kon krijgen.

De jeugdarts is klaar met Sam. Ik mag haar in haar dekentje wikkelen en zo meteen aan gaan kleden. Veilig weg van die stomme naald. Vol medelijden probeer ik haar te troosten terwijl ze nog wat na aan het zeuren is. Ik begrijp even niet zo goed meer hoe ik me heb kunnen irriteren aan dit huiltje.

Maar als ik er een nachtje over slaap, dan denk ik daar misschien weer heel anders over.

Leave a comment »

Bedankt voor de tip

Circa 2003 speelde ik in twee hardcorebands en was er nog een derde waarbij ik zo nu en dan inviel. Er waren soms weken waarin ik vijf of zes avonden op het podium of in een repetitiehok herrie stond te maken. Als ik tijd had, bezocht ik ook optredens van andere hardcore- en punkbands. En als ik thuis was, dan luisterde ik eigenlijk ook maar zelden naar andere muziek. Het is dus niet zo heel vreemd dat ik inmiddels al enkele jaren rondloop met een permanente fluittoon in mijn linkeroor.

Ik ben deze muziek nooit beu geworden, ik luister er nog steeds naar, wel kreeg ik rond die tijd steeds meer behoefte aan iets anders. Aan mooiere, kalmere muziek. Deze honger werd in eerste instantie voornamelijk gestild door een oude jeugdliefde, The Beatles. Ik kan me niet eens herinneren wanneer ik die band voor de eerste keer opmerkte, of wanneer hun muziek echt tot me doordrong. In mijn beleving zijn The Beatles er altijd al geweest. Het was dus een logische stap om hun platen weer op te zoeken en daarmee begon een hevige Beatles-fase van enkele maanden. Ik draaide hun albums grijs en was zelfs nog meer gefascineerd door de drie ‘Anthology’ dubbel-CD’s, die vol staan met demo’s en alternatieve versies en een mooi kijkje in de keuken bieden.

In april 2004 nam ik met mijn band Striving Higher een album op in een studio in Utrecht. Onze drummer Jeroen was een hele grote fan van The Beach Boys, een muur van zijn studentenkamer was helemaal bedekt met hoezen van Beach Boys-LP’s. Tussen de opnames door kregen we een discussie over onze favoriete bands. Hij verzekerde me dat The Beach Boys echt beter waren dan The Beatles. Ik verklaarde hem voor gek. Beach Boys-liedjes als ‘I Get Around’, ‘Fun, Fun, Fun’ en ‘Surfin’ USA’ vond ik heus wel leuk, maar beter dan psychedelische Beatles-meesterwerkjes als ‘Strawberry Fields Forever’, ‘A Day in the Life’ en ‘I Am the Walrus’? Echt niet. Kom op, zeg. Het melancholische magnum opus van The Beach Boys, ‘Pet Sounds’, had ik ook al wel eens gehoord, maar daarbij was het kwartje nog niet echt gevallen. Dat album is dan ook wat minder toegankelijk dan ’Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band’, het meesterwerk dat The Beatles er in hun creatieve strijd met de Californische collega’s tegenover stelden.

Jeroen adviseerde me om even wat verder te kijken. Verder dan alleen de bekende hits en wat moeilijker verteerbare ‘Pet Sounds’. Volgens hem hadden The Beach Boys vooral daarná hele interessante muziek gemaakt. Hun misschien wel leukste albums kwamen uit toen geen hond ze nog kocht. Nog een beetje sceptisch gaf ik daarop ‘Sunflower’ een kans. Dit album uit 1970 was hopeloos geflopt: het had slechts vier weken in de Amerikaanse album top 200 gestaan, met een 151e plek als hoogste positie. Hitsingles had het ook niet opgeleverd. Ik was vanaf de eerste luisterbeurt echter diep onder de indruk. De plaat stond propvol met prachtige melodieën, schitterende koortjes, rijke instrumentatie, volle arrangementen, positieve energie en zonnige frisheid. En elk nummer klonk weer heel anders dan het vorige. Het waren allemaal op zichzelf staande werkstukjes, alsof ze elk door een andere band gemaakt waren. En toch vond ik ze alle twaalf fantastisch. Ik was meteen nieuwsgierig genoeg om binnen korte tijd nog een aantal Beach Boys-albums aan te schaffen. Platenmaatschappij Capitol had enkele jaren eerder een reeks CD’s uitgebracht met op elk schijfje twee volledige Beach Boys-albums, dus dat schoot lekker op.

‘Sunflower’ staat vol met muzikale pareltjes en barst van de variatie, hetzelfde bleek op te gaan voor de discografie van The Beach Boys als geheel. Zo staat de bijna overambitieuze psychedelische lappendeken ‘Smile’ muzikaal mijlenver af van de  nuchtere seventies-rock van ‘Holland’. De zoete, zomerse pop van ‘All Summer Long’ heeft niet heel veel te maken met de door marijuanawalmen omgeven lo-fi van ‘Smiley Smile’. De luie, lome zomeravondklanken op ‘Friends’ zijn heel andere koek dan de ronkende primitieve synthesizers op het kinderlijke ‘Love You’. De ongepolijste blanke soul op ‘Wild Honey’ is weer heel anders dan de intens melancholische, barokke tonen van ‘Pet Sounds’.

Wat ze echter gemeen hebben, is dat elke plaat barst van de ideeën. Van muzikale rijkdom. Van prachtige melodieën, fantasievolle arrangementen en verraderlijk complexe koortjes. Daardoor hebben ze stuk voor stuk een gelaagdheid waardoor ze mij nooit gaan vervelen en ik er nog altijd zo nu en dan nieuwe elementen in ontdek. Ook bleef de samensmelting van de stemmen van Brian Wilson, Dennis Wilson, Carl Wilson, Mike Love en Al Jardine uniek. Ik heb honderden Beach Boys-covers gehoord, veel van die uitvoeringen zijn ingezongen door uitstekende en misschien zelfs betere zangers, maar nooit hebben ze dezelfde magie, nooit is het op eenzelfde manier een geheel dat veel meer is dan de som van de delen. En dan is er nog het vreugdevolle element dat zelfs in de meest melancholische nummers maar zelden helemaal ontbreekt. Carl Wilson vroeg broer Brian ooit waarom hij dacht dat hun muziek zo succesvol was. Zijn antwoord: “It celebrates the joy of life”. Het viert de vreugde van het leven.

Mijn liefde voor The Beach Boys werd een beetje obsessief. Ik kocht alle albums, zowel op CD als op vinyl. Op platenbeurzen en in platenzaken ging ik steevast eerst naar de B (en nu niet meer voor The Beatles), dan naar de W voor het solowerk van Brian Wilson, daarna kwam eventueel de rest nog. Elk boek en elke DVD die ik over mijn nieuwe favoriete band kon vinden moest ik hebben. Singletjes werden in de jaren zestig en zeventig vaak in elk land met een ander hoesje uitgebracht, dus met het verzamelen daarvan kon ik ook wel eventjes vooruit. Om maar te schetsen hoe erg mijn verzamelwoede uit de hand is gelopen: ik ben eens dolblij een Antwerpse platenzaak uitgelopen omdat ik ergens in een stoffig hoekje een tweedehands exemplaar had gevonden van ‘The Many Moods of Murry Wilson’. Een ronduit slechte LP met zielloze achtergrondmuziek, maar omdat het de enige plaat is die de vader van Beach Boys-leden Brian, Dennis en Carl Wilson uitbracht, vond ik het een onmisbaar collector’s item.

Inmiddels heb ik, solowerk van de vaste bandleden meegerekend, 154 CD’s, 64 LP’s en 114 singles van en 31 DVD’s en 22 boeken over The Beach Boys. Op mijn linkerarm staat sinds enkele jaren het bijtje van de hoes van de Beach Boys-LP ‘Wild Honey’ getatoeëerd. Op mijn rechterarm staat de zon van de hoes van Brian Wilson’s album ‘Smile’, gecombineerd met een notenbalkje met de eerste maten van ‘God Only Knows’, met afstand mijn favoriete liedje ooit gemaakt. Ik kreeg mijn vriendin zelfs zover om dit notenbalkje en het eerste couplet van het nummer op het geboortekaartje van onze tweeling te zetten.

Een week of twee nadat ik ‘Sunflower’ in 2004 voor de eerste keer hoorde, stuurde ik een mailtje naar Jeroen. Ik gaf me gewonnen. The Beach Boys waren echt beter dan The Beatles.

Natuurlijk is dit stukje op de eerste plaats een liefdesverklaring aan mijn favoriete band. Maar als ik het verhaal nog een moraal mag geven (zeker in de tegenwoordig altijd zo roerige Sinterklaastijd), dan is het dat het in discussies goed is om ruimdenkend te blijven, om je even serieus te verdiepen in het standpunt van de ander en om niet te koppig te zijn om af en toe je mening wat bij te stellen.

En als ik het nog een tweede moraal mag geven: je moet echt eens naar ‘Sunflower’ luisteren.

=====

Na het lezen van mijn ‘Liedjesboek’ liet Jeroen me weten dat ik vergeten was om te vermelden dat ik dankzij hem The Beach Boys ontdekt heb. Ik hoop dat dit het een beetje goedmaakt. Mijn liedjesboek is overigens te bestellen door hier te klikken.

Leave a comment »

Donderdag

De echoscopiste klapt de beensteunen van de stoel uit en komt daarbij met haar duim tussen een scharnier. Ze slikt een vloek in en kijkt daarna nog een beetje zuurder dan ze al deed. Plichtmatig doet ze haar werk. Dit extra klusje stond vandaag niet op haar programma. Wij hadden begrepen van wel, dus gaat ze met zichtbare tegenzin toch nog maar een keertje de baarmoedermond controleren. Enkele tellen later verandert haar gezicht. De mimiek die past bij een diepe zucht maakt plaats voor een blik die hoort bij “o jee”.
“Is er iets?”
“De gynaecoloog zal jullie straks bijpraten,” zegt ze. Ze komt niet meer over als een strenge schooljuffrouw.
“Het is niet goed, dus?”
Ze zwijgt. Slechtnieuwsgesprekken zitten niet in haar takenpakket, denk ik.

Gisterenavond zijn Linda en ik uit eten geweest om haar 32e verjaardag te vieren. Vanochtend hebben we uit kunnen slapen, omdat we allebei de ochtend vrij hebben genomen. Het is bloedheet en de zon schijnt fel, de zomer is net drie dagen oud en lijkt een spetterende entree te willen maken. Onbezorgd zijn we uit bed gestapt. Weer een routinecontrole in het ziekenhuis, geen probleem. Tot dusver is alles hartstikke goed gegaan. Voorbeeldig. Onze tweeling groeit prima, bijzonderheden zijn er nog niet geweest, van zwangerschapskwaaltjes heeft Linda nog nagenoeg niets gemerkt.

De gynaecologe die bij de vorige controles een afwezige, verstrooide indruk maakte, komt nu helder over. We zijn ineens geen routineafspraak meer. Er is iets niet goed met de baarmoedermond, zoveel weten we wel. Daar zal dus vast iets aan gedaan moeten worden. Waar moeten we aan denken? Medicijnen, nog vaker controles, een ingreepje…? Het wordt een ziekenhuisopname. Vandaag al. Niet hier in het Catharina Ziekenhuis, op een paar honderd meter van huis, maar in het Maxima in Veldhoven. We krijgen een uurtje om thuis wat spulletjes te pakken, daarna moeten we ons gaan melden. En hoe lang moet Linda dan blijven? Een nachtje? Twee?
“Waarschijnlijk tot aan de bevalling”.

We staan in onze gang. Ik open de voordeur. We gaan. “Kijk nog maar even goed rond,” zeg ik tegen Linda. We zien ons oude leventje in één klap verdwijnen. We hebben er tijdens het inpakken van een zak met kleren en een toilettas afscheid van moeten nemen. Als het echt nodig is dat Linda tot de bevalling in het ziekenhuis blijf, zoals de gynaecologe vrij stellig meedeelde, dan moeten we dus eigenlijk hopen dat ze pas over een dikke twee maanden weer thuiskomt. Ze is immers pas ruim 26 weken zwanger. Als onze meiden op korte termijn geboren worden, wat plotseling een zeer aannemelijk scenario lijkt, dan zijn de risico’s heel groot. Risico’s op problemen met de gezondheid, op leer- en gedragsproblemen, op een lang verblijf in een couveuse. Of erger.

Als ik het verzonnen had dan zou het een afgezaagde metafoor zijn geweest, maar ’s avonds maakt het prachtige zomerweer plaats voor één van de meest hevige onweersbuien die ik ooit mee heb gemaakt.

(Uiteindelijk kreeg het verhaal een goed einde. Linda mocht na tien dagen toch weer naar huis, al werd ze enkele weken later weer opgenomen voor nog eens vijf dagen. Hoewel een baarmoedermond van minder dan een centimeter meestal betekent dat de geboorte binnen een week plaatsvindt, bleef onze tweeling netjes nog een kleine tien weken zitten.)

Leave a comment »

Rectificatie

Ik ben erg zuinig op mijn CD’s. Het gebeurt dan ook vrijwel nooit dat er eentje beschadigd raakt. Desondanks zag ik ineens flinke krassen op mijn exemplaar van de CD ‘Bayside’ van de gelijknamige band, toen ik die een paar jaar geleden weer eens uit de kast haalde. Geen idee hoe of wanneer die erop waren gekomen. Maar ze bleken dusdanig ernstig, dat ik ‘m niet meer af kon spelen. Als je heel erg bijgelovig bent, dan zou je dit als een soort vergelding kunnen zien.
“Dus jij wilde dit album niet aanbevelen aan je lezers? Dan hoef je er zelf ook niet naar te luisteren, wel?”

Ik ging in 2005 schrijven voor Up Magazine en dat ben ik blijven doen totdat het rockblad er in 2014 mee ophield. In die jaren heb ik honderden CD-recensies geschreven, van maar één daarvan heb ik achteraf spijt. In het nummer van september 2005 velde ik een vrij lauw oordeel over het titelloze tweede album van de New Yorkse emo-/punkrockgroep Bayside. Ik vond het een makkelijk in het gehoor liggende plaat met heus wel een paar sterke nummers, maar ik noemde de zang karakterloos, de muziek niet origineel en het songmateriaal kwalitatief wisselvallig.

Daar ben ik na nog wat meer luisterbeurten op teruggekomen. Enkele maanden later had ik eigenlijk het liefst een rectificatie laten plaatsen. Ik rekende ‘Montauk’ en ‘Devotion and Desire’, twee liedjes van dit album, inmiddels tot de beste punkrocknummers van na de eeuwwisseling. Ik werd fan van Bayside en koop nu nog altijd blind alles wat de groep uitbrengt.

Een paar maanden geleden ging ik naar de maandelijkse platenmarkt op het 18 Septemberplein. Na ruim een uur zoeken had ik nog altijd niets interessants gevonden. Ik was eigenlijk alweer op weg naar mijn fiets, maar doorzocht toch nog even een bak met tweedehands CD’s van twee euro per stuk. Tussen de gebruikelijke titels die je altijd in overvloed tegenkomt in dat soort bakken (heel vaak dezelfde albums van Kane, Bon Jovi, Live, James Blunt en Marco Borsato), vond ik een nog prachtig exemplaar van dat titelloze tweede album van Bayside. Zonder krassen. Het hoesje was bovendien gesigneerd door de hele band, inclusief drummer John “Beatz” Holohan. En dat is best bijzonder, aangezien hij minder dan twee maanden na het uitkomen van dit album om het leven kwam bij een ongeluk met de tourbus. Ik rekende snel af, alsof de verkoopster zich anders misschien zou realiseren wat ze hier eigenlijk aan het verpatsen was voor de prijs van een kop koffie.

Ik fietste naar huis. Voor het eerst had ik het gevoel dat een CD en ik weer vriendjes geworden waren.

=====

Nog een paar honderd stukjes van mij over muziek lezen? Klik dan hier om mijn ‘Liedjesboek’ te bestellen.

 

bay-copy

Leave a comment »

5 September 2016

dsc00689

Meer dan eens is me verzekerd dat de dag van de bevalling de mooiste dag van mijn leven zou worden. Ik had daar erg mijn twijfels bij.

Slenteren door de zonovergoten straten van het oude centrum van Havana. Eeuwenoude Maya-ruïnes beklimmen in Mexico. Fietsen tussen de boeddhistische tempels van de Laotiaanse hoofdstad Vientiane. Optreden voor zo’n duizend man op een festivalletje in België. Tegen de verwachtingen toch slagen voor mijn eindexamen. Mijn eerste dagje uit met Linda.

Dat leken me stuk voor stuk toch wat mooiere herinneringen dan urenlang mijn vriendin pijn zien lijden en in spanning af moeten wachten of iedereen de bevalling gezond en wel zou doorstaan. Dat klonk meer als een beproeving.

Maar dat de geboorte heel bijzonder zou worden, dat geloofde ik wel. Je zet een splinternieuw mens op aarde. Iemand die zonder jou niet zou hebben bestaan. Die een hoofdrol zal gaan spelen in de rest van je leven. Dat is nogal wat. En wij gingen het meteen dubbel meemaken, met de geboorte van onze tweeling.

Een magisch moment was het niet. Ik zag geen roze wolken op 5 september 2016. Ik herinner me vooral heel erg veel bloed. Scalpels en scharen.”Gaat het nog, meneer?”, hoorde ik de gynaecoloog vragen. “Ja hoor”, kon ik zeggen omdat ik even de andere kant op keek. Verpleegsters die aldoor riepen dat het hartstikke goed ging, maar die in mijn overbezorgde beleving twijfelende blikken met elkaar uitwisselden. Anne die kort na haar zusje Sam naar buiten kwam met de navelstreng rond haar nek, best een naar gezicht.

Daarna was ik vooral blij dat het voorbij was. Het hele lange wachten. De rugpijn die voor Linda al enkele uren misschien zelfs nog ondraaglijker was dan de weeën. De spanning waar we al in zaten sinds ze ruim tien weken eerder voor de eerste keer opgenomen werd in het ziekenhuis in verband met een dreigende vroeggeboorte.

Pas na de opluchting kwam het besef. Wow… Onze dochters zijn er!

Het was dus niet de mooiste dag van mijn leven. Een ander cliché bleek wel waar. Zodra je je eigen kinderen voor de eerste keer in de ogen kijkt, hou je meteen onvoorwaardelijk van ze. Dan weet je dat ze heel veel toekomstige dagen heel veel mooier zullen gaan maken.

===

Wees gerust, ik ga heus niet alleen maar dit soort zoetsappige stukjes schrijven vanaf nu. Ik blijf bijvoorbeeld ook over muziek schrijven. Daarover gesproken, ik heb een heel boek over muziek geschreven dat best gaaf is, al zeg ik het zelf. Je kunt het bestellen door hier te klikken.

Comments (2) »